Detectie en diagnose van atriumfibrilleren (D2AF)
Titel onderzoek Nederlands
Detectie en diagnose van atriumfibrilleren (D2AF)Titel onderzoek Engels
Detecting and diagnosing atrial fibrillation (D2AF)Onderzoeksvraag
Hoeveel nieuwe AF diagnoses levert opportunistische case-finding op? Wat zijn de diagnostische eigenschappen van pols palpatie, hand-ECG en elektronische bloeddrukmeting met AF-algoritme voor het detecteren van AF? Is opportunistische detectie kosteneffectief?Dit onderzoek is een samenwerking tussen Academisch Medisch Centrum Amsterdam en Universiteit Maastricht. Bekijk hier het onderzoek van het Academisch Medisch Centrum.
Uitgangsvraag PICO
P
65+ in 1e lijn
I
Opportunistische detectie
C
Gebruikelijke zorg
O
aantal mensen met nieuw gediagnosticeerd AF
Onderzoeksinstituut
Maastricht UMCSamenvatting van het onderzoek
In de 47 huisartspraktijken (8874 patiënten met volledige follow-up) die uitgerust waren met een speciale bloeddrukmeter en een mobiel 1-afleiding ECG-apparaat (MyDiagnostick) werden 144 (1,62%) nieuwe patiënten met AF opgespoord. In de 49 praktijken (9102 patiënten met volledige follow-up) die gebruikelijke zorg leverden waren dit er 139 (1,53%). Dit verschil was niet statistisch significant (OR 1,06, 95% (BI) 0,84-1,35). Van de 9218 in aanmerking komende patiënten in de onderzoekspraktijken namen slechts 4106 (44,5%) deel aan het screeningsprotocol. We concluderen dat screening op AF bij patiënten van 65 jaar en ouder die de huisartspraktijk bezoeken niet leidt tot het opsporen van meer nieuwe patiënten met AF. Opportunistische screening op AF lijkt niet zinvol in de Nederlandse eerstelijnszorg.
(BMJ 2020 Sep 16;370:m3208. doi: 10.1136/bmj.m3208).
Startdatum onderzoek
Type onderzoek
DiagnostischAard van het onderzoek
Medisch inhoudelijkDesign van het onderzoek
Randomized (controlled) trial: RCT met nested diagnostic studies.Onderzoeker
drs. S.B. Uittenbogaart & drs. N. Verbiest-van GurpContactpersoon
drs. N. Verbiest-van GurpAndere betrokkenen
dr. H.E.J.H. Stoffers (assistent professor, co-promotor) & prof.dr. H.C.W.P. van Weert (projectleiders)