NHG-Behandelrichtlijn

Zonneallergie

Auteur(s):
Damen Z, Opstelten W

Kernboodschappen

Naar Samenvatting ›
  • Zonneallergie is de meest voorkomende fotodermatose.

  • Zonneallergie is een type IV-overgevoeligheidsreactie (vertraagd-type-overgevoeligheid) na een nieuwe episode van blootstelling van de huid aan uv-straling

  • De voornaamste klacht is jeuk.

  • Bepaal het medicamenteuze beleid op basis van de ernst van de klachten, reeds gebruikte zelfzorgmiddelen en ervaringen van de patiënt tijdens eventuele eerdere episodes van zonneallergie.

  • Adviseer blootstelling aan de zon geleidelijk op te bouwen en zonnebrandcrème met uv-A- en uv-B-bescherming te gebruiken om een recidief te voorkomen.

  • De belangrijkste aandoeningen in de differentiaaldiagnose zijn fototoxische huidreactie en fotoallergisch contacteczeem (het laatstgenoemde komt veel minder vaak voor).

Inleiding

Naar Samenvatting ›

Scope

Naar Samenvatting ›
  • Diagnostiek en behandeling van patiënten met zonneallergie (synoniemen: dermatitis solaris, polymorfe lichteruptie). 

  • Diagnostiek en behandeling van de twee belangrijkste aandoeningen in de differentiaaldiagnose: 

    • fototoxische huidreacties 

    • fotoallergische contacteczeem. 

  • Het meeste onderzoek is gedaan bij volwassenen, maar wij gaan ervan uit dat de aanbevelingen in deze behandelrichtlijn ook van toepassing zijn op kinderen. 

Buiten de scope

Naar Samenvatting ›
  • Zonverbranding valt buiten het bestek van deze behandelrichtlijn.

Achtergronden

Naar Samenvatting ›

Epidemiologie

Naar Samenvatting ›
  • Zonneallergie is de meest voorkomende fotodermatose en komt voor bij 10-20% van de westerse bevolking. 

  • Bij mensen met een licht huidtype is de prevalentie hoger dan bij mensen met een donker huidtype. 

  • Bij vrouwen komt zonneallergie 2 × vaker voor dan bij mannen. 

  • De eerste klachten treden vooral op vanaf de tiener- en jongvolwassen leeftijd. 

Etiologie en pathofysiologie

Naar Samenvatting ›

Zonneallergie

Naar Samenvatting ›
Klinisch beeld
Naar Samenvatting ›
  • Jeukend polymorf exantheem met papels, maculae en/of blaasjes 

  • Het exantheem ontstaat binnen uren of dagen na blootstelling aan uv-straling, beperkt zich tot de blootgestelde huid en is scherp begrensd. 

  • Een specifieke uiting van zonneallergie zijn zogeheten ‘lente-oren’, waarbij jeukend exantheem ontstaat op de oorschelp. 

Oorzaak
Naar Samenvatting ›
  • De oorzaak van zonneallergie is niet helemaal duidelijk. 

  • Waarschijnlijk treedt als gevolg van hernieuwde blootstelling aan uv-straling, bijvoorbeeld in de lente of op zonvakantie, een type IV-overgevoeligheidsreactie (vertraagd-type-overgevoeligheid) op in de huid. 

  • De huidreactie is dosisafhankelijk, dus erger naarmate de blootstelling aan uv-straling groter is geweest. 

  • De huiduitslag kan zich voordoen op de hele (opnieuw) aan uv-straling blootgestelde huid. 

Beloop en prognose
Naar Samenvatting ›
  • Na enkele dagen treedt spontaan herstel op. 

  • In de loop van de zomer dooft de reactie meestal geleidelijk uit en treden minder snel klachten op. 

  • Bij een deel van de patiënten recidiveren de klachten bij elke hernieuwde blootstelling aan uv-straling (zie Details). 

Details
Achtergrond zonneallergie

Zonneallergie (polymorfe lichteruptie, dermatitis solaris) is de meest voorkomende fotodermatose. In een overzichtsartikel wordt de prevalentie onder de bevolking van Centraal-Europa, Scandinavië en de Verenigde Staten geschat op 10 tot 20%. Zonneallergie komt voor op elke leeftijd en vaker bij vrouwen dan bij mannen. In de loop van het zomerseizoen ontwikkelen patiënten vaak tolerantie voor de zon en kunnen zij meer zon verdragen zonder zonneallergie te krijgen. 1 In een crosssectioneel onderzoek werd de gemiddelde voor leeftijd en geslacht gestandaardiseerde ‘lifetime’-prevalentie van zonneallergie berekend op 18%. Het onderzoek werd uitgevoerd in 6 Europese landen, waaronder Nederland, voornamelijk onder personeel van dermatologie-afdelingen (n = 6.895, gemiddelde leeftijd 37±12 jaar, 63% vrouw). Er was geen verschil in prevalentie van zonneallergie tussen noordelijk gelegen landen, zoals Nederland en Noorwegen, en zuidelijk gelegen landen, zoals Frankrijk en Griekenland. De prevalentie was bij vrouwen twee keer zo hoog als bij mannen. De prevalentie was significant hoger naarmate de patiënten een lichter huidtype hadden: de gemiddelde prevalentie was bij huidtype I ongeveer 30%, bij huidtype IV ongeveer 8% (p < 0,001). Tussen de landen waren geen significante verschillen in voorkomen van de verschillende huidtypes, al is bias hier niet uitgesloten aangezien patiënten zelf hun huidtype beoordeelden en vergelijken met anderen om zich heen. In een land waar meer mensen zijn met donkerder huidtypes hebben de begrippen ‘lichte huid’ en ‘makkelijk verbranden’ een andere betekenis dan in een land met veel lichte huidtypes. Dit resulteert mogelijk in een vergelijkbare verdeling van huidtypes in de bevolking, terwijl er waarschijnlijk wel degelijk een verschil bestaat. De klachten van zonneallergie deden zich gemiddeld voor het eerst voor op de leeftijd van 24,7±11,2 jaar. De kans op zonneallergie nam toe met de leeftijd. Ten opzichte van het uitgangsrisico van 1 op de leeftijd jonger dan 20 jaar was de kans op het hebben van zonneallergie in elke hogere leeftijdsgroep (20 tot 30, 30 tot 40, 40 tot 50, > 50 jaar) ongeveer 2. Deze bevinding is illustratief voor het chronische karakter van de aandoening. 2

Kenmerken van de huidtypen (indeling volgens Fitzpatrick) staan in tabel 4.

Tabel 4 Kenmerken huidtypen
Huidtype Anamnese Lichamelijk onderzoek

1

Verbrandt snel en wordt (bijna) niet bruin Lichte huid, vaak sproeten, rossig of lichtblond haar, lichte ogen
2 Verbrandt snel, wordt langzaam bruin Lichte huid, blond haar, lichte ogen
3 Verbrandt zelden, wordt gemakkelijk bruin Licht getinte huid, donker tot bruin haar, vrij donkere ogen
4 Verbrandt bijna nooit, bruint zeer goed Getinte huid, donker haar, donkere ogen. Mediterrane type
5 Verbrandt nooit, bruint zeer goed Aziatisch type
6 Verbrandt nooit, bruint zeer goed Negroïde type
Bron: Huidziekten.nl.


De incidentie en prevalentie van zonneallergie/dermatitis solaris (ICPC S88.04) in de huisartsenpraktijk zijn niet bekend, aangezien alleen gegevens verzameld worden over de overkoepelende ICPC-code S88 (contacteczeem/ ander eczeem).
De overige achtergrondinformatie over zonneallergie is gebaseerd op overzichtsartikelen, leerboeken en de website emedicine.medscape, geraadpleegd in januari 2017. 3 1 4 5

Fototoxische huidreactie

Naar Samenvatting ›
Epidemiologie
Naar Samenvatting ›

Er zijn geen epidemiologische gegevens beschikbaar over fototoxische huidreacties. 

Klinisch beeld
Naar Samenvatting ›

Pijnlijke, branderige, op zonverbranding lijkende, scherp begrensde huiduitslag. 

Etiologie en pathofysiologie
Naar Samenvatting ›
  • Orale of lokale blootstelling aan een stof of geneesmiddel met fototoxische eigenschappen (zie Richtlijnen diagnostiek), in combinatie met blootstelling aan uv-straling. 

  • De huiduitslag ontstaat binnen minuten tot uren na de blootstelling. 

  • De aard van het contact met het fototoxische agens (lokaal of oraal) bepaalt de uitgebreidheid van de reactie. 

  • Stoffen of geneesmiddelen met fototoxische eigenschappen veroorzaken bij iedereen een toxische reactie; deze reactie is dosisafhankelijk. 

  • Aangezien veel stoffen en geneesmiddelen fototoxische eigenschappen hebben, kan worden verondersteld dat fototoxische huidreacties regelmatig voorkomen. 

Beloop en prognose
Naar Samenvatting ›

Het natuurlijke beloop is gunstig. Na enkele dagen treedt spontaan herstel op (zie Details). 

Details
Achtergrond fototoxische en fotoallergische huidreacties

Over de incidentie van fototoxische en fotoallergische huidreacties zijn geen gegevens bekend, behalve dat fototoxische huidreacties regelmatig zouden voorkomen en fotoallergische reacties zelden. 4 5 De achtergrondinformatie is gebaseerd op leerboeken, overzichtsartikelen, de KNMP Kennisbank, geraadpleegd in januari 2017, en een publicatie van het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb. 6 7 1 4 5 8 De lijst van fototoxische en fotoallergische stoffen en geneesmiddelen is niet volledig. Er is grote overlap tussen geneesmiddelen die fototoxische reacties uitlokken en geneesmiddelen die fotoallergische reacties uitlokken.

Fotoallergisch contacteczeem

Naar Samenvatting ›
Epidemiologie
Naar Samenvatting ›

Er zijn geen epidemiologische gegevens beschikbaar over fotoallergisch contacteczeem.

Klinisch beeld
Naar Samenvatting ›
  • Het is een eczeem: jeukende, polymorfe huidaandoening met roodheid, oedeem, papels, blaasjes, korstjes, schilfers en/of lichenificatie (zie NHG-Standaard Eczeem). 

  • Het fotoallergisch contacteczeem is minder scherp begrensd dan zonneallergie of een fototoxische huidreactie, en kan zich enigszins uitbreiden buiten de aan uv-straling blootgestelde huid. 

Etiologie en pathofysiologie
Naar Samenvatting ›
  • De oorzaak is een type IV-overgevoeligheidsreactie (vertraagd-type-overgevoeligheid) na herhaalde orale of lokale blootstelling aan een stof of geneesmiddel met fotoallergische (bij)werking, in combinatie met blootstelling van de huid aan uv-straling. 

  • De huiduitslag ontstaat 1-2 dagen na herhaalde blootstelling. 

  • De huidreactie is niet dosisafhankelijk en kan heftig zijn, ook bij zeer lage blootstelling. 

  • De aard van het contact (lokaal of oraal) bepaalt de uitgebreidheid van de reactie. 

Beloop en prognose
Naar Samenvatting ›
  • Het natuurlijke beloop kan traag zijn; ook bij vermijding van het allergeen kan het 4-6 weken duren voordat het eczeem genezen is. 

  • De allergie is chronisch, dus het eczeem zal bij elke nieuwe blootstelling aan het betreffende allergeen optreden. 

  • Zowel het achterhalen als het vermijden van het veroorzakende allergeen kan in de praktijk lastig zijn (zie Details). 

Details
Achtergrond fototoxische en fotoallergische huidreacties

Over de incidentie van fototoxische en fotoallergische huidreacties zijn geen gegevens bekend, behalve dat fototoxische huidreacties regelmatig zouden voorkomen en fotoallergische reacties zelden. 4 5 De achtergrondinformatie is gebaseerd op leerboeken, overzichtsartikelen, de KNMP Kennisbank, geraadpleegd in januari 2017, en een publicatie van het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb. 6 7 1 4 5 8 De lijst van fototoxische en fotoallergische stoffen en geneesmiddelen is niet volledig. Er is grote overlap tussen geneesmiddelen die fototoxische reacties uitlokken en geneesmiddelen die fotoallergische reacties uitlokken.

Verschillen en overeenkomsten

Naar Samenvatting ›

De belangrijkste verschillen tussen de verschillende fotodermatosen staan samengevat in tabel 1.

Tabel 1 De belangrijkste verschillen en overeenkomsten tussen de verschillende fotodermatosen 

 

Zonneallergie 

Fototoxische huidreactie 

Fotoallergisch contacteczeem 

Epidemiologie 

Komt regelmatig voor 

Is waarschijnlijk zeldzamer 

Seizoen 

Vooral in de lente 

Niet seizoensgebonden 

Oorzaak 

Uv-straling  

Lokaal contact met of inname van fototoxische stof of fototoxisch geneesmiddel in combinatie met uv-straling 

Lokaal contact met of inname van fotoallergeen in combinatie met uv-straling 

Bij wie? 

Vooral bij mensen met licht huidtype ‒ vaker bij vrouwen 

Iedereen na blootstelling aan fototoxische stof 

Mensen met allergie voor een fotoallergeen 

Klacht 

Jeuk 

Pijn 

Jeuk 

Aard huiduitslag 

Polymorf 

Lijkt op zonverbranding 

Eczeem 

Lokalisatie/uitgebreidheid 

Alle (hernieuwd) aan uv-straling blootgestelde huid 

Lokale oorzaak: beperkt tot het betreffende huidgebied 

Orale oorzaak: alle aan uv-straling blootgestelde huid 

Begrenzing 

Scherp 

Minder scherp 

Richtlijnen diagnostiek

Naar Samenvatting ›

Anamnese

Naar Samenvatting ›

Vraag bij huiduitslag naar een eventuele relatie met recente blootstelling aan uv-straling, bijvoorbeeld of huiddelen zijn blootgesteld aan zon of zonnebank (enkele minuten tot dagen vóór het ontstaan van de huiduitslag).

Huiduitslag na recente blootstelling aan uv-straling

Naar Samenvatting ›

Vraag naar: 

  • klachten, zoals jeuk of pijn 

  • een patroon van blootstelling aan uv-straling (was er sprake van een nieuwe episode van blootstelling van de aangedane huid aan uv-stralen, zoals lente of vroege zomer?) 

  • eerdere, soortgelijke klachten na blootstelling aan uv-straling 

  • het gebruik van zonnebrandcrèmes tijdens blootstelling aan uv-stralen (Welke uv-B-beschermingsfactor? Zat er uv-A-bescherming in?)

Scherp begrensde huiduitslag met pijn

Naar Samenvatting ›

Scherp begrensde, op zonverbranding lijkende huiduitslag waarbij pijn op de voorgrond staat, kan wijzen op een fototoxische huidreactie.

Fototoxische stoffen
Naar Samenvatting ›

Vraag bij beperkte huiduitslag naar recent lokaal contact van de aangedane huid met fototoxische stoffen, zoals: 

  • brandnetel 

  • bereklauw 

  • pastinaak 

  • kervel 

  • selderij 

  • dille 

  • peterselie 

  • citrusfruit 

  • vijgen 

  • koolteer 

Geneesmiddelen met fototoxische bijwerking
Naar Samenvatting ›

Vraag bij uitgebreidere huiduitslag naar recent systemisch gebruik van geneesmiddelen met fototoxische bijwerking, zoals: 

  • antibiotica: tetracyclines, chinolonen, sulfonamiden 

  • antimycotica: terbinafine, ketoconazol, itraconazol 

  • NSAID’s: diclofenac, naproxen, ibuprofen 

  • orale retinoïden: isotretinoïne 

  • antidepressiva: serotonineheropnameremmers, sint-janskruid 

  • anti-epileptica: carbamazepine 

  • benzodiazepinen: alprazolam, chloordiazepoxide 

  • cardiovasculaire medicatie: amiodaron, thiazide- en lisdiuretica, bètablokkers, RAS-remmers, calciumantagonisten, statines 

  • sulfonylureumderivaten: tolbutamide, glibenclamide, glimepiride 

  • ontstekingsremmers darmen: mesalazine, sulfasalazine 

  • oncolytica: methotrexaat, vinblastine, fluorouracil 

  • vitamine B6 

Beperkte eczemateuze huiduitslag

Naar Samenvatting ›

Beperkte eczemateuze huiduitslag kan wijzen op fotoallergisch eczeem. 

  • Vraag naar recent lokaal contact van de aangedane huid met fotoallergische stoffen, zoals: 

    • zonnebrandcrèmes met bijvoorbeeld benzofenon, para-aminobenzoëzuur (PABA) of cinnamaten 

    • parfums met muskus, sandelhout of 6-methylcumarine 

    • de patiënt kan deze ingrediënten zelf op het etiket nagaan 

  • Vraag naar lokaal toegepaste geneesmiddelen met fotoallergische bijwerking, zoals: 

    • NSAID-crèmes 

    • lokale retinoïden (tretinoïne, adapaleen) 

    • imiquimodcrème 

    • chloorhexidine 

    • zilversulfadiazine 

Uitgebreidere huiduitslag

Naar Samenvatting ›

Overweeg bij uitgebreidere huiduitslag, vooral met aanhoudende klachten, als oorzaak recent nieuw gebruik (sinds enkele weken voor het ontstaan van de huiduitslag) van een van de fototoxische geneesmiddelen (zie Geneesmiddelen met fototoxische bijwerking) (zie ook de paragrafen Beloop en prognose van fotoallergische en fototoxische huidreacties hierboven). 

Lichamelijk onderzoek

Naar Samenvatting ›

Beoordeel de efflorescentie, lokalisatie, begrenzing en uitgebreidheid van de huiduitslag.

Aanvullend onderzoek

Naar Samenvatting ›
  • Allergologisch onderzoek is geïndiceerd bij een vermoeden van fotoallergisch contacteczeem zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak, vooral bij aanhoudende klachten. 

  • Allergologisch onderzoek vindt meestal plaats in de tweede lijn. 

Evaluatie

Naar Samenvatting ›

Stel een van de volgende diagnoses bij huiduitslag: 

  • die (voornamelijk) beperkt is tot aan uv-straling blootgestelde huiddelen 

  • en waarbij een relatie bestaat met een recente blootstelling aan uv-straling (zie ook tabel 1). 

Zonneallergie

Naar Samenvatting ›
  • Jeukende polymorfe lichteruptie met scherp begrensd maculeus of maculopapuleus exantheem 

  • Ontstaat enkele uren tot dagen na (hernieuwde) expositie aan uv-straling 

  • Heeft geen relatie met fototoxische of fotoallergische stoffen of geneesmiddelen 

  • Ontstaat meestal in de lente 

Fototoxische huidreactie

Naar Samenvatting ›
  • Pijnlijke, op zonverbranding lijkende, scherp begrensde huidafwijkingen (erytheem, oedeem, blaasjes) 

  • Ontstaat binnen minuten tot uren na uv-blootstelling 

  • Ontstaat in combinatie met recent lokaal of systemisch contact met een fototoxische stof of geneesmiddel 

Fotoallergisch contacteczeem

Naar Samenvatting ›
  • Jeukende polymorfe huidafwijkingen lijkend op eczeem 

  • Matig scherp begrensd 

  • Ontstaat 1-2 dagen na uv-blootstelling 

  • Ontstaat in combinatie met herhaald en recent contact met een fotoallergische stof of (zelden) geneesmiddel. 

Overige aandoeningen in de differentiaaldiagnose

Naar Samenvatting ›
  • Zonverbranding: pijnlijk erytheem staat op de voorgrond, soms met blaasjes 

  • Systemische lupus erythematodes (SLE): 

    • auto-immuunaandoening met vlindervormige uitslag in het gezicht die kan lijken op zonneallergie 

    • de uitslag ontstaat of verergert na blootstelling aan uv-straling 

    • huidafwijkingen blijven 1-3 weken bestaan 

    • treedt vooral op vanaf de leeftijd 30-50 jaar 

    • komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen 

  • Porphyria cutanea tarda: 

    • stofwisselingsziekte die leidt tot zonlichtovergevoeligheid door een overschot aan porfyrine-intermediairen 

    • geeft roodheid, blaren, erosies en milia (gerstekorrels), vooral in het gezicht en op de handen 

    • geeft hypertrichose in het gelaat 

    • geeft laterale wenkbrauwuitval 

    • treedt vooral op vanaf de leeftijd 30-40 jaar, soms familiair 

    • treedt vaak op in combinatie met leverziekten zoals cirrose of hepatitis 

  • Solaire urticaria: urticaria op aan zon blootgestelde huid binnen 30 min na uv-blootstelling. 

Richtlijnen beleid

Naar Samenvatting ›

Voorlichting en adviezen

Naar Samenvatting ›

Zonneallergie

Naar Samenvatting ›
  • De huiduitslag treedt op in reactie op een nieuwe episode van blootstelling van de huid aan uv-straling, bijvoorbeeld in de lente of onder de zonnebank 

  • Uv-straling kan ook leiden tot huiduitslag bij blootstelling achter glas of door niet-zonwerende kleding heen 

  • De huiduitslag is een allergische reactie en geneest spontaan binnen enkele dagen als de patiënt verdere blootstelling aan uv-straling vermijdt 

  • De huiduitslag kan terugkomen bij elke nieuwe episode van blootstelling aan uv-straling 

Uv-bescherming
Naar Samenvatting ›
  • Een recidief is vaak te voorkomen door blootstelling aan uv-straling langzaam op te bouwen en door verantwoord zongedrag. 

  • Stel de huid niet te lang bloot aan de zon: begin bijvoorbeeld met maximaal 20 min en bouw de duur langzaam op. 

  • Mijd de zon tussen 11:00 en 15:00 uur 

  • Bedek de huid met (zonwerende) kleding en draag een pet of hoed. 

  • Gebruik minimaal 15 min voorafgaand aan blootstelling aan zonlicht een zonnebrandcrème met minimaal factor 30 (hoge uv-A en uv-B bescherming). 

  • Breng zonnebrandcrème ruim aan en herhaal dit elke 2 uur, of eerder na sporten of zwemmen (zie Details). 

Details
Preventie

Achtergrond

Gezien het frequente optreden van recidieven is het relevant om patiënten te adviseren over de preventie hiervan.

Uitgangsvraag

Wat is de effectiviteit van maatregelen ter preventie van zonneallergie (polymorfe lichteruptie, PLE) in vergelijking met geen behandeling of in vergelijking met elkaar?

Relevante uitkomstmaten
  • Ernst van zonneallergie: huidreactie en klachten (jeuk)
  • Bijwerkingen

Een systematisch literatuuronderzoek vanaf 1 januari 2000 naar de effectiviteit van preventieve behandelingen bij zonneallergie (polymorfe lichteruptie, PLE) leverde 7 relevante publicaties op. 9 10 11 12 13 14 15 Een onderzoek van Hadshiew et al. werd uitgesloten vanwege het feit dat zij twee variabelen gelijktijdig onderzochten (crème 1 en 2 waren onderling vergelijkbaar en bevatten beide zowel de te onderzoeken antioxidanten, maar ook uv-A-filters, terwijl beide crèmes waarmee vergeleken werd beide bestanddelen niet hadden). 16 Drie onderzoeken naar de effectiviteit van polypodium leucotomos extract zijn uitgesloten omdat er geen controlegroep was. 17 18 19 De placebogecontroleerde RCT naar het effect van een voedingssupplement met lycopeen, bètacaroteen en lactobacillus is uitgesloten, omdat de onderzoekers een lage intake van gefermenteerd voedsel als inclusiecriterium hanteerden. 20 Deze subgroep is in de huisartsenpraktijk niet te definiëren, waardoor onduidelijk is voor wie de resultaten zouden kunnen gelden.

Beschrijving onderzoeken

In een dubbelblinde, placebogecontroleerde intra-individuele RCT werd bij 14 patiënten met zonneallergie de effectiviteit onderzocht van aftersun met DNA-reparatie-enzymen in vergelijking met placebo-aftersun, zonnebrandcrème met uv-A- en uv-B-filters (uv-A-factor niet nader benoemd, uv-B-factor 30) en geen behandeling. Twintig minuten voorafgaand aan fotoprovocatie (provocatie met kunstlicht) werd een door randomisatie bepaald huidgebied ingesmeerd met de zonnebrandcrème; het tegenover gelegen huidgebied diende als controle en werd niet behandeld. Binnen 5 minuten na fotoprovocatie werden de andere twee huidgebieden volgens randomisatie behandeld met aftersun en placebo-aftersun. Fotoprovocatie werd op drie opeenvolgende dagen toegepast en uitkomsten werden dagelijks gemeten, 24 uur na elke blootstelling, en op dag 7. Relevante uitkomstmaat was de zonneallergietestscore die in meer onderzoeken wordt toegepast. Deze wordt berekend door de score voor de hoeveelheid aangedane huid (score 0 tot 4), de mate van infiltratie van de huid (score 0 tot 4) en 0,4 van de VAS-score op jeuk (score 0 tot 10) bij elkaar op te tellen. De range is 0 tot 12. Hoe hoger de score, des te ernstiger de zonneallergie. De auteurs bespreken niet of deze score een gevalideerd instrument is. 14

In een open, placebogecontroleerd, intra-individueel vergelijkend onderzoek werd bij 12 patiënten met zonneallergie het effect onderzocht van een zonnebrandcrème met sterke uv-A-en uv-B-filters (de mate van bescherming wordt niet nader genoemd). Dertig minuten voorafgaand aan fotoprovocatie werd de strekzijde van de ene onderarm ingesmeerd met de zonnebrandcrème, en van de andere onderarm met placebocrème (dezelfde crème zonder de werkzame bestanddelen). Fotoprovocatie werd op drie opeenvolgende dagen toegepast. Twee patiënten werden alsnog uitgesloten, omdat ze ook met de placebocrème geen zonneallergie kregen en dus waarschijnlijk geen zonneallergie hadden. Vierentwintig uur na de laatste fotoprovocatie werden uitkomsten gemeten. Relevante uitkomstmaten waren de mate van huidreactie door de fotoprovocatietest, uitgedrukt op een waarschijnlijk niet-gevalideerde vijfpuntsschaal, waarbij een hogere score een ernstiger huidreactie betekende, en subjectieve klachten van de patiënt. 13

In een intra-individuele gerandomiseerde RCT werd bij 20 patiënten met zonneallergie het effect onderzocht van toepassing van een crème met antioxidanten alfa-glucosyl-rutine (AGR, een flavonoïd) en tocoferylacetaat (TA) (crème 1) en een zonnebrandcrème met niet nader benoemde antioxidanten en uv-A-filters en uv-B- 12 beschermingsfactor 15 (crème 2). Bij elke patiënt werden 4 huidgebieden van 5 x 5 cm gerandomiseerd voor de behandelregimes.

  • Regime A: tweemaal daags aanbrengen van crème 1 vanaf 7 dagen voor blootstelling aan de zon en 30 minuten voor elke blootstelling aan de zon aanbrengen van crème 2
  • Regime B: 3 dagen behandeling met crème 1 en toepassing van crème 2 conform regime A
  • Regime C: geen behandeling met crème 1 en toepassing van crème 2 conform regime A
  • Regime D: geen enkele behandeling met crème

Op vier opeenvolgende dagen werd vervolgens een fotoprovocatietest uitgevoerd. Uitkomsten werden gemeten na de derde en vierde fotoprovocatie. Uitkomstmaten waren het ontstaan van zonneallergie en de ernst (score 0 = geen zonneallergie, 1 = mogelijk zonneallergie, 2 = milde tot matige zonneallergie, 3 = ernstige zonneallergie; schaal waarschijnlijk niet gevalideerd), het optreden van jeuk en het oordeel van patiënten over de effectiviteit. 12

In een dubbelblinde intra-individuele RCT werd bij 150 patiënten met zonneallergie het effect van verschillende sterktes uv-A-filters onderzocht. De ene lichaamshelft van alle patiënten werd 15 minuten voor fotoprovocatie ingesmeerd met zonnebrandcrème 1 met uv-B-factor 40 en twee uv-A-filters (ecamsule en avobenzon; uv-Abeschermingsfactor 23), de andere lichaamshelft werd op basis van randomisatie behandeld met dezelfde zonnebrandcrèmes waaruit respectievelijk ecamsule (uv-A-factor daalde tot 15; crème 2) of avobenzon (uv-Afactor daalde tot 13; crème 3) verwijderd waren. Fotoprovocatie werd op 6 opeenvolgende dagen toegepast en de uitkomsten werden gedurende deze dagen dagelijks meerdere keren gemeten. Uitkomstmaten waren het optreden en de ernst van de zonneallergie, uitgedrukt op een Global Severity schaal (0 tot 10), en bijwerkingen. 10

In een intra-individueel gerandomiseerd enkelblind onderzoek werd bij 15 vrouwen met een voorgeschiedenis van zonneallergie op de thorax de invloed onderzocht van de uv-A-beschermingsfactor en de hoeveelheid gesmeerde zonnebrandcrème per oppervlakte-eenheid. Een kwartier voorafgaand aan fotoprovocatie werden van elke patiënt vier huidgedeelten van 6 x 6 cm ingesmeerd met twee verschillende zonnebrandcrèmes (crème 1: uv-A-factor 25, uv-B-factor 45; crème 2: uv-A-factor 5, uv-B-factor 45) in twee verschillende hoeveelheden (1 of 2 mg/cm2 ). Fotoprovocatie werd op 5 opeenvolgende dagen toegepast en uitkomsten werden 5 uur na elke blootstelling gemeten. Uitkomstmaten waren het ontstaan van zonneallergie, de ernst (ieder symptoom, erytheem, papels, vesikels of oedeem, werd door onderzoekers gescoord op een vierpuntsschaal, waarbij het symptoom met de hoogste score de ernst bepaalde) en bijwerkingen. 9

In een dubbelblinde placebogecontroleerde intra-individuele RCT werd bij 13 patiënten met zonneallergie het effect van vitamine-D-crème (calcipotriol) vergeleken met placebocrème. De crèmes werden op symmetrische huidgebieden bij elke patiënt twee keer daags aangebracht vanaf 7 dagen voorafgaand aan een fotoprovocatietest. Fotoprovocatie werd op drie opeenvolgende dagen toegepast en uitkomsten werden dagelijks tijdens de fotoprovocatie, en op dag 7 gemeten. Relevante uitkomstmaat was de zonneallergietestscore met range 0 tot 12, waarbij de zonneallergie ernstiger is naarmate de score hoger is. Zie de beschrijving van het onderzoek van Hofer et al. voor een uitgebreidere beschrijving van de testscore. 11

In een dubbelblinde placebogecontroleerde RCT werd bij 20 patiënten met zonneallergie het effect van orale toediening van prednisolon (1 dd 25 mg gedurende 7 dagen, te starten bij de eerste verschijnselen van zonneallergie) onderzocht. Alle patiënten gingen op vakantie naar een zonnige bestemming. Patiënten kregen de instructie om wanneer de gestarte medicatie (prednisolon of placebo) na 48 uur niet hielp, over te stappen op het andere middel. 15

Kwaliteit van het bewijs

De algehele kwaliteit van het bewijs is laag. Een punt is afgetrokken vanwege een risico op bias door onvoldoende blindering in de meeste onderzoeken. Daarnaast is een punt afgetrokken vanwege imprecisie: voor de meeste vergelijkingen zijn de patiëntenaantallen klein en bovendien is door het meestal ontbreken van betrouwbaarheidsintervallen de grootte van het effect niet goed te beoordelen. In vrijwel alle onderzoeken zijn commercieel verkrijgbare producten onderzocht, waardoor sponsoring voor de hand ligt. Alleen Bissonnette et al., Schleyer et al. en Hofer et al. vermelden dat zij voor hun onderzoek sponsorgeld ontvingen van de fabrikant van het onderzochte middel.

Effectiviteit

In de onderzoeken worden acht vergelijkingen onderzocht.

1. Zonnebrandcrème versus placebocrème of niet smeren
In het onderzoek van Hofer et al. was de gemiddelde zonneallergietestscore op huidgebieden behandeld met zonnebrandcrème significant lager dan op niet-behandelde huidgebieden (gemiddeld verschil op een 12- puntsschaal: 2,26; p < 0,01). Hetzelfde gold voor de vergelijking tussen met zonnebrandcrème en met placebocrème behandelde huidgebieden (gemiddeld verschil 1,49; p < 0,01). Absolute scores en betrouwbaarheidsintervallen werden niet gegeven. 14
In het onderzoek van Schleyer et al. ontstond bij geen van de patiënten zonneallergie op de met zonnebrandcrème ingesmeerde arm, terwijl bij alle patiënten zonneallergie ontstond op de met placebocrème ingesmeerde arm (95%-BI 69 tot 100%; p = 0,002). De ernst van de huidreactie werd niet gekwantificeerd. De meest voorkomende klachten waren jeuk en het verschijnen van papels. 13
In het onderzoek van Rippke et al. kwam op 7 van de 20 huiddelen die behandeld werden met regime C zonneallergie voor, waarvan 1 ernstig was, in vergelijking met 16 van de 20 huiddelen die behandeld werden met regime D, waarvan ongeveer een kwart ernstig (score 3). 12 Er werd geen significantie of betrouwbaarheidsinterval gegeven.

2. Sterke versus minder sterke uv-A-filters
In het onderzoek van DeLeo et al. trad bij ongeveer de helft van de patiënten bij behandeling met zonnebrandcrème 1 (sterke uv-A-filter) zonneallergie later op en waren de klachten minder ernstig dan bij behandeling met zonnebrandcrèmes 2 en 3 (beide met minder sterke uv-A-filters). Bij 15% van de patiënten ontstond op geen van beide lichaamshelften zonneallergie. Bij overige patiënten was er geen verschil in tijdstip van optreden en ernst van zonneallergie. Meer gedetailleerde kwantitatieve resultaten werden niet gegeven. 10
In het onderzoek van Bissonnette et al. ontstond met zonnebrandcrème 1 (sterke uv-A-filters) minder vaak dan met zonnebrandcrème 2 (minder sterke uv-A-filters) zonneallergie (33% versus 80% van de huidgedeelten). Dit verschil was niet significant. Zonneallergie symptomen waren met crème 1 minder ernstig (hoogstens score 1 op schaal 0-4) dan met crème 2 (ook score 2 en 3 kwamen voor). 9

3. Weinig versus veel zonnebrandcrème
De hoeveelheid crème (1 of 2 mg/cm2 ) maakte voor de dichotome uitkomstmaat (wel of geen zonneallergie) geen significant verschil. Wel vertoonden dik ingesmeerde huidgedeelten minder ernstige reacties dan dun ingesmeerde huidgedeelten. 9

4. Voorbehandeling met antioxidanten versus geen voorbehandeling
Zonneallergie kwam respectievelijk voor bij geen en bij 1 van de 20 met regime A en B behandelde huiddelen. De ernstscore bij het aangedane huiddeel was 1 op een schaal van 0-4. Van de 20 huidgedeelten behandeld met regime C werd bij 7 zonneallergie vastgesteld (ernstscore 1 bij 6 huiddelen en 3 bij 1 huiddeel. 12 Betrouwbaarheidsintervallen in significantieniveaus ontbreken.

5. Voorbehandeling met vitamine-D-crème versus voorbehandeling met placebocrème
De zonneallergietestscore was op met calcipotriolcrème behandelde huiddelen significant lager dan op met placebocrème behandelde huiddelen (32% lagere testscore; 95%-BI 21 tot 44). Het grootste gemiddelde verschil trad op na 3 dagen fotoprovocatie. Bij 7 van de 13 met calcipotriolcrème behandelde huiddelen trad zonneallergie op versus bij 12 van de 13 met placebocrème behandelde huiddelen. De absolute zonneallergietestscore was met calcipotriolcrème gemiddeld 2,65 (SD 3,21) en met placebocrème gemiddeld 4,50 (SD 2,65). 11

6. Aftersun met DNA-reparatie-enzymen versus placebo-aftersun
De zonneallergietestscore van huidgebieden die behandeld werden met aftersun met DNA-reparatie-enzymen was over alle meetmomenten gezamenlijk gemiddeld significant lager dan die van onbehandelde huiddelen (gemiddelde verschil in testscore 1,4; p = 0,00049) en huiddelen die behandeld werden met placebo-aftersun (gemiddelde verschil in testscore 1,0; p = 0,024). Op het maximum (3 dagen na 3 opeenvolgende dagen fotoprovocatie) was de gemiddelde zonneallergietestscore met aftersun 1,73 (SD 2,21), zonder behandeling 4,39 (SD 2,97) en met placebo-aftersun 3,20 (SD 2,48). 14

7. Aftersun met DNA-reparatie-enzymen versus zonnebrandcrème
Behandeling met zonnebrandcrème gaf een iets lagere gemiddelde zonneallergietestscore (gemiddeld verschil - 0,86; p = 0,00391) dan behandeling met aftersun. 14

8. Predniso(lo)n versus placebo
De helft (10) van de patiënten kreeg verschijnselen en begon met medicatie; geen van de vijf patiënten die met prednisolon begonnen stapte na 48 uur over op placebo. Bij de patiënten die prednisolon gebruikten was de jeuk na gemiddeld 2,8 dagen over en bij placebogebruikers na 5,4 dagen (verschil 2,6; 95%-BI 0,7 tot 4,0). De huiduitslag was met prednisolon na gemiddeld 4,2 dagen weg en bij placebogebruikers na 7,8 dagen (verschil 3,6; 95%-BI 0,1 tot 6,1). De effectiviteitsgegevens van placebo zijn gebaseerd op slechts 2 patiënten, omdat de overige 3 vanwege gebrek aan effect na 48 uur overstapten op prednisolon. De klachten van deze drie patiënten verliepen vergelijkbaar met de patiënten die direct met prednisolon waren begonnen, zij het met een vertraging van 48 uur. 15

Bijwerkingen

Bijwerkingen waren een uitkomstmaat in de onderzoeken van DeLeo et al., Bissonnette et al. en Patel et al.. 10 9 15  In de onderzoeken van DeLeo et al. en Bissonnette et al. kwamen geen bijwerkingen voor die door de onderzoekers in verband werden gebracht met de onderzochte middelen. Er werd niet vermeld of een gelige verkleuring, die bij twee patiënten in het onderzoek van Rippke voorkwam, bij crème 1 of 2 optrad. 12 In het onderzoek van Patel et al. gaf één van de vijf prednisolongebruikers gastro-intestinale klachten en een sombere stemming als bijwerkingen aan.

Conclusie

Voor preventie van zonneallergie is mogelijk (algehele kwaliteit van het bewijs is laag):
1. zonnebrandcrème met uv-A- en uv-B-filters effectiever dan het gebruik van placebocrème of geen behandeling;
2. zonnebrandcrème met sterkere uv-A-filters effectiever dan zonnebrandcrème met lagere uv-A-filters;
3. dik insmeren met zonnebrandcrème effectiever dan dun insmeren;
4. een week voorbehandelen met crème met antioxidanten effectiever dan geen voorbehandeling;
5. een week voorbehandelen met vitamine-D-crème effectiever dan placebocrème;
6. gebruik van aftersun met DNA-reparatie-enzymen effectiever dan placebo-aftersun;
7. gebruik van aftersun met DNA-reparatie-enzymen minder effectief dan gebruik van zonnebrandcrème;
8. gebruik van orale corticosteroïden bij de eerste verschijnselen effectiever dan gebruik van placebo; daarbij is er een risico op (ernstige) bijwerkingen.

Er is geen bruikbaar onderzoek gedaan naar de effectiviteit van polypodium leucotomos of voedingssupplementen met bètacaroteen en dergelijke.

Overwegingen

Het bewijs voor preventieve maatregelen tegen zonneallergie is van lage kwaliteit. Alle lokale middelen, met uitzondering van calcipotriolcrème, zijn commercieel verkrijgbaar en patiënten dragen dus zelf de kosten. Gezien het pathofysiologisch mechanisme van zonneallergie ligt het voor de hand om patiënten aan te raden om voorafgaand aan blootstelling aan uv-straling zonnebrandcrème met zowel hoge uv-A- als uv-B-bescherming te gebruiken. Er lijkt consensus te bestaan over de noodzaak om de zonnebrandcrème voldoende dik aan te brengen. Er is op basis van het huidige bewijs geen reden om, waarschijnlijk relatief dure, producten met antioxidanten, DNA-reparatie-enzymen of vitamine D te adviseren. Er is ook enige twijfel over de plausibiliteit van het veronderstelde pathofysiologisch werkingsmechanisme voor deze middelen. Vroeger werd ook het middel Contralum veel gebruikt bij zonneallergie, maar dit middel wordt niet meer gemaakt. Moderne zonnebrandmiddelen bieden echter een veel hogere bescherming tegen uv-A- en uv-B-stralen dan Contralum (bescherming tegen uv-A: factor 7; bescherming tegen uv-B: factor 10) en zijn dus waarschijnlijk effectiever. Van orale corticosteroïden is bekend dat zij ook bij kortdurend gebruik ernstige bijwerkingen kunnen hebben. Dit moet worden afgewogen tegen het feit dat zonneallergie een weliswaar hinderlijke, maar onschuldige aandoening is.

Aanbeveling

Geef patiënten met zonneallergie naast de algemene niet-medicamenteuze adviezen het advies om minimaal een kwartier voorafgaand aan blootstelling aan de zon een zonnebrandcrème met hoge uv-A- en ub-B-bescherming te gebruiken. De crème dient voldoende dik aangebracht te worden. Het preventief voorschrijven van een orale stootkuur predniso(lo)n bij de eerste verschijnselen wordt niet aanbevolen wegens de potentieel ernstige bijwerkingen.

Thuisarts
Naar Samenvatting ›

Verwijs naar de informatie op Thuisarts.nl. De informatie op Thuisarts.nl is gebaseerd op deze NHG-Behandelrichtlijn. 

Patiëntenvereniging
Naar Samenvatting ›

Wijs de patiënt voor lotgenotencontact op de patiëntenvereniging voor chronische polymorfe lichtdermatose (CPLD).

Fototoxische huidreactie

Naar Samenvatting ›
  • Leg uit dat de huiduitslag optreedt na lokaal of systemisch contact met een stof die of geneesmiddel dat in combinatie met uv-straling een toxische huidreactie veroorzaakt. 

  • Dergelijke fototoxische reacties zijn algemeen; iedereen krijgt een soortgelijke reactie op dezelfde stoffen of geneesmiddelen. 

  • Meestal geneest de huiduitslag binnen enkele dagen wanneer de patiënt verdere blootstelling aan uv-straling en contact met de fototoxische stof vermijdt. 

  • Een recidief is te voorkomen door contact met of inname van de fototoxische stof te vermijden. 

Bij gebruik van fototoxische geneesmiddelen
Naar Samenvatting ›
  • Adviseer de patiënt uv-straling te vermijden tijdens kortdurend gebruik van een fototoxisch geneesmiddel, zoals een antibioticumkuur. 

  • Ga na of er een alternatief is voor het fototoxische geneesmiddel: 

    • indien de patiënt blootstelling aan uv-straling niet kan vermijden 

    • indien de patiënt het middel langdurig of chronisch moet gebruiken 

Thuisarts
Naar Samenvatting ›

Bied voorlichtingsmateriaal aan en verwijs naar de informatie op Thuisarts.nl. De informatie op Thuisarts.nl is gebaseerd op deze NHG-Behandelrichtlijn.

Fotoallergisch contacteczeem

Naar Samenvatting ›
  • Leg uit dat de huiduitslag optreedt na herhaald lokaal of (zelden) systemisch contact met een stof die of geneesmiddel dat in combinatie met uv-straling een allergische reactie veroorzaakt. 

  • De huiduitslag treedt opnieuw op na elk contact met het allergeen in combinatie met blootstelling aan uv-straling. 

  • Adviseer de patiënt om verdere blootstelling aan uv-straling en contact met het allergeen te vermijden. 

  • De huiduitslag kan desondanks 4-6 weken aanhouden. 

  • Geef adviezen over verantwoord zongedrag indien de patiënt blootstelling aan uv-straling niet kan vermijden (zie Uv-bescherming). 

  • Voor verder beleid zie NHG-Standaard Eczeem (specifiek beleid contacteczeem).

Thuisarts
Naar Samenvatting ›

Verwijs naar de informatie op Thuisarts.nl. De informatie op Thuisarts.nl is gebaseerd op deze NHG-Behandelrichtlijn. 

Medicamenteuze behandeling

Naar Samenvatting ›

Zonneallergie

Naar Samenvatting ›
  • Vraag de patiënt of deze medicamenteuze behandeling wenst. 

  • Doel van medicamenteuze behandeling is het bestrijden van eventueel aanwezige jeuk en hinder. 

  • Ga uit van onderstaand stappenplan, sla in samenspraak met de patiënt een of meer stappen over, afhankelijk van: 

    • ernst of hinder van de klachten 

    • reeds toegepaste zelfzorg 

    • eerdere ervaringen van de patiënt (bij recidieven) 

Stap 1: Lokale anti-jeukmiddelen
Naar Samenvatting ›
  • Bij weinig jeuk en hinder: levomentholgel of -crème, eventueel in combinatie met lidocaïne 

  • Aanbrengen 1-2 dd, zo nodig vaker, niet toepassen bij kinderen < 2 jaar (zie Details Stap 3: Oraal corticosteroïd

Stap 2: Corticosteroïdcrème
Naar Samenvatting ›

Overweeg kortdurend een corticosteroïdcrème, 2 dd gedurende max 7 dagen: 

  • Klasse 2-corticosteroïd, bijvoorbeeld triamcinolonacetonidecrème 0,1% 

  • Klasse 3-corticosteroïd, bijvoorbeeld bètamethasonvaleraatcrème 0,1% (niet in lichaamsplooien, niet bij kinderen < 2 jaar) (zie Details Stap 3: Oraal corticosteroïd). 

  • Zie tabel 2 voor de hoeveelheid per lichaamsdeel, uitgedrukt in vingertopeenheden (zie Details Stap 3: Oraal corticosteroïd). 

Tabel 2 Corticosteroïdcrème, vingertopeenheden (vte) bij kinderen en volwassenen* 

Leeftijd 

Hoofd en hals 

Arm en hand 

Been en voet 

Voorzijde romp 

Rug en billen 

Hele lichaam† 

3-12 mnd 

1 vte 

1 vte 

1,5 vte 

1 vte 

1,5 vte 

8,5 vte 

1-2 jaar 

1,5 vte 

1,5 vte 

2 vte 

2 vte 

3 vte 

13,5 vte 

3-5 jaar 

1,5 vte 

2 vte 

3 vte 

3 vte 

3,5 vte 

18 vte 

6-10 jaar 

2 vte 

2,5 vte 

4,5 vte 

3,5 vte 

5 vte 

24,5 vte 

> 10 jaar 

2,5 vte 

4 vte (alleen hand: 1 vte) 

8 vte (alleen voet: 2 vte) 

7 vte 

7 vte 

40,5 vte 

* 1 vte komt overeen met ca. 0,5 g. 
† Komt overeen met 140 g zalf per week bij 1 dd smeren. 

Stap 3: Oraal corticosteroïd
Naar Samenvatting ›
  • Overweeg in ernstige gevallen kortdurend een oraal corticosteroïd. 

  • Weeg de ernst van de klachten af tegen het risico op (ernstige) bijwerkingen. 

  • Geef prednisolon, 20-30 mg per dag gedurende 5-7 dagen (zie Details).

Details
Medicamenteuze behandeling

Bij zonneallergie worden anti-jeukmiddelen en dermale en orale corticosteroïden toegepast. Een systematisch literatuuronderzoek vanaf 1 januari 2000 naar de effectiviteit van deze behandelingen bij zonneallergie leverde geen enkele RCT op. De in de vorige versie van deze behandelrichtlijn besproken RCT van Patel et al. over de effectiviteit van orale corticosteroïden bij de eerste verschijnselen van zonneallergie wordt besproken in Uv-bescherming. 15 Het in de vorige versie van deze behandelrichtlijn besproken onderzoek naar de effectiviteit van bètamethasoncrème bij 7 patiënten met zonneallergie bleek geen gepubliceerd onderzoek te zijn. 21

Overwegingen

Lokale behandeling:

  • Anti-jeukmiddelen: levomenthol en zinkoxide zijn geregistreerd als middelen tegen jeuk. Op basis van pathofysiologische overwegingen zouden deze middelen in enige mate effectief kunnen zijn; het gebruik ervan kent geen belangrijke bijwerkingen en de middelen zijn niet duur. Een proefbehandeling is daarom te overwegen. Levomenthol is verkrijgbaar als monopreparaat (gel of crème) of in combinatie met zinkoxide (suspensie FNA) of lidocaïne (gel FNA). Door het gebruik van zinkoxide verkleurt de huid wittig. Dit kan bezwaarlijk zijn, aangezien bij zonneallergie vaak relatief grote huidgebieden zijn aangedaan.
  • Dermale corticosteroïden: corticosteroïden hebben een ontstekings- en allergieremmend effect, waardoor zij directer dan de lokale anti-jeukmiddelen kunnen aangrijpen op het pathofysiologisch mechanisme van zonneallergie. Mogelijk is het effect daardoor groter. Dermale corticosteroïden kunnen ook meer bijwerkingen veroorzaken, zeker omdat de crème vaak aangebracht moet worden op grote huidgebieden. Aan de andere kant zal een relatief kortdurend gebruik (enkele dagen) meestal volstaan met daardoor mogelijk slechts geringe kans op bijwerkingen.

Orale behandeling:
Orale behandeling heeft een groter risico op systemische bijwerkingen en komt daarom alleen in aanmerking bij onvoldoende effect van lokale behandeling of bij ernstige klachten. Er is geen bewijs dat systemische behandeling effectiever is dan lokale behandeling.

  • Antihistaminica hebben effect op allergische reacties die berusten op het vrijkomen van histamine. 6 De ervaring leert dat antihistaminica niet effectief zijn bij het bestrijden van jeuk door allergische reacties van het vertraagde type.
  • Predniso(lo)n is onder andere geregistreerd als adjuvans bij de behandeling van ernstige allergische en anafylactische reacties. Op grond van pathofysiologische overwegingen is effectiviteit te verwachten. Predniso(lo)n veroorzaakt potentieel ernstige bijwerkingen, zoals ontregeling of ontstaan van diabetes, maagbloeding en stemmingsstoornissen. 6
Aanbeveling

Het medicamenteuze behandelbeleid bij zonneallergie verloopt getrapt en bestaat in eerste instantie uit antijeukmiddelen, eventueel gevolgd door dermale corticosteroïden, in zeer ernstige gevallen eventueel gevolgd door een oraal corticosteroïd. Weeg hierbij de ernst van de klachten af tegen het risico op ernstige bijwerkingen.

De huisarts kan in samenspraak met de patiënt besluiten een of meerdere stappen over te slaan op basis van:

  • de ernst van de klachten
  • door de patiënt reeds toegepaste zelfzorg
  • bij recidieven: de eerdere ervaring van de patiënt
Te gebruiken hoeveelheid corticosteroïdcrème

 De tabel is ontleend aan de NHG-Standaard Eczeem. 22

Fototoxische huidreactie

Naar Samenvatting ›

Schrijf zo nodig analgetica (paracetamol, NSAID) voor bij pijn. Schrijf de analgetica voor conform het stappenplan in de NHG-Standaard Pijn (zie Details).

Details
Beleid bij fototoxische huidreacties

Een search vanaf het jaar 2000 naar RCT’s en systematische reviews over fototoxische huidreacties leverde geen relevante publicaties op. De aanbevelingen over het beleid zijn daarom gebaseerd op informatie in overzichtsartikelen en leerboeken. 1 4 5

Fotoallergisch contacteczeem

Naar Samenvatting ›

Voor medicamenteus beleid zie NHG-Standaard Eczeem (specifiek beleid contacteczeem).

Controles

Naar Samenvatting ›
  • Bij zonneallergie is controle alleen nodig als de klachten binnen 7 dagen onvoldoende verbeteren. 

  • Bij fototoxische huidreactie is controle alleen nodig als de klachten of hinder onvoldoende verminderen. 

  • Bij fotoallergisch contacteczeem: evalueer het effect van de behandeling na 1-2 weken en adviseer de patiënt terug te komen bij verergering (exacerbatie) van het eczeem.  

Consultatie en verwijzing

Naar Samenvatting ›

Zonneallergie

Naar Samenvatting ›
  • Bespreek de mogelijkheid van lichttherapie (zie tabel 3) met patiënten: 

    • die ernstige recidiverende zonneallergie hebben 

    • en bij wie niet-medicamenteuze maatregelen onvoldoende effectief zijn (zie Details) 

  • Verwijs voor lichttherapie naar de dermatoloog. 

Tabel 3 Lichttherapie bij zonneallergie 

Wat houdt het in? 

Blootstelling van de huid aan een oplopende dosis (meestal) uv-B-straling gedurende 2-3 maanden, 2 × per week 

Waar 

In het ziekenhuis, soms kan het ook in de thuissituatie 

Wanneer 

Afhankelijk van behoefte van de patiënt, variërend van elke lente tot alleen voorafgaand aan een uitzonderlijke reis  

Effect 

Gegevens uit ongecontroleerd onderzoek: 

70% complete bescherming; 20% gedeeltelijk; 10% geen effect 

Bijwerkingen 

Zonneallergie tijdens de therapie (50%), bekende gevolgen van blootstelling aan uv-straling (huidveroudering, toename risico op huidkanker) 

Aandachtspunten  

Na lichttherapie moet de patiënt zich regelmatig bloot blijven stellen aan uv-straling om het effect te behouden 

Details
Behandelingsmogelijkheden tweede lijn

De niet-systematische review van Ling et al. is gebruikt als bron voor de beschrijving van lichttherapie. In deze review worden 6 onderzoeken (n = 277) met uv-B-lichttherapie, waarvan slechts 1 gerandomiseerd en gecontroleerd (n = 13). Daarnaast bespreken Ling et al. 12 onderzoeken (n = 279) naar uv-A-lichttherapie, waarvan slechts 2 (n = 34) gerandomiseerd en gecontroleerd. Globaal is het percentage patiënten dat met uvlichttherapie complete bescherming heeft 70% en het percentage patiënten bij wie lichttherapie partiële bescherming oplevert 20%. Bij ongeveer 10% is er geen effect. Resultaten van controlegroepen, voor zover beschikbaar, worden echter niet gerapporteerd door Ling et al.. 23 Antimalariamiddelen (zoals chloroquine) worden ook toegepast bij zonneallergie. Uit een Critically Appraised Topics (CATS) blijkt dat de effectiviteit daarvan niet vaststaat, terwijl er wel een risico bestaat op ernstige bijwerkingen, zoals retinopathie met veranderingen in pigmentatie, gezichtsvelddefecten en psychose. 24 6 In deze CATS bespreken Zeilstra et al. 3 RCT’s naar antimalariamiddelen bij zonneallergie. In een dubbelblinde RCT werd bij 117 patiënten geen verschil gevonden tussen hydroxychloroquine (2 dd 200 mg in de eerste maand, 1 dd 200 mg in de tweede maand) en chloroquine (2 dd 250 mg in de eerste maand, 1 dd 200 mg in de tweede maand). Een placebogroep ontbrak in dit onderzoek. In een kleinere dubbelblinde RCT werd bij 28 patiënten met zonneallergie met hydroxochloroquine een significant effect op de huiduitslag gevonden (VAS-score op schaal 0-10: hydroxychloroquine 6,5, placebo 9), maar niet voor huidirritatie. In een derde onderzoek met 20 patiënten werd geen verschil gevonden tussen chloroquine en placebo. Er werden in de onderzoeken geen aanwijzingen gevonden voor oculaire bijwerkingen. 24

Fototoxische huidreactie

Naar Samenvatting ›

Bij gebruik van een fototoxisch geneesmiddel: overleg met de voorschrijvend medisch specialist over de mogelijkheid het middel te staken of te vervangen.

Fotoallergisch contacteczeem

Naar Samenvatting ›

Referenties

  1. Lehmann P, Schwarz T. Photodermatoses: diagnosis and treatment. Dtsch Arztebl Int 2011;108:135-41.
  2. Rhodes LE, Bock M, Janssens AS, Ling TC, Anastasopoulou L, Antoniou C, et al. Polymorphic light eruption occurs in 18% of Europeans and does not show higher prevalence with increasing latitude: multicenter survey of 6,895 individuals residing from the Mediterranean to Scandinavia. J Invest Dermatol 2010;130:626-8.
  3. Lava SA, Simonetti GD, Ragazzi M, Guarino Gubler S, Bianchetti MG. Juvenile spring eruption: an outbreak report and systematic review of the literature. Br J Dermatol 2013;168:1066-72.
  4. Schalock PC, Hsu JTS, Arndt KA. Lippincott's primary care dermatology. Philadelphia, PA/London: Lippincott Williams & Wilkins, 2011.
  5. Sillevis Smitt JH, Van Everdingen JJE, Starink TM, Van de Horst HE. Dermatovenereologie voor de eerste lijn. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2009.
  6. KNMP. Informatorium medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2017.
  7. Kraag DE, Rustemeyer T. Fototoxische en fotoallergische reacties in de dermatologie. Nederlands Tijdschrift voor Allergie & Astma 2014;14:58-61.
  8. Geneesmiddelenbulletin. Geneesmiddelengeïnduceerde fotodermatosen (2010). Ga naar bron: Geneesmiddelenbulletin. Geneesmiddelengeïnduceerde fotodermatosen (2010).
  9. Bissonnette R, Nigen S, Bolduc C. Influence of the quantity of sunscreen applied on the ability to protect against ultraviolet-induced polymorphous light eruption. Photodermatol Photoimmunol Photomed 2012;28:240-3.
  10. DeLeo VA, Clark S, Fowler J, Poncet M, Loesche C, Soto P. A new ecamsule-containing SPF 40 sunscreen cream for the prevention of polymorphous light eruption: a double-blind, randomized, controlled study in maximized outdoor conditions. Cutis 2009;83:95-103.
  11. Gruber-Wackernagel A, Bambach I, Legat FJ, Hofer A, Byrne SN, Quehenberger F, et al. Randomized doubleblinded placebo-controlled intra-individual trial on topical treatment with a 1,25-dihydroxyvitamin D(3) analogue in polymorphic light eruption. Br J Dermatol 2011;165:152-63.
  12. Rippke F, Wendt G, Bohnsack K, Dorschner A, Stab F, Holzle E, et al. Results of photoprovocation and field studies on the efficacy of a novel topically applied antioxidant in polymorphous light eruption. J Dermatolog Treat 2001;12:3-8.
  13. Schleyer V, Weber O, Yazdi A, Benedix F, Dietz K, Rocken M, et al. Prevention of polymorphic light eruption with a sunscreen of very high protection level against UVB and UVA radiation under standardized photodiagnostic conditions. Acta Derm Venereol 2008;88:555-60.
  14. Hofer A, Legat FJ, Gruber-Wackernagel A, Quehenberger F, Wolf P. Topical liposomal DNA-repair enzymes in polymorphic light eruption. Photochem Photobiol Sci 2011;10:1118-28.
  15. Patel DC, Bellaney GJ, Seed PT, McGregor JM, Hawk JL. Efficacy of short-course oral prednisolone in polymorphic light eruption: a randomized controlled trial. Br J Dermatol 2000;143:828-31.
  16. Hadshiew IM, Treder-Conrad C, Van Bulow R, Klette E, Mann T, Stab F, et al. Polymorphous light eruption (PLE) and a new potent antioxidant and UVA-protective formulation as prophylaxis. Photodermatol Photoimmunol Photomed 2004;20:200-4.
  17. Caccialanza M, Recalcati S, Piccinno R. Oral polypodium leucotomos extract photoprotective activity in 57 patients with idiopathic photodermatoses. G Ital Dermatol Venereol 2011;146:85-7.
  18. Caccialanza M, Percivalle S, Piccinno R, Brambilla R. Photoprotective activity of oral polypodium leucotomos extract in 25 patients with idiopathic photodermatoses. Photodermatol Photoimmunol Photomed 2007;23:46-7.
  19. Tanew A, Radakovic S, Gonzalez S, Venturini M, Calzavara-Pinton P. Oral administration of a hydrophilic extract of polypodium leucotomos for the prevention of polymorphic light eruption. J Am Acad Dermatol 2012;66:58-62.
  20. Marini A, Jaenicke T, Grether-Beck S, Le Floc'h C, Cheniti A, Piccardi N, et al. Prevention of polymorphic light eruption by oral administration of a nutritional supplement containing lycopene, beta-carotene, and lactobacillus johnsonii: results from a randomized, placebo-controlled, double-blinded study. Photodermatol Photoimmunol Photomed 2014;30:189-94.
  21. Man I, Ibbotson SH, Freguson J. Is topical steroid effective in polymorphic light eruption. Br J Dermatol 2000;143:113.
  22. Dirven-Meijer PC, De Kock CA, Nonneman MMG, Van Sleeuwen D, De Witt-De Jong AWF, Burgers JS et al. NHG-Standaard Eczeem. Huisarts Wet 2014;57(5):240-52.
  23. Ling TC, Gibbs NK, Rhodes LE. Treatment of polymorphic light eruption. Photodermatol Photoimmunol Photomed 2003;19:217-27.
  24. Zeilstra I, Eekhof JAH. Antimalariamiddelen en zonneallergie. Huisarts Wet 2011;54:284.