NHG-Standaard

Lichen sclerosus

NHG-werkgroep:
Glansdorp A, Peerden M, Van Kimmenade R, Vliet Vlieland C, De Vries L, Hooymans C, Loogman M, Stam H, De Vries L, Wiersma T

Begrippen

Naar Volledige tekst ›
  • Lichen sclerosus: huidaandoening gekenmerkt door atrofie (‘sigarettenpapier’) en/of hyperkeratose, macroscopisch herkenbaar als scherp begrensde, porseleinwitte glanzende plekken, op den duur aanleiding gevend tot anatomische veranderingen, zoals verdwijnen van de labia minora en vernauwing van de introïtus vaginae.
  • Balanitis xerotica: lichen sclerosus van de glans en het preputium van de penis.
  • Plaveiselcelcarcinoom: maligne tumor van de epidermis, met de potentie tot ingroei in onderliggende weefsels en metastasering; een plaveiselcelcarcinoom kan ontstaan uit lichen sclerosus.

Richtlijnen diagnostiek

Naar Volledige tekst ›

Anamnese

Naar Volledige tekst ›
  • Aard van de klachten (jeuk, pijn, ulceratie, phimosis, erectiestoornis).
  • Lokalisatie van de huidafwijkingen, huidafwijkingen elders.
  • Duur en beloop van urogenitale klachten.
  • Mate van hinder.
  • Gevolgen van de klachten voor de seksualiteit.
  • Andere klachten zoals mictieklachten, vaginale fluor, menopauzale klachten, pruritus ani en (vooral bij kinderen) obstipatie en pijn bij defecatie.
  • Eerdere episoden, beloop en eventuele behandeling daarvan.
  • Eventueel zelf toegepaste behandelingen.

Lichamelijk onderzoek

Naar Volledige tekst ›
  • Lokalisatie afwijkingen: vulva, penis, perineum en/of perianaal.
  • Eventuele extragenitale lokalisatie (vooral op de romp).
  • Aard huidafwijkingen: porseleinwitte atrofische plekken, eventueel met hyperkeratose, erosies, fissuren, soms ook kleinvlekkige bloedingen, papels of maculae.
  • Aanwijzingen voor anatomische veranderingen:
    • bij vrouwen: verstrijken of resorberen van de labia minora, vernauwing van de introïtus vaginae, ‘verborgen clitoris’;
    • bij mannen: phimosis, meatusstenose.
  • Alarmsymptomen passend bij plaveiselcelcarcinoom:
    • niet-genezende defecten (ulcera of erosies);
    • zwellingen (verruceuze laesies, nodi);
    • persisterende pijn;
    • unilaterale afwijkingen;
    • vergrote liesklieren.

Aanvullend onderzoek

Naar Volledige tekst ›
  • Bij twijfel aan de diagnose anogenitale lichen sclerosus is een stansbiopt geïndiceerd. Neem geen biopt bij kinderen, mannen of vermoeden van maligniteit.

Evaluatie

Naar Volledige tekst ›

Stel de diagnose lichen sclerosus op grond van anamnese (vooral genitale jeuk, dyspareunie en/of dysurie) en lichamelijk onderzoek (porseleinwitte verkleuring van de huid met sclerosering en eventueel verandering van de anatomie). Een biopt kan de diagnose bevestigen.

  • Differentiële diagnose:
    • dermatomycose: jeukende erythematosquameuze laesies;
    • postmenopauzale atrofie: dun, atrofisch vaginaslijmvlies bij oudere, maar overigens normale, huid;
    • eczeem: verschillende efflorescenties naast elkaar;
    • (genitale) lichen planus: hierbij soms betrokkenheid van het vaginaslijmvlies (scherp begrensde, erythemateuze en gemakkelijk bloedende laesies van het vaginaslijmvlies, pijn op de voorgrond), vaak extragenitale laesies van mondslijmvlies, huid, behaarde hoofd en nagels;
    • vitiligo: depigmentatie, scherpe begrenzing, geen schilfering, voorkeurslokalisatie gezicht en handrug, weinig tot geen jeuk;
    • maligniteit: niet-genezende defecten, zwellingen, persisterende pijn, unilaterale afwijkingen, vergrote liesklieren.

Richtlijnen beleid

Naar Volledige tekst ›

Voorlichting

Naar Volledige tekst ›
  • Chronische, niet-besmettelijke ontsteking van de huid; oorzaak onbekend.
  • Risico op blijvende anatomische afwijkingen; zelden maligne ontaarding.
  • Regelmatig (zelf)onderzoek, bijvoorbeeld maandelijks, en signaleren van veranderingen (wondjes, zwelling, pijn) zijn belangrijk.
  • Bij seksuele problemen: geef adviezen (verbetering vochtigheid, andere coïtushouding) of verwijs.
  • Doel van behandeling is verlichting van klachten en voorkomen van complicaties.

Medicamenteuze behandeling

Naar Volledige tekst ›
  • Start met:
    • klasse 4-corticosteroïd (zoals 0,05%-clobetasolzalf) 1 dd gedurende 1 maand; bij milde klachten eventueel klasse 3-corticosteroïd (0,1%-mometasonfuroaatzalf)
    • daarnaast: indifferente zalf/vette crème; meerdere malen per dag
  • Na een maand:
    • bij vermindering van de klachten: bouw het corticosteroïd in maximaal 2 maanden af en ga over op intermitterend gebruik; continueer indifferente zalf/vette crème
    • bij milde varianten met weinig klachten: het corticosteroïd kan gestopt worden
    • Indien de klachten ondanks goede therapietrouw niet verminderen: heroverweeg de diagnose en let op mogelijke gevolgen van littekenvorming
  • Bij een recidief na een klachtenvrije periode: start lokale behandeling volgens bovenstaand schema.
  • Bij hardnekkige recidiverende klachten: intermitterende onderhoudsbehandeling met klasse 3- of 4-corticosteroïd 1 tot 4 keer per week.
  • Geef geen proefbehandeling met corticosteroïd als de diagnose onzeker is.

Controles

Naar Volledige tekst ›
  • Eerste controle na 2 tot 4 weken.
  • Bij remissie van de aandoening: verminder controlefrequentie tot (half)jaarlijks.

Verwijzing

Naar Volledige tekst ›
  • Binnen 2 weken: bij kenmerken van plaveiselcelcarcinoom.
  • Regulier:
    • kinderen met vermoeden lichen sclerosus (bij voorkeur (kinder)dermatoloog);
    • mannen met lichen sclerosus in combinatie met phimosis en sproeiende mictie;
    • bij twijfel aan de diagnose;
    • bij onvoldoende reactie na 1 maand behandeling;
    • bij uitgebreide sclerosering;
    • bij seksuele disfunctie (in eerste instantie gynaecoloog, zo nodig seksuoloog);
  • Inventariseer in eigen regio welke specialisten expertise hebben.
  • Maak duidelijke afspraken over controle van patiënten na terugverwijzing naar de huisarts.

Belangrijkste wijzigingen

Naar Samenvatting ›
  • Adviseer bij aanhoudende klachten chronisch gebruik van een corticosteroïdzalf gedurende enkele dagen per week.
  • Bij terugverwijzing vanuit de tweede lijn krijgt de patiënt van de behandelend specialist het advies op korte termijn (binnen 6 weken) een afspraak te maken bij de huisarts, zodat die zich op de hoogte kan stellen van de actuele afwijkingen en een uitgangpunt heeft voor het verdere beleid.

Kernboodschappen

Naar Samenvatting ›
  • Lichen sclerosus is een chronische inflammatoire huidaandoening met als hoofdklacht jeuk.
  • Bij het stellen van de diagnose lichen sclerosus volstaan vaak anamnese en lichamelijk onderzoek; bij twijfel aan de diagnose is een biopt noodzakelijk.
  • Behandel anogenitale lichen sclerosus met klasse 3 of 4-corticosteroïdenzalf met daarnaast een indifferente zalf of vette crème.
    Attendeer patiënten met anogenitale lichen sclerosus op het kleine risico op de ontwikkeling van een plaveiselcelcarcinoom en controleer hen ten minste jaarlijks.

Inleiding

Naar Samenvatting ›

Scope

Naar Samenvatting ›
  • Richtlijnen voor tijdige herkenning, diagnostiek en behandeling van anogenitale lichen sclerosus. Daarbij concentreert deze standaard zich op het beleid bij volwassenen. Ook bij kinderen komt de aandoening voor, maar bij hen is de diagnostiek daarvan moeilijker. We adviseren daarom om ieder kind met vermoeden van lichen sclerosus te verwijzen.
  • Deze standaard wil bijdragen aan een betere herkenning van deze chronische en soms mutilerende aandoening in de huisartsenpraktijk en tevens aan verbeterde kennis over de behandeling en controle ervan.

Buiten de scope

Naar Samenvatting ›

Extragenitale lichen sclerosus.

Afstemming

Naar Samenvatting ›

De standaard is in lijn met de NVDV-richtlijn Lichen Sclerosus die over deze aandoening werd ontwikkeld en bevat aandachtspunten voor samenwerking met de betrokken beroepsgroepen in de 2e lijn.

Details
Multidisciplinaire richtlijn Anogenitale lichen sclerosus

Deze NHG-Standaard is gebaseerd op de multidisciplinaire richtlijn (MDR) Anogenitale lichen sclerosus, die (daartoe verzocht door de Stichting Lichen Sclerosus) op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en met medewerking van het NHG werd ontwikkeld. 1 De NHG-Standaard is na publicatie van de NVDV-richtlijn Lichen sclerosus (2021) op enkele onderdelen aangepast. 2  Omdat zowel in de eerste als in de tweede lijn weinig systematisch onderzoek naar lichen sclerosus is verricht, zijn de aanbevelingen in deze MDR − en daarmee ook de aanbevelingen in deze NHG-Standaard − voor het merendeel gebaseerd op een enkel goed onderzoek (niveau 3) of op de mening van deskundigen (niveau 4).

Achtergronden

Naar Samenvatting ›

Lichen sclerosus

Naar Samenvatting ›
  • Lichen sclerosus is een chronische inflammatoire, niet-infectieuze huidaandoening, die vóórkomt bij beide geslachten en op elke leeftijd, maar vooral bij postmenopauzale vrouwen. Meestal manifesteert lichen sclerosus zich in het anogenitale gebied. Patiënten hebben soms al langere tijd klachten alvorens de diagnose wordt gesteld.
  • Er is een klein risico dat anogenitale lichen sclerosus maligne ontaardt. Daarnaast kunnen complicaties optreden, zoals anatomische misvormingen.
  • De huidaandoening wordt gekenmerkt door:
    • atrofie (‘sigarettenpapier’) en/of hyperkeratose
    • scherp begrensde, porseleinwitte glanzende plekken, die macroscopisch herkenbaar zijn en op den duur aanleiding geven tot anatomische veranderingen, zoals verdwijnen (verstrijken) van de labia minora, verkleving van de voorhuid van de clitoris en vernauwing van de introitus vaginae
  • Bij mannen zijn er soortgelijke veranderingen, waarbij verkleving van de voorhuid aan de glans en fimose kunnen optreden. De urethra kan betrokken zijn.
Details
Nomenclatuur

Vroeger werden voor lichen sclerosus ook andere namen gebruikt, zoals leukoplakie, kraurosis vulvae, white spot disease, lichen albus en lichen sclerosus et atrophicus. Sinds 1976 wordt op initiatief van de International Society for the Study of Vulvovaginal Disease de benaming ‘lichen sclerosus’ gebruikt. 3

Plaveiselcelcarcinoom

Naar Samenvatting ›

Een maligne tumor van de opperhuid, met de potentie tot ingroei in onderliggende weefsels en metastasering; een plaveiselcelcarcinoom kan ontstaan uit lichen sclerosus.

Epidemiologie

Naar Samenvatting ›
  • De incidentie van lichen sclerosus in de huisartsenpraktijk is onbekend. De aandoening lijkt vooral voor te komen bij vrouwen in de leeftijdscategorie van 50 tot 70 jaar; 5 tot 15% van de patiënten met lichen sclerosus betreft kinderen.
  • De prevalentie van lichen sclerosus is laag ten opzichte van andere huidaandoeningen. In de eerste lijn is er nauwelijks onderzoek verricht naar de diagnostiek, behandeling en prognose. De indruk bestaat dat deze aandoening dikwijls niet of niet tijdig gediagnosticeerd wordt.
  • Lichen sclerosus komt overwegend voor bij mensen met een lichte huid en minder bij mensen met een donkere huid.
Details
Epidemiologie

Omdat lichen sclerosus (LS) niet apart wordt gecodeerd in huisartsregistratiesystemen zijn incidentie en prevalentie in de eerste lijn onbekend. De meeste epidemiologische data zijn afkomstig uit de tweede lijn.

Op basis van tweedelijnsonderzoeken variëren de prevalentieschattingen van 1:300 tot 1:1000 vrouwen. De vrouw/man-ratio is geschat op 6-10:1, maar deze ratio is waarschijnlijk vertekend door referral bias. LS komt op alle leeftijden voor, maar de grootste groep wordt waarschijnlijk gevormd door postmenopauzale vrouwen. Bij mannen neemt de prevalentie LS toe boven de 40 jaar. In 7 tot 15% van de gevallen van LS betreft het prepuberale meisjes.4 5 6 7 8

LS komt vooral voor bij mensen met een lichte huid en minder bij mensen met een donkere huid.9 10 4

Etiologie

Naar Samenvatting ›
  • De oorzaak van lichen sclerosus is onbekend. Genetische predispositie, auto-immuunaandoeningen en hormonale factoren zijn in verband gebracht met lichen sclerosus, maar een causale relatie is niet vastgesteld.
  • Er zijn aanwijzingen dat ook lokale factoren, zoals infecties en verwondingen, predisponeren tot het ontwikkelen van lichen sclerosus. In dit verband is de associatie tussen seksueel misbruik en lichen sclerosus beschreven, maar een causale relatie is niet bewezen.
  • Mannen die niet besneden zijn, hebben een hoger risico op het ontwikkelen van lichen sclerosus dan mannen die wel besneden zijn.
Details
Etiologie

De etiologie van lichen sclerosus (LS) is onbekend, maar het lijkt dat een genetische predispositie voor inflammatoire aandoeningen een rol speelt. Zo werden bij 42% van de patiënten met LS auto-antilichamen gevonden die worden geassocieerd met alopecia, vitiligo, schildklierafwijkingen, diabetes mellitus of pernicieuze anemie . 11 6 Daarnaast zouden hormonale, immunologische en infectieuze factoren een rol kunnen spelen. 3

Seksueel misbruik en lichen sclerosus

Verwondingen en infecties zouden kunnen werken als een katalysator voor het ontwikkelen van lichen sclerosus (LS), het zogenaamde Koebnerfenomeen. 12 13 In dit verband wordt ook seksueel misbruik genoemd als mogelijk luxerende factor. 14 Hoewel in de literatuur meerdere malen de associatie tussen seksueel misbruik en LS is beschreven, is een causale relatie niet bewezen.

In een retrospectief onderzoek naar de relatie tussen LS en seksueel misbruik werden 42 meisjes met LS geïncludeerd. Deze kinderen, in leeftijd variërend van 4 tot 14 jaar, waren verwezen naar een pediatrisch forensisch team door huisartsen, kinderartsen en de kinderbescherming. De volgende klachten werden gerapporteerd: vulvovaginitis (73%), bloedingen (43%), jeuk (30%) en purpura/blaren (20%). Bij 12 kinderen (29%) werd seksueel misbruik aangetoond. 15 Mede omdat het een sterk geselecteerde groep meisjes betrof en de prevalentie van LS bij deze leeftijdsgroep in de algemene bevolking onbekend is, kan uit deze associatie geen causaal verband worden afgeleid.

Naast bovengenoemd onderzoek werd nog een aantal casuïstiekbeschrijvingen gevonden van kinderen met LS (leeftijd variërend van 1,5 tot 14 jaar, allen meisjes) en een vermoeden of bewijs van kindermishandeling. Veelvoorkomende symptomen waren: purpura, hypopigmentatie, erytheem, excoriaties, jeuk en een snelbloedende huid. 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

Het zal vaak precair zijn om bij een vastgestelde LS bij kinderen een eventueel vermoeden van seksueel misbruik te bespreken. Uiterste zorgvuldigheid en expertise op dit gebied zijn daarbij noodzakelijk. Enerzijds moet voorkomen worden dat LS ten onrechte wordt toegeschreven aan seksueel misbruik, 26 27 anderzijds is het van groot belang om seksueel misbruik zo snel mogelijk te signaleren.

Conclusie

Het is van belang om bij kinderen met anogenitale LS alert te zijn op mogelijk seksueel misbruik.

Circumcisie en lichen sclerosus

Circumcisie van mannen lijkt te beschermen tegen het ontwikkelen van lichen sclerosus (LS). In een patiëntcontroleonderzoek in een algemene dermatologische praktijk onder 357 mannen met en 305 mannen zonder een genitale huidafwijking hadden 51 van de 52 patiënten met LS een intacte voorhuid en hadden 146 van de 305 controles in het verleden een circumcisie ondergaan (voor leeftijd gecorrigeerde OR 53,6; 95%-BI 7,2 tot 395,9). 28 In een ongecontroleerd retrospectief onderzoek onder 20 mannen met LS bleek dat allen niet of pas op oudere leeftijd een circumcisie hadden ondergaan, 29 terwijl ongeveer 56% van de in de Verenigde Staten geboren jongetjes vlak na hun geboorte een circumcisie ondergaat. 30

Klinisch beeld

Naar Samenvatting ›
  • Lichen sclerosus begint vaak met vlakke papels, die overgaan in scherp begrensde porseleinwitte atrofische plekken.
  • De huidafwijkingen in het anogenitale gebied zijn meestal symmetrisch gelokaliseerd en kunnen gepaard gaan met hyperkeratose, erytheem, erosies, fissuren en soms ook ecchymosen (kleinvlekkige bloedingen) of maculae.
  • Kleine bloedingen kunnen spontaan ontstaan of worden ten gevolge van het krabben samen met excoriaties gezien (zie foto 1). Bij lang bestaande lichen sclerosus kan een atrofisch (‘sigarettenpapier’) of sclerotisch beeld met verlittekening domineren

Foto 1

 

  • De laesies bevinden zich:
    • bij vrouwen voornamelijk op de labia. De vaginale mucosa is bij lichen sclerosus niet betrokken (in tegenstelling tot lichen planus).
    • bij mannen voornamelijk op de glans penis en het preputium (zie foto 2).

Foto 2

 

  • De belangrijkste klacht van vulvaire lichen sclerosus is jeuk. Bijzonder is dat deze jeuk vaak optreedt bij warmte, bijvoorbeeld in bed. Daarnaast kan er sprake zijn van een branderig gevoel, oppervlakkige dyspareunie, dysurie, pruritus ani en pijn bij defecatie.
  • Lichen sclerosus van de penis geeft meestal ook jeuk, maar wordt vaak pas ontdekt wanneer de aandoening heeft geleid tot een fimose, vernauwing van de urethra of pijn bij erectie.
  • Het klinisch beeld bij kinderen is vergelijkbaar met het klinisch beeld bij volwassenen. Bij kinderen is obstipatie, al dan niet ten gevolge van een fissura ani, een geregeld voorkomend symptoom van lichen sclerosus (zie foto 3).

Foto 3

 

  • Extragenitale lichen sclerosus is vooral gelokaliseerd op de romp en kenmerkt zich door porseleinwitte vlekjes en vlakke papels met geaccentueerde haarfollikels. Deze vorm van lichen sclerosus wordt in deze standaard buiten beschouwing gelaten.
Details
Klinisch beeld

Het klinisch beeld van lichen sclerosus (LS) kan wisselend zijn. Voorkeurslokalisatie is het anogenitale gebied, maar ook daarbuiten doen zich afwijkingen voor (nek, schouders en borst). In zeldzame gevallen is de mondholte aangedaan. 31 11

Indien lichen sclerosus aanwezig is op de labia, het perineum en rond de anus wordt er wel gesproken van een figuur 8- of sleutelgat-laesie. Andere benamingen zijn horlogeglas-, vlinder- en lotusbloemlaesies. 32 11

Bij mannen bevindt LS zich voornamelijk op de glans penis en het preputium. 9 33 3 In een retrospectief onderzoek naar het optreden van een urethrastrictuur ten gevolge van LS werden 925 mannen met een urethrastrictuur geïncludeerd. Van hen hadden 106 de klassieke histologische bevindingen kenmerkend voor LS en 24 histologische afwijkingen die zouden kunnen passen bij LS. Bij 53 van deze 130 patiënten was de gehele urethra aangedaan. 33 Bij routinematig weefselonderzoek onder 135 kinderen die een circumcisie hadden ondergaan in verband met een fimose bleek dat bij 37 van hen (27%) LS histologisch werd aangetoond. Bij 19 van hen paste het klinische beeld daar ook bij; in de overige gevallen was het klinische beeld minder evident. 34

Kinderen met lichen sclerosus

In een Engelse vulvapolikliniek voor kinderen werden 75 meisjes met lichen sclerosus (LS) gezien, van wie 60 tussen de 2 en 16 jaar oud. De prevalentie LS bij meisjes tussen de 2 en 16 jaar oud in deze regio werd berekend op 1:900. 35

Kinderen met LS hebben vaak jeuk in het anogenitale gebied. Regelmatig hebben ze obstipatie of andere gastro-intestinale klachten. In 2 kleine onderzoeken onder 70 en 18 kinderen met LS werd obstipatie bij respectievelijk 12% en 78% van hen gerapporteerd. 35 26

Bij jongens kan er bij presentatie sprake zijn van een niet-retractiele voorhuid, ballonvorming of sproeien bij mictie, dysurie, irritatie of pijnlijke erecties. 36 34

De prognose van LS bij kinderen is onduidelijk. In een prospectief onderzoek onder 21 meisjes had 75% van hen minder jeukklachten na de menarche. Bij 30% werd eveneens een vermindering van symptomen (witte verkleuring, atrofie, resorptie labia en purpura) waargenomen. 37 In een ander prospectief onderzoek onder 18 meisjes (van wie 12 met complete follow-up) hadden 9 patiënten echter nog klachten na de menarche en 6 patiënten anatomische afwijkingen ten gevolge van de LS. 38 Aangenomen wordt dat kinderen met LS geen verhoogd risico op een maligniteit lopen, maar systematisch onderzoek hiernaar ontbreekt. 37

Natuurlijk beloop en prognose

Naar Samenvatting ›
  • Lichen sclerosus is een chronische huidaandoening, waarbij klachtenvrije perioden worden afgewisseld met exacerbaties.
  • Het aantal recidieven na het bereiken van een complete remissie door behandeling is hoog.
  • Sommige laesies zijn therapieresistent, vooral langer bestaande vulvaire laesies bij oudere vrouwen. Progressie hiervan kan leiden tot het verstrijken, resorberen en verkleven van de labia minora of tot het vernauwen van de introïtus. Wanneer het preputium van de clitoris scleroseert, kan de glans van de clitoris hieronder verborgen raken.
  • Na verloop van tijd kunnen seksuele klachten ontstaan. De mate van seksuele disfunctie hangt samen met de aard en ernst van de afwijkingen (stenose, fissuren, erosies, ulcera).
  • Lichen sclerosus bij mannen kan leiden tot fimose of meatusstenose. Uitbreiding naar de penisschacht is ongewoon en uitbreiding naar het scrotum zeldzaam
  • Jarenlang bestaande lichen sclerosus van de vulva kan maligne ontaarden (zie foto 4). Naar schatting 5% van de vrouwen met vulvaire lichen sclerosus ontwikkelt op den duur een plaveiselcelcarcinoom. Ook bij lichen sclerosus van de penis is er een klein risico op de ontwikkeling van een plaveiselcelcarcinoom.

Foto 4
Details
Natuurlijk beloop

Lichen sclerosus (LS) is een chronische huidaandoening die zowel bij mannen als bij vrouwen progressief kan verlopen en tot complicaties kan leiden. Een cyclisch beloop met periodes van remissie kan voorkomen. 9

Een gedeelte van de patiënten met LS kampt met seksuele problemen. 11 39

Dyspareunie bij vrouwen kan veroorzaakt worden door droogheid van de vulva, verklevingen van de labia minora of door stenose van de introïtus. 40 41 42

Een fimose of een meatusstenose bij mannen kan in ernstige gevallen leiden tot urineretentie en retrograde nierschade. 3

In een retrospectief onderzoek naar urethrale stricturen ten gevolge van LS werden 925 patiënten die een urethroplastiek ondergingen in verband met een urethrastrictuur geïncludeerd. Van hen hadden 130 (14%) LS (gemiddelde leeftijd 42,5 jaar). Bij 28 van deze 130 (22%) patiënten was alleen de voorhuid aangedaan. Bij 49/130 (37%) waren naast de voorhuid ook de glans, de meatus en/of de urethra aangedaan. In 53/130 (41%) de voorhuid, de glans in combinatie met panurethrale ziekte. 33 Uit dit onderzoek kan echter niet worden afgeleid wat het absolute risico is op complicaties bij mannen met LS.

Risico op maligne ontaarding bij vrouwen

Vrouwen met lichen sclerosus (LS) lopen een verhoogd risico op de ontwikkeling van een plaveiselcelcarcinoom van de vulva. Er zijn echter weinig prospectieve onderzoeken van voldoende omvang en duur om de grootte van dit risico te berekenen. Bovendien kunnen de gerapporteerde risico’s beïnvloed zijn door selectie van patiënten. Naar schatting ontwikkelt 5 tot 10% van de patiënten met jarenlang bestaande LS van de vulva een plaveiselcelcarcinoom (www.oncoline.nl, geraadpleegd oktober 2011).

Uit een retrospectief patiëntcontroleonderzoek (46 patiënten met een maligne ontaarding van LS, 213 patiënten met LS zonder maligne kenmerken) bleken vrouwen met een maligne ontaarding significant ouder dan zij met LS zonder maligniteit. Plaveiselcelhyperplasie bleek een onafhankelijke risicofactor, de duur van de klachten en het verlies van anatomie echter niet. 43 In een prospectief onderzoek (mediane follow-up bijna 5 jaar) naar de langetermijneffecten van corticosteroïdbehandeling onder vrouwen met vulvaire LS (n = 83, gemiddelde leeftijd 59 jaar) werd hetzelfde beeld gezien: de 8 vrouwen die een plaveiselcelcarcinoom ontwikkelden, waren gemiddeld 10 jaar ouder dan de vrouwen bij wie geen maligne ontaarding optrad. 44

Ook een prospectief cohortonderzoek (n = 60) liet zien dat leeftijd een onafhankelijke risicofactor is voor de ontwikkeling van een plaveiselcelcarcinoom bij lichen sclerosus. 45

Vulvaire intraepitheliale neoplasie (VIN) kan zich presenteren met unifocale of multifocale afwijkingen. De presentatie is vaak heterogeen met maculae, papels en plaques, die zowel rood, wit, grijs als bruin van kleur kunnen zijn. Het oppervlak is glad, granulair of condylomateus. De laesies kunnen in grootte variëren van enkele millimeters tot enkele centimeters. Huiddefecten zoals ulcera kunnen wijzen op een onderliggende invasieve component, zoals een vulvacarcinoom, evenals palpabele liesklieren. 46 47 VIN geassocieerd met lichen sclerosus is histologisch gezien van het gedifferentieerde type en doorgaans unifocaal. 48

Risico op maligne ontaarding bij mannen

Ook bij mannen kan lichen sclerosus (LS) maligne ontaarden. Er zijn weinig prospectieve onderzoeken van voldoende omvang en duur om de grootte van het risico op maligne ontaarding berekenen. Bovendien kunnen de gerapporteerde risico’s beïnvloed zijn door selectie van patiënten.

In een retrospectief onderzoek onder patiënten met een plaveiselcelcarcinoom van de penis (n = 20, gemiddelde leeftijd 54 jaar, range 39 tot 83 jaar) bleek dat bij meer dan 50% LS hieraan vooraf ging. 35

In een ander retrospectief onderzoek onder mannen met genitale LS (n = 86, gemiddelde leeftijd 53 jaar, range 22 tot 83 jaar) werden de histologische preparaten opnieuw beoordeeld. Van hen bleken er 5 (5,8%) (pre)maligne kenmerken te hebben. 49

In een observationeel onderzoek onder 130 mannen met genitale LS hadden 11 van hen (8,4%) (pre)maligne histopathologische kenmerken. 50

De initiële laesies van het peniscarcinoom zijn bijna altijd aanwezig op het preputium en worden vooraf gegaan door erythroplasie, LS of een wratachtige laesie. Vaak zijn er meerdere laesies. Ook ulceraties kunnen aanwezig zijn. 51

Richtlijnen diagnostiek

Naar Samenvatting ›
  • Vulvaire jeuk is een veelvoorkomend symptoom van lichen sclerosus en vaak aanleiding om contact op te nemen met de huisarts.
  • Omdat vulvaire jeuk bij vrouwen geregeld wordt toegeschreven aan een (recidiverende) vaginale schimmelinfectie, bestaat het risico dat een hierop gerichte behandeling volgt zonder lichamelijk onderzoek. Het is dan ook belangrijk vrouwen met langer bestaande of recidiverende vulvaire klachten uit te nodigen op het spreekuur voor nader onderzoek. Dit geldt in het bijzonder voor postmenopauzale vrouwen, bij wie vaginale jeuk zelden berust op een candida-infectie.
  • Bij mannen of jongens kan ook een verworven fimose of recidiverende balanitis de belangrijkste klacht zijn.
  • De diagnose kan worden bevestigd door weefselonderzoek.
Details
Histologisch onderzoek

De klassieke histologische kenmerken van lichen sclerosus (LS) worden zowel bij anogenitale als extragenitale LS gezien: een band van dermale sclerose (homogeen, bleek, hypocellulair gehyaliniseerd weefsel) naast een lymfohistiocytair ontstekingsinfiltraat met verspreid soms plasmacellen en een variabele dikte van de epidermis. De epitheliale en dermale veranderingen kunnen per biopt verschillend zijn. Zo kan de dikte van de epidermis wisselen (van uitgebreide atrofie tot forse epidermale hyperplasie). Bij extragenitale LS wordt vaker atrofie gezien. Bij vulvaire LS is de epidermis vaak dikker en wordt er vaker meer sclerose en inflammatie van de dermis gezien. 52 53

Bij langer bestaande LS kunnen karakteristieke histologische kenmerken ontbreken. Een reden hiervoor kan zijn dat het biopt niet wordt afgenomen uit het gebied waar de pathologie actief is. Een andere reden is dat er in het verslag van de patholoog gesproken wordt over hyperplasie of lichen simplex chronicus, welke aandoeningen beide worden geassocieerd met LS, maar niet typisch zijn voor de diagnose. Als de uitslag van het weefselonderzoek aspecifiek is, moet het klinisch beeld leidend zijn voor het beleid. 54 48

Anamnese

Naar Samenvatting ›

Vraag naar:

  • de aard van de klachten (jeuk, pijn, ulceratie, fimose, erectiestoornis)
  • de lokalisatie van de huidafwijkingen
  • huidafwijkingen elders
  • de duur en het beloop van de klachten
  • de mate van hinder
  • gevolgen van de klachten voor de seksualiteit
  • andere klachten, zoals mictieklachten, vaginale fluor, menopauzale klachten (zoals opvliegers), obstipatie en pijn bij defecatie (vooral bij kinderen) en pruritus ani
  • eerdere episoden en het beloop en de eventuele behandeling daarvan
  • eventueel zelf toegepaste behandelingen

Lichamelijk onderzoek

Naar Samenvatting ›

Inspecteer de huidafwijkingen en let daarbij op het volgende.

  • Lokalisatie: vulva, penis, perineum en/of perianaal.
  • Eventuele extragenitale lokalisatie van lichen sclerosus (vooral op de romp).
  • Soort huidafwijkingen: witte porseleinachtige atrofische plekken, eventueel gepaard met hyperkeratose, erosies, fissuren, soms ook ecchymosen (kleinvlekkige bloedingen), papels of maculae.
  • Aanwijzingen voor anatomische veranderingen als gevolg van lichen sclerosus:
    • bij vrouwen: verstrijken of resorberen van de labia minora, vernauwing van de introïtus, ‘verborgen clitoris’
    • bij mannen: fimose, meatusstenose
  • Alarmsymptomen passend bij plaveiselcelcarcinoom (zie Natuurlijk beloop en prognose):
    • niet-genezende defecten (ulcera of erosies)
    • zwellingen (verruceuze laesies, nodi, erythemateuze plekken, hyperkeratose)
    • persisterende pijn
    • unilaterale afwijkingen
    • vergrote liesklieren
  • Laat de patiënt desgewenst meekijken met een handspiegel. De patiënt kan dan tijdens de follow-up zelf beoordelen of de afwijking verandert. Zie ook de folder Zelfonderzoek van de vulva die te vinden is op: lsnederland.nl/zelfonderzoek-van-de-vulva
  • Wees bij kinderen met anogenitale afwijkingen alert op signalen van seksueel misbruik.
Details
Signalen van seksueel misbruik bij kinderen

Er zijn verschillende signalen van seksueel misbruik bij kinderen. Elk signaal op zich betekent niet dat het kind misbruikt is, maar bij meerdere signalen moeten huisartsen de mogelijkheid van seksueel misbruik overwegen. Het gaat hier om plotselinge gedragsveranderingen van jonge kinderen tot ongeveer 10 jaar:

  • slaapproblemen, bang zijn in het donker, nachtmerries, extreme vrees voor ‘monsters’;
  • verlies van eetlust, eetproblemen, voortdurend buikpijn zonder aanwijsbare reden;
  • plotselinge wisselingen in de stemming van het kind: ongelukkig zijn, boos, teruggetrokken gedrag bij een voorheen opgeruimd kind;
  • vrees voor bepaalde mensen of plekken, bijvoorbeeld: het kind wil niet alleen gelaten worden met een oppas, huisvriend of familielid;
  • terugval in oud gedrag: weer bedplassen, duimzuigen of heel eenkennig worden;
  • weigeren om over een ‘geheimpje’ te praten dat het kind met een andere volwassene heeft;
  • praten over een nieuwe, oudere vriend en daar vaak over de vloer komen;
  • plotseling over veel zakgeld beschikken;
  • niet bij de leeftijd passend seksueel gedrag vertonen.

Meer informatie is te vinden op: www.huiselijkgeweld.nl/dossiers/seksueel_kindermisbruik/publicaties/broc...(geraadpleegd in februari 2012).

Aanvullend onderzoek

Naar Samenvatting ›
  • Bij twijfel aan de diagnose anogenitale lichen sclerosus is een stansbiopt geïndiceerd. Dit kan plaatsvinden in de huisartsenpraktijk of in de 2e lijn. Bij langer bestaande lichen sclerosus kunnen karakteristieke histologische kenmerken echter ontbreken.
  • Indien een patiënt onlangs met dermatocorticosteroïden is behandeld, wordt dit aangegeven op het pathologieformulier.
  • Neem geen biopt bij:
    • mannen: verwijs bij twijfel aan de diagnose naar de 2e lijn, omdat het nemen van een biopt uit de penis kan leiden tot fors nabloeden
    • kinderen: verwijs bij vermoeden van lichen sclerosus altijd naar de 2e lijn
    • vermoeden van een maligniteit: verwijs direct naar de 2e lijn
Details
Biopt

Een stansbiopt van 3 mm is van voldoende grootte om de diagnose lichen sclerosus te kunnen stellen. Een bijkomend voordeel is dat er na een 3 mm biopt meestal niet gehecht hoeft te worden. Het advies is om eerst een foto te maken en hierin aan te geven waar het biopt is afgenomen (uiteraard na toestemming van de patiënt). Neem een stansbiopt bij voorkeur af uit de rand van een laesie op de grens met de gezond ogende huid (zie tabel 1). Biopteren centraal uit ulceraties en erosies wordt afgeraden; het ontbreken van epitheel belemmert het stellen van een histopathologische diagnose. Biopteren uit de labia minora wordt afgeraden vanwege het risico op perforatie.

Neem een biopt bij voorkeur niet af als de patiënt in de 2 weken ervoor dermatocorticosteroïden heeft gebruikt. Indien dit niet haalbaar is, is het raadzaam het gebruik te vermelden op het pathologieformulier. 55 39

Valkuilen bij het afnemen van een biopt zijn: zenuwletsel bij een te diep biopt of het optreden van dog ears (wanneer een rond defect wordt gehecht tot een recht litteken). 56 57

Tabel 1. Uitvoering van een stansbiopt
  • Desinfecteer de huid. 
  • Verdoof de huid met een lokaal anestheticum. 
  • Identificeer de huidlijnen. 
  • Spreid de huid loodrecht op de huidlijnen. 
  • Biopteer uit de rand van de laesie door te draaien, met weinig druk, tot in het subcutane vet. 
  • Licht het biopt met een naaldje op. 
  • Knip het biopt af onder het niveau van de dermis. 

Evaluatie

Naar Samenvatting ›
  • Stel de diagnose lichen sclerosus op grond van de anamnese (vooral genitale jeuk, dyspareunie en/of dysurie) en het lichamelijk onderzoek (porseleinwitte verkleuring van de huid met sclerosering en eventueel verandering van de anatomie). Een biopt kan de diagnose bevestigen.
  • Denk differentiaaldiagnostisch aan:
    • dermatomycose: jeukende erythematosquameuze laesies (zie NHG-Standaard Dermatomycosen)
    • postmenopauzale atrofie: dun, atrofisch vaginaslijmvlies bij een oudere, maar overigens normale, huid (zie NHG-Standaard De overgang)
    • eczeem: verschillende efflorescenties naast elkaar (zie NHG-Standaard Eczeem)
    • (genitale) lichen planus: hierbij is er soms betrokkenheid van het vaginaslijmvlies (scherp begrensde, erythemateuze en gemakkelijk bloedende laesies van het vaginaslijmvlies, met pijn op de voorgrond) en zijn er vaak extragenitale laesies van het mondslijmvlies, de huid, het behaarde hoofd en de nagels
    • vitiligo: depigmentatie, scherpe begrenzing, geen schilfering, voorkeurslokalisatie gezicht en handrug, weinig tot geen jeuk
    • maligniteit: niet-genezende defecten, zwellingen, persisterende pijn, unilaterale afwijkingen, vergrote liesklieren
    • verwondingen door seksueel misbruik: anogenitale hematomen of wondjes, beschadiging van het hymen
Details
Differentiaaldiagnose

De differentiaaldiagnose van anogenitale lichen sclerosus omvat naast de in de hoofdtekst genoemde meest voorkomende aandoeningen ook nog een aantal andere aandoeningen zoals: bacteriële huidinfectie, pemfigus/pemfigoïd (blaarvorming oraal en cutaan), psoriasis (zilverwitte schilfering), lichen simplex (scherp omschreven jeukende laesie, met vergroving van de huidlijnen en krabeffecten, ontstaan door krabben).

Naast de bovengenoemde aandoeningen moet er bij mannen differentiaaldiagnostisch ook nog gedacht worden aan balanitis circinata (huidmanifestatie bij syndroom van Reiter), balanitis van Zoon (balanitis plasmocellularis circumscripta; glanzende, gladde, vochtige samenvloeiende rode laesies op de glans penis) en erythroplasie van Queyrat (carcinoma in situ). 58 11 59

Richtlijnen beleid

Naar Samenvatting ›

Voorlichting

Naar Samenvatting ›

Besteed aandacht aan de volgende aspecten.

  • Leg uit dat lichen sclerosus een chronische, niet-besmettelijke ontsteking van de huid is. De oorzaak van de aandoening is onbekend. 
  • Het doel van de (onderhouds)behandeling is het verlichten van klachten, verdwijnen van de zichtbare afwijkingen, voorkomen van verlittekening en, in het geval van de anogenitale vorm, voorkomen van progressie naar een (pre)maligniteit. 
  • Attendeer de patiënt (en eventueel de partner) op de mogelijkheid van zelfonderzoek (bijvoorbeeld door middel van een handspiegel) om zo regelmatig (bijvoorbeeld maandelijks) het anogenitale gebied te bekijken en veranderingen te signaleren, zoals wondjes, zwelling, pijnklachten, onregelmatigheden of kleurveranderingen. Sommige veranderingen kunnen ook te voelen zijn.
  • Bij lichen sclerosus kunnen pijnlijke scheurtjes in de vulva ontstaan en kan de introitus vaginae stug en nauw worden. Dit kan leiden tot seksuele problemen en het vermijden van intimiteit. Met medicatie en eventuele begeleiding door een gynaecoloog en/of seksuoloog kunnen deze klachten verminderen.
Details
Informatie voor patiënten

Er is geen onderzoek gepubliceerd over de effectiviteit of de frequentie van zelfonderzoek bij patiënten met lichen sclerosus. Binnen de werkgroep is er consensus over het doen van zelfonderzoek aangezien het een huidaandoening betreft met zichtbare afwijkingen, die in principe goed vervolgd zal kunnen worden door de patiënt zelf. Een frequentie van, arbitrair, één maal per maand lijkt haalbaar en zinvol. Op de website van de NVOG is beperkte informatie te vinden over het doen van zelfonderzoek (https://www.huidhuis.nl/sites/huidhuis.nl/files/inline-images/PDF/Lichen_sclerosus_kinderen.pdf). Er is tevens een patiëntenvereniging voor patiënten met lichen sclerosus: Supportgroep en Stichting lichen sclerosus (www.lichensclerosus.nl). Het NHG kan niet garanderen dat informatie op deze website up-to-date en betrouwbaar is.

Thuisarts

Naar Samenvatting ›

Verwijs naar de informatie over lichen sclerosus op Thuisarts.nl, die is gebaseerd op deze NHG-Standaard.

Niet-medicamenteuze behandeling

Naar Samenvatting ›
  • Adviseer om zeepgebruik te vermijden, evenals het dragen van strak synthetisch ondergoed.
  • Bij seksuele problemen:
    • Geef adviezen ter verbetering van de vochtigheid van het vaginaslijmvlies.
    • Adviseer een andere coïtushouding of non-coïtale seks te proberen.
    • Verwijs zo nodig de patiënt (en de partner) naar een seksuoloog.
Details
Voorlichting en advies

Zepen, vooral de alkalische, hebben een sterk uitdrogend effect op de huid. Om deze reden wordt geadviseerd om zo min mogelijk zeep te gebruiken. Wanneer deze toch gewenst is, wordt een pH-neutrale zeep geadviseerd. De in de hoofdtekst genoemde adviezen berusten op ervaring en consensus; wetenschappelijke onderbouwing voor deze adviezen ontbreekt.

Medicamenteuze behandeling

Naar Samenvatting ›
  • Lokale corticosteroïden zijn de eerste keus om klachten (jeuk, pijn of een branderig gevoel) te bestrijden.
  • Er zijn aanwijzingen dat:
    • corticosteroïden anatomische veranderingen kunnen voorkomen
    • corticosteroïden beschermen tegen het ontstaan van een plaveiselcelcarcinoom
  • Adviseer daarom bij aanhoudende klachten de behandeling met corticosteroïden te continueren.
Details
Behandeling met corticosteroïden

Met betrekking tot de effectiviteit van corticosteroïden bij lichen sclerosus (LS) zijn slechts 2 RCT’s gepubliceerd. 60 In een onderzoek werden 79 vrouwen met LS (gemiddelde leeftijd 57 jaar) gerandomiseerd over 4 groepen: testosteron-2%-crème 2 maal daags gedurende 3 maanden, progesteron-2%-crème 2 maal daags gedurende 3 maanden, clobetasol-0,05%-crème (een klasse-4-corticosteroïd; 2 maal daags gedurende 1 maand, waarna dagelijks gedurende 2 maanden) en een placebocrème. In de clobetasolgroep ondervonden meer patiënten klachtenverlichting dan in de placebogroep (RR 2,85; 95%-BI 1,45 tot 5,61) en ook de onderzoekers zagen bij hen meer (histologische) verbetering dan bij placebogebruikers (gestandaardiseerd gemiddeld verschil 5,74; 95%-BI 4,26 tot 7,23). 61 In een ander onderzoek werden jongens met fimose op basis van LS (gemiddelde leeftijd 9 jaar) gerandomiseerd over 2 behandelgroepen: 1 maal daags 0,05% mometasonfuroaatzalf (een klasse-3-corticosteroïd) (n = 17) of 1 maal daags placebozalf (n = 16). Na 5 weken waren 7 patiënten in de mometasongroep klinisch verbeterd en was bij 10 patiënten hun fimose onveranderd; in de placebogroep waren de klachten van 5 patiënten verslechterd en bij 11 patiënten was er geen verandering waarneembaar. De gemiddelde ernst van de fimose nam af in de mometasongroep, terwijl deze toenam in de placebogroep (gestandaardiseerd gemiddeld verschil –1,04; 95%-BI −1,77 tot −0,31). 60 62 Het is de vraag of de resultaten van dit onderzoek bij jongens ook gelden voor volwassen mannen en vrouwen met anogenitale LS. In beide onderzoeken werden overigens geen lokale of systemische bijwerkingen van de corticosteroïden waargenomen.

Daarnaast zijn enkele ongecontroleerde onderzoeken naar de effectiviteit van dermatocorticosteroïden bij vrouwen gepubliceerd 44 10 63 64 61  alsmede een retrospectief tweedelijnsonderzoek naar de effectiviteit van dermatocorticosteroïden bij jongens met fimose op basis van LS. 36

Op basis van het beschreven onderzoek en in overeenstemming met de tweedelijns multidisciplinaire richtlijn over deze aandoening, is lokale behandeling met klasse-4-dermatocorticosteroïden eerste keus in de behandeling van LS. 9 3 Er is echter geen universeel geaccepteerde behandeling aangaande het type corticosteroïd, de frequentie en de duur van het gebruik.

Behandelschema corticosteroïden

In de praktijk worden er verschillende schema’s gebruikt voor lokale behandeling van lichen sclerosus met dermatocorticosteroïden. Ook in de literatuur worden verschillende schema’s gerapporteerd, zoals:

  • 1 maal daags clobetasolpropionaatzalf-0,05% gedurende 3 maanden, waarna 3 maal per week tot een complete remissie is bereikt; 44
  • 1 maal daags clobetasolpropionaatzalf-0,05% gedurende 6 maanden; 32
  • 1 maal daags mometasonfuroaatcrème-0,1% gedurende 4 weken, waarna 2 maal per week gedurende 2 maanden; 64
  • 2 maal daags clobetasolpropionaatcrème-0,05% gedurende 12 weken; 63
  • 2 maal daags clobetasolpropionaatcrème-0,05% gedurende 1 maand, waarna 1 maal daags voor 2 maanden. 61

Het is niet mogelijk om op basis van effectiviteit te kiezen voor een bepaald behandelschema. 11 65

Conclusie

Er is geen consensus over het te gebruiken behandelschema dermatocorticosteroïden bij lichen sclerosus. De werkgroep kiest voor dagelijkse behandeling voor een periode van 1 maand met 1 maal daags 0,05%-clobetasolpropionaatzalf.

Klasse-3-corticosteroïden

In plaats van klasse-4-dermatocorticosteroïden kan gekozen worden voor klasse-3-dermatocorticosteroïden (zoals mometason of fluticason). 60 De effectiviteit hiervan is echter alleen aangetoond in gecontroleerd onderzoek bij jongens met fimose op basis van LS. 62 Er bestaat echter een voorkeur voor het starten met klasse-4-dermatocorticosteroïden (het zogenoemde step-downprincipe), omdat hiermee sneller het effect van corticosteroïden beoordeeld kan worden, de patiënt vertrouwen krijgt in de behandeling en voorkomen kan worden dat na onvoldoende effect van klasse-3-dermatocorticosteroïden alsnog een klasse-4-preparaat moet worden gegeven.

Intermitterende onderhoudstherapie met dermatocorticosteroïden

Onder onderhoudstherapie wordt een behandeling gedurende tenminste 1 jaar verstaan. In een aantal onderzoeken is gekeken naar de effectiviteit van een onderhoudsbehandeling met dermatocorticosteroïden bij lichen sclerosus. Hierbij is tevens gekeken naar de kans op het ontwikkelen van plaveiselcelcarcinoom.

Randomised controlled trials

Er werden 2 RCT’s gevonden die de effectiviteit beschrijven van een onderhoudsbehandeling met dermatocorticosteroïden gedurende ten minste 1 jaar op vulvaire lichen sclerosus.

Corazza et al. beschrijven een onderzoek onder 48 patiënten die na 12 weken behandeling met clobetasolpropionaat 0,05% zalf of mometasonfuroaat 0,1% zalf doorgingen met hun behandeling, maar dan met een frequentie van tweemaal per week gedurende 52 weken. 66 Beschreven uitkomstmaten zijn de global subjective score (GSS; som VAS branderigheid en VAS pijn, maximaal 20), global objective score (GOS; som score 0-3 voor erytheem, leukoderma, hyperkeratose, purpura/excoriaties, maximaal 12), aantal patiënten met relapses (een score ≥ 5 voor tenminste 1 symptoom en/of een score = 3 voor 1 van de 4 kenmerken uit de GOS), duur van remissie en bijwerkingen. 

In het onderzoek van Virgili et al. werd gekeken naar een onderhoudsbehandeling bij responders na 12 weken behandeling met mometasonfuroaat 0,1% zalf. 67 Patiënten met vulvaire lichen sclerosus werden hierna behandeld met mometasonfuroaat 0,1% zalf tweemaal per week (n = 8), dagelijks pure vitamine E-olie lokaal (n = 9) of dagelijks een indifferent middel (cold cream; n = 8). Beschreven uitkomstmaten zijn het aantal patiënten met een relapse (dezelfde definitie als in het onderzoek van Corazza et al. 66 ), duur van remissie, patiënttevredenheid en bijwerkingen). 

De resultaten voor mometasonfuroaat 0,1% uit de onderzoeken van Virgili et al. en Corazza et al. werden samengevoegd. 67 66 In totaal zaten er 22 patiënten in de clobetasol- en 30 in de mometasongroep. Het aantal patiënten met een relapse gedurende 52 weken follow-up was 2 van de 22 (9%) in de clobetasol- versus 1 van de 30 (3%) in de mometasongroep (RR 2,00; 95%-BI 0,20 tot 20,49). De gemiddelde remissieduur was 30 weken (mediaan 32 weken, range 20-38) voor alle patiënten samen (n = 48, geen verschil tussen clobetasol of mometasonfuroaat). 

Corazza et al. beschreven ook nog de GOS-daling. 66 Zij rapporteerden een gemiddelde GOS-daling ten opzichte van baseline van 0,50 (SD 0,94) in de mometason- (n = 1) versus 0,27 (SD 1,09) in de clobetasolgroep (n = 13) (MD 0,23; 95%-BI -0,58 tot 1,04). 

Voor beide onderzoeken geldt dat de kwaliteit van bewijs zeer laag is. Er werd afgewaardeerd voor onnauwkeurigheid vanwege het kleine aantal patiënten en de brede betrouwbaarheidsintervallen. Ook werd afgewaardeerd voor het risico op bias omdat patiënten en behandelaars niet geblindeerd waren (open label design).

Observationele studies

Observationele studies werden geïncludeerd om gegevens over de langere termijn te verkrijgen. Langetermijngegevens zijn met name van belang voor het beoordelen van de kans op het ontwikkelen van een plaveiselcelcarcinoom (PCC) als complicatie van lichen sclerosus. Vanwege hun onderzoeksopzet hebben de observationele onderzoeken een hoog risico op verschillende soorten bias.

In de cohortstudie van Cooper et al. worden 253 vrouwen met vulvaire lichen sclerosus beschreven. 10  De gemiddelde follow-upduur was 65 maanden (range: onbekend). Na een initiële behandelperiode gingen patiënten zelf verder met een intermitterende onderhoudsbehandeling. Bijna 90% van de vrouwen gebruikte clobetasolpropionaat zalf (n = 208; 89%), de overige 11 % een ander corticosteroïd. Gedurende de follow-up hadden 50 patiënten (23%) een totale verbetering van klinische verschijnselen, 149 patiënten (69%) hadden een gedeeltelijke verbetering (complete resolutie purpura, hyperkeratose, fissuren en erosies, maar persisterende kleur- of textuurveranderingen). Veertien vrouwen (6%) hadden weinig verbetering, 4 vrouwen hadden geen verbetering en 13 vrouwen ondergingen introïtusplastiek (Fenton-procedure). Zeven patiënten ontwikkelden een PCC en 4 patiënten vulvaire intraepitheliale neoplasie (VIN). 
Lee et al. voerden een prospectieve cohortstudie uit bij 507 volwassen vrouwen met vulvaire lichen sclerosus die een minimale follow-upduur van 2 jaar hadden. 68 De gemiddelde follow-upduur was 4,7 jaar (range 2,0-6,8). Patiënten werden initieel dagelijks met een lokaal potent corticosteroïd behandeld, totdat de kleur en textuur van de huid zoveel mogelijk normaal waren (geïndividualiseerde behandeling). Vervolgens werd afgebouwd naar een minder sterkwerkend corticosteroïd. Patiënten smeerden tenminste 3 keer per week. Bij zeer ernstige lichen sclerosus werd dagelijks een sterk tot zeer sterkwerkend corticosteroïd gebruikt. De volgende middelen werden gebruikt: betamethasondipropionaat 0,05 % (n = 325; 64,1%), methylprednisolonacetaat 0,1% zalf (n = 156; 30,8%), clobetasolpropionaat 0,05% zalf (n = 17; 3,4%) en hydrocortison 1% zalf (n = 9; 1,8%). De therapietrouwe patiënten (n = 357; 70,4%) werden vergeleken met de patiënten die niet therapietrouw waren. Van de 150 niet-therapietrouwe patiënten ontwikkelden er 7 een PCC. Onderdrukking van pijn en jeuk werd bereikt bij 333 therapietrouwe patiënten (93,3%) en bij 87 (58%) niet-therapietrouwe patiënten. Adhesies en verlittekening na follow-up werden gezien bij 72 patiënten (14,2%: n = 12 uit de therapietrouwe groep en n = 60 uit de niet-therapietrouwe groep) in vergelijking tot 262 patiënten (51,7%) bij baseline. Bijwerkingen van de onderhoudsbehandeling waren atrofie (n = 7) en corticosteroïd dermatitis (n = 14) zonder significante verschillen tussen de therapietrouwe en niet-therapietrouwe groepen. 

In het Franse onderzoek van Renaud-Vilmer et al. worden 83 vrouwen met een leeftijd > 20 jaar met vulvaire lichen sclerosus prospectief beschreven. 44 De mediane follow-upduur is 4,7 jaar en 4 patiënten waren lost to follow-up. Patiënten werden behandeld met clobetasolpropionaat 0,05% zalf eenmaal daags gedurende 3 maanden en daarna driemaal per week. Bij complete remissie werd de behandeling gestaakt. Indien er na 12 tot 18 maanden geen complete remissie werd bereikt werd de dosis afgebouwd tot tweemaal per week. In totaal bereikten 45 patiënten (54%) complete remissie. De incidentieratio van het aantal relapsen (klinische en histologische verschijnselen) was 50% na 16 maanden (95%-BI 30 tot 60%) en 84% na 4 jaar (95%-BI 57 tot 94%). In totaal ontwikkelden 8 patiënten een PCC (9,6%), maar hiervan waren er 6 al aanwezig op baseline. Deze patiënten hadden geen eerdere behandeling voor lichen sclerosus ondergaan. 

Conclusie

Op basis van de cohortonderzoeken met grote aantallen patiënten zijn er aanwijzingen dat een onderhoudsbehandeling met corticosteroïden in een intermitterend schema symptomen onderdrukken en mogelijk een beschermend effect hebben op het ontwikkelen van een PCC. Een causale relatie is echter niet vast te stellen op basis van de beschikbare literatuur. 
Het nadeel van het continueren van lokale corticosteroïden zou het optreden van de bijwerkingen van steroïden (atrofie) kunnen zijn. De ervaring van de NVDV-werkgroep Lichen sclerosus is dat met het stapsgewijs afbouwen van lokale steroïden en vervolgens een laagfrequente onderhoudsdosering (in combinatie met het consequent gebruik van vettende zalf, meerdere malen per dag en na een duidelijke smeerinstructie, zodat het corticosteroïd niet buiten het aangedane gebied wordt gesmeerd) de kans op het optreden van corticosteroïdatrofie uitermate gering is. 2

Behandeling met indifferente preparaten

De aanbevolen preparaten in de hoofdtekst zijn een praktische keuze, gebaseerd op algemeen aanvaarde dermatologische principes.
Onderhoudsbehandeling op lange termijn voor LS van de vulva met een vochtinbrengende zalf zal naar verwachting de symptoomverlichting door lokale corticosteroïden kunnen onderhouden en de benodigde hoeveelheid dermatocorticosteroïden beperken, maar gecontroleerd onderzoek hiernaar ontbreekt. 69 Er is wel onderzoek gedaan bij constitutioneel eczeem waaruit bleek dat de behoefte dermatocorticosteroïden vermindert bij de combinatie met indifferente huidmiddelen (zie de NHG-Standaard Eczeem).

Conclusie

Er is onvoldoende wetenschappelijke literatuur beschikbaar over de effectiviteit van indifferente middelen bij de behandeling van anogenitale lichen sclerosus. De ervaring van de werkgroep is dat deze middelen wel een essentieel en onmisbaar onderdeel van de behandeling vormen. Een droge huid jeukt sneller en krabben kan weer leiden tot nieuwe laesies (fenomeen van Köbner).

Proefbehandeling met dermatocorticosteroïden

Bij onzekerheid over de diagnose anogenitale lichen sclerosus (LS) wordt een proefbehandeling met dermatocorticosteroïden in de eerste lijn ontraden. Er zijn immers meer huidaandoeningen, zoals eczeem, die in mindere of meerdere mate reageren op behandeling met dermatocorticosteroïden, waardoor een goede reactie op een proefbehandeling niet bewijzend is voor de diagnose LS. Omdat LS een chronische aandoening is, die kan ontaarden in een plaveiselcelcarcinoom en derhalve regelmatige controle vereist, is het van belang om de diagnose LS met zekerheid te kunnen stellen. Bij diagnostische twijfel is dan ook een stansbiopt geïndiceerd (zie Lichamelijk onderzoek).

Bijwerkingen

Naar Samenvatting ›
  • Lokale bijwerkingen van dermatocorticosteroïden zijn onder andere atrofie en hypopigmentatie; deze zullen echter vaak moeilijk te onderscheiden zijn van de symptomen van de aandoening zelf.
  • Systemische bijwerkingen van dermatocorticosteroïden zijn bij volwassenen zeldzaam. Leg uit dat na het verdwijnen van de jeuk enige huidverkleuring aanwezig kan blijven.
Details
Bijwerkingen van corticosteroïden

Het risico op bijwerkingen neemt toe met de sterkte en de duur van het gebruik van het corticosteroïd. Relatief frequent voorkomende lokale bijwerkingen zijn: atrofie van de huid, striae, hypopigmentatie en teleangiëctasieën. Deze zullen echter vaak moeilijk te onderscheiden zijn van de symptomen van de aandoening zelf.

Systemische bijwerkingen van dermatocorticosteroïden zijn bij volwassenen zeldzaam, zeker indien men zich houdt aan de maximale hoeveelheden. Uitgaande van een klasse-4-corticosteroïd wordt geadviseerd om niet meer dan 30 tot 60 g per week lokaal toe te passen. Deze hoeveelheid wordt ook veilig geacht voor gebruik tijdens zwangerschap, indien niet toegepast op grote oppervlakken of open huid. 70

Andere medicamenteuze opties

In de tweede lijn worden bij behandelresistente lichen sclerosus (LS) behalve dermatocorticosteroïden en calcineurineremmers ook andere middelen geprobeerd.

De effectiviteit van fotodynamische behandeling, al dan niet gecombineerd met 5-aminolevulinezuur, is onvoldoende aangetoond. 71 72 73 74 Ook voor de effectiviteit van lokale behandeling met tretinoïne of systemische behandeling met cyclosporine ontbreekt het bewijs. 75 76 Wel zijn er aanwijzingen dat acitretine (een retinoïde) effectief is bij de behandeling van LS. 77 78

Aanbevelingen

Naar Samenvatting ›
  • Start lokale behandeling met een klasse 4-dermatocorticosteroïdzalf (zoals 0,05%-clobetasolzalf) of eventueel een klasse 3-dermatocorticosteroïdzalf (zoals 0,1% mometasonfuroaatzalf). Breng de zalf 1 dd dun aan voor het slapengaan gedurende 1 maand. Bij vrouwen verminderen de klachten meestal al na enkele dagen.
  • Adviseer de patiënt daarnaast meerdere malen per dag een indifferente zalf of vette crème (vaselineparaffinezalf, vaselinelanettecrème, vaselinecetomacrogolcrème of zinksulfaatvaselinecrème) aan te brengen, bijvoorbeeld na elk toiletbezoek. Adviseer mannen om bij het aanbrengen van zalf het preputium te masseren en voorzichtig te strekken. Instrueer de patiënt hierbij tenminste 1 uur te wachten met het aanbrengen van een indifferent middel na applicatie van het dermatocorticosteroïd.
  • Zijn na 1 maand de klachten (jeuk, pijn) afgenomen, verminder dan in maximaal 2 maanden het gebruik van de dermatocorticosteroïden door over te gaan op intermitterend gebruik (bijvoorbeeld 1 maand iedere week 4 dagen achtereen en 3 dagen niet, en vervolgens 1 maand iedere week 3 dagen achtereen en 4 dagen niet). Bij milde varianten, met weinig klachten en zonder progressief beloop, kan de patiënt na deze periode stoppen met het dermatocorticosteroïd.
  • Zijn na 1 maand de klachten niet verminderd ondanks goede therapietrouw, heroverweeg dan de diagnose (zie de differentiaaldiagnoses onder Evaluatie) en ga na of er geen secundaire of mechanische problemen zijn ontstaan als gevolg van de littekenvorming.
  • Bij een recidief na een klachtenvrije periode: start lokale behandeling met dermatocorticosteroïden volgens eerdergenoemd schema.
  • Bij hardnekkige, recidiverende klachten kan een levenslange intermitterende onderhoudsbehandeling met een sterk tot zeer sterkwerkend dermatocorticosteroïd (klasse 3-4) geïndiceerd zijn (al dan niet op advies van de dermatoloog of gynaecoloog). 
  • Adviseer de patiënt om 1-4 keer per week te smeren op geleide van de klachten en klinische verschijnselen. Adviseer dit bij voorkeur op aaneengesloten dagen te doen wanneer meerdere keren per week smeren noodzakelijk is om de klachten en klinische verschijnselen te onderdrukken. Benadruk dat alleen het aangedane gebied ingesmeerd dient te worden om bijwerkingen te voorkomen.

Ontraad:

  • dagelijks gebruik van een klasse 4-dermatocorticosteroïdzalf langer dan 1 maand
  • het gebruik van meer dan 30 tot 60 g klasse 4-dermatocorticosteroïdzalf  per week
  • een proefbehandeling met dermatocorticosteroïden bij een onzekere diagnose
2e lijn
Naar Samenvatting ›

Indien corticosteroïden bijwerkingen geven, gecontra-indiceerd zijn, of onvoldoende effectief zijn kunnen in de 2e lijn lokaal aangebrachte calcineurineremmers (tacrolimus, pimecrolimus) voorgeschreven worden.

Details
Lokale behandeling met calcineurineremmers

Calcineurineremmers zijn geregistreerd voor de behandeling van ernstig eczeem, maar niet van lichen sclerosus (LS). In de afgelopen jaren is echter een aantal onderzoeken gepubliceerd over de effectiviteit van deze middelen bij de behandeling van LS.

In een gecontroleerd onderzoek  in de tweede lijn naar de effectiviteit van lokale behandeling werden vrouwen met anogenitale lichen sclerosus (n = 58, 29 interventiegroep, 29 controlegroep) geïncludeerd en behandeld met tacrolimus 0,1% zalf 1 dd (interventie) of clobetasolpropionaat 0,05% zalf 1 dd (controle) gedurende 12 weken. 79 Indien laesies waren verdwenen voor het einde van het onderzoek werd de ingestelde behandeling gecontinueerd middels tweewekelijkse applicatie.  Na een behandelduur van 12 weken was volgens de beoordelaars het aantal patiënten zonder klinische verschijnselen 4 (14,3%) in de tacrolimus- versus 15 (55,6%) in de clobetasolgroep (p = 0,002). De gemiddelde VAS jeuk in de tacrolimusgroep was 3 versus 1 in de clobetasolgroep (p = 0,108), zoals gerapporteerd door de deelnemers. De gemiddelde VAS branderigheid/pijn in de tacrolimusgroep was 2,2 versus 0,7 in de clobetasolgroep (p = 0,172), zoals gerapporteerd volgens de deelnemers. De ‘overall’ kwaliteit van bewijs voor de vergelijking tacrolimus 0,1% zalf versus clobetasolpropionaat 0,05% zalf is laag, met name vanwege het lage aantal patiënten, indirectheid en het ontbreken van uitkomstmaten.

In een ander gecontroleerd onderzoek in de tweede lijn naar het effect van pimecrolimus 1% crème 2 dd (interventie) versus clobetasolpropionaat 0,05% crème (controle) 1 dd werden vrouwen met lichen sclerosus geïncludeerd en behandeld gedurende 12 weken (n = 38, 18 interventiegroep, 20 controlegroep). 80 Na een behandelduur van 12 weken rapporteerden deelnemers een gemiddelde VAS jeuk in de pimecrolimusgroep van 3,5 versus 4,5 in de clobetasolgroep (p = 0,319). De gemiddelde gerapporteerde VAS branderigheid/pijn in de pimecrolimusgroep was 3,8 versus 3,9 in de clobetasolgroep (p = 0,932). Een Investigator’s Global Assessment (IGA) (score 0-3) werd afgenomen voor klinische evaluatie van lichenificatie, ulceratie/fissuren en ernst van de ziekte. Er werden enkel p-waardes gerapporteerd in het onderzoek: de auteurs concluderen dat zowel clobetasol als pimecrolimus de totale IGA-score (p = 0,001) als de 3 subscores significant verlagen (lichenificatie p = 0,001; ulceratie p = 0,025 en ernst van ziekte p = 0,001). De ‘overall’ kwaliteit van bewijs voor de vergelijking pimecrolimus 1% versus clobetasolpropionaat 0,05% is laag.  81

Conclusie

Calcineurineremmers hebben mogelijk een gunstig effect op lichen sclerosus. Gezien de beperkte ervaring van huisartsen met deze middelen, dient behandeling met lokale calcineurineremmers alleen in de tweede lijn plaats te vinden.

Lokale behandeling

Naar Samenvatting ›
  • Lokale behandeling met testosteron of progesteron heeft geen plaats bij de behandeling van lichen sclerosus vanwege het gebrek aan bewijs.
  • Lokale behandeling met oestrogenen is niet effectief bij de behandeling van de huidafwijkingen bij lichen sclerosus; ze helpt wel de postmenopauzale droogheid van het vaginaslijmvlies te verminderen (zie NHG-Standaard De overgang).
Details
Lokale behandeling met testosteron of progesteron

In het verleden werd gedacht dat lichen sclerosus (LS) mogelijk een hormonaalgevoelige aandoening is. Om die reden zijn vrouwen met LS in het verleden wel lokaal behandeld met testosteron. Over de effectiviteit van testosteron bij LS zijn de onderzoeksresultaten echter inconsistent. Het gaat veelal om kleine ongecontroleerde onderzoeken. 82 61 83 84 85 86 87 88 Testosteron kan tot bijwerkingen leiden zoals verhoogde testosteronserumwaarden, acne, hirsutisme, clitorismegalie, irregulaire menstruaties en verminderde libido. Behandeling met testosteron is gecontraïndiceerd in de zwangerschap. 11

Naar de effectiviteit van progesteron is een klein onderzoek verricht. 89 Patiënten met LS van de vulva werden, op onduidelijke wijze, gerandomiseerd over 2 groepen: patiënten in de progesterongroep smeerden dagelijks 2,5%-progesteroncrème en patiënten in de vaselinegroep dagelijks vaseline. Na 6 maanden waren in de progesterongroep 9 patiënten (vaselinegroep: 0) klachtenvrij, 5 (vaselinegroep: 5) verbeterd en geen (vaselinegroep: 5) van de patiënten verslechterd.

Conclusie

In verband met de twijfelachtige effectiviteit en het forse bijwerkingenpatroon heeft testosteron geen plaats bij de behandeling van lichen sclerosus. Voor de effectiviteit van lokaal aangebracht progesteron bij lichen sclerosus bestaat nauwelijks bewijs.

Controle en verwijzing

Naar Samenvatting ›

Controles

Naar Samenvatting ›
  • De eerste controle vindt 2 tot 4 weken na het starten van de behandeling plaats. Herhaal dan het lichamelijk onderzoek. Bespreek daarnaast:
    • vragen en zorgen die de diagnose met zich meebrengt
    • eventuele seksuele problemen
    • het gebruik van dermatocorticosteroïden naast het gebruik van indifferente middelen
    • ervaringen of belemmeringen bij zelfonderzoek
  • Bij vermindering van klachten en symptomen vinden controles om de 3 maanden plaats. Indien de aandoening in remissie is, worden de controles na 6 maanden minder frequent, bijvoorbeeld eenmaal per 6 maanden of jaarlijks. Bij elke controle wordt lichamelijk onderzoek verricht. Let dan op tekenen van een plaveiselcelcarcinoom en op het ontwikkelen van anatomische afwijkingen, zoals adhesies of stricturen.
  • Ga na of de patiënt aan zelfonderzoek doet en wat de rol van de partner is (bij het monitoren van de laesie en/of het aanbrengen van medicatie). Vraag daarnaast naar herstel van de seksualiteit.
Details
Follow-up

Lichen sclerosus (LS) geeft een verhoogd risico op een plaveiselcelcarcinoom en daarom dienen patiënten onder controle te blijven. Naast het screenen op tekenen van maligniteit, zijn de controles ook gericht op het signaleren van bijwerkingen van de medicatie en het ontstaan van complicaties zoals misvormingen door LS.

Het risico op maligniteit bij ongecompliceerde genitale LS is waarschijnlijk klein. Of frequente controles vroege detectie garanderen is onduidelijk.

Een Engelse richtlijn adviseert om patiënten 3 maanden na het eerste bezoek te controleren ter evaluatie van de behandeling met dermatocorticosteroïden. Indien de klachten voldoende onder controle zijn, dan vinden de volgende controles na 6 maanden en vervolgens jaarlijks plaats. 65

In een Engels onderzoek werden 39 vrouwen met LS geënquêteerd enige tijd na ontslag uit de tweede lijn. Van hen had 38% na een jaar de huisarts niet bezocht. Van diegenen die wel hun huisarts consulteerden was 17% niet onderzocht. Van alle patiënten gebruikte overigens 69% nog wekelijks clobetasolzalf. Uit dit onderzoek blijkt dat een significant gedeelte van de patiënten met lichen sclerosus die terugverwezen zijn naar de huisarts, niet door huisartsen worden gezien ter follow-up, ondanks het feit dat patiënten wel medicatie gebruikten. 90

Het controleschema in deze standaard is gebaseerd op consensus en conform het beleid in de tweede lijn. 1

Verwijzing

Naar Samenvatting ›
  • Verwijs op korte termijn (binnen 2 weken) naar een dermatoloog, uroloog of gynaecoloog bij kenmerken van plaveiselcelcarcinoom.
  • Verwijs naar een dermatoloog, uroloog of gynaecoloog met de vulva als aandachtsgebied bij:
    • kinderen met afwijkingen mogelijk passend bij anogenitale lichen sclerosus (bij voorkeur naar (kinder)dermatoloog)
    • mannen met anogenitale lichen sclerosus in combinatie met fimose of sproeien bij mictie (bij voorkeur naar dermatoloog)
    • twijfel aan de diagnose (eventueel alleen voor een diagnostisch consult en therapeutisch advies)
    • onvoldoende reactie op de behandeling na 1 maand
    • lichen sclerosus met uitgebreide sclerosering
    • seksuele disfunctie zoals persisterende klachten van dyspareunie bij vrouwen (gynaecoloog)
  • Verwijs een patiënt (en de partner), na beoordeling door een gynaecoloog, zo nodig naar een seksuoloog bij seksuele problematiek die door lichen sclerosus veroorzaakt is.
  • Controle na terugverwijzing uit de tweede lijn:
    • Bij terugverwijzing verzoekt de dermatoloog, uroloog of gynaecoloog de patiënt op korte termijn (binnen 6 weken) een afspraak te maken bij de huisarts, zodat die zich op de hoogte kan stellen van de actuele afwijkingen en een uitgangspunt heeft voor het verdere beleid. Voor patiënten met anogenitale lichen sclerosus is een jaarlijkse controle geïndiceerd. Afhankelijk van de activiteit van de ziekte kan het interval tussen de controles verkort of verlengd worden.
Details
Kinderen met anogenitale lichen sclerosus

Diagnostiek en behandeling van anogenitale lichen sclerosus bij kinderen vinden plaats bij een in kinderdermatologie gespecialiseerde dermatoloog. Bij vermoeden van seksueel misbruik kan er echter ook een belangrijke rol voor de huisarts zijn weggelegd.

Chirurgische behandeling bij mannen

De chirurgische behandelingen bij mannen met lichen sclerosus (LS) zijn in het algemeen geïndiceerd bij een fimose die niet reageert op medicamenteuze behandeling en stricturen van de urethra. 9 91 92 93 Bij mannen met een tot de glans penis en het preputium beperkte LS kan circumcisie leiden tot complete remissie. 9 65

Er is ook een aantal kleine onderzoeken van matige kwaliteit gedaan naar de effectiviteit van cryochirurgie. Deze lieten geen overtuigend bewijs zien voor het toepassen van cryochirurgie bij matige behandelresistente anogenitale lichen sclerosus. 94 95 96

Chirurgische behandeling bij vrouwen

Chirurgische behandeling van de vulva in verband met lichen sclerosus (LS) is zelden nodig. Excisie van het aangedane epitheel wordt alleen uitgevoerd bij patiënten die onvoldoende baat hebben bij medicatie en ernstige klachten blijven houden of bij patiënten bij wie de anatomie door complicaties van de LS verloren is gegaan.

Voorwaarden voor een chirurgische behandeling zijn 

  1. De vrouw heeft nog een wens tot coïtus. 
  2. De lichen sclerosus is niet actief. 
  3. Er is geen sprake van sensitisatie/vulvodynie.
  4. Er is geen sprake van bekkenbodemhypertonie.

Vanwege bovengenoemde voorwaarden is er veel voor te zeggen dat elke patiënt voorafgaand aan een chirurgische ingreep een seksuoloog en/of geregistreerd bekkenfysiotherapeut bezoekt met als doel uitzoeken of er een realistisch verwachtingspatroon is bij patiënt (en partner) en om sensitisatie en/of bekkenbodemhypertonie uit te sluiten. 2

Bij naar schatting de helft van de patiënten blijft een recidief na chirurgisch ingrijpen uit. 91

Voor herstel van anatomie kan het nodig zijn om bij vrouwen over te gaan tot het klieven van met elkaar vergroeide labia. Er is weinig literatuur over het vrijleggen van de clitoris; het succespercentage van de ingreep lijkt hoog. Het opheffen van een vernauwde introïtus vaginae kan door middel van een zogenaamde verwijdingsplastiek. 97 98 De ingreep is succesvol bij 85 tot 90% van de patiënten met dyspareunie bij lichen sclerosus. 99

Een andere oorzaak van dyspareunie is een fissuur in het dorsale vestibulum, waarvoor chirurgische behandeling ook een optie kan zijn. De operatie gaat volgens de lijnen van de verwijdingsplastiek, maar is in omvang beperkter als er geen vernauwing van de introïtus is. 100

Samenwerking

Naar Samenvatting ›

Huisartsen en specialisten kunnen het initiatief nemen regionale samenwerkingsafspraken op te stellen over het beleid bij patiënten met anogenitale lichen sclerosus.

  • Essentieel is de inventarisatie van specialisten met expertise op het gebied van diagnostiek en behandeling van lichen sclerosus.
  • Zorg in het kader van de samenwerking vooral voor heldere afspraken over controle van de patiënten, wanneer deze worden terugverwezen naar de huisarts.
Details
Aandachtspunten voor samenwerking

In overleg met vertegenwoordigers van de beroepsverenigingen van dermatologen, gynaecologen en urologen zijn de volgende aandachtspunten voor samenwerking geformuleerd, die in een lokaal of regionaal overleg kunnen worden omgezet in samenwerkingsafspraken.

Behandelaanbod

Zorg voor bekendheid bij zorgverleners van behandelingsmogelijkheden bij de huisarts, dermatoloog, gynaecoloog, uroloog of regionaal gespecialiseerde centra (‘vulvapoli’s’).

Bereikbaarheid

Spreek af hoe de onderlinge bereikbaarheid geregeld is (hiervoor zijn vaak speciale telefoonnummers beschikbaar), zodat de mogelijkheid voor intercollegiale afstemming en overleg wordt geoptimaliseerd.

Verwijzing

  • Maak afspraken wanneer patiënten worden doorverwezen of terugverwezen naar de dermatoloog, gynaecoloog, uroloog of vulvapoli en wanneer ze worden terugverwezen naar de huisarts.
  • Maak afspraken over de maximale wachttijd bij verwijzing. Bij vermoeden van maligniteit in ieder geval binnen 2 weken.
  • Maak afspraken over de wijze van consultatie en bij welke indicaties consultatie nodig geacht wordt.

Referenties

  1. Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie. Richtlijn Anogenitale lichen sclerosus. Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, 2012. Geraadpleegd maart 2012.
  2. NVDV. Richtlijn lichen sclerosus (2021) Ga naar bron: NVDV. Richtlijn lichen sclerosus (2021)
  3. Van Rossum MM, Van der Avoort IAM, De Hoop D, Dukel L, Van der Vleuten CJM, De Hullu JA. Lichen sclerosus. Ned Tijdschr Geneeskd 2007;151:1225-31.
  4. Nelson DM, Peterson AC. Lichen sclerosus: epidemiological distribution in an equal access health care system. J Urol 2011;185:522-5.
  5. Meffert JJ, Davis BM, Grimwood RE. Lichen sclerosus. J Am Acad Dermatol 1995;32:393-416.
  6. Powell JJ, Wojnarowska F. Lichen sclerosus. Lancet 1999;353:1777-83.
  7. Wallace HJ. Lichen sclerosus et atrophicus. Trans St Johns Hosp Dermatol Soc 1971;57:9-30.
  8. Goldstein AT, Marinoff SC, Christopher K, Srodon M. Prevalence of vulvar lichen sclerosus in a general gynecology practice. J Reprod Med 2005;50:477-80.
  9. Pugliese JM, Morey AF, Peterson AC. Lichen sclerosus: review of the literature and current recommendations for management. J Urol 2007;178:2268-76.
  10. Cooper SM, Gao XH, Powell JJ, Wojnarowska F. Does treatment of vulvar lichen sclerosus influence its prognosis? Arch Dermatol 2004;140:702-6.
  11. Smith YR, Haefner HK. Vulvar lichen sclerosus: pathophysiology and treatment. Am J Clin Dermatol 2004;5:105-25.
  12. Pock L. Koebner phenomenon in lichen sclerosus et atrophicus. Dermatologica 1990;181:76-7.
  13. Tegner E, Vrana I. Lichen sclerosus et atrophicus appearing in old scars of burns from welding sparks. Acta Derm Venereol 2001;81:211.
  14. Isaac R, Lyn M, Triggs N. Lichen sclerosus in the differential diagnosis of suspected child abuse cases. Pediatr Emerg Care 2007;23:482-5.
  15. Warrington SA, De San Lazaro C. Lichen sclerosus et atrophicus and sexual abuse. Arch Dis Child 1996;75:512-6.
  16. Priestley BL, Bleehen SS. Lichen sclerosus and sexual abuse. Arch Dis Child 1990;65:335.
  17. Jenny C, Kirby P, Fuquay D. Genital lichen sclerosus mistaken for child sexual abuse. Pediatrics 1989;83:597-9.
  18. Powell J, Wojnarowska F, Winsey S, Marren P, Welsh K. Lichen sclerosus premenarche: autoimmunity and immunogenetics. Br J Dermatol 2000;142:481-4.
  19. San LC. Lichen sclerosis. Arch Dis Child 1990;65:1184.
  20. Swarte RM, Hack WW, Van den Hoogenband HM. Lichen sclerosus et atrophicus als oorzaak van genitale afwijkingen bij een meisje. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:2411-2.
  21. Von Muhlendahl KE. Suspected sexual abuse in a 10-year-old girl. Lancet 1996;348:30.
  22. Al-Khenaizan S, Almuneef M, Kentab O. Lichen sclerosus mistaken for child sexual abuse. Int J Dermatol 2005;44:317-20.
  23. Priestley BL. Lichen sclerosus et atrophicus in children misdiagnosed as sexual abuse. Br Med J (Clin Res Ed) 1987;295:311.
  24. Bilo RA, De Waard-van der Spek FB, Okkerse A, Oranje AP. Anogenitale klachten bij kinderen. Gaat het om seksueel misbruik? Ned Tijdschr Geneeskd 1994;138:1457-9.
  25. Harrington CI. Lichen sclerosus. Arch Dis Child 1990;65:335.
  26. Maronn ML, Esterly NB. Constipation as a feature of anogenital lichen sclerosus in children. Pediatrics 2005;115:e230-e232.
  27. Wood PL, Bevan T. Lesson of the week child sexual abuse enquiries and unrecognised vulvar lichen sclerosus et atrophicus. BMJ 1999;319:899-900.
  28. Mallon E, Hawkins D, Dinneen M, Francics N, Fearfield L, Newson R, et al. Circumcision and genital dermatoses. Arch Dermatol 2000;136:350-4.
  29. Ledwig PA, Weigand DA. Late circumcision and lichen sclerosus et atrophicus of the penis. J Am Acad Dermatol 1989;20:211-4.
  30. HCUP (Healthcare Cost and Utilization Project). Circumcisions performed in U.S. community hospitals, 2005. Ga naar bron: HCUP (Healthcare Cost and Utilization Project). Circumcisions performed in U.S. community hospitals, 2005.
  31. Brown AR, Dunlap CL, Bussard DA, Lask JT. Lichen sclerosus et atrophicus of the oral cavity: report of two cases. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 1997;84:165-70.
  32. Diakomanolis ES, Haidopoulos D, Syndos M, Rodolakis A, Stefanidis K, Chatzipapas J, et al. Vulvar lichen sclerosus in postmenopausal women: a comparative study for treating advanced disease with clobetasol propionate 0.05%. Eur J Gynaecol Oncol 2002;23:519-22.
  33. Barbagli G, Palminteri E, Balo S, Vallasciani S, Mearini E, Costantini E, et al. Lichen sclerosus of the male genitalia and urethral stricture diseases. Urol Int 2004;73:1-5.
  34. Bochove-Overgaauw DM, Gelders W, De Vylder AMA. Routine biopsies in pediatric circumcision: (non) sense? J Pediatr Urol 2009;5:178-80.
  35. Powell J, Wojnarowska F. Childhood vulvar lichen sclerosus: an increasingly common problem. J Am Acad Dermatol 2001;44:803-6.
  36. Vincent MV, Mackinnon E. The response of clinical balanitis xerotica obliterans to the application of topical steroid-based creams. J Pediatr Surg 2005;40:709-12.
  37. Powell J, Wojnarowska F. Childhood vulvar lichen sclerosus. The course after puberty. J Reprod Med 2002;47:706-9.
  38. Smith SD, Fischer G. Paediatric vulvar lichen sclerosus. Australas J Dermatol 2009;50:243-8.
  39. Van de Nieuwenhof HP, Van der Avoort IAM, De Hullu JA. Review of squamous premalignant vulvar lesions. Crit Rev Oncol Hematol 2008;68:131-56.
  40. Neill SM, Tatnall FM, Cox NH; British Association of Dermatologists. Guidelines for the management of lichen sclerosus. Br J Dermatol. 2002 Oct;147(4):640-9. Review.
  41. Tasker GL, Wojnarowska F. Lichen sclerosus. Clin Exp Dermatol. 2003 Mar;28(2):128-33. Review.
  42. Dalziel KL. Effect of lichen sclerosus on sexual function and parturition. J Reprod Med. 1995 May;40(5):351-4.
  43. Jones RW, Sadler L, Grant S, Whineray J, Exeter M, Rowan D. Clinically identifying women with vulvar lichen sclerosus at increased risk of squamous cell carcinoma: a case-control study. J Reprod Med 2004;49:808-11.
  44. Renaud-Vilmer C, Cavelier-Balloy B, Porcher R, Dubertret L. Vulvar lichen sclerosus: effect of long-term topical application of a potent steroid on the course of the disease. Arch Dermatol 2004;140:709-12.
  45. Carlson JA, Ambros R, Malfetano J, Ross J, Grabowski R, Lamb P, et al. Vulvar lichen sclerosus and squamous cell carcinoma: a cohort, case control, and investigational study with historical perspective; implications for chronic inflammation and sclerosis in the development of neoplasia. Hum Pathol 1998a;29:932-48.
  46. Van der Meijden WI, Ter Harmsel WA. Vulvapathologie. Assen: Koninklijke Van Gorcum BV, 2007.
  47. Fons G, Hyde SE, Buist MR, Schilthuis MS, Grant P, Burger MP, et al. Prognostic value of bilateral positive nodes in squamous cell cancer of the vulva. Int J Gynecol Cancer 2009;19:1276-80.
  48. Heineman MJ, Evers JLH, Massuger LFAG, Steegers EAP. Obstetrie en gynaecologie. De voortplanting van de mens. 6de dr. Amsterdam: Elsevier Gezondheidszorg, 2006.
  49. Nasca MR, Innocenzi D, Micali G. Penile cancer among patients with genital lichen sclerosus. J Am Acad Dermatol 1999;41:911-4.
  50. Barbagli G, Palminteri E, Mirri F, Guazzoni G, Turini D, Lazzeri M. Penile carcinoma in patients with genital lichen sclerosus: a multicenter survey. J Urol 2006;175:1359-63.
  51. Rook AJ, Wilkinson DS, Ebling FJG, Champion RH. Textbook of Dermatology. 6th ed. Oxford: Blackwell Science, 1998.
  52. Carlson JA, Ambros R, Malfetano J, Ross J, Grabowski R, Lamb P, et al. Vulvar lichen sclerosus and squamous cell carcinoma: a cohort, case control, and investigational study with historical perspective; implications for chronic inflammation and sclerosis in the development of neoplasia. Hum Pathol 1998b;29:932-48.
  53. Scurry J, Whitehead J, Healey M. Histology of lichen sclerosus varies according to site and proximity to carcinoma. Am J Dermatopathol 2001;23:413-8.
  54. Margesson LJ. Overview of treatment of vulvovaginal disease. Skin Therapy Lett 2011;16:5-7.
  55. Saunders NA, Haefner HK. Vulvar lichen sclerosus in the elderly: pathophysiology and treatment update. Drugs Aging 2009;26:803-12.
  56. Goudswaard AN, In 't Veld CJ, Kramer WLM. Handboek verrichtingen in de huisartsenpraktijk. Houten/Utrecht: Prelum, 2009.
  57. Zuber TJ. Punch biopsy of the skin. Am Fam Physician 2002;65:1155-2, 1164.
  58. Nyirjesy P. lichen sclerosus and other conditions mimicking vulvovaginal candidiasis. Curr Infect Dis Rep 2002;4:520-4.
  59. Hornor G. Common conditions that mimic findings of sexual abuse. J Pediatr Health Care 2009;23:283-8.
  60. Chi CC, Kirtschig G, Baldo M, Brackenbury F, Lewis F, Wojnarowska F. Topical interventions for genital lichen sclerosus. Cochrane Database Syst Rev 2011;CD008240.
  61. Bracco GL, Carli P, Sonni L, Maestrini G, De Marco A, Taddei GL, et al. Clinical and histologic effects of topical treatments of vulvar lichen sclerosus. A critical evaluation. J Reprod Med 1993;38:37-40.
  62. Kiss A, Csontai A, Pirot L, Nyirady P, Merksz M, Kiraly L. The response of balanitis xerotica obliterans to local steroid application compared with placebo in children. J Urol 2001;165:219-20.
  63. Dalziel KL, Wojnarowska F. Long-term control of vulvar lichen sclerosus after treatment with a potent topical steroid cream. J Reprod Med 1993;38:25-7.
  64. Cattaneo A, De Marco A, Botti E, Sonni L, Carli P, Taddei GL. Topical mometasone furoate for vulvar lichen sclerosus. J Reprod Med 2003;48:444-8.
  65. British Association of Dermatologists. Lichen sclerosus (2010). Ga naar bron: British Association of Dermatologists. Lichen sclerosus (2010).
  66. Corazza M, Borghi A, Minghetti S, Toni G, Virgili A. Clobetasol propionate vs. mometasone furoate in 1-year proactive maintenance therapy of vulvar lichen sclerosus: results from a comparative trial. JEADV 2016;30:956-61.
  67. Virgili A, Minghetti S, Borghi A, Corazza M. Proactive maintenance therapy with a topical corticosteroid for vulvar lichen sclerosus: preliminary results of a randomized study. BJD 2013;168:1316-24.
  68. Lee A, Bradford J, Fischer G. Long-term Management of Adult Vulvar Lichen Sclerosus. A prospective cohort study of 507 Women. JAMA Dermatol 2015;151:1061-7.
  69. Simonart T, Lahaye M, Simonart JM. Vulvar lichen sclerosus: effect of maintenance treatment with a moisturizer on the course of the disease. Menopause 2008;15:74-7.
  70. Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie. Richtlijn Dermatocorticosteroiden. Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, 2000. Ga naar bron: Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie. Richtlijn Dermatocorticosteroiden. Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, 2000.
  71. Beattie PE, Dawe RS, Ferguson J, Ibbotson SH. UVA1 phototherapy for genital lichen sclerosus. Clin Exp Dermatol 2006;31:343-7.
  72. Hillemanns P, Untch M, Prove F, Baumgartner R, Hillemanns M, Korell M. Photodynamic therapy of vulvar lichen sclerosus with 5-aminolevulinic acid. Obstet Gynecol 1999;93:71-4.
  73. Nisticò SP, Saraceno R, Schipani C, Costanzo A, Chimenti S. Different applications of monochromatic excimer light in skin diseases. Photomed Laser Surg. 2009 Aug;27(4):647-54.
  74. Zawislak AA, McCluggage WG, Donnelly RF, Maxwell P, Price JH, Dobbs SP, et al. Response of vulvar lichen sclerosus and squamous hyperplasia to photodynamic treatment using sustained topical delivery of aminolevulinic acid from a novel bioadhesive patch system. Photodermatol Photoimmunol Photomed 2009;25:111-3.
  75. Virgilli A, Corazza M, Bianchi A, Mollica G, Califano A. Open study of topical 0.025% Tretinoin in the treatment of vulvar lichen sclerosus. One year of therapy. J Reprod Med 1995;6:614-5.
  76. Bulbul BE, Turan H, Tunali S, Toker SC, Saricaoglu H. Open-label trial of cyclosporine for vulvar lichen sclerosus. J Am Acad Dermatol 2007;57:276-8.
  77. Bousema MT, Romppanen U, Geiger JM, Baudin M, Vaha-Eskeli K, Vartiainen J, et al. Acitretin in the treatment of severe lichen sclerosus et atrophicus of the vulva: a double-blind, placebo-controlled study. J Am Acad Dermatol 1994;30:225-31.
  78. Ioannides D, Lazaridou E, Apalla Z, Sotiriou E, Gregoriou S, Rigopoulos D. Acitretin for severe lichen sclerosus of male genitalia: a randomized, placebo controlled study. J Urol 2010;183:1395-9.
  79. Funaro D, Lovett A, Leroux N, et al. A double-blind, randomized prospective study evaluating topical clobetasol propionate 0.05% versus topical tacrolimus 0.1% in patients with vulvar lichen sclerosus. JAAD 2014;71:84-91.
  80. Goldstein AT, Creasey A, Pfau R, et al. A double-blind, randomized controlled trial of clobetasol versus pimecrolimus in patients with vulvar lichen sclerosus. JAAD 2011;64:e99-e104.
  81. Oskay T, Sezer HK, Genc C, Kutluay L. Pimecrolimus 1% cream in the treatment of vulvar lichen sclerosus in postmenopausal women. Int J Dermatol 2007;46:527-32.
  82. Ayhan A, Guven ES, Guven S, Sakinci M, Dogan NU, Kucukali T. Testosterone versus clobetasol for maintenance of vulvar lichen sclerosus associated with variable degrees of squamous cell hyperplasia. Acta Obstet Gynecol Scand 2007;86:715-9.
  83. Cattaneo A, Carli P, De Marco A, Sonni L, Bracco G, De Magnis A, et al. Testosterone maintenance therapy. Effects on vulvar lichen sclerosus treated with clobetasol propionate. J Reprod Med 1996;41:99-102.
  84. Joura EA, Zeisler H, Bancher-Todesca D, Sator MO, Schneider B, Gitsch G. Short-term effects of topical testosterone in vulvar lichen sclerosus. Obstet Gynecol 1997;89:297-9.
  85. Paslin D. Treatment of lichen sclerosus with topical dihydrotestosterone. Obstet Gynecol 1991;78:1046-9.
  86. Paslin D. Androgens in the topical treatment of lichen sclerosus. Int J Dermatol 1996;35:298-301.
  87. Sideri M, Origoni M, Spinaci L, Ferrari A. Topical testosterone in the treatment of vulvar lichen sclerosus. Int J Gynaecol Obstet 1994;46:53-6.
  88. Skierlo P, Heise H. Testosteronpropionat-Salbe - ein Therapieversuch beim Lichen sclerorus et atrophicus. Hautarzt 1987;38:295-7.
  89. Leone M, Gerbaldo D, Caldana A, Leone MM, Capitanio GL. Progesterone topically adiministered influences epidermal growth factor immunoreactivity in vulvar tissue from patients with lichen sclerosus. The Cervix 1993;11:25-7.
  90. Balasubramaniam P, Lewis FM. Long-term follow-up of patients with lichen sclerosus: does it really happen? J Obstet Gynaecol 2007;27:282.
  91. Abramov Y, Elchalal U, Abramov D, Goldfarb A, Schenker JG. Surgical treatment of vulvar lichen sclerosus: a review. Obstet Gynecol Surv 1996;51:193-9.
  92. Van Straalen WR, Hage JJ, Bloemena E, Glastra A. Plastische chirurgie als ultimum refugium bij lichen sclerosus. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:992-8.
  93. Kulkarni S, Barbagli G, Kirpekar D, Mirri F, Lazzeri M. Lichen sclerosus of the male genitalia and urethra: surgical options and results in a multicenter international experience with 215 patients. Eur Urol 2009;55:945-54.
  94. August PJ, Milward TM. Cryosurgery in the treatment of lichen sclerosus et atrophicus of the vulva. Br J Dermatol 1980;103:667-70.
  95. Kastner U, Altmeyer P. Kryochirurgie-ultima ratio oder chirurgische Alternative beim vulvaren Lichen sclerosus et atrophicus (LSAV)? J Dtsch Dermatol Ges 2003;1:206-11.
  96. Stucker M, Grape J, Bechara FG, Hoffmann K, Altmeyer P. The outcome after cryosurgery and intralesional steroid injection in vulvar lichen sclerosus corresponds to preoperative histopathological findings. Dermatology 2005;210:218-22.
  97. Paniel BJ, Truc JB, Robichez B, Poitout P. Vulvo-perineoplastie. Presse Med 1984;13:1895-8.
  98. Paniel BJ. Surgical procedures in benign vulvar disease. In: Ridley CM, Neill SM, editors. The vulva. Oxford: Blackwell Science, 1999: 277-91.
  99. Rouzier R, Haddad B, Deyrolle C, Pelisse M, Moyal-Barracco M, Paniel BJ. Perineoplasty for the treatment of introital stenosis related to vulvar lichen sclerosus. Am J Obstet Gynecol 2002;186:49-52.
  100. Kennedy CM, Dewdney S, Galask RP. Vulvar granuloma fissuratum: a description of fissuring of the posterior fourchette and the repair. Obstet Gynecol 2005;105:1018-23.