Depressie

Depressie

Samenvatting

BegrippenNaar Volledige tekst

Depressieve klachten

Sombere stemming waar de patiënt hinder van ondervindt maar waarbij niet wordt voldaan aan de DSM-criteria voor een depressieve stoornis (zie tabel h1).

Depressieve stoornis

Aanwezigheid van 5 symptomen, waarvan ≥ 1 kernsymptoom, gedurende > 2 aaneengesloten weken (zie ook tabel h1).

  • Kernsymptomen:
    • sombere stemming gedurende het grootste deel van de dag
    • duidelijke vermindering van interesse of plezier in (vrijwel) alle activiteiten
  • Overige symptomen:
    • duidelijke gewichtsvermindering of -toename
    • slapeloosheid of overmatig slapen
    • psychomotorische agitatie of remming
    • moeheid of energieverlies
    • gevoelens van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens
    • verminderd vermogen tot nadenken, concentratieverlies of besluiteloosheid
    • terugkerende gedachten aan de dood, suïcidegedachten, suïcideplannen of suïcidepoging
  • Weeg de volgende factoren mee:
    • mate van lijdensdruk en sociaal disfunctioneren
    • aanwezigheid van psychische comorbiditeit
    • psychotische kenmerken, manische fasen in de voorgeschiedenis
    • suïcidaliteit (zie Module suïcidaliteit)

De ernst van de depressieve stoornis wordt bepaald aan de hand van het aantal symptomen. Hoe meer bovenstaande factoren en symptomen aanwezig zijn, hoe ernstiger de depressieve stoornis. 

Persistente depressieve stoornis

Depressieve klachten die ≥ 2 jaar gedurende het grootste deel van de dag aanwezig zijn en waarbij naast de sombere stemming nog 2 andere DSM-symptomen aanwezig zijn.

Richtlijnen diagnostiekNaar Volledige tekst

Eerste oriëntatieNaar Volledige tekst

  • Vraag naar:
    • sombere stemming, depressieve gevoelens
    • interesseverlies, minder plezier beleven
  • Vraag bij tenminste 1 bevestigend antwoord: ‘Is dit iets waar u hulp voor zou willen hebben?’ Zo ja, exploreer de klachten. 

Klachtexploratie

  • Algemene klachtexploratie.
  • Gestructureerde klachtexploratie kan helpen om klachtdimensies uit te vragen; bijvoorbeeld het KOP-model, 4-domeinenmodel, Mijn Positieve Gezondheid of SCEGS.
  • Gebruik eventueel de VierDimensionale Klachtenlijst (4DKL) voor onderscheid tussen angststoornis, depressieve stoornis, spanningsklachten en somatisatie.

Lichamelijk en aanvullend onderzoekNaar Volledige tekst

  • Verricht dit op indicatie, bij aanwijzingen voor bijkomende of onderliggende aandoening.
  • Onderzoek bij patiënten ≥ 65 jaar het cognitieve functioneren. 

EvaluatieNaar Volledige tekst

  • Maak onderscheid tussen depressieve klachten en een depressieve stoornis. Bepaal de ernst van de depressieve stoornis en de mate van sociaal disfunctioneren, lijdensdruk en psychische comorbiditeit.
  • Maak indien er sprake is van suïcidaliteit onderscheid tussen lichte, ambivalente, ernstige en zeer ernstige suïcidaliteit (zie Module suïcidaliteit).
  • Onderscheid subvormen: winterdepressie, post-partumdepressie, persisterende depressieve stoornis.
  • Beoordeel of er sprake is van bipolaire stoornis of depressieve stoornis met psychotische kenmerken.

Richtlijnen beleidNaar Volledige tekst

Zie figuur h1 voor het beleid bij patiënten met depressieve klachten of depressieve stoornis.

Niet-medicamenteuze behandelingNaar Volledige tekst

Psycho-educatieNaar Volledige tekst

Geef psycho-educatie over de symptomen en de prognose. Besteed hier het hele behandeltraject aandacht aan.

Dagstructurering en activiteitenplanningNaar Volledige tekst

  • Besteed het hele behandeltraject aandacht aan dagstructurering en activiteitenplanning.
  • Adviseer fysieke activiteit.

Facultatief

Kortdurende psychologische behandelingNaar Volledige tekst

  • We bevelen kortdurende psychologische behandeling aan bij:
    • aanhoudende depressieve klachten (arbitrair > 2-3 maanden) ondanks psycho-educatie, dagstructurering en activiteitenplanning en fysieke activiteit
    • een depressieve stoornis zonder ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige comorbiditeit
  • Een kortdurende psychologische behandeling is geen basisaanbod en is daarom facultatief in de huisartsenpraktijk. Verwijs naar de ggz wanneer kortdurende psychologische behandeling niet in de huisartsenpraktijk aangeboden kan worden.

Medicamenteuze behandelingNaar Volledige tekst

Antidepressiva

  • Voeg een antidepressivum toe bij patiënten met een depressieve stoornis zonder ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige psychische comorbiditeit met (zie tabel h2):
    • onvoldoende effect van psychotherapie in de basis-ggz
    • onvoldoende effect van kortdurende psychologische behandeling in de huisartsenpraktijk én met voorkeur voor antidepressiva boven psychotherapie in de basis-ggz (zie figuur 1)
  • Voor voorkeursmiddelen en doseerschema: zie tabel h2.
  • Bespreek mogelijke bijwerkingen (zoals misselijkheid, droge mond, seksuele klachten, slaapproblemen, moeheid, nervositeit, angst, tremor).
  • Verhoog de dosering in overleg met de patiënt zo nodig na 1-2 weken ((es)citalopram of sertraline) of na 3-4 weken (fluoxetine), mits deze dosering goed verdragen wordt (zie tabel h2).
  • Evalueer de effectiviteit na 4-6 weken.
  • Continueer de behandeling bij een goede respons na het bereiken van remissie, bij voorkeur ≥ 6 maanden, en bij een recidief depressieve stoornis ≥ 1 jaar.
Aandachtspunten bij jongvolwassenen (18-25 jaar)

Schat het suïciderisico in vanwege licht verhoogd risico op suïcidaliteit (zie ook Module Suïcidaliteit).

Aandachtspunten bij ouderen (> 70 jaar): 

Bepaal het natriumgehalte:

  • bij gebruik van een diureticum, na 5-9 dagen én na dosisaanpassing
  • bij intercurrente ziekte met diarree/braken 

Afbouwen van SSRI’s

  • Geef uitleg over mogelijke onttrekkingsverschijnselen.
  • Maak samen met de patiënt afspraken over het tempo en de doseringsstappen (voor voorbeeldschema zie tabel h3 en tabel h4).
  • Het risico op onttrekkingsverschijnselen neemt toe als:
    • tijdens de behandeling een hogere dosering nodig was
    • er bij een gemiste dosis onttrekkingsverschijnselen optraden
    • eerdere stoppogingen zijn mislukt
  • Maak afspraken over beschikbaarheid voor tussentijds contact.

ControlesNaar Volledige tekst

  • De frequentie van controles is afhankelijk van de ernst en de wijze waarop de patiënt met de situatie omgaat.
  • Controleer bij een depressieve stoornis eens per 1-2 weken.
  • Controleer jongvolwassenen (18-25 jaar) bij de start van antidepressiva gedurende de eerste maand wekelijks vanwege een verhoogd risico op suïcidaal gedrag.
  • Verminder de controlefrequentie geleidelijk bij een gunstig beloop.

Consultatie en verwijzingNaar Volledige tekst

  • Indicaties voor consultatie en/of verwijzing naar de generalistische basis-ggz:
    • psychologische behandeling (tenzij kortdurende psychologische behandeling wordt aangeboden in de huisartsenpraktijk)
    • (persisterende) depressieve stoornis met onvoldoende effect van kortdurende psychologische behandeling in de huisartsenpraktijk
  • Indicaties voor directe consultatie van en/of verwijzing naar de specialistische ggz:
    • verhoogd suïciderisico (zie Module suïcidaliteit)
    • bipolaire stoornis of psychotische kenmerken
    • post-partumdepressie met psychotische kenmerken, of inadequate verzorging van het kind
    • depressieve stoornis met ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige psychische comorbiditeit
  • Overige indicaties voor consultatie van en/of verwijzing naar de specialistische ggz:
    • milde klachten bij bipolaire stoornis of psychotische kenmerken
    • depressieve stoornis tijdens zwangerschap, kraambed of lactatie
    • onvoldoende herstel op psychotherapie en/of antidepressiva
    • niet kunnen afbouwen van antidepressiva
    • contra-indicaties voor eerstekeusantidepressiva

Module suïcidaliteitNaar Volledige tekst

Richtlijnen diagnostiekNaar Volledige tekst

  • Vragen naar suïcidaliteit leidt niet tot een verhoogde kans op suïcide.
  • Goed contact met de patiënt is belangrijk.
  • Leg indien mogelijk contact met naasten en betrek deze waar mogelijk.
  • Stel het gesprek uit wanneer de patiënt onder invloed is van alcohol, drugs en/of medicatie.

Anamnese

Voor voorbeeldvragen en toelichting zie volledige tekst.

  • Exploreer suïcidale gedachten.
  • Vraag naar:
    • huidige situatie
    • voorgeschiedenis en toekomst
    • achterliggende factoren

Evaluatie

  • Geen suïcidaliteit: Er zijn wel gedachten over de dood, niet over suïcide; dit is normaal en geen teken van suïcidaliteit.
  • Lichte suïcidaliteit: Er zijn af en toe vluchtige gedachten over suïcide, maar er is geen plan. De patiënt heeft controle over de suïcidale gedachten. Liever willen leven dan sterven.
  • Ambivalente suïcidaliteit: Er zijn sterk impulsief gekleurde gedachten over suïcide. Er zijn suïcideplannen, maar deze zijn niet uitgebreid uitgewerkt. Zowel suïcide willen plegen als wel willen leven.
  • Ernstige suïcidaliteit: Er zijn structureel aanwezige gedachten over suïcide en wanhoopgevoelens. Bang voor eigen impulsiviteit. Verschillende methoden overwogen, er is een uitgebreid plan. Liever willen sterven dan leven.
  • Zeer ernstige suïcidaliteit: De patiënt kan niet langer wachten met suïcide plegen of heeft al een suïcidepoging gedaan. Er is sprake van blikvernauwing, onrust, grote wanhoop en radeloosheid. Geen oog meer hebben voor consequenties voor achterblijvers. Geen energie meer hebben om door te leven.

Richtlijnen beleidNaar Volledige tekst

Zie het stroomschema voor het beleid bij suïcidaliteit. 

Volledige tekst

Belangrijkste wijzigingen

  • Er zijn modellen toegevoegd die gebruikt kunnen worden voor een gestructureerde klachtenexploratie.
  • Psycho-educatie over post-partumdepressie en winterdepressie, inclusief lichttherapie, is toegevoegd.
  • De informatie over kortdurende psychologische behandelingen is uitgebreid.
  • Digitale psychologische behandeling in aanvulling op persoonlijke gesprekken is toegevoegd. 

Kernboodschappen

  • De diagnostiek bij het vermoeden van een depressieve stoornis vraagt om een brede klachtenexploratie, waarvoor vaak meerdere consulten nodig zijn.
  • De initiële behandeling van depressieve klachten en een depressieve stoornis bestaat uit psycho-educatie, dagstructurering en activiteitenplanning. Bij een depressieve stoornis wordt ook een kortdurende psychologische behandeling aangeboden.
  • Bij onvoldoende effect van de genoemde behandelingen bij een depressieve stoornis is psychotherapie of een antidepressivum geïndiceerd.
  • Verwijs bij een depressieve stoornis met ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige psychische comorbiditeit direct voor een beoordeling op korte termijn in de ggz.
  • Controleer het beloop bij alle patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis. Bij jongvolwassenen is de controle frequenter, initieel elke week.
  • Bespreek met herstelde patiënten op welke manier de gestarte antidepressiva afgebouwd worden en begeleid ze bij het afbouwen en stoppen.
  • Besteed bij herstelde patiënten aandacht aan terugvalpreventie.

Inleiding

Scope

  • De NHG-Standaard Depressie geeft richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van volwassenen met depressieve klachten of een depressieve stoornis. De standaard geeft handvatten voor het in kaart brengen van de problematiek, het differentiëren ten opzichte van andere aandoeningen, het beoordelen van de ernst en de aanpak van de klachten, en geeft verwijscriteria.
  • Naast de depressieve stoornis worden ook depressieve klachten (zie Begrippen) besproken. Daarvoor zijn er verschillende redenen:
    • De huisarts ziet vaker patiënten met depressieve klachten dan patiënten met een depressieve stoornis.
    • De huisarts heeft bij depressieve klachten behoefte aan diagnostische en therapeutische handvatten.
    • Er is toenemend bewijs dat niet-medicamenteuze behandeling door de huisarts ook bij depressieve klachten effectief is.
  • De standaard maakt onderscheid tussen depressieve klachten en een depressieve stoornis (eenmalig of persisterend), in navolging van de DSM-criteria (zie Begrippen).
  • De standaard bevat een Module suïcidaliteit om de huisarts meer handvatten te geven bij suïcidaliteit.

Buiten de scope

Achtergronden

BegrippenNaar Samenvatting

Depressieve klachten

Een sombere stemming waar de patiënt hinder van ondervindt, maar waarbij niet wordt voldaan aan de DSM-criteria voor een depressieve stoornis (tabel h1).

Depressieve stoornis

  • Een sombere stemming en/of een duidelijke vermindering van interesse of plezier in (vrijwel) alle activiteiten, bijna dagelijks en gedurende het grootste deel van de dag. Er moet voldaan zijn aan ten minste 5 DSM-symptomen, waaronder ten minste 1 van de kernsymptomen, gedurende ten minste 2 aaneengesloten weken waarbij ook voldaan moet zijn aan criteria B tot en met E (tabel h1).
  • In de literatuur en in onderzoek worden de termen ‘depressieve stoornis’ en ‘depressie’ in dezelfde betekenis gebruikt. De werkgroep kiest in deze standaard voor ‘depressieve stoornis’.

Weeg daarnaast de volgende factoren mee:

  • de mate van lijdensdruk en sociaal disfunctioneren (werk, hobby, relaties)
  • aanwezigheid van psychische comorbiditeit (angststoornis, problematisch alcohol-of drugsgebruik, overspanning, burn-out, persoonlijkheidsstoornis)
  • psychotische kenmerken, manische fasen in de voorgeschiedenis (bipolaire stoornis)
  • suïcidaliteit (zie Module suïcidaliteit)

Bepaal de ernst van de depressieve stoornis aan de hand van het aantal DSM-symptomen (tabel h1). Hoe meer van de genoemde factoren en symptomen aanwezig zijn, hoe ernstiger de depressieve stoornis. Omdat er sprake is van een continuüm, wordt er geen afkappunt gehanteerd tussen ernstige en minder ernstige depressieve stoornis. In deze standaard wordt onderscheid gemaakt tussen een depressieve stoornis zonder en een depressieve stoornis met ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige psychische comorbiditeit.

Post-partumdepressie 

Een depressieve stoornis die binnen 4 weken na een bevalling ontstaat. 

Winterdepressie 

Een depressieve stoornis waarbij de symptomen in de herfst beginnen en in het voorjaar weer verdwijnen. De diagnose kan gesteld worden als de depressieve stoornis zich minimaal 2 winters heeft voorgedaan. 

Persisterende depressieve stoornis 

Depressieve klachten die ten minste 2 jaar gedurende het grootste deel van de dag en meer dagen wel dan niet aanwezig zijn, waarbij naast de sombere stemming nog 2 andere DSM-symptomen aanwezig zijn (tabel h1). De symptomen mogen nooit langer dan 2 maanden afwezig zijn. Hier valt ook het beeld onder dat voorheen ‘dysthymie’ werd genoemd; deze term is verlaten. 

Tabel h1. DSM-criteria depressieve stoornis
ADepressieve stoornis: aanwezigheid van 5 van de onderstaande symptomen, waarvan ≥ 1 kernsymptoom, gedurende ≥ 2 aaneengesloten weken
 

Kernsymptomen

  • sombere stemming gedurende het grootste deel van de dag
  • duidelijke vermindering van interesse of plezier in (vrijwel) alle activiteiten, bijna dagelijks en gedurende het grootste deel van de dag
 

Overige symptomen

  • duidelijke gewichtsvermindering of -toename
  • slapeloosheid of overmatig slapen
  • psychomotorische agitatie of remming
  • moeheid of energieverlies
  • gevoelens van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens
  • verminderd vermogen tot nadenken, concentratieverlies of besluiteloosheid
  • terugkerende gedachten aan de dood, terugkerende suïcidegedachten, een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen
BDe symptomen veroorzaken klinisch significant lijden of belemmering in sociale, beroepsmatige of andere belangrijke omstandigheden.
CDe symptomen zijn niet het gevolg van directe fysiologische effecten van middelengebruik (bijvoorbeeld drugs of medicatie) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld hypothyreoïdie).
NB Criteria A-C wijzen gezamenlijk op een depressieve episode.
NB Reacties op een aanzienlijk verlies (bijvoorbeeld het overlijden van een geliefd persoon) kunnen lijken op een depressieve episode zoals vermeld in criterium A. Naast de normale reactie op het verlies dient een depressieve episode zorgvuldig overwogen te worden. 
DDe symptomen kunnen niet worden verklaard door een schizoaffectieve stoornis, schizofrenie, een schizofreniforme stoornis, een waanstoornis of door een andere gespecificeerde of ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis.
EEr heeft zich nooit een manische of hypomanische episode voorgedaan.
NB Deze uitsluiting geldt niet als de maniforme episoden door een middel of medicatie zijn veroorzaakt of toe zijn te schrijven aan de fysiologische effecten van een somatische aandoening.
Details
Persisterende depressieve stoornis

De richtlijn van het Engelse National Institute of Clinical Excellence (NICE) spreekt sinds de herziening van de DSM-IV naar DSM-5 van persistent subthreshold depressive symptoms in plaats van ‘dysthymie’.   1   In de DSM-5 is de term ‘dysthymie’ verlaten en vervangen door ‘persisterende depressie’. Chronische depressie en dysthymie zijn daarmee samengevoegd.

Epidemiologie

  • De incidentie van ‘down/depressief gevoel’ (P03) in de huisartsenpraktijk in 2019 was bij mannen 8 per 1000 per jaar en bij vrouwen 14 per 1000 per jaar; de prevalentie bedroeg respectievelijk 9 en 16 per 1000 per jaar.
  • De incidentie van ‘depressie’ (P76) in de huisartsenpraktijk in 2019 was bij mannen 9 per 1000 per jaar en bij vrouwen 15 per 1000 per jaar; de prevalentie bedroeg respectievelijk 22 en 40 per 1000 per jaar.
  • Recente cijfers over de prevalentie van een depressieve stoornis rond zwangerschap en bevalling in Nederland ontbreken. Op basis van internationale cijfers komen depressieve klachten of depressieve stoornis voor bij ongeveer 15% van de zwangeren.
  • De prevalentie van depressieve klachten en een depressieve stoornis is hoger bij ouderen > 65 jaar dan bij volwassenen van 18-65 jaar.
  • De prevalentie van depressieve klachten en een depressieve stoornis is hoger bij patiënten met een Turkse en Marokkaanse achtergrond dan bij patiënten zonder deze migratieachtergrond, vooral bij ouderen.
Details
Epidemiologische gegevens

Huisartsenregistraties

De gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op de Nivel Zorgregistraties eerste lijn uit 2019.  2   De incidentie en prevalentie van ‘depressie’ zijn hoger dan die van ‘down/depressief’ gevoel. Het is onbekend in hoeverre de code ‘depressie’ overeenkomt met ‘depressieve stoornis’ en/of ‘depressieve klachten’. De cijfers gevonden in de huisartsenpraktijk zijn beduidend lager dan cijfers uit bevolkingsonderzoek (screening), omdat niet iedereen met een depressieve stoornis een huisarts bezoekt of als zodanig wordt herkend of gelabeld.

Algemene bevolking

Bevolkingsonderzoek laat hogere cijfers zien dan huisartsenregistraties. In Nederland zijn hiervoor data beschikbaar van het NEMESIS-3-onderzoek (Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study).  3  
NEMESIS-3 is gebaseerd op een landelijke steekproef onder 6194 personen bij wie tussen 2019 en 2022 een psychiatrisch interview is afgenomen met behulp van de CIDI (Composite International Diagnostic Interview). De respons was 55%.  3  
Van de volwassenen tot 75 jaar in Nederland heeft 28% ooit in het leven enigerlei stemmingsstoornis gehad en bijna 25% ooit in het leven een depressieve stoornis (mannen 19%, vrouwen 30%). In 2019 leed naar schatting 10% van de ondervraagden aan een stemmingsstoornis en 9% aan een depressieve stoornis (mannen 7%, vrouwen ruim 10%). Een stemmingsstoornis komt vaker voor bij personen met een laag inkomen, bij alleenstaanden, werklozen/arbeidsongeschikten en personen die in een stedelijke omgeving wonen.
De trends in prevalentie van een stemmingsstoornis bij volwassenen tot 64 jaar, gebaseerd op het NEMESIS-2-onderzoek tussen 2007 en 2009, en het NEMESIS-3-onderzoek tussen 2019 en 2022 (n = 11.615), toonde een toename van 6% naar 11%. 
In het NEMESIS-2-onderzoek zijn dezelfde respondenten tussen 2007 en 2009 (n = 5303) en tussen 2013 en 2015 (n = 4618) nogmaals benaderd voor follow-updeelname. Ten Have et al. beschrijven het voorkomen en de duur van een depressieve stoornis van het cohort 2013-2015.  4   De gemiddelde en mediane duur van een mild depression disorder (DSM: 1 kernsymptoom en 1 ander symptoom) bedroeg respectievelijk 8,7 en 3 maanden. Kortere duur was geassocieerd met beter fysiek en mentaal functioneren voor het optreden van een minor depressieve stoornis. Langere duur was geassocieerd met comorbiditeit met angststoornissen en medicatiegebruik voor psychische klachten.
De gemiddelde en mediane duur van een depressieve stoornis bedroeg respectievelijk 10,7 en 6 maanden. Kortere duur was geassocieerd met leeftijd tussen 38-47 jaar (vergeleken met oudere leeftijd), beter fysiek en mentaal functioneren voor het optreden van een depressieve stoornis. Langere duur was geassocieerd met comorbiditeit, zoals dysthymie, angststoornissen, suïcidaliteit; zorggebruik en medicatiegebruik voor psychische klachten.  4  
De ‘lifetime’-prevalentie van winterdepressie varieert in onderzoeken van 0 tot 10%, afhankelijk van de onderzochte populatie en diagnostische techniek.  5   In noordelijke landen komt deze vaker voor.

Prevalentie post-partumdepressie

Uit een recent Nederlands onderzoek naar het vóórkomen van depressieve klachten tijdens en na de zwangerschap in 4 verschillende cohorten (n = 300-2000) is gebleken dat de prevalentie van depressieve klachten in de laatste 25 jaar is toegenomen van 7% in 1988-1989 naar 14% in 2012-2014.  6   Mogelijke verklaringen hiervoor zijn o.a. een grotere bekendheid van het fenomeen zwangerschapsdepressie, stress door de combinatie van werk en kinderen, en hogere maatschappelijke verwachtingen. Met betrekking tot de diagnose depressieve stoornis zijn geen recente Nederlandse cijfers bekend. Internationale getallen wijzen uit dat 12% van de zwangeren tijdens of na hun bevalling een depressieve stoornis ontwikkelen.  7   Het Trimbos-instituut schat op basis van internationale cijfers dat in Nederland jaarlijks 23.000 vrouwen rondom zwangerschap of bevalling een depressie krijgen. Dit komt neer op 15% van alle zwangere vrouwen. Ook mannen kunnen een depressieve stoornis ontwikkelen rondom de geboorte van hun kind (ongeveer 10%).  8  

Prevalentie onder ouderen

De in de huisartsenregistraties gevonden prevalenties van depressief gevoel plus depressie onder ouderen vanaf 65 jaar waren 33/1000 mannen en 64,5/1000 vrouwen.  9   In het Leiden 85-plus-onderzoek was in een cohort ouderen in de huisartsenpraktijk met een MMSE-score > 18 (n = 500) 15% screen-positief (15-item Geriatrische Depressieschaal (GDS-15)-score ≥ 5 punten).  10   In een dwarsdoorsnedeonderzoek werden Nederlandse ouderen (n = 5686; ≥ 55 jaar) die de huisarts bezochten gescreend met behulp van de GDS-15. Van degenen die positief screenden (GDS-15-score ≥ 5 punten; n = 864) werd nagegaan of zij voldeden aan de DSM-IV-criteria voor een depressieve stoornis. Van deze groep had 13,7% een depressieve stoornis; 10,2% was wel positief gescreend, maar hun klachten voldeden niet aan de depressiecriteria.  11   Deze cijfers zijn gebaseerd op screening, waarbij het onduidelijk is welk deel een hulpbehoefte heeft. Toch beveelt de werkgroep aan om bij ouderen extra alert te zijn op de mogelijke aanwezigheid van een depressieve stoornis, met aandacht voor de context van de patiënt, als mogelijke oorzaak en aangrijpingspunt voor behandeling. Ouderen uiten een depressieve stoornis vaker met lichamelijke dan met stemmingsklachten.

Prevalentie onder groepen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond

Een onderzoek onder Amsterdammers met een Nederlandse, Turkse, Marokkaanse en Surinaamse achtergrond laat zien dat de prevalentie van een depressieve stoornis het hoogst is bij Amsterdammers met een Turkse achtergrond. Zij hebben een ‘lifetime’-prevalentie van 31% in vergelijking met 25% bij Amsterdammers met een Nederlandse achtergrond. Vrouwen met een Turkse achtergrond hebben de grootste kans op een depressieve stoornis.  12   13   In een onderzoek onder Amsterdamse ouderen gaf 62% van de ouderen met een Turkse achtergrond en 34% van de ouderen met een Marokkaanse achtergrond aan depressieve klachten te hebben, tegenover 15% van de ouderen met een Nederlandse achtergrond.  14   In de praktijken van het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenpraktijken met een matig-hoge urbanisatiegraad werd op basis van de gegevens van het elektronisch medisch dossier (EMD) de prevalentie onderzocht van depressief gevoel plus depressieve stoornis. De jaarprevalentie was het hoogst onder patiënten met een Turkse achtergrond (3,3%), nagenoeg gelijk onder patiënten met een Marokkaanse en Nederlandse achtergrond (2,5%) en het laagst onder patiënten met een Surinaamse en Antilliaanse achtergrond(1,4%).  15   Uit een meta-analyse over stemmingsstoornissen onder patiënten met een migratieachtergrond blijkt dat migratie geen duidelijk verhoogd risico meebrengt voor het ontstaan van een depressieve stoornis.  16  

Familiair verhoogd risico op depressieve stoornis

In een Amerikaans onderzoek bleek een depressieve stoornis significant vaker voor te komen onder eerstegraadsfamilieleden van personen met een depressieve stoornis (32%) dan onder eerstegraadsfamilieleden van personen met ‘subthreshold depressieve symptomen’ (24%) en van personen zonder stemmingsstoornissen in de familie (20%).  17   Binnen het NEMESIS-onderzoek (n = 7076) werd het familiair voorkomen van depressieve stoornis in de algemene bevolking onderzocht. De associatie tussen een positieve familieanamnese en het risico op een depressieve stoornis was sterker bij recidiverende depressieve stoornissen, naarmate de depressieve stoornis ernstiger was en op jongere leeftijd optrad.  18  

Sekseverschillen

In onderzoek komt depressieve stoornis bij vrouwen ongeveer 2 × zo vaak voor als bij mannen. Het verschil kan worden verklaard doordat vrouwen doorgaans gemakkelijker praten over hun psychische klachten en daarvoor een hulpverlener consulteren, waardoor de klachten ook sneller en vaker worden gesignaleerd. Als in de diagnostiek de nadruk wordt gelegd op klassieke symptomen, zoals een sombere stemming, huilen, een negatieve zelfbeoordeling, schuldgevoelens of besluiteloosheid, lopen vrouwen meer kans op de diagnose depressieve stoornis. Verondersteld wordt dat er bij mannen sprake kan zijn van onderrapportage. Er zijn depressiesymptomen die typerender zijn voor mannen: ontkenning van problemen, een afstandelijke houding ten opzichte van anderen, vermijden van intimiteit, verandering van seksueel gedrag, heftige woedeaanvallen, harde kritiek op eigen falen, de schuld buiten zichzelf zoeken, meer alcohol- en drugsgebruik.  19   Daarnaast bestaan er sociale verschillen tussen mannen en vrouwen. Bij vrouwen kunnen deze verschillen bijdragen aan het ontstaan van een depressieve stoornis: de zorgverwachtingen en plicht om te zorgen voor anderen; de daadwerkelijke zorglast; discriminatie op het werk of in de openbare sfeer; sociaal isolement en gebrek aan sociale steun; miskend verlies als gevolg van een abortus, ongewilde kinderloosheid of het afstaan van een kind; armoede (met name bij gescheiden vrouwen met kinderen); gebrek aan sociale erkenning als huisvrouw, moeder of kinderloze vrouw; seksueel misbruik en andere geweldservaringen of dreiging met geweld.  20  Ook zijn er biologische factoren die het sekseverschil kunnen verklaren. De reproductieve functie van de vrouw is een risicofactor door hormonale veranderingen tijdens de cyclus, zwangerschap, post partum en menopauze. De ovariële hormonen hebben invloed op de regulatie van de HPA-as, waardoor vrouwen gevoeliger zijn voor stressgerelateerde aandoeningen zoals een depressieve stoornis en angststoornissen.  21  

Etiologie

Genetische, psychische, biologische en sociale factoren spelen een etiologische rol, met belangrijke seksespecifieke en interculturele verschillen.
Depressieve klachten en een depressieve stoornis gaan vaak samen met en zijn niet altijd duidelijk te onderscheiden van:

  • angstklachten en angststoornissen
  • somatisatieklachten
  • spanningsklachten

Beloop

  • Een depressieve stoornis is bij ongeveer 50% van de patiënten na een halfjaar voorbij.
  • Het risico op een persisterende depressieve stoornis is groter bij:
    • een ernstige depressieve stoornis
    • een lange duur van een voorgaande depressieve episode
    • aanwezigheid van een (chronische) somatische aandoening
    • een gebrek aan sociale steun
    • misbruik of verwaarlozing
  • Bij ouderen heeft een depressieve stoornis vaker een ernstiger beloop. Factoren die een ongunstig beloop bij ouderen voorspellen:
    • hogere leeftijd
    • een ernstigere depressieve stoornis
    • functionele beperkingen
    • aanwezigheid van een (chronische) somatische aandoening
  • Het recidiefpercentage van een depressieve stoornis is 35-65%.
  • Een depressieve stoornis kan een oorzaak zijn van langdurige arbeidsongeschiktheid.
Details
Risicofactoren voor het ontwikkelen van depressieve klachten of een depressieve stoornis

Er zijn diverse risicofactoren beschreven voor het ontwikkelen van depressieve klachten of een depressieve stoornis. 

  • Depressieve stoornis of suïcidepoging in het verleden
  • Positieve familieanamnese voor depressieve stoornissen of suïcidepogingen
  • Functionele beperkingen of pijn
  • (Chronische) lichamelijke aandoening:
    • CVA, myocardinfarct, perifeer vaatlijden
    • diabetes mellitus
    • dementie, ziekte van Parkinson
    • hypothyreoïdie
    • COPD
    • kanker
    • obesitas
  • Psychiatrische aandoening:
    • angststoornis
    • alcohol- of drugsproblemen
    • persoonlijkheidsstoornis
  • Overbelasting; hoge stressgevoeligheid
  • Psychotrauma, levensgebeurtenis met verlies, geweld of teleurstelling
  • Slachtoffer van familiaal huiselijk geweld (fysiek, emotioneel, seksueel)
  • Vrouwelijk geslacht
  • Oudere leeftijd
  • Mantelzorger
  • Alleenstaand, vooral alleenstaande ouder
  • Vluchteling/asielzoeker
  • Bi- en homoseksualiteit
  • Lage sociaal-economische status, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid
  • Gebrek aan sociale steun

Somatische morbiditeit en depressieve stoornis

In de Verenigde Staten werden personen met een chronische somatische aandoening (n = 10.500) vergeleken met een voor leeftijd en geslacht gematchte gezonde controlegroep (n = 19.460). Aan de hand van de jaarprevalentie bleek het risico op het hebben van een depressieve stoornis groter (OR 2,61; 95%-BI 2,31 tot 2,94) bij personen met een chronische aandoening in vergelijking met gezonde personen.  22   De WHO World Health Survey (n = 245.404 uit 60 landen) vond dat 3,2% van de mensen zonder somatische aandoening een depressieve stoornis had, terwijl van degene met ≥ 2 somatische aandoeningen 23% een depressieve stoornis had.  23  Omgekeerd lijkt een depressieve stoornis het risico op somatische aandoeningen te verhogen, met name diabetes mellitus (RR 1,37 tot 1,60)  24   25  en obesitas (OR 1,58; 95%-BI 1,33 tot 1,87).  26  Ook is er een verhoogde mortaliteit (RR 1,81; 95%-BI 1,58 tot 2,07).  27  
Mogelijk is er sprake van dubbeltelling van symptomen. In de literatuur worden verschillende andere verklaringen gegeven: personen met een depressieve stoornis hebben een ongezondere leefstijl (meer roken, meer excessief alcoholgebruik, minder fysiek actief, ongezonder voedingspatroon); een ongunstiger gezondheidsgedrag (lagere therapietrouw, ontvangen minder adequate somatische zorg); daarnaast kunnen bij een depressieve stoornis biologische ontregelingen (verhoogde activatie stress-systemen: HPA-as, autonome zenuwstelsel, immuunsysteem) en metabole ontregeling (vaker metabool syndroom) optreden.  28  Ook kan er sprake zijn van ‘genetische pleiotropie’, waarbij het verband tussen een depressieve stoornis en ongezonde leefstijl deels te verklaren is door een gemeenschappelijke genetische basis. Ook iatrogene effecten van antidepressivagebruik kunnen een rol spelen (uit het NESDA-onderzoek (n = 1075) blijkt dat langdurig gebruik van TCA’s en SNRI’s kan leiden tot afwijkende cholesterolwaarden, meer abdominaal vet, verlaagde hartslagvariabiliteit, verhoogde hartslag en verhoogde bloeddruk). Voor SSRI’s is in grootschalige trials geen verschil in cardiovasculaire mortaliteit gevonden. Tot slot kan de samenhang mogelijk worden verklaard vanuit het concept van ‘somatogene depressieve stoornis’, waarbij de depressieve stoornis wordt gezien als reactie op (sub)klinische somatische ontregelingen, óf de somatische symptomen van een depressieve stoornis (gewichtsverandering, slaapproblemen, energieverlies) verantwoordelijk zijn voor verband met de somatische en pathofysiologische ontregelingen. De in het NESDA-onderzoek gevonden verbanden zijn echter bescheiden en waarschijnlijk te klein om somatische comorbiditeit bij een depressieve stoornis geheel te verklaren; mogelijk is daarvoor de NESDA-onderzoekspopulatie te heterogeen. De werkgroep adviseert om bij personen met chronische somatische aandoeningen extra alert te zijn op het bestaan van een depressieve stoornis en om bij personen met een depressieve stoornis de somatiek niet uit het oog te verliezen.

Obesitas en depressieve stoornis

Uit bevolkingsonderzoek blijkt een positieve associatie tussen obesitas en een depressieve stoornis (OR 1,55; 95%-BI 1,22 tot 1,98).  26  De auteurs bevelen aan om bij patiënten met een (langdurig) depressieve stoornis het gewicht te volgen en bij patiënten met obesitas alert te zijn op stemmingsproblemen.

Negatieve levensgebeurtenissen en depressieve stoornis

Een longitudinaal vragenlijstonderzoek waarin tweejaarlijks families met adolescente en jongvolwassen tweelingen worden beoordeeld liet zien dat negatieve levensgebeurtenissen (met name in de vorm van een ernstige ziekte of ongeval en een scheiding) de kans op een angstige depressieve stoornis verhogen. Ook omgekeerd geldt dat een angstige depressieve stoornis en neuroticisme gepaard gingen met een verhoogd risico op het doormaken van een negatieve levensgebeurtenis.  29  Met name ouderen hebben veelvuldig te maken met verlieservaringen, zoals verlies van de partner en sociale contacten, en met de gevolgen van somatische comorbiditeit: afname van lichamelijke, functionele en cognitieve functies, chronische pijn, mobiliteitsproblemen, controleverlies en rolveranderingen. Bij migranten kunnen er naast bovenstaande factoren nog extra risicofactoren bestaan, zoals verlieservaringen als gevolg van migratie, heimwee, de zorg voor achtergebleven familieleden, statusverlies, problemen met de taal, uithuwelijking, eergerelateerd geweld, discriminatie en conflicten tussen twee culturen.

Huiselijk geweld en depressieve stoornis

Het ervaren van familiaal huiselijk geweld (fysiek, emotioneel, seksueel) is een risicofactor voor het ontwikkelen van een depressieve stoornis, in het bijzonder bij vrouwen met OR 5,8 (95%-BI 2,8 tot 12,0) tot OR 3,59 (95%-BI 2,31 tot 5,60).  30   31   De associatie is sterker wanneer het geweld ernstiger is.  30   31   32  

Seksuele geaardheid en depressieve stoornis

In een meta-analyse van 25 onderzoeken werd gevonden dat homoseksuele en biseksuele mannen en vrouwen meer risico hebben op mentale stoornissen. De kans op depressieve stoornis was anderhalf keer zo groot als in de controlegroep.  33  Mannelijke homoseksuelen hebben ook een hoger risico op suïcidaliteit, onafhankelijk van psychische morbiditeit.  9  

Beloop depressieve stoornis en voorspellers beloop

In een retrospectief cohortonderzoek in 4 huisartsenpraktijken bij patiënten met een depressieve stoornis (n = 222) werden 10 jaar follow-up EMD-gegevens onderzocht. De gemiddelde duur van een eerste depressieve episode was 103 dagen (spreiding 14 tot 1266 dagen). Bij de helft van de mensen met meer dan één depressieve episode was het interval tussen de eerste en tweede episode (en eveneens tussen de tweede en derde episode) 2 jaar of minder.  34  In het NEMESIS-onderzoek (n = 7076), bleek de mediane duur van de depressieve stoornis 3 maanden. Na een half jaar was 63% hersteld en na een jaar 76%.  35  Een depressieve stoornis bij ouderen duurt langer, met een mediaan van 18 maanden. Na 1 jaar was 35% hersteld, na 2 jaar 60% en na 3 jaar 68%.  36  In het NEMESIS-onderzoek werden voorspellers van een langdurig persisterende depressieve stoornis gevonden: een ernstige depressieve stoornis, een lange duur van een voorgaande depressieve episode, aanwezigheid van een (chronisch) somatische aandoening en een gebrek aan sociale steun.  37  In een prospectief cohortonderzoek (n = 1037 kinderen; 3 tot 26 jaar) bleek misbruik of verwaarlozing een sterke risicofactor voor het ontwikkelen van een depressieve stoornis met een chronisch beloop op volwassen leeftijd.  38  Onderzoek bij ouderen met een depressieve stoornis liet zien dat de prognose van herkende depressieve stoornis niet afweek van die bij niet-herkende depressieve stoornissen. Wel bleken herkende en behandelde depressieve stoornissen bij ouderen ernstiger te zijn dan de niet-herkende depressieve stoornissen.  39  Voorspellers van een ongunstig beloop van een depressieve stoornis bij ouderen zijn hogere leeftijd, ernst van de depressieve stoornis, functionele beperkingen en chronische somatische comorbiditeit.  40  Het beloop van een depressieve stoornis is fluctuerend,  40  met een recidiefkans van 35 tot 65%, afhankelijk van de patiëntenpopulatie en de duur van de follow-up.  41   42  

In 2002 veroorzaakte een depressieve stoornis 10,5% van de WAO-instroom, terwijl dit voor angststoornissen 4,2% was en voor lage rugpijn 3,8%.  43  

Richtlijnen diagnostiekNaar Samenvatting

  • Over het algemeen informeren veel patiënten de huisarts niet spontaan over depressieve klachten. Ook herkennen huisartsen depressieve klachten niet altijd als zodanig. De diagnostiek vraagt vaak om meerdere contactmomenten.
  • De diagnostiek kan worden bemoeilijkt door:
    • een somatische klachtpresentatie en somatische comorbiditeit
    • (comorbide) psychische aandoeningen, zoals een angststoornis, overspanning, burn-out, een persoonlijkheidsstoornis of (alcohol)verslaving
Details
Samenhang chronische somatische morbiditeit en depressieve stoornis

In de Verenigde Staten werden personen met een chronische somatische aandoening (n = 10.500) vergeleken met een voor leeftijd en geslacht gematchte gezonde controlegroep (n = 19.460). Aan de hand van de jaarprevalentie bleek het risico op het hebben van een depressieve stoornis groter (OR 2,61; 95%-BI 2,31 tot 2,94) bij personen met een chronische aandoening in vergelijking met gezonde personen.  22  De WHO World Health Survey (n = 245.404 uit 60 landen) vond dat 3,2% van de mensen zonder somatische aandoening een depressieve stoornis had, terwijl van degene met twee of meer somatische aandoeningen 23% een depressieve stoornis had.  23   Omgekeerd lijkt een depressieve stoornis het risico op somatische aandoeningen te verhogen, met name diabetes mellitus (RR 1,37 tot 1,60)  24   25   en obesitas (OR 1,58; 95%-BI 1,33 tot 1,87).  26  Ook is er een verhoogde mortaliteit (RR 1,81; 95%-BI 1,58 tot 2,07).  27  

Mogelijk is er sprake van dubbeltelling van symptomen. In de literatuur worden verschillende andere verklaringen gegeven:  28   personen met een depressieve stoornis hebben een ongezondere leefstijl (meer roken, meer excessief alcoholgebruik, minder fysiek actief, ongezonder voedingspatroon); een ongunstiger gezondheidsgedrag (lagere therapietrouw, ontvangen minder adequate somatische zorg); daarnaast kunnen bij een depressieve stoornis biologische ontregelingen (verhoogde activatie stress-systemen: HPA-as, autonome zenuwstelsel, immuunsysteem) en metabole ontregeling (vaker metabool syndroom) optreden. Ook kan er sprake zijn van ‘genetische pleiotropie’, waarbij het verband tussen een depressieve stoornis en ongezonde leefstijl deels te verklaren is door een gemeenschappelijke genetische basis. Ook iatrogene effecten van antidepressivagebruik kunnen een rol spelen (uit het NESDA-onderzoek (n = 1075) blijkt dat langdurig gebruik van tricyclische antidepressiva en SNRI’s kan leiden tot afwijkende cholesterolwaarden, meer abdominaal vet, verlaagde hartslagvariabiliteit, verhoogde hartslag en verhoogde bloeddruk). Voor SSRI’s is in grootschalige trials geen verschil in cardiovasculaire mortaliteit gevonden. Tot slot kan de samenhang mogelijk worden verklaard vanuit het concept van ‘somatogene depressieve stoornis’, waarbij de depressieve stoornis wordt gezien als reactie op (sub)klinische somatische ontregelingen, óf de somatische symptomen van de depressieve stoornis (gewichtsverandering, slaapproblemen, energieverlies) verantwoordelijk zijn voor verband met de somatische en pathofysiologische ontregelingen. De in het NESDA-onderzoek gevonden verbanden zijn echter bescheiden en waarschijnlijk te klein om somatische comorbiditeit bij een depressieve stoornis geheel te verklaren; mogelijk is daarvoor de NESDA-onderzoekspopulatie te heterogeen. De werkgroep adviseert om bij personen met chronische somatische aandoeningen extra alert te zijn op het bestaan van een depressieve stoornis en om bij personen met een depressieve stoornis de somatiek niet uit het oog te verliezen.

Onderkenning depressieve klachten

Depressieve klachten worden door de huisarts vaak niet als zodanig herkend.  44   45   46   Van de patiënten met een depressieve stoornis of een angststoornis heeft 76% een somatische presentatie van de klachten, waarbij de depressieve stoornis bij screening aan het licht komt. Het nut van screening (zie Screening) is onderwerp van discussie, omdat het niet helder is of er hier altijd sprake is van een klinisch relevante depressieve stoornis, waarvoor specifieke behandeling nodig is.  39   47  

Verschillen in klachtpresentatie, verklaringen voor ziekte en beschrijving van gevoelens

Klachtenpresentatie

Praten over psychische klachten is niet voor iedereen even makkelijk. Voor mensen die niet gewend zijn om hun klachten in psychische termen te beschrijven, is het uiten van lichamelijke klachten vaak de meest gangbare manier om aan te geven dat het niet goed met hen gaat.  Bedenk dat het in een niet-eigen taal moeilijker is om gedachten en gevoelens te verwoorden dan lichamelijke klachten. Vaak helpt het om eerst naar feiten door te vragen, daarna naar meningen en pas daarna naar gevoelens. Doorvragen naar verschillende aspecten van de klachtdimensies past wel in de verwachting, maar dan meer als sociale belangstelling dan als onderdeel van de medische diagnostiek. Psychische en sociale gevolgen van klachten zijn goed bespreekbaar, maar een uitleg in de vorm van een vicieuze cirkel sluit vaak niet aan.

Verklaringen

De verklaringen die de patiënt voor ziekte en gezondheid geeft kunnen per cultuur verschillen. In de ene cultuur overheerst het biomedische model als verklaring voor ziekte en gezondheid, terwijl in een andere cultuur geen onderscheid gemaakt wordt tussen lichaam en geest. Bij een depressieve stoornis bestaan de klachten in individualistische culturen vaak uit schuldgevoelens en gebrek aan eigenwaarde. In collectivistische culturen spelen schaamte en gezichtsverlies in de ogen van anderen vaak een rol bij het onderhouden van klachten.

Beschrijving van gevoelens

In het beschrijven van gevoelens kunnen grote culturele verschillen bestaan, die deels berusten op de mogelijkheden die een taal biedt. In de Turkse taal komt het woord ‘depressie’ bijvoorbeeld niet voor, wel als leenwoord. Een onderzoek onder sombere vrouwen met een Turkse achtergrond laat zien dat zij hun gevoel beschrijven in termen van ‘uitgeperst worden’, ‘ik zit in een soort verstikkende situatie’ en ‘geprikkelde zenuwen hebben’. Hoe deze woorden geïnterpreteerd moeten worden en of het om een depressieve stoornis gaat, is niet duidelijk.  48   In een kleinschalig onderzoek onder patiënten met een Marokkaans-Berberse achtergrond bij wie sprake was van een taalbarrière bleek uit interviews met de tolken dat de vraag ‘Voelt u zich somber of depressief?’ werd vertaald met ‘Heeft u heimwee?’, ‘Staat uw hart op ploffen?’ of ‘Hebt u een verbrand hart?’ Geschonden eer, opgelopen schande of een gevoel van heimwee zijn bijvoorbeeld klachten die bij patiënten met een Berberse achtergrond signalen van een depressieve stemming kunnen zijn.  49   In de Somalische taal is er een beperkt aantal termen om psychische ziekten aan te duiden. Over het algemeen hanteert men ‘totale gekte’ en ‘psychisch gezond’.  50  

Samengaan angst en depressieve stoornis

Patiënten met een depressieve stoornis in de eerste lijn hebben een 3 tot 8 keer grotere kans op een angststoornis. Als iemand een angststoornis heeft, is de kans op het ontwikkelen van een depressieve stoornis in het komende jaar sterk vergroot (7 tot 62 keer). De combinatie van een angststoornis en een depressieve stoornis is geassocieerd met ernstigere klachten, meer chroniciteit, langzamer herstel, toegenomen risico op recidief, meer psychosociale beperkingen en een slechtere kwaliteit van leven. Ook zal het vaker tot een psychiatrische opname of suïcidepoging leiden.  51   52   53   Angst en een depressieve stoornis gaan, ook op hoge leeftijd, vaak samen. Van de 201 90-jarigen in het Leiden 85-plus-onderzoek (cohortonderzoek, waarin bijna 600 ouderen vanaf 85 jaar jaarlijks werden geïnterviewd) met een MMSE ≥ 19 had 25% (95%-BI 19 tot 31%) een score ≥ 5 punten op de Geriatrische Depressieschaal, wat duidt op de aanwezigheid van klinisch relevante depressieve symptomen. Twaalf procent had een positieve score (≥ 1 positief antwoord) op de Anxiety Screening Questionnaire, wat duidt op de aanwezigheid van angstklachten. Zeventien procent had alleen depressieve symptomen, 4% alleen angst- en 8% zowel angstklachten als depressieve symptomen. Ouderen met een depressieve stoornis en angst hadden een hogere eenzaamheidsscore dan ouderen met alleen een depressieve stoornis.  54  

Veiligheid en aandacht

Veiligheid en aandacht zijn voorwaarden voor een goed diagnostisch gesprek. Benader de patiënt persoonsgericht en cultuursensitief. Besteed aandacht aan gezondheidsvaardigheden, de aanwezigheid van een verstandelijke beperking, de sociaal-economische positie, gender, etniciteit en de culturele achtergrond.

Screening

Screening wordt niet aanbevolen, omdat niet is bewezen dat mensen zonder hulpvraag gebaat zijn bij actieve opsporing van depressieve klachten en een actief hulpaanbod.

Details
Screening

In een cochranereview (n = 7576; 16 RCT’s) over het gebruik van screeningsinstrumenten voor de depressieve stoornis worden de volgende punten geconcludeerd:
Screening en feedback laten weinig tot geen verbetering zien op de herkenning van een depressieve stoornis (RR 1,00; 95%-BI 0,89 tot 1,13).
Het aantal interventies dat werd gestart naar aanleiding van screening en feedback steeg slechts marginaal (RR 1,35; 95%-BI 0,98 tot 1,85).
Drie van de 4 onderzoeken waarbij patiënten via screening waren opgespoord toonden geen relevant effect op de depressieve stoornis aan na 6 of 12 maanden.  55  
In een systematische review naar de effectiviteit van psychologische interventies wordt geconcludeerd dat deze interventies weliswaar effectief zijn, maar niet bij personen bij wie de symptomen zijn ontdekt via screening.  56   In een onderzoek in de Nederlandse huisartsenpraktijk (n = 780) werd de effectiviteit onderzocht van selectieve screening onder 3 hoogrisicogroepen: patiënten met psychosociale problemen, patiënten met lichamelijk onverklaarde klachten en patiënten die vaak de huisarts bezochten. Van de 71 patiënten die werden ontdekt met een depressieve stoornis was 51% al onder behandeling en weigerde 25% deelname aan de behandeling of het verdere onderzoek; 24% van de screenpositieven startte een behandeling. De onderzoekers concluderen hieruit dat screening op een depressieve stoornis in deze hoogrisicogroepen niet effectief is.  57   58   De resultaten van onderzoek naar het nut van screening onder mensen met een chronisch somatische aandoening zijn tegenstrijdig.  59  

Signalen

Denk aan depressieve klachten of een depressieve stoornis bij:

  • somberheid, lusteloosheid, minder plezier in bezigheden
  • weinig oogcontact, monotone spraak en trage motoriek
  • frequent spreekuurbezoek met aanhoudende moeheid of wisselende klachten zonder lichamelijke oorzaak
  • nervositeit, angst, slapeloosheid en/of verzoek om slaap- of kalmerende middelen
  • vermagering bij ouderen
  • algemene klachten na een bevalling, zoals moeheid, klachten over een kind dat veel huilt en veel vragen over de verzorging van het kind

Eerste oriëntatieNaar Samenvatting

  • Vraag naar:
    • een sombere stemming, depressieve gevoelens
    • interesseverlies, minder plezier beleven aan dingen waar de patiënt eerder wel plezier aan beleefde
  • Als de patiënt beide vragen ontkennend beantwoordt, zijn depressieve klachten of stoornissen uitgesloten.
  • Als de patiënt ten minste 1 vraag bevestigend beantwoordt, vraag dan: ‘Is dit iets waar u hulp voor zou willen krijgen?’ Als de patiënt deze vraag bevestigend beantwoordt, is er reden om de klachten verder te verkennen.
Details
2-vragenscreening

Diverse onderzoeken zijn uitgevoerd naar de testkarakteristieken van het screeningsinstrument met de volgende 2 vragen: ‘Hebt u zich gedurende de afgelopen maand vaak down, depressief of hopeloos gevoeld?’ en ‘Hebt u gedurende de afgelopen maand weinig interesse of plezier gehad om dingen te doen?’.

In 2 vergelijkende onderzoeken van dit 2-item-instrument met een gestandaardiseerd diagnostisch interview (Diagnostic Interview Schedule) als gouden standaard, bleek dat een positieve respons op beide vragen een sensitiviteit had van 96% of 97% en een specificiteit van 57% of 67% voor het diagnosticeren van een depressieve stoornis. Bij een positief antwoord op alleen de depressievraag was de sensitiviteit 93% en 86% en de specificiteit 62% en 72%; bij een positief antwoord op alleen de interessevraag was de sensitiviteit 83% en de specificiteit 79% in beide onderzoeken.  60   61   Toevoeging van een vraag of iemand hulp wil voor zijn klachten gaf een duidelijke verbetering van de specificiteit te zien; bij een bevestigend antwoord op ten minste één van beide basisvragen plus de vraag naar hulpbehoefte was de sensitiviteit 96% (95%-BI 86 tot 99%) en de specificiteit 89% (95%-BI 87 tot 91%).  62  

Conclusie

De 2-vragen-screening helpt vooral bij het uitsluiten van een depressieve stoornis. In combinatie met de vraag naar de behoefte aan hulp kan een depressieve stoornis waarschijnlijker worden gemaakt. Daarmee is overigens de diagnose depressieve stoornis nog niet gesteld. Wij bevelen deze vragen aan als er al een aanleiding is om aan een depressieve stoornis te denken. Dit zal de positief en negatief voorspellende waarde van de test beïnvloeden.

Klachtenexploratie

Onderzoek de klachten en de context verder wanneer de oriënterende vragen tot een vermoeden van depressieve klachten of een depressieve stoornis leiden. Naast deze algemene exploratie kan een gestructureerde klachtenexploratie helpen om na te gaan of alle klachtdimensies zijn bekeken. Modellen die hiervoor gebruikt kunnen worden zijn onder andere het KOP-model, het 4-domeinenmodel, de methode van Mijn Positieve Gezondheid of het acroniem SCEGS (Somatisch, Cognitief, Emotioneel, Gedragsmatig, Sociaal).

Algemeen
  • de duur en het beloop van de klachten (gedurende dag/week, seizoensgebonden)
  • een mogelijke aanleiding voor de klachten, bijvoorbeeld (chronische) ziekte, ongunstige sociale of economische omstandigheden, levensveranderingen (zoals zwangerschap, geboorte van een kind, veranderingen op het werk), verlieservaringen (rouw), traumatische ervaringen
  • overige symptomen:
    • een duidelijke gewichtsvermindering of -toename
    • slapeloosheid of overmatig slapen
    • psychomotorische agitatie of remming
    • moeheid of energieverlies
    • gevoelens van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens
    • een verminderd vermogen tot nadenken, concentratieverlies of besluiteloosheid
    • suïcidale gedachten of plannen (zie ook Module suïcidaliteit)
  • de ernst van de klachten:
    • de impact van de klachten op het functioneren/de lijdensdruk
    • het sociaal disfunctioneren (werk, hobby, relaties)
Symptomen andere psychische klachten/stoornis
  • (hypo)manie, hallucinaties of wanen, geheugenstoornis
  • angst, problematisch alcohol- of drugsgebruik, stress en/of overbelasting
Somatische oorzaken of comorbiditeit
  • aanwijzingen voor bijvoorbeeld hypothyreoïdie, het premenstrueel syndroom, de ziekte van Parkinson
  • problemen rond de seksualiteit (zie NHG-Standaard Seksuele klachten)
Medicatie
  • het gebruik van depressogene (genees)middelen, zoals hormonale anticonceptie (zie ook NHG-Standaard Anticonceptie)
  • het gebruik van antidepressiva, benzodiazepinen en zelfzorgmiddelen (zoals sint-janskruid)
Intoxicaties

Roken, alcohol, drugs

Leefstijl

Lichaamsbeweging, voeding, ontspanning en sociale steun (zie voor handvatten NHG-Praktijkhandleiding Leefstijl)

Details
Modellen voor inventarisatie van depressieve klachten

Voor het inventariseren van (depressieve) klachten is een aantal modellen beschikbaar.

Het inventariseren van de klachten volgens de SCEGS-systematiek kan helpen om klachten te verhelderen, te ordenen en te structureren. Het doorlopen van de letters van het acroniem helpt om alle dimensies van de klacht systematisch te exploreren, zodat een goed overzicht ontstaat van alle factoren die de klachten beïnvloeden. SCEGS staat voor:

  • Somatische dimensie: chronische somatische comorbiditeit, pijn en functionele beperkingen, aanhoudende lichamelijke klachten (ALK, voorheen SOLK) (zie ook de NHG-Standaard Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK)), problemen in de leefstijl, medicatiegebruik en gebruik van depressogene (genees)middelen, en problemen met zelfmanagement (opvolgen van leefstijl- en medicatieadviezen, zelfcontroles van bijvoorbeeld bloedsuikers, hanteerbaar maken van beperkingen)
  • Cognitieve dimensie: ideeën van de patiënt over een verklaring voor de klachten
  • Emotionele dimensie: gevoelens van de patiënt over de situatie, zoals verdriet, boosheid, schuld, schaamte, machteloosheid
  • Gedragsmatige dimensie: hoe de patiënt de situatie hanteert: passief of actief (van belang om te bepalen in welke mate iemand geactiveerd moet worden)
  • Sociale dimensie: welke steun de patiënt van zijn omgeving ondervindt, en de impact van de klachten op de omgeving en de thuissituatie (waaronder kinderen)

Een andere methodiek, de methode van Mijn Positieve gezondheid, gaat uit van 6 dimensies die de gezondheid en het welbevinden van de patiënt mede bepalen: lichaamsfuncties, het mentaal welbevinden, zingeving, de kwaliteit van leven, meedoen en het dagelijks functioneren. De patiënt vult een vragenlijst in. De resultaten hiervan leveren een weergave van de 6 dimensies in de vorm van een spinnenweb op. Aan de hand daarvan kan de zorgverlener het gesprek met de patiënt aangaan. Er zijn verschillende versies van de vragenlijst, bijvoorbeeld ook voor mensen die moeite hebben met lezen. Zie www.iph.nl 63  

Ook het 4-domeinenmodel (4D-model) is een praktisch instrument voor het in kaart brengen van het functioneren op de verschillende levensdomeinen ‘lichaam’, ‘geest’, ‘maatschappelijk’ en ‘sociaal’. De patiënt geeft zijn ervaren gezondheid een cijfer. Vervolgens verkent de zorgverlener per domein de invloeden en samenhang op de ervaren gezondheid. Een voorgedrukt 4D-model is beschikbaar in meerdere talen. Zie www.krachtigebasiszorg.nl 64  

Het KOP-model wordt veel door de POH-ggz gebruikt. KOP is een acroniem voor Klachten, Omstandigheden (draaglast) en Persoonlijke stijl (draagkracht). De huisarts of POH-ggz brengt samen met de patiënt het probleem in kaart. De probleemanalyse (K = O + P) maakt zichtbaar of klachten begrepen kunnen worden als gevolg van een toegenomen draaglast of een afgenomen draagkracht. Ze vormt de basis voor de probleemdefinitie. Op basis daarvan kunnen gezamenlijk behandeldoelen bepaald worden. Het KOP-model wordt uitgebreid beschreven in het HandboekKOP-model.  65   66  

Depressogene geneesmiddelen

Van een aantal geneesmiddelen is het optreden van sombere stemming als bijwerking aannemelijk gemaakt. Flunarizine is het enige middel met een belangrijke contra-indicatie bij patiënten met een depressieve stoornis. Voor de volgende middelen is de aanwezigheid van een depressieve stoornis (of een depressieve stoornis in de voorgeschiedenis) een relatieve contra-indicatie: topiramaat, systemische corticosteroïden, het hypothalamushormoon gonadoreline en synthetische analoga, interferon-alfa en aldesleukine, mefloquine en modafinil. Voor een aantal andere geneesmiddel(groep)en, die in verband zijn gebracht met het optreden van een depressieve stoornis, is dit onvoldoende aangetoond om een depressieve stoornis hierbij als contra-indicatie aan te merken. Dit geldt voor: ACE-remmers, digoxine, statines en andere lipidenverlagende middelen, raloxifeen en varenicline. Hoewel anticonceptiva in het algemeen niet zijn gecontra-indiceerd, valt verandering van middel te overwegen indien verergering van depressieve klachten door pilgebruik wordt vermoed. Voor het gebruik van bètablokkers wordt gesteld dat de kans op (verergering van) depressieve klachten, indien al aanwezig, niet groot is.  67  

Vragenlijst

Gebruik eventueel de VierDimensionale Klachtenlijst (4DKL) voor het onderscheid tussen:

  • een angststoornis
  • een depressieve stoornis
  • spanningsklachten (distress)
  • somatisatie (veel lichamelijke klachten)

De 4DKL kan de patiënt helpen de klachten te verwoorden en onder ogen te zien.

Details
Vragenlijst

Gebruik van een vragenlijst kan het vermoeden op een depressieve stoornis versterken, helpen bij de differentiatie tussen verschillende dimensies van psychische klachten, helpen bij de inschatting van de ernst van de klachten en, gedurende het verdere beloop, veranderingen in ernst meten. Daarnaast kunnen ze een opening creëren voor een gesprek en helpen een patiënt te motiveren voor een actieve aanpak van de klachten. De lijsten zijn niet geschikt om de diagnose depressieve klachten of depressieve stoornis te stellen; dit vergt aanvullende diagnostiek.
In een onderzoek van het NIVEL is in een schriftelijke paneldiscussie aan verschillende eerstelijnshulpverleners (een kwart huisartsen) en een patiëntenvertegenwoordiger gevraagd op welke manier signaleringsinstrumenten het beste ingezet kunnen worden in de huisartsenvoorziening. De meerderheid (82%) van de respondenten gaf aan dat deze lijsten het beste gebruikt kunnen worden ter ondersteuning van de diagnostiek, als er al een vermoeden is van de aanwezigheid van een bepaalde aandoening. Ook kunnen signaleringsinstrumenten gebruikt worden om problemen bespreekbaar te maken (genoemd door 74% van de respondenten). Minder dan de helft van de respondenten (44%) gaf aan dat signaleringsinstrumenten gebruikt kunnen worden om problemen bij risicogroepen op te sporen. Slechts 13% van de respondenten vond dat signaleringsinstrumenten gebruikt kunnen worden om problemen op te sporen bij een algemene groep patiënten. Het aantal vragen dat een signaleringsinstrument bevat en de tijd die het kost om een instrument in te vullen, zijn volgens de meeste respondenten (76%) beslissend voor de toepasbaarheid van het instrument in de huisartsenvoorziening.  68   In Groot-Brittannië ontvangen huisartsen een vergoeding wanneer zij een gevalideerde ernstvragenlijst afnemen voor de start van een therapie voor een depressieve stoornis. In een Engels kwalitatief onderzoek werden 34 huisartsen en 24 patiënten geïnterviewd naar hun mening over het inzetten van ernstvragenlijsten bij de behandeling van een depressieve stoornis. Daaruit bleek dat huisartsen een sterke voorkeur hadden voor de klinische blik in plaats van de ernstschalen bij de diagnose en behandeling van een depressieve stoornis. Echter, voor patiënten had het gebruik van vragenlijsten een positieve impact op de consulten: een objectieve toevoeging aan de medische beoordeling en een uiting van de huisarts dat hij de psychische problemen serieus neemt en er tijd voor wil nemen.  69   70  

Conclusie

Een vragenlijst kan behulpzaam zijn bij het uitvragen van (ernst van de) klachten, problemen bespreekbaar te maken en aanleiding geven voor een diagnostisch gesprek. Voor patiënten verhoogt het gebruik van een vragenlijst het vertrouwen dat de huisarts hen serieus neemt.

Soorten vragenlijsten

4DKL (VierDimensionale Klachtenlijst); 

De 4DKL is een zelfinvullijst voor het onderscheiden van 4 dimensies van psychische klachten: distress, depressie, angst en somatisatie. De distress-schaal vraagt naar spanningsklachten, variërend van licht (piekeren, gespannenheid) tot ernstig (onmacht, demoralisatie). De depressieschaal vraagt naar symptomen van een stemmingsstoornis: ernstige anhedonie en depressieve cognities. De angstschaal vraagt naar symptomen van angststoornissen: irrationele en fobische angst. De somatisatieschaal vraagt naar functionele lichamelijke klachten. De 4DKL bestaat uit 50 items: 16 items voor distress, 6 items voor depressie, 12 items voor angst en 16 items voor somatisatie. De vragen betreffen de periode van de afgelopen week en worden beantwoord met: ‘nee’ (0 punten), ‘soms’ (1 punt), ‘regelmatig’, ‘vaak’, ‘heel vaak’ of ‘voortdurend’ (allemaal 2 punten). De psychometrische kwaliteiten van de subschaal om depressie te onderscheiden (9 vragen) zijn goed.  71  
De 4DKL heeft een hoge interne consistentie, variërend van 0,84 tot 0,94 en een hoge test-hertest-correlatie, variërend van 0,89 tot 0,94. Hoe hoger de depressiescore, hoe groter de kans op een (ernstige) depressieve stoornis. Ten opzichte van de criteria in de NHG-Standaard Depressieve stoornis heeft de 4DKL-depressiescore een area under the curve (AUC) van 0,88. Dat wil zeggen dat de kans 88% is dat een willekeurige depressieve patiënt hoger scoort op de 4DKL-depressieschaal dan een willekeurige niet-depressieve patiënt.  72  
De invultijd is 5 tot 10 minuten. Ondanks het onderzoek in de eerste lijn wordt de 4DKL niet gebruikt in de BGGZ en/of SGGZ.

PHQ-9 (Patient Health Questionnaire-9);

De PHQ-9 is in de eerste lijn herhaaldelijk getest met psychiatrische interviews als referentie. Bij een afkapwaarde van ≥ 10 punten waren de sensitiviteit en specificiteit voor het stellen van de diagnose depressieve stoornis respectievelijk 0,68 en 0,95, onder 440 patiënten die de huisarts frequent bezochten of zich presenteerden met psychische problemen of onverklaarde klachten;  73   in een eerstelijnspopulatie (n = 2642) in Nieuw-Zeeland waren deze waarden respectievelijk 0,74 en 0,91.  74   Onder chronisch zieke patiënten ≥ 60 jaar met diabetes of COPD waren de sensitiviteit en specificiteit voor het opsporen van klinisch relevante depressieve klachten (bij een afkapwaarde van 6 punten) respectievelijk 0,96 en 0,81.  75   In een onderzoek wordt geconcludeerd dat de PHQ-9 niet geschikt is als ernstmaat  73   terwijl in twee andere onderzoeken het tegenovergestelde wordt geconcludeerd.  76   77   In Groot-Brittannië vond men dat met de PHQ-9 84% van de patiënten werden aangemerkt als matig tot ernstig depressief, terwijl dat met HADS bij 56% van de patiënten het geval was.  78   Dit verschil zet vraagtekens bij de validiteit en bruikbaarheid van deze lijsten in de huisartsenpraktijk.  70   De invultijd is 5 minuten.

BDI-II(Beck Depression Inventory-II);

Het instrument is een zelfrapportage vragenlijst voor het meten van de ernst van een depressieve stoornis. De BDI-II-NL is onderverdeeld in 3 dimensies: affectief (5 items), cognitief (7 items) en somatisch (9 items). De BDI-II wordt vaak voor het monitoren van depressieve stoornissen gebruikt. De score correleert hoog (0,71) met depressieve stoornis maar ook met distress (0,68) en iets minder (0,63) met angst. De invultijd is 5 tot 10 minuten.  72  

Lichamelijk en aanvullend onderzoekNaar Samenvatting

  • Verricht alleen lichamelijk en/of aanvullend onderzoek bij aanwijzingen voor bijkomende en onderliggende aandoeningen.
  • Overweeg bij ouderen (≥ 65 jaar) onderzoek te verrichten naar het cognitief functioneren.
Details
Aanvullend onderzoek bij ouderen

In het Addendum Ouderen bij de Multidisciplinaire richtlijn Depressie wordt een uitgebreid laboratoriumonderzoek aanbevolen: volledig bloedbeeld, natrium, kalium, calcium, glucose, leverfuncties, TSH, vitamine B12 en foliumzuur.  79   Er wordt daarbij aangegeven dat er voor de onderbouwing geen overeenstemming in de literatuur gevonden is. Om deze reden heeft de werkgroep ervoor gekozen dit laboratoriumonderzoek niet over te nemen. Op indicatie kan wel laboratoriumonderzoek gedaan worden.

Depressie en cognitieve achteruitgang

In de Verenigde Staten werd een cohort ouderen ≥ 65 jaar (n = 470) die een eerstelijnsinternist, -geriater of huisarts bezochten en bij aanvang van het onderzoek géén cognitieve stoornis hadden, gedurende 3 jaar jaarlijks onderzocht op cognitieve disfunctie. Zesendertig ouderen ontwikkelden in de loop van 3 jaar dementie of ‘cognitieve stoornis niet nader omschreven’. Ten opzichte van ouderen zonder depressieve stoornis was het risico op het ontwikkelen van een cognitieve stoornis verhoogd zowel onder ouderen met een depressieve stoornis (hazardratio 3,7; 95%-BI 2,1 tot 6,4) als met een depressieve klachten (minor depression) (hazardratio 1,8; 95%-BI 1,05 tot 3,2). Dit onderzoek geeft geen uitsluitsel of een depressieve stoornis een onafhankelijke risicofactor voor een cognitieve stoornis is dan wel een prodromaal symptoom.  80  

EvaluatieNaar Samenvatting

  • Maak onderscheid tussen depressieve klachten en een depressieve stoornis. Bepaal de ernst van de depressieve stoornis (zie Begrippen) en de mate van het sociaal disfunctioneren, de lijdensdruk en de psychische comorbiditeit.
  • Maak, wanneer er sprake is van suïcidaliteit, onderscheid tussen lichte, ambivalente, ernstige en zeer ernstige suïcidaliteit (zie Module suïcidaliteit).
  • Onderscheid subvormen van een depressieve stoornis (winterdepressie, post-partumdepressie en persisterende depressieve stoornis) (zie Begrippen).
  • Beoordeel of er sprake is van een bipolaire stoornis of een depressieve stoornis met psychotische kenmerken (zie Consultatie en verwijzing).
  • Formuleer samen met de patiënt de (voorlopige) probleemdefinitie. Dit betreft een samenvatting van de klachten, de beïnvloedende factoren en de gevolgen. De probleemdefinitie kan in de loop van de tijd veranderen, bijvoorbeeld wanneer de klachten of omstandigheden veranderen.

Differentiaaldiagnose

Houd differentiaaldiagnostisch rekening met (eventueel gelijktijdige aanwezigheid van) onder andere:

  • somatische aandoeningen die stemmingsklachten kunnen veroorzaken (zoals hypothyreoïdie, het premenstrueel syndroom en de ziekte van Parkinson)
  • overspanning en burn-out: spanningsklachten met controleverlies en disfunctioneren (zie NHG-Standaard Overspanning en burn-out)
  • een angststoornis: ongewoon heftige of langdurige angst staat op de voorgrond (zie NHG-Standaard Angst)
  • aanhoudende lichamelijke klachten (ALK, voorheen SOLK): aanhoudende lichamelijke klachten die veel invloed hebben op het dagelijks leven (zie NHG-Standaard SOLK)  
  • het gebruik van psychoactieve stoffen (zoals cannabis, cocaïne, amfetaminen, alcohol en cafeïne) en onttrekking van bijvoorbeeld alcohol, drugs of benzodiazepinen (zie NHG-Standaard Problematisch alcoholgebruik)
  • dementie: geheugenstoornis en andere cognitieve stoornissen (zie NHG-Standaard Dementie)  
  • slapeloosheid: slecht slapen met overdag gevolgen als moeheid, verminderde concentratie en verhoogde irritatie (zie NHG-Standaard Slaapproblemen)
  • andere psychiatrische problematiek (zoals persoonlijkheidsproblematiek, autisme, een posttraumatische stress-stoornis)
Details
Differentiaaldiagnose

Zie de Multidisciplinaire richtlijn Depressie voor een uitgebreide lijst met somatische aandoeningen die stemmingsklachten kunnen veroorzaken.  81  

Richtlijnen beleidNaar Samenvatting

Algemeen

  • Het beleid bij patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis kan bestaan uit (afhankelijk van de mate van het sociaal disfunctioneren, de lijdensdruk en psychische comorbiditeit (zie figuur h1)):
    • psycho-educatie
    • dagstructurering en activiteitenplanning
    • kortdurende psychologische behandeling in de huisartsenpraktijk (facultatief) of ggz
    • psychotherapie in de ggz (indien er sprake is van een depressieve stoornis)
    • een antidepressivum (indien er sprake is van een depressieve stoornis)
  • De behandeling van een depressieve stoornis met ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige psychische comorbiditeit vindt plaats in de gespecialiseerde ggz (psychotherapie en een antidepressivum). Overweeg (eventueel direct na psycho-educatie) gelijktijdig met de verwijzing te starten met een antidepressivum (eventueel in overleg met de psychiater).
  • De behandeling van een persisterende depressieve stoornis is dezelfde als die van een depressieve stoornis.
  • Bespreek de voor- en nadelen van de verschillende behandelopties met de patiënt en houd hierbij rekening met diens leefwereld en context. Denk hierbij aan verschillen in gezondheidsvaardigheden, de aanwezigheid van een verstandelijke beperking, de sociaal-economische positie, gender, etniciteit en de culturele achtergrond. Laat de voorkeur van de patiënt sterk meewegen.
  • Een goede therapeutische relatie is essentieel voor het effect van de behandeling. Besteed daarom aandacht aan een goede werkrelatie (door het toepassen van gezamenlijke besluitvorming) en de kwaliteit van de relatie (empathische betrokkenheid).
  • Voor een effectieve aanpak is het van belang dat de patiënt gemotiveerd is voor de behandeling en de verantwoordelijkheid neemt voor zijn herstel.
  • Bedenk dat een patiënt met een ernstige depressieve stoornis soms slechts in zeer beperkte mate een actieve houding aan kan nemen.
  • Besteed aandacht aan de respons op eerdere behandelingen en mogelijke comorbiditeit.
Details
Effect van aspecifieke interventieaspecten

Bij alle vormen van psychosociale hulpverlening wordt het effect niet alleen bepaald door de specifieke interventie, maar ook door aspecifieke aspecten zoals een (geslaagde) therapeutische alliantie, empathie, het opstellen van een gestructureerd behandelplan en een voor de patiënt én hulpverlener overtuigende rationale van de aanpak.  82   83   Het aandeel van deze aspecifieke aspecten is voor het effect van de behandeling zelfs groter dan van de specifieke interventie.  82   84   85   86   Centraal staat dat de huisarts de patiënt tegemoet treedt met aandachtig luisteren (zonder oordeel) en flexibiliteit, en zich richt op de patiënt in zijn context. De motivatie van de therapeut en zijn attitude hebben grote invloed op de manier waarop hij communiceert  87   en op het effect van de behandeling: hoe meer de therapeut zelf in de behandeling gelooft, des te beter de resultaten ervan zijn.  83  

Behandeling van een persisterende depressieve stoornis

In een Cochrane-review (17 RCT’s; n = 2200) bleken antidepressiva effectiever dan placebo in het verminderen van dysthymiesymptomen (TCA’s: RR 0,68; 95%-BI 0,59 tot 0,78; SSRI’s: RR 0,68; 95%-BI 0,56 tot 0,82 ten opzichte van placebo). Het waren relatief korte onderzoeken van maximaal 12 weken.  88   In een andere Cochrane-review (14 RCT’s; n = 1659) werd geen verschil in effectiviteit tussen verschillende antidepressiva gevonden in eveneens onderzoeken van maximaal 12 weken.  89   De resultaten voor TCA’s en SSRI’s waren het meest robuust. Een meta-analyse van 16 RCT’s (n = 2116) waarin de effecten van psychotherapie, medicatie en de combinatie hiervan werden vergeleken bij volwassenen met een chronische depressieve stoornis of dysthymie, toonde een klein effect van psychotherapie (effectgrootte ten opzichte van controlegroepen 0,21 (95%-BI 0,02 tot 0,41)), maar meer van antidepressiva (effectgrootte ten opzichte van psychotherapie −0,47 (95%-BI −0,75 tot −0,18) voor het verminderen van de dysthymiesymptomen (7 van de 16 RCT’s).  90   Combinatie van psychotherapie en medicatie ten opzichte van alleen medicatie had geen meerwaarde (effectgrootte −0,04; 95%-BI −0,24 tot 0,17). Beperkingen van deze meta-analyse zijn de relatief kleine aantallen per RCT en de heterogeniteit, maar vooral de korte follow-up. Langetermijneffecten zijn daarmee dus nog steeds onbekend. Daarom worden dezelfde therapeutische opties, antidepressiva en psychotherapie, aanbevolen die ook voor een depressie ter beschikking staan.

Stroomschema Behandeling per diagnose
Figuur h1. Stroomschema Behandeling per diagnose
 

Niet-medicamenteuze behandelingNaar Samenvatting

Psycho-educatieNaar Samenvatting

Geef psycho-educatie over de symptomen en de prognose. Besteed hier gedurende het hele behandeltraject aandacht aan.

Details
Psycho-educatie

In onderzoek naar de zorgbehoeften van 622 Nederlandse patiënten in de eerste lijn met een depressieve stoornis en/of angststoornis bleek er vooral behoefte te zijn aan informatie over de aandoening, behandelmogelijkheden en beschikbare voorzieningen.  91  

Post-partumdepressie

Post partum kunnen stemmingsproblemen optreden, variërend van veelvoorkomende depressieve klachten (postpartumblues) tot een postpartumdepressie. Een depressieve stoornis kan gevolgen hebben voor de hechting en de interactie met het kind. Het risico is hoger bij vrouwen met een depressieve stoornis in de voorgeschiedenis (25 tot 30%) en depressieve klachten gedurende de zwangerschap; bij een eerder doorgemaakte postpartumdepressie is de kans op herhaling naar schatting 50%. Factoren die het risico ook kunnen verhogen zijn: ontevredenheid over het huwelijk/relatie, inadequate sociale steun en stressvolle levensgebeurtenissen gedurende de zwangerschap. Het beeld komt overeen met depressieve stoornissen in andere levensfasen. Daarnaast spelen relatief vaak ambivalente en negatieve gevoelens jegens het kind, bezorgdheid niet voor het kind te kunnen zorgen, obsessieve gedachten het kind schade te berokkenen, angsten en suïcidale gedachten. Onbehandeld kan een postpartumdepressie negatieve gevolgen hebben voor de vrouw zelf, de relatie met haar partner en kind(eren), en voor de psychosociale ontwikkeling van het kind.  92  

In een Cochrane-review wordt geconcludeerd dat psychologische interventies, zoals cognitieve gedragstherapie en interpersoonlijke psychotherapie (IPT), effectief zijn bij de behandeling van post-partumdepressie.  93   IPT richt zich op verbetering van interpersoonlijke relaties en versterking van sociale steun. In een onderzoek werd IPT als groepstherapie (n = 23) vergeleken met gebruikelijke zorg (n = 27). In beide groepen verbeterde de depressieve stoornis, maar in de interventiegroep was de verbetering significant sterker. Er waren ook significante verschillen in de huwelijksrelatie en de moeder-kindrelatie ten gunste van de interventiegroep.  94   Anderen vergeleken het effect van IPT, gegeven tijdens de zwangerschap en daarna (n = 25) met gebruikelijke zorg (n = 28); de interventiegroep liet een significant grotere daling in depressieve symptomen zien zowel vóór als 6 maanden na de partus en een significant sterkere verbetering in het sociaal functioneren 6 maanden post partum.  95   Ernstiger vormen van een post-partumdepressie zijn een indicatie voor antidepressiva of verwijzing; bij psychotische kenmerken is een spoedverwijzing naar een psychiater geïndiceerd, vanwege het risico op ernstige gevolgen voor moeder en kind. Ditzelfde geldt als adequate verzorging van het kind (met hulp van omgeving) onmogelijk is.

Winterdepressie

De pathogenese van een winterdepressie is onduidelijk. Mogelijke oorzaken zijn minder daglicht, een veranderd melatoninemetabolisme en een lager serotoninegehalte in de winter.  96   97   De hoeveelheid daglicht lijkt gezien de effectiviteit van de lichttherapie een plausibele verklaring, maar wordt in onderzoek niet onomstreden aangetoond. De afname van het centrale serotoninegehalte is een hypothese waarvoor de meeste aanwijzingen zijn. De symptomen van de winterdepressie zijn aspecifiek: toegenomen slaapbehoefte, toegenomen behoefte aan suikers en daarmee een toename in gewicht, prikkelbaar zijn, gevoeliger zijn voor afwijzing en een zwaar gevoel in armen en benen.  98  

Depressieve klachten
  • Leg uit dat depressieve klachten vaak voorkomen en meestal van voorbijgaande aard zijn.
  • Soms zijn de klachten gerelateerd aan problemen of zorgen op belangrijke levensgebieden (gezin, relatie, werk, gezondheid, financiën, huisvesting) en is het goed om te kijken op welke manier de problemen aangepakt kunnen worden. Verwijs hiervoor zo nodig naar het sociale domein (zie Consultatie en verwijzing). 
Depressieve stoornis
  • Leg uit dat meerdere factoren (zoals familiaire factoren, biologische factoren, sociale problemen) en/of stressvolle omstandigheden (psychosociale of traumatische (verlies)ervaringen) een rol kunnen spelen bij het ontstaan en recidiveren van een depressieve stoornis.
  • Geef informatie over het beloop: ongeveer 50% is na een half jaar hersteld.
  • Leg uit dat een actieve houding en levenswijze een positieve invloed hebben op het herstel.
  • Ontraad het gebruik van alcohol en drugs; onthouding bevordert het herstel. Bied hiervoor indien nodig begeleiding aan of verwijs hiervoor (zie ook NHG-Standaard Problematisch alcoholgebruik).
  • Indien er slaapproblemen zijn (1 van de symptomen van een depressieve stoornis): zie NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen voor aanvullende adviezen en niet-medicamenteuze behandeling.
Post-partumdepressie
  • Leg uit dat behandeling van een postpartumdepressie plaatsvindt in de ggz (zie Consultatie en verwijzing).
  • Leg uit dat bij 10-15% van de vrouwen na een bevalling een depressieve stoornis ontstaat.
  • Leg uit dat meerdere factoren een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een depressieve stoornis na de bevalling, zoals een depressieve stoornis in de voorgeschiedenis, depressieve klachten tijdens de zwangerschap en een eerder doorgemaakte post-partumdepressie, voorkomen in de familie, een gecompliceerde bevalling of een huilbaby.
  • Leg uit dat een onbehandelde post-partumdepressie gevolgen kan hebben voor de patiënt, (de relatie met) haar partner en kind(eren), en de hechting en de psychosociale ontwikkeling van het kind.
  • Bespreek samen met de patiënt en haar partner mogelijkheden voor (praktische) ondersteuning in het dagelijks leven. Verwijs hiervoor zo nodig naar het sociale domein (zie Consultatie en verwijzing).
Winterdepressie
  • Leg uit dat de klachten in het najaar of de winter beginnen en in het voorjaar vanzelf overgaan.
  • Leg uit dat een winterdepressie waarschijnlijk te maken heeft met veranderingen in de hoeveelheid licht en een verstoord dag-nachtritme.
  • Leg uit dat behandeling met lichttherapie effectief kan zijn; zie Lichttherapie.

Patiënteninformatie

  • Verwijs naar de informatie op thuisarts.nl. De informatie daar is gebaseerd op deze NHG-Standaard.
  • Verwijs de patiënt voor informatie, lotgenotencontact en steun van ervaringsdeskundigen naar de patiëntenvereniging (Depressie Vereniging en MIND Platform).
  • Pharos biedt eenvoudig voorlichtingsmateriaal aan in verschillende talen (Kennisbank - Pharos).

Dagstructurering en activiteitenplanningNaar Samenvatting

  • Regelmaat en een dagstructuur hebben een positieve invloed op het herstel. Besteed daarom het hele behandeltraject aandacht aan dagstructurering en activiteitenplanning.
  • Adviseer de patiënt een plan op te stellen voor dagstructurering: vaste tijden van opstaan, naar bed gaan en gebruik van maaltijden, inclusief een plan voor andere activiteiten, waaronder (betaalde) arbeid.
  • Overweeg te verwijzen naar een ergotherapeut als zelfstandig inzetten van dagstructurering en activiteitenplanning complex is.
  • Tenzij het werk een belangrijke oorzaak van de klachten is, is doorwerken vaak beter dan thuisblijven. Dit is mede afhankelijk van de ernst van de depressieve stoornis en de verantwoordelijkheden op het werk.
  • Adviseer de patiënt om bij werkverzuim of disfunctioneren op het werk contact op te nemen met de bedrijfsarts.
Details
Dagstructurering en activiteitenplanning

De aanbeveling over het aanbieden van dagstructurering is overgenomen uit de Multidisciplinaire richtlijn Depressie. Deze aanbeveling is gebaseerd op consensus van de richtlijnontwikkelaars. De term activiteitenplanning komt niet in de Multidisciplinaire richtlijn voor. In de standaard is hiervoor gekozen, omdat uit een meta-analyse (16 onderzoeken; n = 780) bleek dat dit een effectieve interventie is. Activiteitenplanning in vergelijking met controlecondities werd onderzocht in 10 onderzoeken en had een effectgrootte (d) van 0,87 (95%-BI 0,60 tot 1,15). In vergelijking met andere psychologische behandelingen had activiteitenplanning een gelijkwaardig effect (18 onderzoeken, d = 0,12; 95%-BI −0,05 tot 0,29). Daarnaast is het een relatief ongecompliceerde, tijdsefficiënte interventie.  99  

Depressieve stoornis en werkomgeving

Werknemers met een depressieve stoornis verzuimen acht- tot ruim negenmaal zo veel als werknemers zonder depressieve stoornis. Dit betreft kortdurend, maar vooral ook langdurend verzuim. Werknemers met een depressieve stoornis die niet verzuimen functioneren doorgaans minder effectief, vooral door de cognitieve beperkingen (concentratieverlies, geheugenstoornissen, besluiteloosheid en initiatiefverlies).  100   Soms spelen bij de depressieve stoornis werkgerelateerde aspecten een rol. Toch kan het (gedeeltelijk) blijven werken een positieve bijdrage aan het herstel leveren. Het is van belang dat dit goed wordt begeleid. Overleg zo nodig met de bedrijfsarts over de verwachte duur van het werkverzuim en over werkgerelateerde factoren die het herstel kunnen belemmeren. Ook indien huisarts en bedrijfsarts van mening verschillen over diagnostiek, beleid of verwijzing is overleg aangewezen.  101  

Balans tussen verplichtingen en ontspanning

Belangrijk is dat het dagprogramma niet te zwaar wordt en dat er aandacht is voor de balans tussen verplichtingen en ontspanning. Depressieve patiënten ondernemen doorgaans weinig plezierige activiteiten, waardoor een neerwaartse spiraal ontstaat in hun stemming.

  • Definieer eerst het probleem ‘te weinig plezierige activiteiten’ en formuleer een haalbaar doel, bijvoorbeeld: ‘(minimaal) 1 potentieel plezierige activiteit per dag of week’.
  • Stimuleer de patiënt om zelf na te denken over oplossingen en daaruit de meest passende oplossing te kiezen. Laat de patiënt eventueel met een dagboek werken. Bewaak samen met de patiënt de haalbaarheid en balans van het dagprogramma.
  • Adviseer om dagelijks naar buiten te gaan, gezond te eten en sociale contacten te onderhouden.
  • Adviseer fysieke activiteiten te ondernemen (zoals wandelen, hardlopen, tuinieren), omdat dit kan bijdragen aan een verbetering van de depressieve klachten of een depressieve stoornis. Volg hiervoor de Beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad.
  • Ga bij patiënten met een chronische somatische aandoening na in hoeverre ondersteuning nodig is om problemen met zelfmanagement of sociale rollen het hoofd te bieden.
  • Bespreek de impact van de depressieve stoornis op de eventuele partner en gezinsleden en betrek deze zo nodig bij de behandeling. Nodig betrokkenen uit voor een informatief en steunend gesprek.
Details
Fysieke training

Over het algemeen worden fysieke inspanning en beweging aangeraden ter verbetering van depressieve klachten.
In de Multidisciplinaire richtlijn Depressie (2024)  81   is de effectiviteit van fysieke activering als onderdeel van psychomotorische therapie door middel van een uitgangsvraag systematisch onderzocht. Fysieke activering resulteert waarschijnlijk in een reductie van depressiesymptomen vergeleken met interventies zonder een element van fysieke activering.  102   Onderzoeken die het effect van fysieke activering op depressiesymptomen vergeleken met treatment as usual, waren van zeer lage kwaliteit. Het effect van deze interventies is dus onzeker.  103  
Als kanttekening moet hierbij vermeld worden dat onderzoeken patiënten geïncludeerd hadden met een (ernstige) depressieve stoornis (major depressive disorder). De huisarts ziet ook veel patiënten met depressieve klachten (geen depressieve stoornis); de werkgroep gaat ervan uit dat het werkingsmechanisme van fysieke activering ook geldt voor deze groep patiënten.
De NICE-richtlijn depressie onderzocht het effect van psychologische, psychosociale, farmacologische en fysieke interventies alleen of in combinatie, voor patiënten met minder zware depressieve klachten (less severe) en matige tot ernstige klachten.  104   Uit een voor dit doeleinde gemaakte netwerkmeta-analyse bleek dat bij mensen met minder zware depressieve klachten CGT in combinatie met fysieke training in groepsverband een significante verandering in de scores op depressiviteit gaf (n = 25, SMD –2,51, 95%-Bl –4,42 tot –0,61) vergeleken met gebruikelijke zorg. Daarmee behoort deze interventie tot de top 10 -interventies in termen van klinische effectiviteit.
Dit geldt niet voor alleen individuele fysieke training vergeleken met gebruikelijke zorg, die geen klinisch of statistisch significante verbetering in depressieve klachten liet zien (n = 250, SMD –0,26, 95%-BI –1,73 tot 1,15). De verklaring voor deze bevinding is waarschijnlijk de grote heterogeniteit van de onderzoeksgroep. Daarom wordt in de NICE-richtlijn toch iedere vorm van regelmatige fysieke training aangeraden, met name buiten (als voorbeelden worden onder andere wandelen, hardlopen en tuinieren genoemd). 

Conclusie

Ondanks wisselend bewijs voor de effectiviteit van fysieke activiteit acht de werkgroep het zeer aannemelijk dat deze als toevoeging aan de behandeling bijdraagt aan een verbetering van de depressieve klachten of een depressieve stoornis. In het geval van een depressieve stoornis vindt de fysieke activiteit bij voorkeur plaats onder begeleiding, eventueel in een groep. Daarbij wordt de keuze gebaseerd op de voorkeur van de patiënt. 

Facultatief

Kortdurende psychologische behandelingNaar Samenvatting

  • We bevelen een kortdurende psychologische behandeling aan bij:
    • aanhoudende depressieve klachten (arbitrair > 2-3 maanden) ondanks psycho-educatie, dagstructurering en activiteitenplanning en fysieke activiteit
    • een depressieve stoornis zonder ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige comorbiditeit
  • Voorbeelden van kortdurende psychologische behandeling zijn: gedragsactivatie, (cognitieve) gedragstherapeutische technieken, acceptance and commitment therapy (ACT; verkorte vorm), problem solving treatment (PST) of mindfulness-based cognitive therapy (MBCT; verkorte vorm). 
Details
Waarom deze aanbeveling?

We vonden een vermindering van depressieve symptomen in alle onderzochte kortdurende psychologische behandelingen op de korte termijn. De mate van zekerheid van het bewijs varieerde, maar het effect van deze behandelingen op depressieve symptomen was matig tot groot. Voor mensen ouder dan 55 jaar zijn de effecten niet duidelijk. Voor CGT in de volledige groep van 18-75 jaar is er wel bewijs van effecten op depressieve symptomen. Het lijkt aannemelijk dat de onderzochte andere kortdurende behandelingen (naast CGT) ook effectief kunnen zijn in deze oudere patiëntengroep.

Van bewijs naar aanbeveling

Voor- en nadelen

Alle onderzochte interventies dragen bij aan een vermindering van depressieve symptomen, het effect was over het algemeen groot tot zeer groot. De vergelijking was in de meeste onderzoeken een wachtlijstcontroleconditie. Dat bewijst in ieder geval dat het effect van de interventie niet enkel berust op natuurlijk beloop.
De werving van deelnemers gebeurde op uiteenlopende manieren, het is niet zeker dat de onderzoekspopulaties vergelijkbaar zijn met de huisartsenpopulatie.
De manier waarop de diagnose van de depressieve klachten/stoornis werd gesteld, varieerde van uitgebreide diagnostiek tot enkel het vaststellen van de symptomen via cut-off-scores op diverse soorten vragenlijsten (bijvoorbeeld de BDI (II), PHQ-9, HAM-D of HDRS).
In de meeste onderzoeken werd verder geen verschil gemaakt tussen de ernst van de depressieve stoornis en het effect van de interventie op de ernst; er namen patiënten deel met depressieve klachten, maar ook met een ernstige depressieve stoornis.
Andere relevante uitkomstmaten (zie de PICO) werden niet onderzocht in de geselecteerde artikelen, maar zijn ook van belang in de afweging en beoordeling.
Onbekend is wat de effecten op de langere termijn zijn (> 12 maanden).
We konden geen onderzoeken in de eerste lijn includeren die gericht zijn op volwassenen ouder dan 55 jaar, terwijl depressieve klachten en de depressieve stoornis in deze groep veel voorkomen.  11   139   Een andere meta-analyse concludeerde dat de onderzochte niet-farmacologische interventies – in het bijzonder CGT – veelbelovend zijn in termen van effectiviteit, maar dat meer onderzoek nodig is met oudere volwassenen (60-plussers) in de eerste lijn om onderbouwde aanbevelingen te kunnen doen voor andere niet-farmacologische interventies, zoals problem solving treatment.  109   Een recente meta-analyse wijst er wel op dat de effecten van psychotherapie/psychologische behandeling vergelijkbaar zijn tussen verschillende leeftijdscategorieën.  140   Daarop wijst ook een meta-analyse die gedragsactivatie onderzocht bij thuiswonende volwassenen ouder dan 55 jaar. Deze rapporteerde positieve resultaten wat betreft de effecten en de remissie op de depressieve stoornis op de korte en langere termijn (12 maanden).  141  

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van het bewijs varieerde tussen ‘laag’ en ‘redelijk.’ Dit is met name te wijten aan de inconsistenties tussen de verschillende geïncludeerde onderzoeken en het lage aantal onderzoeksdeelnemers (n ≤ 400). Ook is er sprake van een risico op bias in de onderzoeken.

Waarden en voorkeuren van patiënten

Alle onderzochte interventies vereisen dat een patiënt reflecteert op diens cognities en emoties.
Bij de keuze voor een kortdurende psychologische behandeling is gezamenlijke besluitvorming essentieel. Voor een effectieve behandeling is het belangrijk dat deze aansluit bij de wensen en voorkeuren van de patiënt. Vaak geven patiënten de voorkeur aan een psychologische interventie boven een medicamenteuze behandeling. 142   143   Er zijn verschillende kortdurende behandelingen in de huisartsenpraktijk beschikbaar, afhankelijk van de expertise die in de praktijk aanwezig is. De huisarts heeft een rol in het informeren van de patiënt over het doel en de inhoud, en eventuele voor- en nadelen van de verschillende behandelingen. De inhoud en de manier van aanbieden (bijvoorbeeld digitaal of in groepsverband) verschillen. De mondelinge informatie kan ondersteund worden door te verwijzen naar betrouwbare online informatie (thuisarts.nl). Het kan helpend zijn als een belangrijke naaste, bijvoorbeeld een partner of vriend(in), bij de keuze aanwezig is en ook een stem heeft in de beslissing. De huisarts kan ervoor kiezen de naaste als samenwerkingspartner bij de behandeling te betrekken. Bij patiëntenvoorlichting en samen beslissen gaat het om maatwerk, vooral omdat de patiëntenpopulatie heel divers is qua leeftijd, leefcontext en achtergrond.

Kosten

De kosten van consulten bij de huisarts en POH-ggz vallen onder de basisverzekering.

Aanvaardbaarheid

Kortdurende psychologische behandelingen in de huisartsenpraktijk zijn aanvaardbaar voor patiënten. De behandeling bestaat uit een aantal gesprekken gedurende maximaal 2-3 maanden bij de POH-ggz of huisarts. De gesprekken zullen vaak plaatsvinden in de huisartsenpraktijk, waardoor de reisafstand relatief kort zal zijn. Eventueel wordt een deel van de gesprekken digitaal gevoerd. Tussen de gesprekken door moeten de patiënten thuis verder aan de slag met oefeningen om het geleerde in de praktijk te brengen. Het is belangrijk dat patiënten daarvoor gemotiveerd zijn.
Een risico kan zijn dat de depressieve klachten en de depressieve stoornis gedurende de kortdurende psychologische behandeling verergeren als de behandeling niet aanslaat. Het is daarom belangrijk om verergering van de klachten tijdig te signaleren en in dat geval een verwijzing te regelen of alternatieve behandeling aan te bieden. Daarnaast zullen niet alle patiënten openstaan voor een kortdurende psychologische behandeling, bijvoorbeeld omdat ze niet willen praten of omdat ze medicatie prefereren boven een kortdurende psychologische behandeling.
Eerdere ervaringen met een kortdurende psychologische behandeling kunnen er ook voor zorgen dat patiënten meer of juist minder openstaan voor een nieuwe behandeling.
Concluderend verwacht de werkgroep dat er variatie is in de mate waarin patiënten openstaan voor een kortdurende psychologische behandeling, maar dat het grootste deel van de patiënten wel openstaat voor deze behandeling.

Haalbaarheid

Verschillende vormen van kortdurende psychologische behandelingen vergen training, supervisie en intervisie. Een kortdurende psychologische behandeling zal veelal worden toegepast en begeleid door een POH-ggz. De opleidingsachtergronden van de praktijkondersteuners lopen sterk uiteen en variëren bijvoorbeeld van sociaal pedagogisch werk tot (basis)psycholoog. Het aanbod van kortdurende psychologische behandelingen kan daarom per praktijk verschillen, afhankelijk van de aanwezige expertise. Een uniform aanbod aan kortdurende psychologische behandelingen in de Nederlandse huisartsenpraktijken is daardoor niet haalbaar. De verschillende kortdurende psychologische behandelingen zijn daarom een facultatieve optie voor de huisartsenpraktijk, indien de POH-ggz of huisarts bekwaam is (bijvoorbeeld minimaal een basiscursus CGT heeft gevolgd wanneer cognitief gedragstherapeutische technieken worden aangeboden). Op die manier wordt de kwaliteit van kortdurende psychologische behandelingen in de huisartsenpraktijk beter gewaarborgd.
Daarnaast is het belangrijk dat behandelsessies voldoende frequent kunnen worden aangeboden (ten minste 1 maal per 2 weken), omdat laag frequent behandelen weinig zinvol is.
Met name zogenoemde derdegeneratie-CGT (ACT en MBCT) wordt veelal in een groep aangeboden. Hiervoor is een voldoende grote caseload noodzakelijk om een groep binnen de huisartsenpraktijk te kunnen opstarten. Daarnaast beschikken huisartsenpraktijken mogelijk niet over een adequate ruimte voor het geven van groepstherapie. Voor veel huisartsenpraktijken zal groepstherapie daarom niet haalbaar zijn. Deze therapieën (ACT en MBCT) kunnen ook in individuele sessies worden aangeboden.
Duurzaamheid: cognitieve gedragstherapeutische technieken zijn beter voor het milieu dan medicamenteuze behandeling. De mate van duurzaamheid is wel afhankelijk van het vervoer naar de huisartsenpraktijk (al ligt de praktijk vaak relatief dichtbij de woning van de patiënt). 

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Zijn kortdurende psychologische behandelingen aan te bevelen bij patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis? Zie de PICO.

PICO-tabel

Patiënten

Volwassen patiënten (subgroep: 18-54 jaar en ouder dan 55 jaar) in de eerste lijn met depressieve klachten of een depressieve stoornis*  

Interventie

 Cognitieve gedragstherapie, acceptance and commitment therapy, mindfulness-based cognitive therapy, behavioral activation therapy (gedragsactivatie) en problem solving treatment (maximaal 8 sessies)**

Vergelijking

Gebruikelijke zorg of wachtlijst 

Uitkomstmaten***

  • effectiviteit (bijvoorbeeld: ernst van depressieve klachten/stoornis)  

  • herstel en mate depressieve klachten/stoornis 

  • maatschappelijk functioneren 

  • sociaal en fysiek functioneren 

  • kwaliteit van leven

  • bijwerkingen/veiligheid 

  • uitval uit behandeling of verdraagbaarheid (acceptability)

* Om zo veel mogelijk te voldoen aan de voor de eerstelijns huisartsenzorg gebruikelijke doelgroep zijn mensen met depressieve klachten tot ernstige depressieve stoornis geïncludeerd. Onderzoeken met personen met een persisterende/chronische depressieve stoornis zijn geëxcludeerd. Verder is de grens van 55 jaar gekozen omdat depressieklachten zich vanaf die leeftijd anders kunnen uiten, methodologisch onderscheid gewenst is tussen leeftijdsgroepen (volwassen versus oudere volwassenen) en dit vaak de pragmatische grens is in bestaande datasets.
** Bij derdegeneratie-CGT is het aanbieden als groepstherapie gebruikelijk, daarom zijn deze interventies meegenomen, en bij de andere interventies is het aanbieden in groepsverband een exclusiecriterium geweest. Verder zijn er interventies meegenomen waar face-to-face contact heeft plaatsgevonden. Met name bij CGT en PST zijn ook interventies geïncludeerd die uit (on)begeleide (online) zelfhulp (eerder bibliotherapie genoemd) bestonden.
*** Algemene grenzen van klinische relevantie: de werkgroep gaat uit van standaardgrenzen van klein (0,2 SMD), matig (0,5 SMD) en groot (0,8 SMD) voor continue uitkomstmaten en een minimally important difference (MID) van 25% relatieve risicoreductie (RRR) (die correspondeert met een RR van 0,8 of 1,25) voor dichotome uitkomstmaten.

Achtergrond

In de huisartsenpraktijk worden bij patiënten met depressieve klachten/een depressieve stoornis verschillende kortdurende psychologische behandelingen toegepast, met elementen afkomstig uit de 3 verschillende generaties gedragstherapie.
De ‘eerste generatie’ wordt beschreven als klassieke gedragstherapie, gebaseerd op de leerprincipes van operante en klassieke conditionering.
De ‘tweede generatie’ cognitieve therapie werd in de loop der jaren steeds meer een integratie van de eerste generatie gedragstherapie met cognitieve gedragstherapie (CGT). Deze ‘klassieke’ variant van CGT is gericht op het veranderen van cognities (gedachten). Ook problem solving treatment is een non-directieve interventie waarbij het probleem van een patiënt eerst gedefinieerd wordt, waarna doelen gesteld worden en de patiënt toewerkt naar mogelijke oplossingen en evaluatie met de behandelaar.  105  
In de ‘derdegeneratie-CGT’ ligt de nadruk minder op het veranderen van gedachten, en meer op het anders leren omgaan met deze gedachten. Cognities worden hier namelijk als een functie voor gedrag (bijvoorbeeld onderdrukking of vermijding) gezien. In de tweede generatie werd cognitie gezien als aanleiding om de inhoud van de specifieke cognitie aan te passen/te veranderen.  106   In de derdegeneratie-CGT gaat het om het zich bewust zijn van de eigen gedachten en deze op een niet-veroordelende manier te accepteren en in overeenstemming te brengen met de eigen waarden.  107   Onder deze generatie vallen onder andere op mindfulness gebaseerde therapieën (mindfulness-based cognitive therapy, MBCT), acceptance and commitment therapy (ACT) (in het Nederlands ‘acceptatiegerichte gedragstherapie’) en gedragsactivatie.
Elementen uit deze 3 stromingen worden veelvuldig toegepast in de huisartsenpraktijk.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar SR’s en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase in maart 2023.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De zoekactie leverde 282 systematische reviews (SR’s) en 1105 RCT’s op, waarbij er na een eerste selectie 5 SR’s overbleven.  108   109   110   111   112   Van deze 5 SR’s vielen de meeste af omdat een deel van de geïncludeerde RCT’s interventies met meer dan 8 sessies betrof  108   109   110   en in 2 SR’s  111   112   bestond de geïncludeerde populatie niet alleen uit personen met een depressieve stoornis maar ook uit mensen met een (comorbide) angststoornis. Omdat de selectie van RCT’s via de meta-analytische database meta-psy.org specifieker uitgevoerd kan worden en de database meer up-to-date is dan de gevonden reviews, heeft de werkgroep ervoor gekozen om de analyses zelf te doen, uitgaande van de PICO. We selecteerden 2 subgroepen; volwassenen (18-54 jaar) en oudere volwassenen (55 jaar en ouder), beide met depressieve klachten of een depressieve stoornis, waarbij ouderen met comorbide somatische aandoeningen ook werden geïncludeerd. Alle RCT’s moesten in een eerstelijns setting hebben plaatsgevonden. De volgende interventies (maximaal 8 sessies) werden in vergelijking met wachtlijst of gebruikelijke zorg geanalyseerd: CGT, derdegeneratie-CGT (zoals ACT en MBCT), gedragsactivatie en PST.
Na de zoekdatum van de systematische literatuurzoekactie verscheen een Nederlandse RCT naar het effect van gedragsactivatie in de huisartsenpraktijk bij ouderen (≥ 65 jaar) met depressieve klachten of een depressieve stoornis (vastgesteld op basis van een cut-off-score op een depressiesymptomenvragenlijst; PHQ-9 ≥ 10) (n = 161; gemiddelde leeftijd 75 jaar; 60% vrouw).  113   Dit onderzoek is daarom niet meegenomen in de meta-analyse. De interventie bestond uit 8 wekelijkse sessies gedragsactivatie, gegeven door de POH-ggz, en werd vergeleken met gebruikelijke zorg. Bij aanvang van het onderzoek was er tussen beide groepen geen verschil in het gebruik van antidepressiva. De primaire uitkomst was depressieve klachten en werd gemeten met de QIDS-SR16, een zelfrapportagevragenlijst met een totale score 0-27. De interventiegroep liet direct na de interventie (na 9 weken) minder depressieve klachten zien dan de controlegroep (QIDS-SR16 verschil −2,77, p < 0,001, 95%-BI –4,19 tot –1,35) en na 3 maanden (QIDS-SR16 verschil −1,53, p = 0,02, 95%-BI −2,81 tot −0,26), maar er was geen verschil na 6, 9 en 12 maanden follow-up. De bevindingen in dit onderzoek veranderen de aanbeveling niet.

Onderzoekskarakteristieken

Vanuit metapsy.org zijn de onderzoekskarakteristieken geëxtraheerd. Voor oudere volwassenen (55 jaar en ouder) zijn er enkel voor CGT geschikte RCT’s gevonden. 

CGT 

Er zijn 13 RCT’s geïncludeerd (enkele hadden meerdere interventiearmen)  114   115   116   117   118   119   120   121   122   123   124   125   126  , met in totaal 852 volwassenen (18-75 jaar) in de eerste lijn met een depressieve stoornis (4 gediagnosticeerd door een clinicus en 9 op basis van een cut-off-score op een depressiesymptomenvragenlijst). CGT (7 begeleide zelfhulp en 5 individuele CGT en 1 onbegeleid; gemiddeld 6 sessies (spreiding 4-8) werd in alle onderzoeken vergeleken met een wachtlijstconditie.

Derdegeneratie-CGT (zoals acceptance and commitment therapy en mindfulness-based cognitive therapy) 

Er zijn 7 RCT’s geïncludeerd  127   128   129   130   131   132   133  , met in totaal 371 volwassenen (18-54 jaar) uit de eerste lijn met een depressieve stoornis (4 gediagnosticeerd door een clinicus en 3 op basis van een cut-off-score op een depressiesymptomenvragenlijst). Derdegeneratie-CGT, waarvan:

  • 3 ACT (n = 211; 5-7 sessies; spreiding effecten SMD = 0,6-0,74)
  • 4 MBCT (n = 160; sessies 4-8; spreiding effecten SMD = 0,43-1,42) 

Vier interventies werden in groepsverband gegeven en 3 individueel (gemiddeld 6 sessies (spreiding 4-8)) en in de meeste onderzoeken werden de interventies vergeleken met een wachtlijstconditie (1 met gebruikelijke zorg).

Gedragsactivatie (behavioral activation therapy)

Er zijn 6 RCT’s geïncludeerd  121   122   126   131   134   135  , met in totaal 329 volwassenen (18-54 jaar) uit de eerste lijn met een depressieve stoornis (2 gediagnosticeerd door een clinicus en 4 op basis van een cut-off-score op een depressiesymptomenvragenlijst). Gedragsactivatie (3 begeleide zelfhulp en 3 individuele therapie; gemiddeld 6 sessies (spreiding 1-8)) werd in bijna alle onderzoeken vergeleken met een wachtlijstconditie, behalve 1 waarin deze met gebruikelijke zorg werd vergeleken.

Problem solving treatment (PST)

Er zijn 3 RCT’s geïncludeerd  136   137   138  , met in totaal 421 volwassenen (18-54 jaar) uit de eerste lijn met een depressieve stoornis (op basis van een cut-off-score op een depressiesymptomenvragenlijst). De PST bestond uit 5 sessies en werd als begeleide (online) zelfhulp gegeven en vergeleken met een wachtlijstconditie. 

Effectiviteit en bijwerkingen

Zie tabel voor de samenvatting van de resultaten.
Een SMD is het verschil in de gemiddelde score op een vragenlijst tussen de interventie- en controlegroep gedeeld door de spreiding (standaarddeviatie) van de scores in beide groepen. Deze maat geeft in essentie aan hoeveel standaarddeviaties het verschil tussen de 2 groepen is. De stelregel daarbij is: een klein effect is 0,2, een matig effect is 0,5 en een groot effect is ≥ 0,8.

Conclusie
  • Kortdurend PST in de vorm van begeleide zelfhulp vermindert waarschijnlijk depressieve symptomen (de kwaliteit van het bewijs is redelijk).
  • Kortdurende CGT, kortdurende derdegeneratie-CGT (ACT of MBCT) en kortdurende gedragsactivatie resulteren mogelijk in een vermindering van depressieve symptomen (de kwaliteit van het bewijs is laag).
  • Kortdurende psychologische behandelingen werden niet onderzocht in de subgroep volwassenen ouder dan 55 jaar en bij ouderen (75 jaar en ouder).
  • De andere uitkomstmaten werden in de gebruikte systematische reviews en meta-analyses niet onderzocht.
Toelichting
  • Een kortdurende psychologische behandeling is geen basisaanbod en is daarom facultatief in de huisartsenpraktijk. Verwijs naar de ggz wanneer een kortdurende psychologische behandeling niet in de huisartsenpraktijk aangeboden kan worden.
  • Een kortdurende psychologische behandeling kan worden aangeboden in de huisartsenpraktijk, indien aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:
    • De behandelaar is bekwaam.
    • De behandelaar kan de behandeling voldoende frequent aanbieden (start bij voorkeur met ten minste 1 maal per 2 weken).
  • Houd bij het maken van een keuze tussen de verschillende kortdurende psychologische behandelingen rekening met de voorkeur van de patiënt.
  • Geef de kortdurende psychologische behandelingen gedurende maximaal 2-3 maanden.
  • Wanneer de klachten ondanks de behandeling blijven bestaan of tijdens de behandeling verergeren:
    • Bepaal de ernst van de klachten opnieuw.
    • Overweeg alsnog te verwijzen naar de ggz voor psychotherapie wanneer de kortdurende psychologische behandeling in de huisartsenpraktijk plaatsvindt (zie Psychotherapie en Consultatie en verwijzing).
    • Overweeg (indien nog niet gestart) te starten met een antidepressivum (zie Medicamenteuze behandeling).
Gedragsactivatie
  • Gedragsactivatie heeft als doel om de negatieve spiraal van inactiviteit en vermijding te doorbreken. Dit wordt bereikt door potentieel plezierige en zinvolle activiteiten (weer) te integreren in het dagelijks leven en inzichtelijk te maken dat dit tot een betere stemming leidt.
  • Gedragsactivatie is vooral geschikt voor patiënten met klachten van passiviteit/vermijding.
(Cognitieve) gedragstherapeutische technieken
  • Een volwaardige cognitieve gedragstherapie (CGT) vindt plaats in de ggz.
  • (Cognitieve) gedragstherapeutische technieken zijn gebaseerd op dezelfde principes als die van CGT.
  • Het doel is het leren beïnvloeden van negatieve gedachten en veranderen van gedrag. Deze techniek is daarom vooral geschikt wanneer negatieve gedachten op de voorgrond staan. 
Acceptance and commitment therapy
  • Een volwaardige acceptance and commitment therapy (ACT) vindt plaats in de ggz.
  • ACT kan in verkorte vorm plaatsvinden in de huisartsenpraktijk en is gebaseerd op dezelfde principes als die van een volwaardige ACT.
  • ACT heeft als doel het creëren van bewustzijn over de eigen emoties en gedachten en deze op een niet-veroordelende manier te aanvaarden (acceptatie), zodat meer ruimte ontstaat voor de eigen waarden (commitment).
  • ACT is geschikt voor vrijwel alle patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis.
Problem solving treatment
  • Problem solving treatment (PST) heeft als doel het verminderen van psychische klachten die samenhangen met onopgeloste problemen in het dagelijks leven door versterking van zelfmanagement- en copingstrategieën.
  • PST is gebaseerd op de principes van cognitieve gedragstherapie.
  • PST is vooral geschikt voor patiënten met veel actuele psychosociale problematiek en minder geschikt bij klachten van passiviteit.
Mindfulness-based cognitive therapy
  • Een volwaardige mindfulness-based cognitive therapy (MBCT) vindt plaats in de ggz.
  • MBCT heeft als doel om te leren aanwezig te zijn in het hier en nu, en niet te piekeren over het verleden of de toekomst.
  • MBCT is uitgebreider dan alleen mindfulness en omvat zowel meditatieoefeningen als cognitieve gedragstherapeutische technieken.
  • MBCT is vooral geschikt voor patiënten met recidiverende depressieve klachten of depressieve stoornissen.

Digitale psychologische behandeling

Overweeg begeleide digitale psychologische behandeling (op basis van PST of (cognitieve) gedragstherapeutische technieken) in aanvulling op persoonlijke gesprekken (kortdurende psychologische behandeling) bij patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis onder de volgende voorwaarden:

  • Een behandelaar die bekwaam is in PST of (cognitieve) gedragstherapeutische technieken en digitale zorg begeleidt de digitale behandeling.
  • Voorafgaand aan de behandeling vindt een gesprek plaats waarin uitgelegd wordt wat digitale behandeling inhoudt.
  • De behandeling vindt plaats in overleg met de patiënt en moet aansluiten bij diens voorkeuren en vaardigheden (digitale, taal- en gezondheidsvaardigheden). Houd hierbij ook rekening met de privacy- en informatieveiligheid.
Details
Waarom deze aanbeveling?

Begeleide digitale behandeling met CGT is mogelijk effectiever dan of even effectief als wachtlijst of gebruikelijke zorg. Het bewijs hiervoor is van redelijke kwaliteit, maar is mogelijk beperkt toepasbaar op de huisartsenpraktijk en bovendien zijn we niet zeker over de effectiviteit op de lange termijn. Anderzijds kent digitale psychologische behandeling weinig bijwerkingen. De behandeling is aanvaardbaar, maar moet wel aansluiten bij de wensen en vaardigheden van de patiënt. Ook is ze niet in alle huisartsenpraktijken uitvoerbaar, omdat behandelaren (POH’s-ggz of huisartsen) bekwaam moeten zijn in cognitieve gedragstherapeutische technieken en digitale zorg. Er zijn ook praktische voordelen, zowel voor de patiënt als voor de (werkdruk van de) behandelaren. Onbegeleide digitale behandeling op basis van CGT is waarschijnlijk niet effectiever dan op een wachtlijst staan. Om deze redenen komen we tot een zwak positieve aanbeveling voor begeleide digitale behandeling met CGT. 

Van bewijs naar aanbeveling

Voor- en nadelen

Begeleide digitale behandeling met iCGT, gegeven vanuit verschillende settingen (algemene bevolking, werkplekken, eerste en tweede lijn), vermindert depressieve symptomen waarschijnlijk niet of nauwelijks bij patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis zonder ernstige klachten. 
Begeleide digitale behandeling met iCGT gegeven in de eerste lijn lijkt depressieve symptomen enigszins te verbeteren bij patiënten met verschillende soorten ernst van depressie. Zoals meestal bij psychologische interventies betrof het een klein effect, maar dat was iets groter dan dat van gebruikelijke zorg of een wachtlijstconditie. Of het positieve effect van begeleide digitale behandeling ook op de langere termijn effectief blijft, is onzeker. 
Een onbegeleide iCGT behandeling lijkt geen effect te hebben. 
Het is aannemelijk dat de resultaten van iCGT ook van toepassing zijn op andere vormen van CGT, zoals ACT. Een recente meta-analyse onderzocht ACT bij patiënten met uiteenlopende psychische klachten, waaronder depressie, en in verschillende settingen, en kwam tot vergelijkbare resultaten.  146  

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van het bewijs varieerde tussen ‘zeer laag’ en ‘redelijk’. Dit komt met name door het risico op vertekening van de resultaten door de kwaliteit van de onderliggende onderzoeken. Verder bleek er bij enkele analyses sprake te zijn van inconsistentie tussen onderzoeken, waarschijnlijk vanwege het combineren van onbegeleid met begeleid iCGT. Bij enkele uitkomsten was er bovendien sprake van een onnauwkeurige effectschatting. 
Verder zijn er aandachtspunten met betrekking tot de werving en eigenschappen van deelnemers in de verschillende onderzoeken, variaties in de ernst van de depressieve stoornis, verschillen in de diagnosestelling, uiteenlopende controle-interventies en ontbrekende follow-updata in de eerstelijnsonderzoeken. 
In de analyse van Karyotaki et al. is een gedeelte van de deelnemers in de algemene bevolking geworven. Mensen konden zichzelf opgeven voor deelname aan het onderzoek en wanneer ze aan bepaalde criteria voldeden (demografische kenmerken en een bepaalde mate van zelfgerapporteerde depressie), werden ze geselecteerd. Ook werden onderzoeken meegenomen die vrouwen met peri- of postnatale depressieve klachten/depressieve stoornis includeerden, net als onderzoeken die hun deelnemers onder jongvolwassen studenten hadden geworven. Dit kan de toepasbaarheid van de resultaten op de huisartsenzorg nadelig hebben beïnvloed.
Wells et al. maakten gebruik van onderzoeken die deelnemers in de huisartsenpraktijk rekruteerden. Deze uitkomsten zijn daarom meer van toepassing op de huisartsenpraktijk. 
In de ernst van depressie maakten Wells et al. daarentegen geen onderscheid. Karyotaki et al. deden dat wel. In de huisartsenpraktijk komen patiënten met zowel depressieve klachten als een depressieve stoornis met of zonder ernstige klachten. De methoden voor het stellen van de diagnose depressieve stoornis varieerden sterk en omvatten gestructureerde klinisch interviews, zoals de SCID, of de afname van vragenlijsten, al dan niet in combinatie met een klinisch interview. 
De zeer uiteenlopende controle-interventies zijn een ander nadeel van beide genoemde publicaties. Deze varieerden en betroffen een wachtlijstconditie of gebruikelijke zorgconditie. 
In de netwerkmeta-analyse voor de groep die specifiek in de algemene bevolking en in de huisartsenpraktijk was geworven, waren er geen follow-updata beschikbaar. In follow-upanalyses was de algehele onderzoekspopulatie meegenomen. Daarmee kan er specifiek voor de groep van interesse in de eerste lijn geen uitspraak gedaan worden en zijn de resultaten op de lange termijn maar beperkt geldig voor de huisartsenpraktijk.

Waarden en voorkeuren van patiënten

Het probleemexplorerende diagnostische gesprek vindt in de praktijk bij voorkeur face-to-face plaats. Op die manier is er een persoonlijker en individueel afgestemd contact mogelijk tussen de patiënt en de behandelaar. Het is belangrijk om na te gaan of de patiënt de eventuele keuze voor een digitale behandeling en de voor- en nadelen daarvan goed begrijpt. Patiënten hebben baat bij een duidelijke uitleg over wat er aan de hand is en over de verschillende behandelingen die mogelijk zijn. Een digitale behandeling dient daarom altijd een aanvulling te zijn op een andere behandeling. Patiënten willen een digitale behandeling aangeboden krijgen als deze bij hun voorkeuren past. Het uitgangspunt is dat de huisarts en de patiënt hierover samen beslissen. Het kan helpend zijn als een belangrijke naaste bij het consult aanwezig is en kan meedenken over de keuze voor een van de kortdurende (digitale) behandelingen. Daarvoor moet de patiënt voorgelicht worden over de verschillen tussen de behandelingen en de voor- en nadelen ervan. Gezien de aard van de aandoening moet hier voldoende tijd voor genomen worden. Voor minder digitaal vaardige patiënten is een digitale behandeling minder geschikt. Daarnaast kunnen patiënten een duidelijke voorkeur hebben voor alleen een face-to- face-behandeling. Het privacyaspect en de dataveiligheid moeten daarbij ook in de afweging meegenomen worden. Patiënten die willen starten met een digitale behandeling kunnen ook actief aan de slag gaan met hulpmiddelen, zoals relevante websites, consultkaarten of keuzehulpen. De patiënt houdt daarbij zo veel mogelijk zelf de regie over zijn of haar behandeltraject.

Kosten

Uit een IPDMA  147   gebaseerd op 5 RCT’s (n= 1426) blijkt dat op internet gebaseerde interventies (CBT en/of problem solving therapy) voor de behandeling van depressieve klachten/stoornis niet als kosteneffectief (depressieve symptomen, behandelrespons en QALY’s) kunnen worden beschouwd in vergelijking met controles. Slechts een minderheid van de RCT’s naar begeleide internetgebaseerde interventies beoordeelde echter ook de kosteneffectiviteit.

Aanvaardbaarheid

Bij begeleide digitale behandeling kunnen patiënten in hun eigen tempo en op het meest geschikte tijdstip aan hun depressieve stemming werken. Daar tegenover staat dat passiviteit en verminderde activiteit, die een kernsymptoom kunnen zijn, tegenwerken om regelmatig  aan een behandeling toe te komen.
Digitale behandelingen zijn niet voor alle patiënten geschikt. Het is daarom belangrijk dat huisarts en patiënt samen nagaan of digitale zorg passend is. Dit is mede afhankelijk van digitale en taalvaardigheden, en van effectieve communicatie en handelingsperspectief (bijvoorbeeld in geval van emotionele escalatie), een privacy- en informatieveilige omgeving, en de geluids- en beeldkwaliteit.
Zie Quickscan digitale vaardigheden van je patiënten - Pharos voor een handige inschatting van de digitale vaardigheden van patiënten.
Het kan helpen om de functionaliteit en inhoud van de digitale omgeving te demonstreren voordat de patiënt een keuze maakt. Bij de keuze van een bepaalde CGT-module op een digitaal behandelplatform kan de variatie in afwisseling van tekst, toelichtende filmpjes en oefeningen mee worden genomen.

Haalbaarheid

Het is essentieel dat de behandelende zorgverlener bekwaam is in zowel de technische als inhoudelijke aspecten van digitale (internet) behandelingen.
Voorwaarden voor gebruik zijn verder ook dat er binnen de praktijk/organisatie draagvlak voor de digitale (internet)behandeling is, en ruimte is voor implementatie en scholing, dat de behandeling wordt ingebed in de bestaande systemen, en dat er concrete afspraken over rapportage, reactietijd en dergelijke gemaakt worden.  148  

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Is digitale behandeling (begeleid of niet begeleid) aan te bevelen bij patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis in de eerste lijn? Zie de PICO.

PICO-tabel

Patiënten

Volwassen patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis

Interventie

Via internet aangeboden cognitieve gedragstherapie (iCGT) ((on)begeleid)

Vergelijking

Wachtlijst, gebruikelijke zorg of (een ander type) (i)CGT

Uitkomstmaten

  • effectiviteit (bijvoorbeeld: ernst van depressieve klachten/stoornis)  

  • herstel en mate van depressieve klachten/stoornis 

  • maatschappelijk functioneren 

  • sociaal en fysiek functioneren 

  • kwaliteit van leven

  • bijwerkingen/veiligheid 

  • uitval uit behandeling of verdraagbaarheid (acceptability)

De werkgroep hanteert grenzen voor standaardgemiddelde verschillen (SMD): klein effect (0,2), matig effect (0,5) en groot effect (0,8). Voor de PHQ-9 wordt een minimally important difference (MID) gedefinieerd als: een respons van ≥ 50% afname in de PHQ-9-score, of een minimaal klinisch relevant verschil van 5 punten op de PHQ-9 (schaal 0-27).  77  

Achtergrond 

Er is steeds meer aanbod van informatie en therapieën via de computer en/of internet.
Het is niet bekend of de effectiviteit en mogelijke nadelige gevolgen van digitale behandeling onderzocht zijn voor patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis in de eerste lijn. Beide groepen worden geregeld in eerste instantie in de eerste lijn behandeld (afhankelijk van de mate van disfunctioneren, lijdensdruk en psychische comorbiditeit), totdat verbetering optreedt of toch een verwijzing naar de ggz noodzakelijk blijkt. Digitale behandeling kan zowel begeleid (digitale behandeling ondersteund door een hulpverlener) als onbegeleid (geen ondersteuning van een hulpverlener) plaatsvinden.
In de wetenschappelijke literatuur wordt de groep met depressieve klachten vaak beschreven als patiënten met een ‘subklinische depressie’. Verder wordt de ernst van een depressieve stoornis in de literatuur en binnen de ggz ingedeeld in mild/matig/ernstig. Daarbij refereert ‘mild’ aan ‘depressieve stoornis zonder ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige comorbiditeit’, en de glijdende schaal van de ernst ‘matig/ernstig’ aan ‘depressieve stoornis met ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige comorbiditeit’.
Voor meer informatie over de afkapwaarden van vragenlijsten zoals de PHQ of de BDI-II zie Vragenlijst.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews (SR’s) en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase op 27 maart 2023, met een update in februari 2025.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De zoekactie leverde 183 SR’s en 818 RCT’s op naar het effect van digitale interventies voor personen met depressieve klachten of een depressieve stoornis, waarvan er na een eerste en tweede selectie 2 SR’s overbleven.  144   145   We konden geen onderzoeken includeren waarin een digitale vorm van ACT bij depressieve klachten/stoornis werd onderzocht, omdat deze alleen onderzocht is bij patiënten met uiteenlopende psychische klachten.

Onderzoekskarakteristieken
Karyotaki 2021

In deze review werd het effect van begeleide en onbegeleide iCGT in een netwerkmeta-analyse geanalyseerd met behulp van individuele patiëntendata van patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis.  144   Begeleide en onbegeleide iCGT werden met elkaar of met wachtlijst of gebruikelijke zorg vergeleken. Bij begeleide iCGT was er therapeutische ondersteuning (geen face-to- face-gesprekken, maar online begeleiding), bij onbegeleide iCGT niet. De gemiddelde uitval in de onderzoeken was 25% voor begeleide iCGT, 29% voor onbegeleide iCGT, 19% voor wachtlijst en 22% voor gebruikelijke zorg. Van de 42 beschikbare RCT’s waren de individuele data van 39 RCT’s (n = 9751) beschikbaar, waarvan 12 gebruikmaakten van een commercieel iCGT-programma, en konden de data van 8107 patiënten met een (subklinische) depressieve stoornis (zie Achtergrond)  geanalyseerd worden direct na behandeling en bij 6 en 12 maanden follow-up. Symptoomscores werden gebruikt om de ernst van de depressieve klachten/stoornis te meten. Vierentwintig onderzoeken haalden de deelnemers uit de algemene bevolking, 8 uit een klinische setting (bij n = 5 was dit in de eerste lijn via huisartsenpraktijken), 3 uit een gemengde populatie (waaronder n = 1 ook via huisartsenpraktijken) en 4 op een andere wijze (bijvoorbeeld via de werkplek). De interventies bestonden uit 5 tot 18 online sessies (gemiddelde (sd) = 8,0 (2,8)) over 5 tot 14 weken (gemiddeld (sd) = 9 (2,5) weken). Vijfentwintig onderzoeken rapporteerden data over therapietrouw. De gemiddelde therapietrouw was 76% voor begeleide iCGT en 54% voor onbegeleide iCGT.

Wells 2018

In deze review werd het effect van iCGT voor patiënten met een depressieve stoornis in de eerste lijn onderzocht, begeleid (ondersteund door een hulpverlener (face-to-face, telefonisch of per e-mail)) of onbegeleid. Er werden 8 RCT’s (n = 2807) geïncludeerd, waarvan in 4 onderzoeken de iCGT begeleid (spreiding 60 -194 minuten) was. De computerprogramma’s bevatten tekst en video of andere multimediale elementen. iCGT bestond uit 5 tot 18 lessen, gegeven over een periode van 7 tot 16 weken. Er werd vergeleken met wachtlijst (k = 2) of gebruikelijke zorg (k = 6). Gebruikelijke zorg was een andere vorm dan behandeling met face-to-face-CGT. 

Wells voegde in de meta-analyse gebruikelijke zorg en wachtlijst samen. Dat maakt de interpretatie lastig, omdat de vergelijkingsgroep heterogeen is. Het is niet goed te zeggen wat de oorzaak is van eventuele verschillen tussen iCGT en gebruikelijke zorg/wachtlijst. De werkgroep veronderstelt dat treatment-as-usual depressieve symptomen meer zou verminderen dan op de wachtlijst staan. Na een nadere inspectie van de individuele artikelen konden we echter niet concluderen dat gebruikelijke zorg effectiever zou zijn in het verminderen van depressieve symptomen dan op een wachtlijst staan. Verdere conclusies zijn niet te trekken, omdat gebruikelijke zorg niet direct is vergeleken met een wachtlijstconditie.
Het aantal patiënten dat de digitale behandeling afmaakte varieerde sterk tussen de verschillende onderzoeken: 16 tot 78% voltooide de behandeling.

Conclusies

De volgende conclusies zijn gebaseerd op de SR van Karyotaki et al. in verschillende behandelsettingen (algemene bevolking, werkplekken, eerste en tweede lijn).  144  
Deze conclusies gelden voor patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis zonder ernstige klachten:

  • Zowel begeleide als onbegeleide iCGT resulteert op de korte termijn (5-14 weken) waarschijnlijk niet of nauwelijks in een vermindering van de depressieve symptomen     in vergelijking met zowel gebruikelijke zorg als een wachtlijstconditie (de kwaliteit van het bewijs is redelijk).
  • Begeleide en onbegeleide iCGT verschillen waarschijnlijk niet of nauwelijks wat betreft een vermindering van depressieve symptomen op de korte termijn (5-14 weken) bij patiënten met depressieve klachten of een depressieve stoornis zonder ernstig disfunctioneren (de kwaliteit van het bewijs is redelijk).

Deze conclusies gelden voor patiënten met verschillende soorten ernst van depressie (depressieve klachten en depressieve stoornis met en zonder ernstige klachten):

  • Zowel begeleide als onbegeleide iCGT resulteert mogelijk niet of nauwelijks in een vermindering van depressieve symptomen na 6 en 12 maanden in vergelijking met gebruikelijke zorg of wachtlijst bij (de kwaliteit van het bewijs is laag). We zijn onzeker over het effect van begeleide iCGT na 12 maanden (de kwaliteit van het bewijs is zeer laag).
  • We zijn onzeker over een verschil in vermindering van depressieve symptomen na 6 maanden tussen begeleide en onbegeleide iCGT (de kwaliteit van het bewijs is zeer laag). Na 12 maanden is er mogelijk niet of nauwelijks een verschil (de kwaliteit van het bewijs is laag).

De volgende conclusies zijn gebaseerd op de SR van Wells et al. in de eerste lijn en gelden voor alle soorten ernst van depressie (depressieve klachten en depressieve stoornis met en zonder ernstige klachten)  145  :

  • Onbegeleide iCGT resulteert waarschijnlijk niet of nauwelijks in een vermindering van depressieve symptomen na 6-17 weken (de kwaliteit van het bewijs is redelijk).
  • Begeleide iCGT vermindert waarschijnlijk depressieve symptomen enigszins na 6-17 weken (de kwaliteit van het bewijs is redelijk).

Over de effectiviteit op de lange termijn (> 12 maanden) kunnen we op basis van de voorliggende artikelen geen conclusie trekken.

Psychotherapie

  • Psychotherapie is een intensieve en geprotocolleerde gesprekstherapie en wordt gegeven door een psycholoog in de basis-ggz of gespecialiseerde ggz.
  • In de volgende gevallen is psychotherapie geïndiceerd:
    • wanneer voorgaande interventies onvoldoende effectief waren
    • bij een depressieve stoornis met ernstig sociaal disfunctioneren
    • bij een depressieve stoornis met een grote lijdensdruk
    • bij een depressieve stoornis met ernstige psychische comorbiditeit
    • wanneer de patiënt zelf niet voor een kortdurende psychologische behandeling kiest
  • Psychotherapie is in deze gevallen op de korte termijn even effectief als een behandeling met antidepressiva, maar effectiever op de lange termijn.
Details
Psychotherapie

Psychotherapie wordt gegeven in de ggz. Vormen van psychotherapie zijn cognitieve gedragstherapie (CGT), gedragsactivatie therapie (BAT), interpersoonlijke psychotherapie (IPT), mindfulness based cognitive therapy (MBCT), acceptance and commitment therapy (ACT), psychodynamische therapie (DYN), probleemoplossende therapie (PST) en life review therapie (LRT). Zie hiervoor de Multidisciplinaire richtlijn Depressie 81  

Lichttherapie

  • Overweeg bij een winterdepressie lichttherapie te adviseren, waarmee de patiënt thuis zelf kan starten.
  • Het licht dat bij lichttherapie wordt gebruikt, bevat geen uv-straling en is daarom minder schadelijk voor de retina dan zonlicht. Relatieve contra-indicaties zijn:
    • pre-existente aandoeningen van de retina (retinitis pigmentosa)
    • systeemaandoeningen die effect hebben op de retina (diabetes mellitus, reumatoïde artritis, systemische lupus erythematosus)
    • medicatie met als bijwerking fotosensibilisatie (zoals tetracyclinen, fluorchinolonen, amiodaron, diuretica, chloorpromazine, NSAID’s, isotretinoïne)
    • bepaalde huidaandoeningen (urticaria door de zon, chronische actinische dermatitis)
  • Mogelijke bijwerkingen zijn misselijkheid, hoofdpijn, vermoeide ogen, agitatie en moeite met inslapen bij een te late toediening op de dag.
  • Lichttherapielampen zijn vrij verkrijgbaar.
  • De behandeling duurt 1 week. Verleng bij onvoldoende respons met nog eens 1-2 weken.
  • Heroverweeg de diagnose bij een non-respons na 2-3 weken.
  • Overweeg een andere behandeling (zoals kortdurende psychologische behandeling en/ of een antidepressivum, zie figuur h1) bij non-respons na 2-3 weken, contra-indicaties of wanneer de patiënt niet over een lichttherapielamp kan beschikken.
Details
Lichttherapie

Een systematische review (n = 596 in 8 RCT’s) onderzocht de effectiviteit van lichttherapie voor de behandeling van een seizoensgebonden depressieve stoornis (winterdepressie) en rapporteerde een SMD van –0,54 (95%-BI –0,95 tot –0,13) aan het einde van de lichttherapiebehandeling. Dit verschil is waarschijnlijk wel klinisch relevant. De auteurs  vonden het opvallend dat er de voorgaande 10 jaar geen publicaties meer waren verschenen en dat de kwaliteit van de RCT’s over het algemeen matig was.  149  
CGT en lichttherapie leken beide op de korte termijn even effectief in de behandeling van een seizoensgebonden depressieve stoornis.  150   Ook op langere termijn (2 opeenvolgende winters na wederom het toepassen van een interventie van 6 weken) leek er in de tweede winter een vergelijkbare remissie op te treden bij lichttherapie als bij CGT.  151  
Om een seizoensgebonden depressieve stoornis te voorkomen, kan overwogen worden om al in het najaar met lichttherapie te beginnen, qua timing net voordat de symptomen in het jaar ervoor optraden.  152   Een systematische review (n = 46) vond beperkt bewijs voor preventieve lichttherapie bij patiënten met een seizoensgebonden depressieve stoornis. Reden hiervoor was de slechte kwaliteit van de onderzoeken (geen blindering van onderzoeksdeelnemers).  153  
Lichttherapie bestaat uit blootstelling aan een lichtbron op ooghoogte en is geïndiceerd voor winterdepressie. De dosering van de lichttherapie wordt bepaald door de lichtintensiteit van de lamp, de duur van de blootstelling en de behandelduur.
Voor een adequate lichtintensiteit dient een lamp gebruikt te worden die 10.000 lux wit licht produceert. De patiënt zit op ongeveer 35 cm afstand van de lichtbron, met geopende ogen, maar mag niet direct in de lichtbron kijken. De intensiteit van het licht neemt sterk af naarmate de patiënt op grotere afstand van de lichtbron zit. 
De duur van de blootstelling is 30 minuten per dag in de ochtend, bij voorkeur zo snel mogelijk na het ontwaken. De keuze voor een blootstelling in de morgen is van belang, omdat dit een gunstig effect heeft op de biologische klok en daarmee op de slaap.  154  
De behandelduur is afhankelijk van de respons. Over de behandelduur bestaat in de literatuur geen consensus. Meestal is het effect binnen een week merkbaar en vaak is een behandeling van 1 week zelfs afdoende. Zo niet, dan wordt de therapie met 1 tot 2 weken verlengd. Bij sommigen kan het 2 tot 4 weken duren voordat er een effect optreedt. Na 6 weken is er geen effect meer te verwachten. Bij non-respons na 2 tot 3 weken is het advies om de diagnose winterdepressie te heroverwegen en eventueel andere behandelingen te starten, waaronder een psychologische behandeling en/of antidepressiva. 
Lichttherapie brengt weinig risico’s met zich mee. Lichttherapieapparaten produceren wit licht met 10.000 lux, wat vergelijkbaar is met het licht van de zon 45 minuten na zonsopgang. Het uv-licht is bij de lampen weg gefilterd, waardoor het licht van de gebruikte lampen voor de retina minder schadelijk is dan zonlicht. Relatieve contra-indicaties voor lichttherapie zijn pre-existente aandoeningen van de retina (retinitis pigmentosa), systeemaandoeningen die effect hebben op de retina (diabetes mellitus, reumatoïde artritis, systemische lupus erythematosus), bepaalde huidaandoeningen (urticaria door de zon, chronische actinische dermatitis, porfyrie) en medicatie met als bijwerking fotosensibilisatie (zoals tetracyclinen, fluorchinolonen, amiodaron, diuretica, chloorpromazine, NSAID’s, isotretinoïne).
Lichttherapie heeft over het algemeen weinig bijwerkingen. Bijwerkingen die kunnen optreden zijn misselijkheid, hoofdpijn, vermoeide ogen, agitatie en bij een te late toediening op de dag moeite met inslapen.  155   156   157   158  

Conclusie

Het is aannemelijk dat lichttherapie effectief is bij de behandeling van een winterdepressie. Lichttherapie kan geadviseerd worden door de huisarts of de huisarts verwijst hiervoor naar de ggz. Wanneer lichttherapie na 2 tot 3 weken geen verbetering in de klachten heeft gegeven, is het aan te bevelen om de diagnose te heroverwegen en met een andere behandeling te starten.

Praktische toepassing
  • Adviseer een lichttherapielamp die 10.000 lux wit licht produceert voor een adequate lichtintensiteit.
  • Start met 30 minuten bij 10.000 lux per dag, bij voorkeur direct na het ontwaken.
  • Vertel de patiënt dat deze op ongeveer 35 cm afstand van de lichtbron moet zitten, met de ogen open, maar zonder direct in de lichtbron te kijken.

Medicamenteuze behandelingNaar Samenvatting

Antidepressiva

  • Voeg een antidepressivum toe bij patiënten met een depressieve stoornis zonder ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige psychische comorbiditeit met:
    • onvoldoende effect van psychotherapie in de basis-ggz (zie ook figuur h1)
    • onvoldoende effect van een kortdurende psychologische behandeling in de huisartsenpraktijk én met een voorkeur van de patiënt voor antidepressiva boven psychotherapie in de basis-ggz (zie ook figuur h1)
Overwegingen bij de keuze van een antidepressivum 
  • Bij (jong)volwassenen is een van de volgende SSRI’s het middel van eerste keus: citalopram, escitalopram, fluoxetine of sertraline.
  • Bij ouderen ( > 70 jaar) is citalopram of sertraline eerste keus.
  • Weeg bij de keuze de volgende aspecten mee:
    • de voorkeuren van de patiënt
    • eventuele eerdere ervaringen
    • toepasbaarheidsprofiel en gebruikskenmerken van het antidepressivum (zie tabel h2)
  • Van de voorkeursmiddelen kan afgeweken worden, bijvoorbeeld bij eerdere effectiviteit en tevredenheid met betrekking tot een ander middel. Het is niet nodig over te stappen naar een van de voorkeursmiddelen als een patiënt reeds een ander voldoende effectief middel gebruikt en hier tevreden over is.
  • Stop of verander niet van antidepressivum in de huisartsenpraktijk tijdens de zwangerschap en de lactatie. Verwijs bij een actieve zwangerschap(swens) en lactatie naar of consulteer de gespecialiseerde ggz of een multidisciplinair team (POP-poli ); zie Consultatie en verwijzing.
  • Neem bij een kinderwens in de nabije toekomst in overweging dat sertraline kan worden gebruikt tijdens zwangerschap én lactatie.
  • Sint-janskruid (Hypericum perforatum) is mogelijk effectief bij een depressieve stoornis, maar is in Nederland niet beschikbaar als geregistreerd kruidengeneesmiddel, wel als zelfzorgmiddel. Schrijf sint-janskruid niet voor als zelfzorgmiddel vanwege wisselende samenstelling en risico op interacties (zoals met antidepressiva, orale anticonceptiva, anticoagulantia, digoxine, alprazolam, simvastatine).
  • Overweeg de volgende depressogene middelen te staken of te veranderen bij een vermoeden van het ontstaan van depressieve klachten of een depressieve stoornis na het starten met: propranolol, pravastatine, corticosteroïden, methotrexaat, ranitidine en anxiolytica. Hoewel anticonceptiva in het algemeen niet zijn gecontra-indiceerd, valt verandering van anticonceptiemethode te overwegen bij een vermoeden van verergering van de depressieve klachten door gebruik van hormonale anticonceptie (zie NHG-Standaard Anticonceptie).
  • We bevelen tricyclische antidepressiva (TCA) niet meer aan als middel van eerste keus. Het is echter niet nodig om een TCA over te zetten naar een SSRI bij tevredenheid over het gebruik. Een TCA kan ook worden overwogen indien de patiënt eerder een TCA heeft gebruikt.
Toelichting bij het voorschrijven van een antidepressivum
  • Start met 1 van de voorkeursmiddelen uit tabel h2.
  • Verhoog de dosering in overleg met de patiënt zo nodig na 1-2 weken ((es)citalopram of sertraline) of 3-4 weken (fluoxetine), mits deze dosering goed verdragen wordt.
  • Leg uit dat beoordeling van het effect mogelijk is na 4-6 weken.
  • Bespreek de mogelijke bijwerkingen (zoals misselijkheid, droge mond, seksuele klachten, slaapproblemen, moeheid, nervositeit, angst, tremor). De meeste bijwerkingen worden na een paar dagen tot weken een stuk minder of verdwijnen, maar soms blijven bijwerkingen aanwezig. Adviseer inname van het antidepressivum ’s avonds bij sufheid of slaperigheid. Overweeg bij een toename van angstklachten bij de start (gedurende de eerste 2 weken) om kortdurend een benzodiazepine (zoals oxazepam 1-3 dd 10 mg of lorazepam 1-3 dd 0,5 mg) te gebruiken als ondersteuning bij de start van de behandeling, wanneer voorlichting onvoldoende helpt (zie NHG-Standaard Angst).
  • Spreek na start antidepressivum 1-2 wekelijkse controles af in overleg met de patiënt.
  • Leg uit dat er interacties kunnen ontstaan bij het gebruik van antidepressiva in combinatie met geneesmiddelen zonder recept (bijvoorbeeld NSAID’s) of zelfmedicatie zoals passiflora, valeriaan en sint-janskruid.
Behandelduur
  • Zet de behandeling met antidepressiva bij een goede respons bij voorkeur ten minste 6 maanden voort na het bereiken van remissie en bij een recidief depressieve stoornis ten minste 1 jaar na het bereiken van remissie.
  • In sommige situaties (bijvoorbeeld eerdere, ernstige, persisterende depressieve stoornis(sen)) kan in overleg met patiënt worden besloten om niet te stoppen met antidepressiva; als onderdeel van terugvalpreventie.
  • Bespreek de noodzaak van periodieke controles tijdens de behandeling en van begeleid afbouwen na herstel.

Hierna worden per leeftijdsgroep, jongvolwassenen (18-25 jaar) en ouderen ( > 70 jaar), extra aandachtspunten voor de start van antidepressiva beschreven.

Details
Effectiviteit van antidepressiva

In vele meta-analyses en systematische reviews bestaat er een consistent beeld van de werkzaamheid van antidepressiva bij klachten van een depressieve stoornis.  159   160   161   Dit geldt ook in de eerste lijn, zowel voor TCA’s (RR 1,23; 95%-BI 1,01 tot 1,48; NNT 8,5) als voor SSRI’s (RR 1,33; 95%-BI 1,20 tot 1,48; NNT 6,5).  162  Antidepressiva zijn globaal effectief bij 50 tot 55% van alle depressieve patiënten, terwijl bij 30 tot 35% van de patiënten een respons op placebo wordt gezien. Deze percentages gelden zowel voor patiënten die in de ggz behandeld worden als voor patiënten in de eerste lijn.
Er zijn echter kanttekeningen: doordat onderzoeken die een superieur effect vinden van antidepressiva ten opzichte van een controleconditie meer kans maken te worden gepubliceerd (publicatiebias), is een te positief beeld ontstaan van de effectiviteit van deze medicamenten bij een depressieve stoornis. Uit een publicatie blijkt dat, als ook niet-gepubliceerde trials meegenomen worden in een meta-analyse, de effectgrootte van antidepressiva met gemiddeld 32% afneemt (range 11 tot 69%).  163   Het optreden van publicatiebias is niet specifiek voor onderzoeken naar de effectiviteit van antidepressiva. Dit probleem geldt vermoedelijk ook voor andere geneesmiddelen en psychotherapeutische interventies.
Daarnaast bleek in een meta-analyse dat het verschil tussen placebo en antidepressivum slechts duidelijk wordt bij zeer ernstig depressieve patiënten. In een meta-analyse van 35 RCT’s (n = 5133 patiënten met vooral zeer ernstige depressieve stoornissen) die het effect van fluoxetine, venlafaxine, paroxetine en het van de markt gehaalde nefazodon onderzochten, werd aangetoond dat er alleen een zeer klein positief effect zichtbaar was bij de patiënten met een ernstige depressieve stoornis (HDRS ≥ 28) en dit leek vooral samen te hangen met een afname van het effect door placebo bij deze groep patiënten.  164  
In een andere meta-analyse waarin de effectiviteit van antidepressiva ten opzichte van placebo werd onderzocht bij ambulante volwassenen met verschillende ernstgraden van een depressieve stoornis (Hamilton Depression Rating Scale (HDRS) 10 tot 39) en depressieve klachten (1 onderzoek) werden 6 RCT’s (n = 718; 3 RCT’s paroxetine en 3 RCT’s imipramine) ingesloten. Het verschil in effectiviteit tussen antidepressiva en placebo bleek sterk afhankelijk van de ernst van de klachten: bij milde tot matige klachten bleek het effect niet aantoonbaar of minimaal, maar naarmate de klachten bij aanvang toenamen was een substantieel voordeel van medicatie ten opzichte van placebo aantoonbaar. De grootte van het effect van antidepressiva was alleen bij patiënten met een zeer ernstige depressieve stoornis significant. Als een verschil van 3 punten op de HDRS als maat werd gebruikt voor een klinisch relevant verschil, was er sprake van een klinisch relevant verschil bij HDRS ≥ 25.  165  

Conclusie

De effectiviteit van antidepressiva is aangetoond bij ernstige depressieve stoornissen.

Voorkeursmiddelen antidepressiva

De effectiviteit van antidepressiva is aangetoond bij ernstige depressieve stoornissen (zie detail Effectiviteit van antidepressiva). Er is geen eenduidig beleid in de huisartsenpraktijk en ggz welk middel de voorkeur heeft. Tijdens de ontwikkeling van dit detail is gezamenlijk opgetrokken met de werkgroep van de Multidisciplinaire richtlijn Depressie om het medicamenteuze beleid in diverse settings te laten overeenkomen of aansluiten. In dit detail wordt beschreven hoe de selectie van voorkeursmiddelen in de vorm van antidepressiva bij de behandeling van volwassenen met een depressieve stoornis tot stand is gekomen. Het doel van dit selectieproces is een beperkt aantal gelijkwaardige voorkeursmiddelen te selecteren waartussen arts en patiënt kunnen kiezen bij de medicamenteuze behandeling van een depressieve stoornis, mede op basis van de persoonlijke situatie en voorkeuren.
Het selectieproces bestaat uit 2 delen. Deel A omvat het onderzoek naar de werkzaamheid en verdraagbaarheid van antidepressiva, waarbij de minst effectieve middelen werden geëxcludeerd. Deel B omvat het verdere selectieproces, gebaseerd op de NHG-Werkwijze keuze geneesmiddelen waarin praktische afwegingen aan de orde komen zoals bijwerkingen, tolerantie, toepasbaarheid bij verschillende doelgroepen, gebruiksgemak en kosten.

Deel A Literatuuronderzoek naar werkzaamheid en verdraagbaarheid van antidepressiva.

Uitgangsvraag

Welke antidepressiva zijn voor patiënten met een depressieve stoornis eerste keus, dat wil zeggen het meest werkzaam en het beste te verdragen?

Achtergrond

Antidepressiva geven globaal gezien klachtenreductie bij 50-55% van alle patiënten met een depressieve stoornis, terwijl bij behandeling met placebo bij 30-35% klachtenreductie wordt gezien. Deze percentages gelden zowel voor patiënten die in de ggz behandeld worden als voor patiënten in de eerste lijn (zie detail Effectiviteit van antidepressiva). Het is de vraag welke antidepressiva bij patiënten met een depressieve stoornis het meest werkzaam zijn en welke het best worden verdragen.

Methode

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews uitgevoerd in PubMed en Embase op 10 december 2021. Er is gezocht naar systematische reviews die sinds verschijning van de vorige versie van de NHG-Standaard Depressie (2012) zijn gepubliceerd.

Resultaten
Resultaat zoekactie

Er werd 1 recente en relevante systematische review geselecteerd.  166  

Beschrijving onderzoeken

Cipriani 2018: Systematische review met netwerkmeta-analyse van 522 gepubliceerde en niet-gepubliceerde RCT’s waarin de werkzaamheid (respons: totaal aantal patiënten met ≥ 50% reductie in depressiesymptomen) en de uitval (stoppen met het antidepressivum) zijn onderzocht van 21 antidepressiva, waarvan 15 in Nederland beschikbaar. Naast uitval werden geen andere maten voor verdraagbaarheid (zoals bijwerkingen) gerapporteerd. De netwerkmeta-analyse includeerde 116.477 patiënten met een matige tot ernstige depressieve stoornis (gemiddelde leeftijd 44 jaar (SD 9); 62,3% vrouw). De mediane behandelduur was 8 weken, in de helft van de onderzoeken 6-8 weken.  166  
De netwerkmeta-analyse lijkt goed uitgevoerd. In het gehele netwerk lijken de kenmerken van de vergeleken populaties overeen te komen. Deze homogeniteit in populaties komt door de criteria met betrekking tot methodologische kwaliteit van het onderzoek (dubbelblinde RCT), geïncludeerde populatie en dosering van de antidepressiva. De auteurs includeerden ook ongepubliceerd onderzoek (helaas konden ze hierbij veel onderzoek niet achterhalen). De auteurs hebben de zwakheden van de netwerkmeta-analyse aangegeven door allereerst de consistentie in het netwerk te controleren en vervolgens de inconsistenties tussen individuele vergelijkingen weer te geven (middels GRADE). Twee aspecten hadden een negatief effect op het netwerk: de heterogeniteit die de placebogroep creëerde en onduidelijkheden rondom de wijze van randomisatie in de geïncludeerde RCT’s. Als gevolg hiervan besloten de auteurs de placebogroep buiten het netwerk te laten en voor vergelijkingen zonder placebo aparte analyses te verrichten. Dit vergrootte de algehele kwaliteit van (lees: vertrouwen in) de uitkomsten van de vergelijkingen.

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs van de uitkomsten varieerde. Bij 73% van de onderzoeken was er sprake van een matig risico op vertekening, bij 9% was dat risico hoog. De kwaliteit was overwegend redelijk met betrekking tot agomelatine, citalopram, escitalopram en mirtazapine. Met betrekking tot amitriptyline, bupropion, clomipramine en vortioxetine was de kwaliteit van bewijs overwegend laag tot zeer laag. De kwaliteit van het bewijs met betrekking tot de overige middelen varieerde van (zeer) laag tot redelijk.
Alle uitkomsten zijn afgewaardeerd voor publicatiebias omdat de auteurs niet konden garanderen dat zij alle verrichte onderzoeken hebben kunnen vinden en omdat publicatiebias in dit onderzoeksgebied van oudsher een groot probleem is. Tenslotte is het grootste deel van de gevonden onderzoeken gefinancierd door de farmaceutische industrie. Bewijs van zeer lage kwaliteit is per definitie ‘onduidelijk’ en niet meegenomen in de analyses om het overzicht van de resultaten te verbeteren.
In de beschreven netwerkmeta-analyse is alleen gekeken naar stoppen met het antidepessivum kort na het starten en is geen informatie gegeven over bijvoorbeeld langetermijnbijwerkingen. De gemiddelde behandelduur was zeer kort (mediaan 8 weken), wat niet overeenkomt met de gebruikelijke behandelduur. Verder is er geen subgroepanalyse gedaan voor bijvoorbeeld patiënten in de eerste lijn of ouderen. Evenmin is expliciet gekeken naar de effectiviteit van de verschillende antidepressiva als vervolgbehandeling na een eerdere ineffectieve behandeling.

Vanwege onze vraagstelling (welke antidepressiva hebben op basis van werkzaamheid en uitval de voorkeur ten opzichte andere antidepressiva?) baseren we de aanbevelingen op de onderlinge vergelijkingen (zie tabel d1). Voor de vergelijking ‘antidepressiva versus placebo’ zullen de resultaten worden gebruikt als aanvullende informatie om tot de aanbeveling te komen (zie tabel d2).
We hebben in onze conclusies de vergelijkingen met een zeer lage kwaliteit van bewijs en de vergelijkingen waarbij geen verschil werd gevonden tussen twee middelen niet meegenomen. Dit is gedaan om beter te differentiëren tussen middelen die beter en middelen die slechter werken in vergelijking met andere middelen.

Werkzaamheid en uitval: onderlinge vergelijking

Zie tabel d1 voor de resultaten op basis van GRADE. Per rij staat in de eerste kolom een antidepressivum. In de kolommen (werkzaamheid en uitval) ernaast staan andere antidepressiva die op basis van deze netwerkmeta-analyse minder werkzaam zijn (door Cipriani et al. is het niet-klinisch relevante gebied vastgesteld op OR 0,80-1,25), uitgesplitst naar kwaliteit van bewijs (bij bijvoorbeeld agomelatine heeft trazodon een slechtere werkzaamheid dan agomelatine). Gecursiveerd worden de middelen met een tegenovergesteld effect dan wat in de kolom staat beschreven (zie bijvoorbeeld amitriptyline: bij agomelatine, escitalopram, citalopram, sertraline en vortioxine is minder uitval dan bij amitriptyline).

Tabel d1. Werkzaamheid en uitval bij antidepressiva ten opzichte van andere antidepressiva
Antidepressivum*

Slechtere werkzaamheid

(lage kwaliteit)

Slechtere werkzaamheid

(redelijke kwaliteit)

Meer uitval

(lage kwaliteit)

Meer uitval

(redelijke kwaliteit)

AgomelatineTrazodon

Duloxetine

Fluvoxamine

Venlafaxine

Amitriptyline

Bupropion

Clomipramine

Duloxetine

Trazodon

AmitriptylineFluoxetine FluvoxamineTrazodon

Clomipramine

Vortioxetine

Agomelatine, escitalopram, citalopram, sertraline)
Bupropion

Citalopram

Clomipramine Fluoxetine Fluvoxamine Trazodon

Trazodon

Clomipramine

Duloxetine

Vortioxetine)

Agomelatine)
Citalopram(Bupropion)(Escitalopram)

 

(Vortioxetine)

 

Amitriptyline

Duloxetine

 

EscitalopramClomipramine Citalopram Fluoxetine Fluvoxamine Trazodon

Amitriptyline

Clomipramine

Duloxetine

Fluvoxamine

Trazodon

Venlafaxine

Fluoxetine(Amitriptyline, bupropion)(Escitalopram, mirtazapine)

Clomipramine

(Vortioxetine)

Duloxetine
Mirtazapine

 

Clomipramine

luoxetine

Fluvoxamine

Trazodon

 

Vortioxetine)

Clomipramine

Duloxetine

Paroxetine TrazodonClomipramineDuloxetine
Sertraline

Trazodon

(Vortioxetine)

Clomipramine

Duloxetine

(Vortioxetine)

 
Venlafaxine

Trazodon

(Sertraline)

Clomipramine

(Agomelatine, vortioxetine)

(Escitalopram)
Vortioxetine

Fluvoxamine

Sertraline

Trazodon

Venlafaxine

Amitriptyline

Bupropion

Citalopram

Clomipramine

Duloxetine

Fluoxetine

Mirtazapine

Paroxetine

Sertraline

Trazodon

Venlafaxine

Cursief tussen haakjes: middelen die het op deze uitkomst beter doen dan het in de eerste kolom genoemde antidepressivum (zie tekst).

* Duloxetine, clomipramine, trazodon en fluvoxamine zijn in deze tabel niet opgenomen omdat geen van deze middelen met betrekking tot werkzaamheid of uitval beter was dan (een van) de andere.

 

Werkzaamheid en uitval: vergelijking met placebo

Voor de vergelijking van antidepressiva versus placebo worden in tabel d2 de resultaten gepresenteerd. Hierbij zijn de grenswaarden voor klinische relevantie van een OR gehanteerd die door Cipriani et al. zijn vastgesteld: namelijk 0,80 en 1,25. Dit betekent dat bij een geschatte OR > 1 de ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval boven de 1,25 zou moeten liggen en bij een geschatte OR < 1 de bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval onder de 0,80 zou moeten liggen. Indien dit niet het geval was, werden resultaten afgewaardeerd. Voor de vergelijking antidepressiva versus placebo zijn geen GRADE profielen beschikbaar.

Tabel d2. Respons op en uitval bij antidepressiva versus placebo
AntidepressivumRespons*Uitval*
Agomelatine
 
1,65 (1,44 tot 1,88)0,84 (0,72 tot 0,97)@
Amitriptyline2,13 (1,89 tot 2,41)0,95 (0,83 tot 1,08)
Bupropion1,58 (1,35 tot 1,86)0,96 (0,81 tot 1,14)
Citalopram1,52 (1,33 tot 1,74)0,94 (0,80 tot 1,09)
Clomipramine1,49 (1,21 tot 1,85)1,30 (1,01 tot 1,68)§
Duloxetine1,85 (1,66 tot 2,07)1,09 (0,96 tot 1,23)
Escitalopram1,68 (1,50 tot 1,87)0,90 (0,80 tot 1,02)
Fluoxetine1,52 (1,40 tot 1,66),88 (0,80 tot 0,96)@
Fluvoxamine1,69 (1,41 tot 2,02)1,10 (0,91 tot 1,33)@
Mirtazapine1,89 (1,64 tot 2,20)0,99 (0,85 tot 1,15)
Paroxetine1,75 (1,61 tot 1,90)0,95 (0,87 tot 1,03)
Sertraline1,67 (1,49 tot 1,87)0,96 (0,85 tot 1,08)
Trazodon1,51 (1,25 tot 1,83)1,15 (0,93 tot 1,42)@
Venlafaxine1,78 (1,61 tot 1,96)1,04 (0,93 tot 1,15)
Vortioxetine1,66 (1,45 tot 1,92)1,01 (0,86 tot 1,19)
*Credibility Interval (Crl)
† OR en Crl wijst op een voordeel van antidepressivum;
‡ Het Crl overschrijdt grens van niet klinische relevantie, OR wijst op een voordeel van het antidepressivum;
$ Het Crl overschrijdt grens van niet klinische relevantie, de OR wijst op klinisch relevant voordeel voor placebo;
¶ OR en Crl wijst op geen klinisch relevant verschil;@ Het Crl overschrijdt grens van niet klinische relevantie, OR wijst niet op klinisch relevant verschil.
 
Conclusie

We zijn onzeker over welke antidepressiva het meest effectief zijn en het best verdragen worden. Op basis van directe vergelijkingen en placebovergelijkingen zijn mogelijk amitriptyline, escitalopram, paroxetine en mirtazapine de meest effectieve antidepressiva en zijn clomipramine en trazodon de minst effectieve antidepressiva. Mogelijk zijn de effecten van trazodon en clomipramine niet klinisch relevant.
Op basis van directe vergelijkingen worden mogelijk agomelatine, citalopram en escitalopram het best verdragen en worden amitryptiline, clomipramine en duloxetine het minst verdragen. Deze verschillen worden echter niet bevestigd in de placebovergelijkingen.

Rationale
  • Het doel van dit literatuuronderzoek was te onderzoeken welke antidepressiva werkzamer en beter te verdragen zijn dan andere antidepressiva.
  • Ten opzichte van placebo blijken alle antidepressiva werkzamer bij een depressieve stoornis bij volwassenen.
  • Ten opzichte van andere antidepressiva zijn clomipramine, fluvoxamine en trazodon minder werkzaam en hebben meer uitval. Bij de overige antidepressiva was er meer zekerheid over werkzaamheid en uitval (agomelatine, amitriptyline, bupropion, citalopram, duloxetine, escitalopram, fluoxetine mirtazapine, paroxetine, sertraline, venlafaxine, vortioxetine).
Eindconclusie deel A
  • Clomipramine, fluvoxamine en trazodon vallen af als potentiële voorkeursmiddelen vanwege minder werkzaamheid en meer uitval dan andere antidepressiva bij de behandeling van een depressieve stoornis bij volwassenen.
  • De overige antidepressiva vallen niet op voorhand af vanwege grote verschillen in verdraagbaarheid en effectiviteit. Het betreft agomelatine, amitriptyline, bupropion, citalopram, duloxetine, escitalopram, fluoxetine mirtazapine, paroxetine, sertraline, venlafaxine en vortioxetine. Deze antidepressiva worden meegenomen in het verdere selectieproces (deel B).

Deel B Selectie van voorkeursmiddelen bij antidepressiva

In deel A zijn op basis van literatuuronderzoek 12 antidepressiva geselecteerd die het meest werkzaam blijken en de laagste uitval geven bij de behandeling van een depressieve stoornis bij volwassenen. In deel B selecteren we uit deze 12 antidepressiva de middelen die bij behandeling van een depressieve stoornis de voorkeur hebben. Doel is te komen tot een beperkte selectie van gelijkwaardige middelen waartussen arts en patiënt een afgewogen keuze kunnen maken op basis van de voorkeuren van de patiënt, eventuele eerdere ervaringen, bijwerkingen, toepasbaarheid en gebruikskenmerken. Omdat er op groepsniveau geen goede vergelijkingen zijn en het literatuuronderzoek geen overtuigende verschillen in effectiviteit opleverde, beoordelen we deze antidepressiva op (ernstige) bijwerkingen, toepasbaarheid, gebruiksgemak en kosten. We baseren ons hierbij op de NHG-Werkwijze keuze geneesmiddelen. Het gaat om de volgende geneesmiddelengroepen:

  • SSRI: citalopram, escitalopram, fluoxetine, paroxetine, sertraline
  • SNRI: duloxetine, venlafaxine
  • TCA: amitriptyline
  • noradrenerg en specifiek serotonerg antidepressivum (NaSSA): mirtazapine
  • melatonineagonist en serotonineantagonist: agomelatine
  • overige antidepressiva: bupropion, vortioxetine

Omdat er geen goede vergelijkingen op groepsniveau zijn en eerder   de effectiviteit van deze middelen geen overtuigende verschillen opleverden, beoordelen we de bovengenoemde antidepressiva volgens de uitgangsprincipes van de werkwijze keuze geneesmiddelen; op basis van (ernstige) bijwerkingen, toepasbaarheid, gebruiksgemak en kosten.

 Bijwerkingen

Er zijn geen goede wetenschappelijke onderzoeken die het vóórkomen van bijwerkingen beschrijven voor alle antidepressiva. De bijwerkingen (ernstig en niet-ernstig) zijn divers en zijn daardoor lastig met elkaar te vergelijken. Hieronder volgt een kort overzicht van de belangrijkste ernstige bijwerkingen, de meest voorkomende bijwerkingen en de mogelijke onttrekkingsverschijnselen bij afbouwen. Als een specifiek antidepressivum uit een groep een uitzondering vormt wordt dat apart vermeld. Voor specifieke aanbevelingen omtrent bijwerkingen bij antidepressiva zie de Generieke module bijwerkingen.

Belangrijkste ernstige bijwerkingen
  • TCA’s (zoals amitriptyline) kunnen bij een overdosering ernstig toxisch zijn en relatief snel een levensbedreigend effect hebben, met name door cardiotoxiciteit. Vaak voorkomende bijwerkingen (1-10% van de gebruikers) zijn bijvoorbeeld atrioventriculair blok, bundeltakblok, abnormaal ECG, verlengd QTc-interval en verlengd QRS-complex. Ook hyponatriëmie wordt gezien bij 1-10% van de gebruikers. Gelijktijdig gebruik van een TCA en een serotonerg middel verhoogt de kans op het serotoninesyndroom.
  • Bij gebruik van SSRI’s en SNRI’s (waaronder citalopram, escitalopram, paroxetine, venlafaxine, duloxetine, fluoxetine en sertraline) komen over het algemeen weinig ernstige bijwerkingen voor. Extrapiramidale verschijnselen (zoals parkinsonisme) worden zelden (0,1-0,01%) gemeld. Bij hogere doses, maar vooral wanneer men 2 serotonerge middelen combineert, kan het serotoninesyndroom optreden. Gastro-intestinale bloedingen komen zelden (0,1-0,01%) voor; bij risicofactoren en/of gelijktijdig gebruik van andere medicatie die de bloedingsneiging verhoogt, wordt maagbescherming geadviseerd. Bij citalopram en escitalopram wordt zelden (0,1-0,01%) verlenging van het QTc-interval gezien.
  • Bij gebruik van bupropion zijn zelden (0,1%) convulsies beschreven. Ook extrapiramidale verschijnselen zoals parkinsonisme worden zelden (0,1-0,01%) gemeld. Vooral in combinatie met gebruik van nicotinepleisters (bij het stoppen met roken) komt ernstige hypertensie zelden (0,1-0,01%) voor.
  • Bij gebruik van vortioxetine zijn zeer zelden (< 0,01%) hyponatriëmie, serotoninesyndroom en gastro-intestinale bloedingen gemeld.
  • Bij gebruik van mirtazapine zijn zelden (0,1-0,01%) myoclonus, pancreatitis en stijging van transaminasewaarden gemeld. Acathisie, gekenmerkt door psychomotorische rusteloosheid, kan vooral in de eerste weken van de behandeling optreden; verhoging van de dosering kan in dat geval schadelijk zijn. Zeer zelden (< 0,01%) gemeld zijn verder agranulocytose, aplastische anemie, granulocytopenie, trombocytopenie, eosinofilie, hyponatriëmie, convulsies, serotoninesyndroom en verlenging van het QTc-interval.
  • Bij gebruik van agomelatine wordt vaak (1-10%) een stijging van de transaminasewaarden gezien. Hepatitis, geelzucht, leverfalen en acathisie treden zelden (0,1-0,01%) op. De hepatische bijwerkingen treden meestal op gedurende de eerste maanden van de behandeling. Er zijn gevallen gemeld waarin leverfalen resulteerde in overlijden of levertransplantatie.
Meest voorkomende bijwerkingen

De meest (≥ 10%) gerapporteerde bijwerkingen van antidepressiva zijn zeer verschillend. Veel beschreven zijn slaperigheid, droge mond, misselijkheid, seksuele disfunctie en gewichtstoename. Zie tabel d3 voor een (niet uitputtend en onvolledig) overzicht van de meest gerapporteerde bijwerkingen.

Tabel d3. Meest voorkomende bijwerkingen van antidepressiva
AntidepressivumMeest (≥ 10%) gerapporteerde bijwerkingen 
CitalopramMisselijkheid, droge mond, hoofdpijn, slaperigheid, slapeloosheid en overmatig zweten.
EscitalopramMisselijkheid en hoofdpijn
FluoxetineHoofdpijn, slapeloosheid, diarree, misselijkheid en vermoeidheid
ParoxetineMisselijkheid en seksuele disfunctie
SertralineMisselijkheid, diarree, droge mond, hoofdpijn, slaperigheid, slapeloosheid, duizeligheid, ejaculatiestoornissen en vermoeidheid
DuloxetineHoofdpijn, slaperigheid, vermoeidheid, misselijkheid en droge mond
Venlafaxine (IR en XR)Slapeloosheid, duizeligheid, sedatie, hoofdpijn, droge mond, obstipatie, misselijkheid en overmatig zweten
AmitriptylineDroge mond, obstipatie, misselijkheid, slaperigheid, sufheid, tremor, agressie, dysartrie, duizeligheid, hoofdpijn, hartkloppingen, tachycardie, orthostatische hypotensie, gewichtstoename, accommodatiestoornissen, verstopte neus en overmatig zweten
MirtazapineToegenomen eetlust, gewichtstoename, slaperigheid, sedatie, sufheid, hoofdpijn en een droge mond.
AgomelatinHoofdpijn
BupropionHoofdpijn, droge mond, misselijkheid, braken en slapeloosheid
VortioxetineMisselijkheid
Bron: KNMP Kennisbank.  1  

 

Onttrekkingsverschijnselen

Bijwerkingen treden niet alleen op bij het starten van antidepressiva. Juist ook bij het staken van deze middelen kunnen bijwerkingen optreden in de vorm van onttrekkingsverschijnselen, die het stoppen bemoeilijken. Voorbeelden zijn griepachtige klachten, slaapstoornissen en gastro-intestinale symptomen. Bij bijna alle antidepressiva zijn bij abrupt stoppen ernstige onttrekkingsverschijnselen beschreven, met prevalenties van 20-78%.  168   169   Geleidelijk afbouwen geeft minder onttrekkingsverschijnselen dan abrupt stoppen.  170   Een belangrijke beïnvloedende factor lijkt de halfwaardetijd van het antidepressivum te zijn. Bij middelen met een lange halfwaardetijd treden minder vaak onttrekkingsverschijnselen op.  167   168   171   172  
Van de SSRI’s geeft paroxetine waarschijnlijk de meeste kans op onttrekkingsverschijnselen. Ook bij venlafaxine worden vaak ontrekkingsverschijnselen beschreven. Fluoxetine geeft vanwege de lange halfwaardetijd de minste kans op onttrekkingsverschijnselen.  167  
Ook bij het stoppen van TCA’s wordt geadviseerd om geleidelijk af te bouwen.

Suïcidaliteit

Een verhoogd risico op suïcidaliteit is een bijwerking van antidepressiva die met name bij adolescenten en jongvolwassenen beschreven is. Deze bijwerking wordt besproken in de details Risico op suïcidaliteit door antidepressiva bij jongvolwassenen en Risico op suïcidaliteit door antidepressiva.

Samenvatting bijwerkingen

Agomelatine en amitriptyline geven de ernstigste bijwerkingen. Amitriptyline geeft meer bijwerkingen dan de andere antidepressiva. Paroxetine en venlafaxine zijn lastiger af te bouwen dan andere SSRI’s. Op basis hiervan besluiten we deze 4 antidepressiva te laten afvallen als middelen van eerste keus bij de behandeling van een depressieve stoornis. Van de overige 8 antidepressiva beoordelen we de toepasbaarheid en het gebruiksgemak.

Toepasbaarheid en gebruiksgemak

Het criterium ‘toepasbaarheid’ bepaalt of een antidepressivum bij het grootste deel van de patiënten met een indicatie voor medicamenteuze behandeling kan worden toegepast. Bij de keuze tussen antidepressiva spelen factoren als geslacht of etniciteit geen beperkende rol. Bij leeftijd speelt dit wel, maar zal hier niet meegewogen worden. De behandeling van kinderen valt immers buiten de scope van deze standaard en de behandeling van jongvolwassenen (18-24 jaar) en ouderen (> 70 jaar) komt in deze standaard apart aan bod (zie Aandachtspunten bij start antidepressivum bij jongvolwassenen (18-25 jaar) en Aandachtpunten bij start antidepressivum bij ouderen (> 70 jaar). De toepasbaarheid van antidepressiva bij zwangerschap en lactatie zal hier wel meegewogen worden.

Contra-indicaties

Sommige contra-indicaties zijn belangrijk omdat ze ernstig zijn (ook al zijn ze soms zeldzaam), andere contra-indicaties zijn belangrijk omdat ze erg vaak voorkomen (ook al zijn ze soms mild). De meeste antidepressiva hebben contra-indicaties zoals levercirrose, lange QT-tijd, andere ritmeproblematiek (zoals het brugadasyndroom), aanwezigheid van manie of bipolaire stoornis en epilepsie (KNMP Kennisbank, geraadpleegd 4 april 2022).  167  Bupropion is gecontra-indiceerd bij slecht gereguleerde diabetes mellitus, eetstoornissen, drug- of alcoholmisbruik. Duloxetine is gecontra-indiceerd bij hypertensie en tachycardie. Deze opsomming is niet uitputtend. Mirtazapine is gecontra-indiceerd bij ernstige leverfunctiestoornissen. Voorzichtigheid is geboden bij lichte tot matige leverinsufficiëntie in verband met verminderde klaring. Tot slot is voorzichtigheid geboden bij mictieklachten in verband met het risico op urineretentie (zie Farmacotherapeutisch Kompas, geraadpleegd 4 april 2022).  173  
Fluoxetine en sertraline kunnen de concentratie en werking van tamoxifen verlagen, daarom heeft (es)citalopram de voorkeur bij gelijktijdig gebruik van tamoxifen (KNMP Kennisbank, geraadpleegd april 2025).

Zwangerschap en lactatie

SSRI’s kunnen waarschijnlijk veilig gebruikt worden tijdens het eerste en tweede trimester maar geven mogelijk een risico in het derde trimester (onthoudings- of toxische verschijnselen bij de neonaat en persisterende pulmonale hypertensie bij de neonaat). Het niet behandelen van een depressieve stoornis kan echter ook nadelige gevolgen hebben voor moeder en kind. De keuze voor behandeling is daarmee een individuele risico-inschatting van voor- en nadelen van behandeling (en vindt plaats in de ggz of een multidisciplinair team). Ineens stoppen of wisselen van antidepressivum tijdens de zwangerschap en lactatie wordt afgeraden. Indien  gestart moet worden tijdens de lactatieperiode is sertraline het voorkeursmiddel (het veiligst); (es)citalopram en fluoxetine zijn waarschijnlijk veilig (Bijwerkingencentrum Lareb, Kennisbank geneesmiddelgebruik rondom zwangerschap op lareb.nl, geraadpleegd op 17 februari 2025).

Rijvaardigheid

De verschillende antidepressiva hebben een verschillende invloed op de rijvaardigheid. Citalopram, escitalopram, fluoxetine, sertraline en vortioxetine hebben weinig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie 1). Het advies is om niet te rijden bij het optreden van bijwerkingen. Bupropion, duloxetine en vortioxetine zijn geneesmiddelen met een lichte tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II). Het advies is om gedurende de eerste week niet te rijden (bupropion, duloxetine) of om gedurende de eerste twee weken tot 12 uur na inname niet te rijden (vortioxetine).

Mirtazapine is een geneesmiddel met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie III). Het advies is afhankelijk van de gebruikte dosering. Daarnaast kan het gebruik van invloed zijn op het verstrekken van een rijbewijs door het CBR (zie rijveiligmetmedicijnen.nl, geraadpleegd 21-03-23).

Gebruiksgemak

Het gebruiksgemak van de diverse middelen kent meerdere aspecten. Allereerst is de beschikbaarheid van verschillende sterktes en toedieningsvormen van belang (in verband met het goed kunnen titreren en te zijner tijd afbouwen). Ook een zo laag mogelijke gebruiksfrequentie draagt bij aan het gebruiksgemak (in verband met betere therapietrouw) . Ook verbetert het gebruiksgemak als het gebruik aan zo weinig mogelijk voorwaarden is gebonden (het is ongunstig als rondom de start van een middel bijvoorbeeld bloedonderzoek of een hartfilmpje nodig is). In de beoordeling van het algemene gebruiksgemak zijn al deze aspecten meegewogen. Het al dan niet moeilijk kunnen afbouwen van de verschillende middelen als gevolg van ontwenningsverschijnselen is hierboven besproken onder Bijwerkingen. Het algemene gebruiksgemak is beoordeeld als voldoende indien het middel in ≥ 3 sterktes beschikbaar is en/of eenmaal daags gedoseerd kan worden (bupropion, citalopram, escitalopram, fluoxetine, mirtazapine, sertraline, vortioxetine) Het algemene gebruiksgemak is beoordeeld als laag indien het middel in ≤ 2 sterktes beschikbaar is én tweemaal daags gedoseerd moet worden, of als er bij (een deel van de) patiënten extra diagnostiek nodig is rondom de start van de medicatie (duloxetine).

Kosten

Antidepressiva zijn goedkoop en de kosten van de meeste middelen ontlopen elkaar niet veel. De dagprijs van citalopram, escitalopram, fluoxetine en sertraline bedraagt ongeveer ≤ € 0,04 per dag. De dagprijs van antidepressiva varieert van ongeveer 0,04 per dag (citalopram, escitalopram, fluoxetine, sertraline) tot 0,15 per dag (duloxetine), 0,48 per dag (bupropion) en 1,16 per dag (vortioxetine) [www.medicijnkosten.nl, geraadpleegd 21-03-23].

Samenvatting Deel A en B

Op basis van bovenstaande literatuur verschilt de kwaliteit van het bewijs van deze 12 antidepressiva ten aanzien van de werkzaamheid en uitval bij de behandeling (zeer laag tot laag: amitriptyline, bupropion, vortioxetine; in het algemeen redelijk: agomelatine, citalopram, escitalopram, mirtazapine; (zeer)laag tot redelijk: duloxetine, fluoxetine, paroxetine, sertraline, venlafaxine).
Van deze groep hebben agomelatine, amitriptyline, paroxetine en venlafaxine belangrijke bijwerkingen. Bupropion, duloxetine en mirtazapine hebben nadelen op het gebied van toepasbaarheid (bupropion, duloxetine, mirtazapine) en gebruiksgemak (duloxetine). Daarnaast variëren de kosten.

Op basis van alle voor- en nadelen en kosten van de verschillende antidepressiva zijn 4 middelen overwegend gunstig op alle kenmerken tezamen: citalopram, escitalopram, fluoxetine, sertraline. De werkgroep raadt aan bij voorkeur deze middelen te gebruiken bij de behandeling van een depressieve stoornis in de huisartsenpraktijk. Ze hebben een gelijkwaardige werkzaamheid en uitval; en vergelijkbare bijwerkingen, toepasbaarheid en gebruiksgemak. Ook is er met deze middelen al veel ervaring in de huisartsenpraktijk. Dit wil niet zeggen dat gebruik van de andere middelen ontraden wordt. In specifieke gevallen, bijvoorbeeld bij eerdere werkzaamheid en tevredenheid, kunnen andere middelen een vervolgstap zijn in het algoritme voor medicamenteuze behandeling (zie Multidisciplinaire richtlijn Depressie).

Overige antidepressiva

Wanneer antidepressiva van eerste keus onvoldoende effectief of gecontra-indiceerd zijn, kunnen andere antidepressiva worden overwogen. Overleg hiervoor met de psychiater welke stap in het algoritme nodig is volgens de Multidisciplinaire richtlijn Depressie.
Een van de mogelijkheden is het starten van een TCA zoals amitriptyline en nortriptyline (bij ouderen). Met deze middelen heeft de huisartsenpraktijk veel ervaring en ze zijn onderdeel van het medicamenteuze beleid in de NHG-Standaard Hoofdpijn en de NHG-Standaard Pijn. Voor de behandeling van een depressieve stoornis wordt aanbevolen om deze te doseren op geleide van plasmaspiegel.
De startdosering voor amitriptyline is 50 mg voor de nacht en na 4-6 weken zo nodig ophogen op geleide van de plasmaspiegel.
De startdosering voor nortriptyline is 2-3 dd 10 mg óf 1 dd 25 mg, zo nodig ophogen met 10-20 mg om de dag tot 150 mg/dag.

Serotoninesyndroom

Het serotoninesyndroom is een medicatiegeïnduceerd klinisch syndroom dat veroorzaakt wordt door verhoogde serotonineconcentraties in het centrale en perifere zenuwstelsel. Symptomen kunnen zijn: spiersamentrekkingen, heftig zweten, versnelde hartslag, hoge koorts, rillen, verwijde pupillen, opwinding, verwardheid, diarree, oververhitting, spierstijfheid en overactieve reflexen.  174  

De overmaat aan serotonine kan enerzijds worden veroorzaakt door een of meer serotonerge middelen en anderzijds door verminderde klaring van deze middelen. Een ernstig serotoninesyndroom is bijna altijd het gevolg van geneesmiddeleninteracties waarbij ≥ 2 serotonerge middelen zijn betrokken. Meestal verminderen de klachten spontaan na het staken van de medicatie. De behandeling bestaat dan ook uit het staken van de medicatie en eventuele intensieve ondersteunende zorg (zie Multidisciplinaire richtlijn Acute psychiatrie).

Combineer antidepressiva niet met andere sterk serotonerg werkende medicatie zoals MAO-remmers, TCA's (clomipramine en imipramine) en tramadol, omdat dan het zeldzame, maar potentieel fatale serotoninesyndroom kan optreden. Lichte tot matige serotonerge toxiciteit kan optreden in combinatie met fentanyl, oxycodon, triptanen en sint janskruid, maar deze combinaties hoeven niet vermeden te worden.

Risico’s bij overdosering van antidepressiva

Bij slechts circa 4% van alle suïcides betreft het een overdosering van alleen een antidepressivum. Bij ernstige overdosering van TCA’s kunnen insulten optreden met daaraan aansluitend coma en hyperpyrexie. Respiratoire depressie en hartritmestoornissen zijn belangrijke doodsoorzaken. Van fluoxetine, venlafaxine en citalopram zijn meldingen van fatale overdosering gedaan. De meeste meldingen gingen over combinatie met alcohol of andere geneesmiddelen. Symptomen zijn convulsies en bij venlafaxine en mogelijk bij citalopram tevens ecg-veranderingen. Verder kan door overdosering al dan niet in combinatie met andere middelen een serotoninesyndroom ontstaan (Farmacotherapeutischkompas.nl, geraadpleegd 2012).  173  

Duur behandeling antidepressiva

Het advies om de behandeling met antidepressiva minimaal zes maanden na het verdwijnen van een eerste depressieve episode voort te zetten berust op consensus, omdat het bewijs over de optimale behandelduur ontbreekt.  1  

Sint-janskruid

Samenvatting van bewijs

Uitgansvraag

Wat is de effectiviteit en verdraagbaarheid van sint-janskruid ten opzichte van placebo en antidepressiva als eerste behandeling van patiënten met een depressieve stoornis?

PICO*
PatiëntenVolwassenen met een depressieve stoornis
InterventieSint-janskruid
VergelijkingPlacebo of ander antidepressivum*
Uitkomstmaten

Werkzaamheid (bijvoorbeeld respons of depressiesymptomen)

Verdraagbaarheid (bijvoorbeeld uitval door stoppen met het antidepressivum)

*Alleen reviews die ≥ 2 antidepressiva met elkaar en/of placebo vergelijken.
 
Achtergrond

Sint-janskruid (Hypericum perforatum) komt in Nederland als inheemse plant voor.  175   De erin aanwezige stoffen (met name hypericine, flavonoïden en hyperforine) zouden een antidepressieve werking hebben.  176   Het werkingsmechanisme is niet volledig bekend, maar sint-janskruid speelt in de hersenen mogelijk een rol als niet-selectieve heropnameremmer van de neurotransmitters serotonine, noradrenaline, dopamine, GABA en glutamaat. Sint-janskruid wordt al heel lang gebruikt tegen somberheidsklachten. In Duitsland wordt het middel soms ook door artsen voorgeschreven aan patiënten met een depressieve stoornis. In Nederland is dit echter niet gangbaar. Gezien de mogelijke effectiviteit is er een update van het literatuuronderzoek gedaan over de effectiviteit en verdraagbaarheid van sint-janskruid als eerste behandeling van een depressieve stoornis.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase op 17 december 2021.

Resultaten

De zoekactie leverde 1 systematische review met meta-analyse op.  177   Een aanvullende literatuursearch na de datum van de search in deze review (november 2014) leverde geen nieuwe publicaties op.
In de systematische review werden 35 RCT’s (n = 30-577) geïncludeerd die de werkzaamheid en verdraagbaarheid van sint-janskruid (extract van Hypericum (perforatum) of hypericin of LI160 of STW3(-VI) of LoHyp-57 of WS 5570/5572/5573 of STEI300 of ZE117 of psychotonin forte) vergeleken met placebo of met de antidepressiva fluoxetine (k = 5), imipramine (k = 4), sertraline (k = 2), amitriptyline (k = 2), paroxetine (k = 1), citalopram (k = 1), maprotiline (k = 1) en nortriptyline (k = 1). In de meta-analyse zaten 6993 patiënten met een milde tot matige depressieve stoornis (leeftijd 18-94 jaar; 56-87% vrouw). De behandelduur was 4-26 weken, in 30 van de 35 onderzoeken was de behandelduur 6-12 weken.  177  

Effectiviteit en verdraagbaarheid

De resultaten zijn samengevat in tabel Vergelijking St janskruid met placebo en tabel Vergelijking St janskruid met Antidepressiva. De auteurs van de systematiche review bekeken ook het bewijs voor verschillende doseringen en verschillende typen sint-janskruidextract, maar vonden geen significante verschillen.

Conclusie
  • Bij een milde tot matige depressieve stoornis geeft sint-janskruid ten opzichte van placebo mogelijk verbetering op depressieve symptomen en is er mogelijk weinig risico op bijwerkingen op korte termijn.
  • Bij een milde tot matige depressieve stoornis is sint-janskruid mogelijk even effectief als antidepressiva in de behandeling van depressieve symptomen, maar sint-janskruid geeft mogelijk minder kans op bijwerkingen.
  • Het is onduidelijk wat de effectiviteit en verdraagbaarheid is van sint-janskruid bij ernstige depressieve stoornissen.
  • Er lijkt geen verschil in effect te zijn tussen de verschillende in onderzoek gebruikte doseringen of types extract van sint-janskruid.

Van bewijs naar aanbeveling

Voor- en nadelen
  • Sint-janskruid lijkt met betrekking tot effectiviteit een gelijkwaardig alternatief voor antidepressiva. Sint-janskruid geeft mogelijk minder bijwerkingen dan antidepressiva (zoals hoofdpijn, gewichtstoename of libidoverlies), maar er worden wel bijwerkingen beschreven, zoals sneller verbranden in de zon, duizeligheid, diarree en angstklachten (zie Lareb: Overview of reports on St. John's wort (Hypericum perforatum)). Bij overdosering neemt het risico op toxiciteit toe en moet contact met zonlicht vermeden worden. Gebruik tijdens zwangerschap en lactatie wordt ontraden, in verband met onvoldoende kennis over mogelijke schadelijke effecten.  178  
  • Een belangrijk nadeel van sint-janskruid wordt gevormd door de interactie tussen sint-janskruid en diverse geneesmiddelen. Door inductie van cytochroom P450 kan sint-janskruid de werkzaamheid van andere medicatie verminderen (bijvoorbeeld bij orale anticonceptiva) of de kans op toxiciteit verhogen (bijvoorbeeld bij antidepressiva, alprazolam, simvastatine, proteaseremmers, cumarinepreparaten, theofylline, ciclosporine, digoxine en fenprocoumon). (zie ook CBG-MEB: Interactie-informatie voor artsen en apothekers.)
  • Een ander belangrijk nadeel is dat het merendeel van de commercieel verkrijgbare zelfzorgmiddelen geldt als supplement of kruidenpeparaat en in de zin van de Voedsel- en Warenwet. Deze middelen hoeven niet aan dezelfde strenge criteria te voldoen als geregistreerde geneesmiddelen. Dit heeft tot gevolg dat de samenstelling en kwaliteit kunnen variëren, wat ze ongeschikt maakt voor medisch gebruik. In een onderzoek uit 2018-2019 van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) naar 47 kruidenpreparaten met sint-janskruid bleken 9 preparaten (20%) een te hoge concentratie plantengifstoffen te bevatten. Deze concentraties zijn gevaarlijk voor de gezondheid. In ditzelfde onderzoek werd van 22 kruidenpreparaten het gehalte hypericine bepaald: 6 monsters bevatten geen werkzame stof, 9 monsters < 50% en 7 monsters 50-100% van de op het etiket vermelde hoeveelheid hypericine (NVWA).
  • Om deze reden adviseert het RIVM consumenten voorzichtig te zijn bij zelfzorggebruik van deze middelen.  178  
  • In de periode 1999-2020 ontving Lareb 70 meldingen (143 bijwerkingen) over sint-janskruid, 4 meldingen betroffen een geregistreerd kruidengeneesmiddel, de overige 66 meldingen betroffen een supplement.  179  
Kwaliteit van bewijs

Laag als gevolg van risico op bias en heterogeniteit.

Waarden en voorkeuren

Het is voor patiënten belangrijk dat een behandeling voor de depressieve stoornis effectief is en zo min mogelijk bijwerkingen geeft. Dit maakt dat sint-janskruid een behandeloptie is, bijvoorbeeld voor patiënten die geen reguliere antidepressiva willen gebruiken. Patiënten die andere medicijnen gebruiken, willen wellicht juist geen sint-janskruid gebruiken in verband met het risico op interacties of bijvoorbeeld verminderde betrouwbaarheid van (orale) anticonceptie (combinatiepreparaten).

Kosten

De kosten voor sint-janskruidtabletten zijn afhankelijk van merk en dosering. Gemiddeld kost sint-janskruid ongeveer € 10 per 30 tabletten (inventarisatie diverse apotheken maart 2021). Een behandeling met sint-janskruid wordt in tegenstelling tot behandeling met antidepressiva niet vergoed door de zorgverzekering. Patiënten moeten dit dus zelf betalen. Dit kan voor sommige patiënten een nadeel zijn.

Haalbaarheid

De op dit moment als enige geregistreerde kruidengeneesmiddelen bij het CBG zijn A. Vogel Hyperiforce® tablet 450 mg en Laif® tablet 900 mg (november 2021). Deze producten zijn echter niet op de Nederlandse markt verkrijgbaar. Wel verkrijgbaar zijn supplementen en kruidenmiddelen. Deze producten vallen echter onder de Voedsel- en Warenwet en de samenstelling is niet altijd bekend. Momenteel wordt onderzocht of er een verbod op de kruidenmiddelen nodig is (zie Lareb: Verplichte waarschuwing bij sint-janskruid).

Waarom deze aanbeveling?

Sint-janskruid is mogelijk effectief bij de behandeling van een milde tot matige depressieve stoornis, en het geeft waarschijnlijk een lager risico op bijwerkingen. Sint-janskruid geeft veel interacties met andere medicijnen, dit maakt het middel ongeschikt voor gebruik door patiënten met andere medicatie. In Nederland is sint-janskruid niet als geregistreerde kruidengeneesmiddel beschikbaar (mededeling KNMP november 2021). Van de beschikbare producten zijn supplementen en kruidenmiddelen is de samenstelling niet altijd bekend.

Aandachtspunten bij start antidepressivum bij jongvolwassenen (18-25 jaar)

  • Bij de start van antidepressiva is bij jongvolwassenen het risico op suïcidaliteit licht verhoogd.
  • Het is onbekend of er verschillen zijn in risico op suïcidaliteit tussen de verschillende antidepressiva.
  • Schat suïciderisico vooraf in (zie ook module Suïcidaliteit).
  • Monitor zorgvuldig, door wekelijkse controles in de 1e maand na de start. Dit is frequenter dan de controle bij volwassenen en ouderen.
Details
Waarom deze aanbeveling?

Er zijn geen onderzoeken gevonden waarin de effectiviteit en verdraagbaarheid van individuele antidepressiva is onderzocht bij jongvolwassenen (18-25 jaar). Er zijn ten aanzien van effectiviteit en algemene verdraagbaarheid geen andere redenen om bij de keuze van een antidepressivum bij jongvolwassenen een andere afweging te maken dan bij oudere volwassenen.

Van bewijs naar aanbeveling
Waarden en voorkeuren van de patiënt

De waarden en voorkeuren van jongvolwassenen met betrekking tot de keuze van een antidepressivum wijken naar verwachting niet af van die van oudere volwassenen. Dezelfde factoren spelen een rol (effectiviteit, verdraagbaarheid, bijwerkingenprofiel, afbouwgemak enzovoort).

Voorkeursmiddelen antidepressiva bij jongvolwassenen
Uitgangsvraag

Welk antidepressivum heeft de voorkeur bij de behandeling van jongvolwassenen (18-25 jaar) met een depressieve stoornis?

PICO*
PatiëntenJongvolwassenen (18-25 jaar) met een depressieve stoornis
Interventie

Antidepressiva (SSRI, TCA)

Geen duloxetine clomipramine, fluvoxamine en trazodon

VergelijkingPlacebo of ander antidepressivum
Uitkomstmaten

Werkzaamheid (bijvoorbeeld respons of depressiesymptomen)

Verdraagbaarheid (bijvoorbeeld uitval door stoppen met het antidepressivum)

*Alleen reviews die ≥ 2 antidepressiva met elkaar en/of placebo vergelijken.

 

Achtergrond

Het is bekend dat het gebruik van antidepressiva bij jongvolwassenen van 18-25 jaar een verhoogd risico geeft op suïcidaal gedrag. Dit risico neemt af met het stijgen van de leeftijd (zie detail Risico op suïcidaliteit door antidepressiva bij jongvolwassenen). Dit verschil in bijwerking tussen jongvolwassenen en oudere volwassenen leidt tot de vraag of er ook andere verschillen zijn met betrekking tot bijwerkingen en werkzaamheid van antidepressiva. Het is onbekend welke antidepressiva bij jongvolwassenen het meest werkzaam en verdraagbaar zijn, en of dit verschilt ten opzichte van oudere volwassenen.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase op 17 december 2021.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De zoekactie leverde géén systematische reviews op maar wel 2 RCT’s.  180   181   Deze RCT’s werden geëxcludeerd omdat maar 1 arm een voor de standaard relevant antidepressivum betrof en een placeboarm ontbrak.

Conclusies

Het is onduidelijk welke antidepressiva het meest werkzaam en verdraagbaar zijn bij jongvolwassenen met een depressieve stoornis.

Risico op suïcidaliteit door antidepressiva
Achtergrond

Het is bekend dat het gebruik van antidepressiva bij jongvolwassenen van 18-25 jaar een verhoogd risico geeft op suïcidaal gedrag. Dit risico neemt af met het stijgen van de leeftijd. (zie detail Risico op suïcidaliteit door antidepressiva bij jongvolwassenen) Het is echter onbekend of dit risico op suïcidaal gedrag verschilt tussen de verschillende individuele antidepressiva.


Uitgangsvraag

Welk antidepressivum geeft het minste risico op suïcidaal gedrag bij de behandeling van patiënten met een depressieve stoornis?

PICO
PatiëntenVolwassenen met een depressieve stoornis
InterventieAntidepressiva (SSRI, TCA)
VergelijkingPlacebo of andere antidepressiva
Uitkomstmaten

Suïcidaliteit

Sterfte door suïcide

Methode

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews uitgevoerd in PubMed en Embase op 17 december 2021.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De zoek actie leverde 1 relevante systematische review op waarin het effect op suïcidaliteit van verschillende individuele antidepressiva werd onderzocht.  182  

Onderzoekskarakteristieken

De gevonden systematische review met meta-analyse includeerde onderzoeken naar de prevalentie van ernstige bijwerkingen, waaronder suïcidaliteit, van de SSRI’s en SNRI’s duloxetine (k = 23), fluoxetine (k = 3), paroxetine (k = 8), sertraline (k = 28) en venlafaxine (k = 8). De reviewers selecteerden de onderzoeken via Europese en Britse regelgevende instanties voor geneesmiddelen, en uit de samenvattingen van onderzoeksrapporten op de website van Eli Lilly. Geïncludeerd werden 70 dubbelblinde placebogecontroleerde RCT’s met in totaal 18.526 patiënten (12% kinderen of adolescenten). In 63% van deze 70 RCT’s was risico op suïcide een exclusiecriterium; 34 RCT’s (n = 7882) betroffen patiënten met een depressieve stoornis.  182  
De mate van suïcidaliteit werd gedefinieerd als de optelsom van de aantallen suïcides, suïcidepogingen en suïcidale ideaties (geduid als concrete plannen voor suïcide). De aantallen suïcides, suïcidepogingen en suïcidale ideaties zijn apart beschreven voor de verschillende individuele antidepressiva. In alle 70 geïncludeerde onderzoeken kwam suïcidaliteit erg weinig voor. Op de totale onderzoekspopulatie waren er in de interventiearmen 2 suïcides (1 bij duloxetine, 1 bij venlafaxine) en in de placebogroepen eveneens 2. Ook het aantal suïcidepogingen en suïcidale ideaties was erg laag: 43 suïcidepogingen (0,004%) en suïcidale ideaties bij 41 patiënten (0,004%). De onderzoekers hebben vanwege deze beperkte aantallen het risico op suïcidaliteit voor de verschillende individuele antidepressiva niet verder geanalyseerd.

Effectiviteit en verdraagbaarheid

De resultaten zijn samengevat in tabel Vergelijking antidepressiva met placebo.

Conclusies
  • Voor volwassenen ≥ 25 jaar is bij gebruik van antidepressiva geen verhoogd risico op suïcidaliteit of agressie vastgesteld ten opzichte van placebo.
  • Het is onduidelijk of er een verschil is tussen de verschillende individuele antidepressiva qua risico op suïcidaliteit bij volwassenen.
Van bewijs naar aanbeveling
Voor- en nadelen
  • Het is onduidelijk of het risico op suïcidaliteit verschilt tussen individuele antidepressiva.
  • Het niet behandelen van een depressieve stoornis geeft grotere risico’s op suïcide. Bij patiënten met een depressieve stoornis die zich gesuïcideerd hebben, blijkt meestal dat zij niet of niet adequaat met antidepressiva zijn behandeld.  183  
Kwaliteit van bewijs
  • De kwaliteit van het bewijs is zeer laag. Van een deel van de onderzoeken was de onderzoeksopzet onvoldoende en er waren veel ontbrekende uitkomsten. Verder waren de aantallen patiënten met suïcidaliteit laag, waardoor verdere analyse van het suiciderisico bij de verschillende individuele antidepressiva onmogelijk was.
  • Selectiebias kan mogelijk bijgedragen hebben aan de lage aantallen patiënten met suicidaliteit. In 63% van de 70 RCT’s was suïcidaliteit bij aanvang een exclusiecriterium en het optreden van suicidaal gedrag werd zeer beperkt geregistreerd. Dit betekent dat de gepresenteerde cijfers niet direct generaliseerbaar zijn om het risico op toename van suïcidaliteit bij patiënten die bijvoorbeeld reeds suïcidale ideaties hebben te bepalen. De in deze onderzoeken gepresenteerde aantallen zijn mogelijk een onderschatting.
Waarom deze aanbeveling?

In veel onderzoeken naar antidepressiva vormt suïcidaliteit op voorhand een exclusiecriterium en ontstaat suïcidaliteit zowel in de interventiearm als in de placeboarm bij slechts een heel klein aantal deelnemers. Deze lage aantallen events maken de analyse van risicoverschillen tussen individuele antidepressiva erg lastig. Het is dus onduidelijk of het risico op suïcidaliteit verschilt tussen individuele antidepressiva en daarom is dit risico niet van invloed op de keuze van het antidepressivum(consensus).

Risico op suïcidaliteit door antidepressiva bij jongvolwassenen
Achtergrond

Bij volwassenen vanaf 25 jaar wordt na start met een antidepressivum geen verhoogd maar eerder juist een verlaagd risico op suïcidaliteit geobserveerd ten opzichte van placebobehandeling. Bij jongvolwassenen (18-25 jaar) is een toename van suïcidaal gedrag (voorbereiding, poging, suïcide) geobserveerd voor alle antidepressiva tezamen. Dit wordt als een mogelijke bijwerking van de antidepressiva beschouwd.

Uitgangsvraag

Is er bij jongvolwassenen (18-25 jaar) met een depressieve stoornis of angststoornis sprake van toename van suïcidaal gedrag (voorbereiding, poging, suïcide) bij het gebruik van SSRI’s in vergelijking met placebo of met een ander antidepressivum?
Een literatuuronderzoek leverde 298 artikelen op, waarvan 24 relevant leken na screening van de titel en de samenvatting. Voor de beantwoording van de uitgangsvraag is gebruikgemaakt van de meta-analyse van Stone van redelijke kwaliteit (AMSTAR-score 7 uit 11),  184   aangevuld met andere onderzoeken. De overige artikelen bleken niet de juiste leeftijdsgroep of patiëntenpopulatie te omvatten of waren van zeer lage kwaliteit.

Resultaten
Beschrijving

In de meta-analyse van Stone werden 372 dubbelblinde placebogecontroleerde RCT’s (n = 99.231) geïncludeerd, alle uitgevoerd door verschillende fabrikanten van antidepressiva. De patiënten waren 18 jaar of ouder en hadden uiteenlopende indicaties voor het gebruik van antidepressiva (depressieve stoornis 45,6%; andere depressies 4,6%; andere psychiatrische aandoeningen 27,6%; niet-psychiatrische aandoeningen 22,2%). Het is onduidelijk in welke setting de onderzoeken plaatsvonden.
De uitkomstmaten waren de samengestelde uitkomstmaat ‘suïcidaal gedrag’, bestaande uit:

  • geslaagde suïcide
  • suïcidepoging
  • suïcidevoorbereiding en de uitkomstmaat
  • suïcidale ideaties (gedachten, zonder enige actie)
Uitkomsten

In de groep die antidepressiva gebruikte (alle leeftijdsgroepen) was het absolute voorkomen van de uitkomstmaten als volgt:

  • geslaagde suïcide: n = 8 (waarvan 6 bij een depressieve stoornis)
  • suïcidepoging: n = 134 (waarvan 90 bij een depressieve stoornis)
  • suïcidevoorbereiding: n = 10 (waarvan 7 bij een depressieve stoornis)
  • suïcidale ideaties: n = 378 (waarvan 238 bij een depressieve stoornis)

Er werd een subgroepanalyse verricht in verschillende leeftijdscategorieën, waaronder de categorie 18-25 jaar. In deze analyse werd gekeken naar alle indicaties voor antidepressiva als geheel. De samengestelde uitkomstmaat ‘voorbereidende acties of erger’ (de uitkomstmaten 1, 2 en 3) kwam in deze leeftijdscategorie voor bij 32 van de 4780 patiënten (0,7%) in de antidepressivagroep, en bij 8 van de 2621 patiënten (0,3%) in de placebogroep. Er werd een significante relatie gevonden (OR 2,30; 95%-BI 1,04 tot 5,09). De relatie was niet meer significant als werd gekeken naar de uitkomstmaten 1 tot en met 4 samen, de zogenaamde categorie ‘suïcidale gedachten of erger’ (inclusief zelfbeschadigend gedrag) (OR 1,62; 95%-BI 0,97 tot 2,71). Deze samengestelde uitkomstmaat kwam in deze leeftijdscategorie voor bij 64 van 4780 patiënten (1,3%) in de antidepressivagroep, en 21 van de 2621 patiënten (0,8%) in de placebogroep.
Bij volwassenen in de placebogroep van 18-25 jaar werd na de start met antidepressiva dus een verhoogd risico op suïcidaliteit gevonden.
In een model met leeftijd (alle leeftijdscategorieën) als continue variabele nam de OR van suïcidaliteit (1 t/m 4) bij personen met psychiatrische aandoeningen met 2,6% (95%-BI –3,9 tot –1,3) per jaar af (suïcidaal gedrag (1 t/m 3) –4,6%; suïcidale ideaties –1,8%).
Bij volwassenen vanaf 25 jaar werd na de start met antidepressiva juist een verlaagd risico op suïcidaliteit gevonden.

Ander onderzoek

In een meta-analyse van 61 dubbelblinde RCT’s (n = 14.911) werd paroxetine met een placebo vergeleken.  185   De meta-analyse en de RCT’s werden uitgevoerd door de fabrikant van paroxetine. In dit onderzoek werden patiënten met uiteenlopende aandoeningen geïncludeerd, waaronder een depressieve stoornis en angststoornissen. Er werd gebruikgemaakt van 4 verschillende uitkomstmaten:

  • geslaagde suïcide
  • suïcidepoging
  • suïcidevoorbereiding
  • suïcidale ideaties

Voor de leeftijdscategorie 18-25 jaar werd een niet significant verhoogd risico gevonden voor de 4 uitkomstmaten samen, de zogeheten ‘overall suïcidaliteit’ (OR 2,0; 95%-BI 0,8 tot 4,8). Als alleen werd gekeken naar de eerste 3 uitkomstmaten, de samengestelde uitkomst ‘suïcidaal gedrag’, werd ook een niet significant verhoogd risico gevonden (OR 2,4; 95%-BI 0,9 tot 7,3). De OR’en verschilden met die in de leeftijdscategorie 25-64 jaar, waar juist een verlaagd risico werd gevonden (OR 0,7; 95%-BI 0,5 tot 1,0 respectievelijk OR 0,6; 95%-BI 0,4 tot 1,0).
In een meta-analyse van 126 placebogecontroleerde fase 2-, 3- en 4-trials (n = 19.923) werd sertraline met placebo vergeleken.  186   De meta-analyse en de RCT’s werden uitgevoerd door de fabrikant van sertraline. Er werden patiënten met uiteenlopende psychiatrische indicaties geïncludeerd. De uitkomstmaten zijn identiek aan die van de meta-analyse van Carpenter et al. Voor de leeftijdscategorie 18-25 jaar werd zowel voor uitkomstmaat (2) (RR 0,75; 95%-BI 0,15 tot 3,71) als voor uitkomstmaat (4) (RR 0,38; 95%-BI 0,03 tot 4,14) een niet significant lager risico gevonden (4 events in de sertraline- (n = 614) en 5 in de placebogroep (n = 458)). Voor de uitkomstmaten (1) en (3) waren er voor deze leeftijdscategorie geen events.
De meta-analyses  185   186   zijn niet systematisch uitgevoerd. Beide hebben de database van de betreffende fabrikant van het middel gebruikt. Er heeft geen kwaliteitsbeoordeling plaatsgevonden. Wel zijn bij de auteurs ruwe data opgevraagd, die dubbelblind gescoord zijn.
In een genest patiënt-controleonderzoek naar SSRI’s versus TCA’s in de eerste lijn in het Verenigd Koninkrijk werden alleen patiënten met een depressieve stoornis geïncludeerd. Voor de leeftijdscategorie 19-30 jaar werd de uitkomstmaat ‘niet-fataal zelfbeschadigend gedrag’ geanalyseerd, waarbij geen significant verschil werd gevonden (adjusted OR 1,04; 95%-BI 0,82 tot 1,32).  187  
In een retrospectief onderzoek naar meldingen (n = 2.892.258) uit de bijwerkingendatabase van de FDA werd gekeken naar patiënten met een depressieve stoornis van 18-25 jaar die een SSRI gebruiken. In dit onderzoek wordt een groter suïciderisico gevonden voor alle 18-25-jarigen (OR 2,47; 95%-BI 2,21 tot 2,76) ten opzichte van de referentiegroep (patiënten van 25-64 jaar zonder SSRI), maar dat effect kon niet worden toegeschreven aan het gebruik van SSRI’s (p-value likelihood ratio test 0,3821).  188  

Conclusie

Het gebruik van antidepressiva door jongvolwassenen van 18-25 jaar geeft een toename van suïcidaal gedrag. De meeste onderzoeken richtten zich op SSRI’s. Suïcidaliteit bij de indicatie angststoornissen is minder onderzocht. Er is een afname van risico op suïcidaliteit met het stijgen van de leeftijd.

Van bewijs naar aanbeveling
  • De kwaliteit van de beschikbare onderzoeken schatten wij laag in: in de originele onderzoeken was de effectiviteit van het antidepressivum de primaire uitkomstmaat, de onderzoeken werden uitgevoerd door de fabrikanten van de onderzochte antidepressiva en de generaliseerbaarheid naar de huisartsenpraktijk is onduidelijk omdat de setting van de onderzoeken niet beschreven is. De associatie tussen het gebruik van SSRI’s door jongvolwassenen en een toename in suïcidaal gedrag is aanwezig. Omdat TCA’s bij overdosering zijn geassocieerd met grotere gezondheidsrisico’s, hebben SSRI’s in het algemeen bij patiënten met een verhoogd suïciderisico de voorkeur.
  • Ondanks de lage kwaliteit van bewijs en het wisselend significant zijn van de resultaten heeft de werkgroep vanwege de richting van de uitkomstmaat (toename van suïcidaal gedrag) gemeend dat het voorschrijven van een antidepressivum (bij voorkeur een SSRI) aan een jongvolwassene met extra grote zorgvuldigheid moet plaatsvinden. Twee onderdelen hiervan zijn: (1) voorafgaand aan het starten van een antidepressivum het suïciderisico inschatten, eventueel met hulp van een psychiater, en (2) frequente controles, in de eerste maand na de start wekelijks. In de uitgangsvraag is geen onderscheid gemaakt tussen de indicaties angststoornissen en depressieve stoornis. De beschikbare onderzoeken richtten zich minder op het voorkomen van suïcidaliteit bij SSRI-gebruik bij angststoornissen. We kiezen er zekerheidshalve voor om in deze standaard dezelfde aanbevelingen te doen als in de NHG-Standaard Angst.
  • Er is geen onderbouwing om bij jongvolwassenen te starten met een halve dosering. Vanwege de kans op suboptimale behandeling wordt dit derhalve niet meer geadviseerd. Indien toch gestart wordt met een halve dosering, ga dan na 1 week over op de standaarddosering.

Aandachtspunten bij start antidepressivum bij ouderen ( > 70 jaar)

  • Citalopram of sertraline zijn middelen van eerste keus, vanwege ervaring, een gunstig bijwerkingenprofiel, beperkte interacties en risico’s bij overdosering en gebruiksgemak.
  • Bepaal bij patiënten die een diureticum gebruiken 5-9 dagen na start van het antidepressivum het natriumgehalte. Herhaal deze controle bij dosisverhoging. 
  • Bepaal het natriumgehalte ook zonder gebruik van diuretica indien zich een intercurrente ziekte voordoet waarbij het risico op elektrolytstoornissen is verhoogd (diarree/braken).
Details
Voorkeursmiddelen antidepressiva bij ouderen

Uitgangsvraag

Welk antidepressivum heeft de voorkeur als eerste keus bij de behandeling van patiënten > 70 jaar met een depressieve stoornis?

PICO*
PatiëntenPatiënten > 70 jaar met een depressieve stoornis
Interventie

Antidepressiva (SSRI, TCA)

Exclusief clomipramine, fluvoxamine en trazodon (deze middelen zijn bij volwassenen minder werkzaam en/of geven hogere uitval dan andere middelen, zie Voorkeursmiddelen antidepressiva

VergelijkingPlacebo of ander antidepressivum
Uitkomstmaten

Werkzaamheid (bijvoorbeeld respons of depressiesymptomen)

Verdraagbaarheid (bijvoorbeeld uitval door stoppen met het antidepressivum)

*Alleen reviews die ≥ 2 antidepressiva met elkaar en/of placebo vergelijken.

 

Achtergrond

In principe is de benadering van een depressieve stoornis bij patiënten > 70 jaar niet anders dan bij patiënten ≤ 70 jaar. Bij de indicatiestelling spelen dezelfde factoren een rol, maar met betrekking tot de medicamenteuze behandeling zijn er belangrijke verschillen waar rekening mee gehouden moet worden. Zo komen somatische comorbiditeit en gebruik van medicatie vaker voor bij patiënten > 70 jaar. Ook een hogere prevalentie van dementie en andere cognitieve stoornissen, veranderingen in farmacokinetiek en farmacodynamiek, en functionele veranderingen zoals beperkingen in ADL, mobiliteit en zintuigfuncties spelen een rol.
Er is slechts weinig onderzoek verricht naar de effectiviteit van antidepressiva specifiek bij patiënten > 70 jaar met een depressieve stoornis. Het meeste onderzoek bij ouderen is gedaan bij patiënten ≥ 55 jaar, en de resultaten spreken elkaar vaak tegen. In 2 recente reviews over antidepressiva bij ouderen werd op het niveau van geneesmiddelgroepen (bijvoorbeeld SSRI’s) geen significant effect gevonden ten opzichte van placebo.  189   190   Ook leken er meer bijwerkingen op te treden in de groep die behandeld werd met antidepressiva.  189   De kwaliteit van bewijs werd wel als laag tot zeer laag ingeschat.
Op basis van de beschreven literatuur is onduidelijk wat de effectiviteit is van antidepressiva bij patiënten > 70 jaar. Ook is onduidelijk of deze effectiviteit voor individuele antidepressiva verschilt. De vraag is dus welke antidepressiva bij deze specifieke doelgroep effectief en verdraagbaar zijn en welke niet.

Resultaat zoekactie

Een zoekactie tot 17 december 2021 leverde 1 recente systematische review op waarin de effectiviteit van verschillende individuele antidepressiva werd vergeleken.  191  

Onderzoekskarakteristieken

In een systematische review met netwerkmeta-analyse  191   werden 46 gepubliceerde en 7 niet-gepubliceerde RCT’s geïncludeerd (n = 9274, gemiddelde leeftijd 74 jaar, 68% vrouw) waarin de werkzaamheid (respons: totaal aantal patiënten met ≥ 50% reductie in depressiesymptomen) en de verdraagbaarheid (stoppen met behandeling) van farmacologische en niet-farmacologische interventies werd onderzocht. De gemiddelde duur van de depressieve stoornis bij aanvang van de onderzoek was 9 jaar. In 44 van de 53 onderzoeken werden 17 antidepressiva onderzocht. De gemiddelde behandelduur was 9 weken. De verschillende middelen zijn onderling vergeleken middels een netwerkmeta-analyse.

Kwaliteitsbeoordeling

Er waren inconsistenties in het netwerk. De oorzaak hiervan was onduidelijk (er waren te weinig onderzoeken per interventie). Publicatiebias speelde mogelijk een rol. Voor de primaire uitkomstmaat ‘respons’ is de geloofwaardigheid geschat middels de GRADE-methodiek. Voor de uitkomstmaten ‘uitval’ en ‘bijwerkingen’ hebben de auteurs deze analyse niet gemaakt; deze uitkomstmaten zijn daardoor onzekerder en kunnen alleen indicatief gebruikt worden. Een auteur vermeldde banden met de farmaceutische industrie.
Over duloxetine zijn 2 publicaties geïncludeerd van hetzelfde onderzoek (Robinson en EucTr); hierdoor kunnen geen conclusies worden getrokken over duloxetine.

Effectiviteit en bijwerkingen

Tabel d4 en tabel d5 tonen de resultaten van de netwerkmeta-analyse met betrekking tot respectievelijk de effectiviteit (respons) en de verdraagbaarheid (uitval) van antidepressiva bij ouderen. De betrefende antidepressiva zijn bij volwassenen in het algemeen als effectief en verdraagbaar beoordeeld (zie Voorkeursmiddelen antidepressiva). Als grens van klinische relevantie is een RR < 0,75 of > 1,25 gekozen.

Werkzaamheid van antidepressiva in vergelijking met placebo

Zie tabel d4. De respons (werkzaamheid) is uitgedrukt als een reductie van de symptomen met 50%.

Let op! Data komen uit een netwerkplot. Hierdoor kan een RR > 1 wijzen op een voor- of nadeel ten opzichte van placebo. Raadpleeg de legenda voor interpretatie.

Tabel d4. Effectiviteit (respons) van antidepressiva vergeleken met placebo bij ouderen
AntidepressivumRR (95% Crl)GRADE
Duloxetine1,83 (1,29 tot 2,62)##Redelijk
Agomelatine1,53 (0,94 tot 2,51)#Laag
Mirtazapine1,53 (0,83 tot 2,83)#Laag
Bupropion1,23 (0,80 tot 1,88)$Laag
Amitriptyline1,17 (0,78 tot 1,75)$Laag
Sertraline1,17 (0,77 tot 1,77)$Laag
Venlafaxine1,03 (0,71 tot 1,48)$Laag
Citalopram1,01 (0,72 tot 1,43)$Laag
Vortioxetine1,54 (1,00 tot 2,35)#Zeer laag
Paroxetine1,30 (0,85 tot 1,99)#Zeer laag
Escitalopram1,04 (0,70 tot 1,57)$Zeer laag
Fluoxetine1,18 (0,88 tot 1,60)*Zeer laag
RR = relatief risico; 95%-CrI = 95%-credible interval (geloofwaardig interval)
* voordeel van placebo, statistisch niet significant (RR is niet klinische relevant)
# voordeel van antidepressivum, statistisch niet significant (RR is klinisch relevant)
## voordeel van antidepressivum, statistisch significant (RR is klinisch relevant)
$ voordeel van antidepressivum, statistisch niet significant (RR is niet klinisch relevant)

 

Conclusie: werkzaamheid (respons)
  • Agomelatine en mirtazapine geven mogelijk meer reductie van depressieve symptomen dan placebo (kwaliteit van bewijs: laag).
  • Bupropion, amitriptyline, sertraline, venlafaxine en citalopram geven mogelijk geen reductie van depressieve symptomen (kwaliteit van bewijs: laag).
  • We zijn onzeker over het effect van vortioxetine, paroxetine, escitaloprom en fluoxetine op de depressieve symptomen (kwaliteit van bewijs: zeer laag).
Verdraagbaarheid antidepressiva versus placebo

Zie tabel d5. De verdraagbaarheid (uitval) bij ouderen is uitgedrukt als het stoppen met het antidepressiva om welke reden dan ook. Er is geen GRADE toegepast.

Let op! Data komt uit een netwerk plot, hierdoor kan een RR>1 wijzen op een voordeel of nadeel tov placebo; raadpleeg de legenda voor interpretatie. 

Tabel d5. Verdraagbaarheid (uitval) van antidepressiva vergeleken met placebo bij ouderen
AntidepressivumRR (95% Crl)
Agomelatine0,58 (0,32 tot 1,06)#
Duloxetine0,93 (0,68 tot 1,28)$
Vortioxetine0,91 (0,49 tot 1,66)$
Mirtazapine0,91 (0,41 tot 2,01)*
Escitalopram0,92 (0,59 tot 1,43)*
Bupropion0,98 (0,60 tot 1,59)*
Sertraline0,62 (0,35 tot 1,10)***
Paroxetine0,66 (0,37 tot 1,20)***
Citalopram0,69 (0,40 tot 1,17)***
Venlafaxine1,63 (0,39 tot 1,01) ***
Amitriptyline0,55 (0,32 tot 0,96)**
Fluoxetine0,67 (0,47 tot 0,95)**
RR = relatief risico; 95%-CrI = 95%-credible interval (geloofwaardig interval)
* voordeel van placebo, statistisch niet significant (RR is niet klinische relevant)
** voordeel van placebo, statistisch significant en klinisch relevant
*** voordeel van placebo, statistisch niet significant (RR is klinische relevant)
# voordeel van antidepressivum, statistisch niet significant (RR is klinisch relevant)
$ voordeel van antidepressivum, statistisch niet significant (RR is niet klinisch relevant)

 

Conclusie: verdraagbaarheid (uitval)
  • Alleen agomelatine geeft mogelijk minder uitval dan placebo.
  • De meeste andere middelen (citalopram, escitalopram, mirtazapine, paroxetine, mirtazapine, sertraline, venlafaxine en vortiotexine) geven mogelijk meer uitval dan placebo.
  • Voor amitriptyline en fluoxetine lijkt het hogere relatieve risico op uitval ook daadwerkelijk klinisch relevant.
  • Onderlinge vergelijking van antidepressiva.
  • Voor de onderlinge vergelijking van antidepressiva worden hier alleen de significante verschillen beschreven.  191  
Conclusie: werkzaamheid (respons)
  • Fluoxetine:
    • is waarschijnlijk minder effectief in vergelijking met mirtazapine (RR 1,82; 95%-BI 1,03 tot 3,21; kwaliteit van bewijs: redelijk),
    • is waarschijnlijk effectief ten opzichte van vortioxetine (RR 1,82; 95%-BI 1,08 tot 3,06; kwaliteit van bewijs: redelijk)
    • is mogelijk minder effectief ten opzichte van agomelatine (RR 1,81; 95%-BI 1,02 tot 3,23; kwaliteit van bewijs: laag)
  • Er is onzekerheid over verschil in effectiviteit van fluoxetine ten opzichte van paroxetine (RR 1,54; 95%-BI 1,07 tot 2,21; kwaliteit van bewijs: zeer laag)
Conclusie: verdraagbaarheid (uitval)

Agomelatine heeft minder uitval dan amitriptyline (RR 0,32; 95%-BI 0,14 tot 0,73), citalopram (RR 0,40; 95%-BI 0,18 tot 0,90), fluoxetine (RR 0,39; 95%-BI 0,19 tot 0,78), paroxetine (RR 0,39; 95%-BI 0,17 tot 0,90), sertraline (RR 0,36; 95%-BI 0,16 tot 0,83) en venlafaxine (RR 0,37; 95%-BI 0,17 tot 0,79).

Beschrijvende conclusies over respons en uitval

Mogelijk betere respons dan placebo en andere antidepressiva

Agomelatine en mirtazapine lijken effectiever dan placebo, maar de verschillen zijn klein (mogelijk klinisch relevant, niet statistisch significant). Hierbij geeft agomelatine mogelijk een lager risico op uitval dan placebo (wel klinisch relevant, niet statistisch significant). Mirtazapine geeft geen hoger risico op uitval ten opzichte van placebo (verschil niet klinisch relevant, niet statistisch significant). Geen enkel geïncludeerd antidepressivum heeft bij ouderen een bewezen, statistisch significante werkzaamheid (> 50% reductie van de symptomen) ten opzichte van placebo.

Mogelijk vergelijkbare respons met placebo en andere antidepressiva

Bupropion, citalopram sertraline en venlafaxine lijken geen betere werkzaamheid te hebben dan placebo (niet klinisch relevant en niet statistisch significant), maar geven ten opzichte van placebo mogelijk wel een hoger risico op uitval (wel klinisch relevant, niet statistisch significant).

Grote kans op uitval

Amitriptyline en fluoxetine lijken de meeste uitval te geven ten opzichte van placebo, voor beide middelen is dit verschil klinisch relevant en statistisch significant. Dit wordt ondersteund door de onderlinge vergelijkingen.

Effect erg onzeker

Escitalopram geeft mogelijk een hoger risico op uitval (niet klinisch relevant, niet statistisch significant), evenals paroxetine (klinisch relevant, niet statistisch significant). In de onderlinge vergelijkingen zijn respons en uitval bij deze middelen gemiddeld.

Van bewijs naar aanbeveling

Voor- en nadelen

Agomelatine (een melatonineagonist) en mirtazapine (een tetracyclisch antidepressivum) komen uit de systematische review van Krause et al naar voren als mogelijk effectieve antidepressiva bij ouderen. Bij agomelatine lijkt sprake te zijn van minder uitval, maar dit gebaseerd op 1 onderzoek naar agomelatine en 1 onderzoek naar mirtazapine.  191  
De twijfel over de effectiviteit van antidepressiva bij ouderen in het algemeen wordt ondersteund door de in de inleiding van dit detail beschreven literatuur, waarin op groepsniveau de effectiviteit beoordeeld is.  189   190   Ook sluit de twijfel aan bij de bevindingen van het Expertisecentrum Pharmacotherapie bij Ouderen.  192  
Tot op heden hebben in Nederland SSRI’s de voorkeur als medicamenteuze behandeling van een depressieve stoornis bij ouderen.  101   192   Vooralsnog zijn citalopram en sertraline de middelen van eerste keus, onder andere in verband met een relatief klein interactiepotentieel en een goed gebruiksgemak.  192   Deze middelen komen in de systematische review van Krause et al. echter niet als werkzaam naar voren (> 50% reductie van symptomen).  191  

Agomelatine en mirtazapine

De bevindingen ten aanzien van agomelatine en mirtazapine zijn opmerkelijk omdat deze middelen in Nederland expliciet géén voorkeursmiddelen zijn bij ouderen. Een belangrijk nadeel van agomelatine is dat voorafgaand aan en tijdens het gebruik controles van de leverfunctie nodig zijn in verband met risico op leverschade. Mirtazapine kan een negatief effect hebben op het cognitief functioneren en is daarom (relatief) gecontra-indiceerd bij patiënten met cognitieve stoornissen.

Kwaliteit van bewijs

Met betrekking tot werkzaamheid (respons) is de kwaliteit van de systematische review van Krause et al. laag tot zeer laag, met name door de heterogeniteit van de resultaten en vaak ook de onnauwkeurigheid van de effectschatting. Een deel van de uitkomsten is afgewaardeerd voor beperkingen in de onderzoeksopzet. Publicatie bias kon niet na worden gegaan, maar is wel waarschijnlijk. Voor de uitkomst verdraagbaarheid (uitval) zijn de resultaten onzeker, doordat er geen GRADE is toegepast en doordat het een inconsistent netwerk betreft, de resultaten zijn slechts indicatief.

Waarden en voorkeuren

Voor patiënten > 70 jaar is het belangrijk dat een antidepressivum effectief is en zo min mogelijk bijwerkingen heeft. Het is ook van belang dat een antidepressivum veilig ingenomen kan worden bij bestaande comorbiditeit en overige medicatie, zonder dat er aanvullende diagnostiek verricht moet worden, zoals bij agomelatine.

Kosten

Agomelatine is verhoudingsgewijs duurder dan de andere middelen (agomelatine Teva® tablet filmomhuld 25 mg, € 0,71 per dag, mirtazapine Aurobindo® tablet filmomhuld 30 mg € 0,06 per dag (medicijnkosten.nl, geraadpleegd maart 2021)

Aanvaardbaarheid

In verband met vaak voorkomende comorbiditeit en somatische medicatie zal het voor een groot deel van de patiënten > 70 jaar minder wenselijk zijn om te starten met mirtazapine (of een TCA) als middel van eerste keus, aangezien mirtazapine een vergroot risico geeft op verslechtering van cognitieve stoornissen en cardiale problematiek, en een interactie geeft met bloedverdunners.

Haalbaarheid

De noodzaak tot het vooraf verrichten van een ecg (bij TCA’s) of herhaaldelijk bloedonderzoek in verband met leverfuncties (bij agomelatine) kan problemen geven met betrekking tot de haalbaarheid van behandeling met deze middelen. Deze factoren spelen bij SSRI’s geen rol.

Waarom deze aanbeveling?

In algemene zin lijkt het effect van antidepressiva bij patiënten > 70 jaar minder groot dan bij jongere volwassenen. Dit leidt tot de conclusie dat het bij patiënten > 70 jaar nog meer van belang is om de effecten van behandeling met antidepressiva goed te evalueren en zo nodig de behandeling aan te passen.
Indien medicamenteuze behandeling van een depressieve stoornis noodzakelijk is, adviseren we bij patiënten > 70 jaar SSRI’s als eerstekeuzemiddelen. De beschreven review geeft onvoldoende aanleiding om deze voorkeur aan te passen. Er zijn (grote) nadelen: het gebrek aan ervaring met andere middelen, de geldende contra-indicaties zoals cognitieve problemen of een cardiale voorgeschiedenis, en de noodzaak tot aanvullend onderzoek rondom de start van behandeling (ecg, bloedonderzoek op leverfuncties). Daar staat tegenover dat er met SSRI’s uitgebreide ervaring is opgedaan in de hiusartsenpraktijk, dat ze minder bijwerkingen hebben en dat het doseringsgemak groter is. Ook zijn SSRI’s veiliger bij overdosering.  192  
Citalopram en sertraline blijven de SSRI van voorkeur in verband met ervaring, gunstiger bijwerkingenprofiel, kleiner interactiepotentieel, beperkte risico’s bij overdosering en gebruiksgemak.

Risico op hyponatriëmie door antidepressiva bij ouderen

Vanwege het risico op hyponatriëmie wordt aangeraden om bij ouderen die een SSRI in combinatie met een diureticum gebruiken, het natriumgehalte 5-9 dagen na de start te controleren. Bij patiënten die geen diuretica gebruiken, is natriumcontrole van belang bij andere vormen van volumedepletie (zoals braken en diarree), bij signalen van verwardheid of bij veel plassen (zie Farmacotherapeutisch Kompas).  193   194   195  

Tabel h2. Medicamenteuze behandeling depressieve stoornis: antidepressiva

 

Citalopram 

Escitalopram 

Fluoxetine 

Sertraline 

(Jong)volwassenen (18-70 jaar) 

Startdosering1 

1 dd 20 mg 

1 dd 10 mg 

1 dd 20 mg 

1 dd 50 mg 

Maximale dosering 

1 dd 40 mg 

1 dd 20 mg 

1 dd 60 mg 

1 dd 200 mg 

Ouderen (> 70 jaar)

Startdosering1

1 dd 10 mg 

Geen 1e keus 

Geen 1e keus 

1 dd 25 mg 

Maximale dosering 

1 dd 20 mg 

 

 

1 dd 200 mg 

Zwangerschap en lactatie 

Stop of verander niet ineens van antidepressivum tijdens zwangerschap en lactatie. Verwijs voor starten van antidepressiva naar de ggz of POP-poli (zie Consultatie en verwijzing). 

Opmerkingen 

  • Adviseer de patiënt het middel in de ochtend te gebruiken.
  • Veelvoorkomende bijwerkingen zijn maagdarmstoornissen, hoofdpijn, anorexie, agitatie, slapeloosheid, seksuele stoornissen en gewichtsverandering.
  • Niet combineren met MAO-remmers, TCA’s (clomipramine en imipramine) en tramadol (serotoninesyndroom).
  • In combinatie met NSAID’s, anticoagulantia, acetylsalicylzuur, corticosteroïden zie de NHG-Behandelrichtlijn Preventie van maagcomplicaties door geneesmiddelgebruik.
  • Combinatie met diuretica geeft mogelijk hyponatriëmie.
  • Bij (es)citalopram is er risico op ritmestoornissen (QT-verlenging bij onder andere hartfalen, recent myocardinfarct).
  • Bij gebruik van tamoxifen heeft (es)citalopram de voorkeur.
  • Een dosering citalopram van 10 mg in tabletvorm is gelijk aan 8 mg van de druppelvloeistof.
  • Rijvaardigheid: niet rijden zolang bijwerkingen optreden, zie ook rijveiligmetmedicijnen.nl

1 De startdosering is gelijk aan de minimaal effectieve dosering.

Onvoldoende verbetering of non-respons na 4-6 weken

  • Bij onvoldoende verbetering: ga na of er in stand houdende factoren zijn, zoals comorbiditeit en ongunstige sociale omstandigheden, hoe de motivatie en therapietrouw zijn en/of meer ondersteuning gewenst is.
  • Overweeg bij een gedeeltelijke respons om de behandelperiode te verlengen tot maximaal tien weken.
  • Indien de dosering qua verdraagbaarheid verder verhoogd kan worden (tot maximale dosering) zou dit (wanneer nog niet geprobeerd) alsnog een mogelijkheid zijn.
  • Wissel bij onvoldoende verbetering op een antidepressivum na 4 tot 6 weken naar een ander antidepressivum uit tabel h2. Wisselen van escitalopram naar citalopram en vice versa is niet zinvol.
  • Een dagdosering van het ene middel kan van de ene dag op de andere vervangen worden door een dagdosering van een ander middel. Raadpleeg bij onzekerheid bij het overzetten van het ene op het andere antidepressivum de apotheker of psychiater.
  • Heroverweeg de diagnose indien er wederom na 4-6 weken geen respons optreedt of indien er onacceptabele bijwerkingen optreden, bouw de medicatie af en bied psychotherapie aan indien deze nog niet is gegeven of overleg met een psychiater. 
Details
Ophogen antidepressiva

Indien patiënten met een depressieve stoornis na vier tot zes weken niet of onvoldoende verbeteren bij gebruik van een SSRI in een standaarddosering, heeft verdere dosisophoging geen zin; het leidt tot meer bijwerkingen, maar niet tot verdere verbetering.  196  

Omzetten antidepressiva

Een andere mogelijkheid dan de standaarddagdosering van het ene middel van de ene dag op de andere te vervangen door een standaarddagdosering van een ander middel is de kruislingsmethode. Hierbij wordt de dosering van middel één gehalveerd en tegelijkertijd met de halve dosering van middel twee gestart. Na een week wordt middel één gestopt en middel twee in de volledige dagdosering gegeven. Houd hierbij wel de halfwaardetijd van middel één in de gaten; als die lang is (zoals bij fluoxetine), werkt dit middel nog dagen tot een week door. Met standaarddoseringen levert dat echter geen problemen op. Bij onzekerheid over het overzetten naar een ander antidepressivum doet de huisarts er goed aan de apotheker of een psychiater te raadplegen.

Afbouwen van SSRI’s

  • Bespreek met de patiënt het afbouwen van het antidepressivum.
  • Raad acuut stoppen met een antidepressivum af, omdat dit tot onttrekkingsverschijnselen kan leiden. Vanwege de lange halfwaardetijd is afbouwen bij fluoxetine waarschijnlijk niet nodig. Indien gewenst is een tussenstap door af te bouwen naar 20 mg/dag mogelijk.
  • Het Engelse acroniem FINISH is een geheugensteun voor de belangrijkste onttrekkingsverschijnselen: flu-like symptoms, insomnia, nausea, imbalance, sensory disturbances en hyperarousal. De verschijnselen treden meestal op binnen enkele dagen na het stoppen met een antidepressivum of (minder vaak) na het verlagen van de dosis.
  • Het risico op het optreden van onttrekkingsverschijnselen neemt bij SSRI’s toe als:
    • tijdens de behandeling hogere doseringen nodig waren voor een therapeutisch effect
    • onttrekkingsverschijnselen werden ervaren bij een gemiste dosis/therapie-ontrouw
    • eerdere stoppogingen zijn mislukt
  • Overleg zo nodig met de apotheker over de beschikbaarheid van lagere doseringen van het antidepressivum dat de patiënt gebruikt. 
Adviezen
  • Maak samen met de patiënt afspraken over het tempo en de doseringsstappen bij afbouwen.
  • Geef altijd uitleg over mogelijke onttrekkingsverschijnselen.
  • Maak afspraken over beschikbaarheid voor tussentijds contact.
Tempo en doseringsstappen
  • Halveer, bij afwezigheid van risicofactoren voor het optreden van onttrekkingsverschijnselen, de dosis en staak vervolgens na 2-4 weken volledig (zie tabel h3).
  • De snelheid van het doorlopen van de stappen is onderwerp van gedeelde besluitvorming en is afhankelijk van het verloop van het proces.
  • Het standaardtempo is 1 week per stap. Op geleide van ervaringen en optreden van onttrekkingsverschijnselen kan de snelheid van afbouw worden aangepast en eventuele tussenliggende doseringen worden toegevoegd.
  • Tussenliggende doseringen zijn (nog) niet geregistreerd in de handel verkrijgbaar en zullen door een apotheek vervaardigd moeten worden. Overleg met een apotheker over de mogelijkheden.
  • Consulteer zo nodig een psychiater of apotheker met uitgebreide kennis over het afbouwen van antidepressiva. 
Tabel h3. Voorbeeldschema’s bij afwezigheid van risicofactoren voor onttrekkingsverschijnselen
Stap 1: bouw de dosis in minimaal 2-4 weken af tot de minimaal effectieve dosering

 

 Minimaal effectieve dosering (mg/dag)

CitalopramEscitalopramFluoxetine*Sertraline
2010(20)50
Stap 2: halveer de minimaal effectieve dosering na minimaal 2 weken
Dosering tussenstap (mg/dag)105025
Stap 3: staak na minimaal 2-4 weken volledig
*Vanwege de lange halfwaardetijd is afbouwen bij fluoxetine waarschijnlijk niet nodig. Indien gewenst is een tussenstap door af te bouwen naar 20 mg/dag mogelijk
Bron: Multidisciplinair document ‘Afbouwen SSRI’s & SNRI’s’

 

Onttrekkingsverschijnselen
  • Stel bij milde of matige onttrekkingsverschijnselen gerust en schrijf zo nodig kortdurend ondersteunende medicatie voor.
  • Keer bij het optreden van ernstige onttrekkingsverschijnselen terug naar de laagste dosis zonder onttrekkingsverschijnselen, en kies voor een afbouw vanaf deze dosis met een meer geleidelijk afbouwschema qua doseringsstappen en tempo (tabel h4). De snelheid van het doorlopen van de stappen is onderwerp van gedeelde besluitvorming en afhankelijk van het verloop van het proces.
  • Kies bij de aanwezigheid van 1 of meer risicofactor(en) voor het optreden van onttrekkingsverschijnselen voor een afbouw tot 0 met een meer geleidelijk afbouwschema qua doseringsstappen en tempo (tabel h4).
  • Doseer antidepressiva bij het afbouwen niet om de dag, omdat dit grote veranderingen in plasmaconcentratie geeft met een risico op onttrekkingsverschijnselen.
  • Aarzel niet om bij ernstige onttrekkingsverschijnselen de dosis weer te verhogen. Dit maakt het onderscheid helder tussen onttrekkingsverschijnselen en terugval of recidief. Bij onttrekkingsverschijnselen verdwijnen de klachten snel en bij een terugval of recidief niet. Leg dit goed uit aan de patiënt.

Tabel h4. Voorbeelden van afbouwschema’s bij aanwezigheid van ≥ 1 risicofactor* of ernstige onttrekkingsverschijnselen
StapDosering (mg/dag)
CitalopramSertralineEscitalopram
1205010
210255
36153
44102
537,51,5
6251
712,50,5
80,51,250,25
9000

* Risicofactoren:

  • onttrekkingsverschijnselen bij gemiste dosis
  • eerdere mislukte stoppoging
  • hogere dosering nodig tijdens behandeling

Bron: Multidisciplinair document Afbouwen SSRI’s & SNRI’s. Zie hierin ook afbouwschema’s voor andere SSRI’s

Details
Afbouwen antidepressiva

De aanbevelingen en adviezen over het afbouwen van antidepressiva zijn gebaseerd op het Multidisciplinair document ‘Afbouwen SSRI’s & SNRI’s’, dat is opgesteld door afgevaardigden namens huisartsen (NHG), psychiaters (NVvP), apothekers (KNMP) en patiënten (MIND).
Zie voor voor voorbeeldafbouwschema’s en benodigde minimale doseereenheden van antidepressiva dit Multidisciplinair document.  167  
De noodzakelijke doseereenheden voor de geleidelijkere afbouwschema’s zijn niet geregistreerd in de handel beschikbaar. Niet iedere apotheek heeft bereidingsfaciliteiten en zal daarom, in samenwerking met een wel bereidende apotheek, naar een passende oplossing zoeken voor het leveren van het gewenste maatwerk voor de patiënt. De bereidende apotheek moet een kwaliteitssysteem bezitten dat afgestemd is op de schaalgrootte van bereiding. De in een apotheek bereide producten moeten voldoen aan wettelijke kwaliteitseisen.

ControlesNaar Samenvatting
  • Vraag tijdens een controle naar:  
    • het beloop van de klachten
    • de aanwezigheid van resterende depressieve symptomen (geen of verminderde interesse in activiteiten, neerslachtigheid of depressief gevoel, slaapproblemen, vermoeidheid, gevoel van teleurstelling of mislukking, concentratieproblemen, traagheid, rusteloosheid, suïcidaliteit)
    • de aanwezigheid van andere psychische klachten (piekeren, angstklachten)
    • alcohol- en drugsgebruik
    • het (sociale) functioneren (taken in en om het huis, werk, afspraken met andere mensen, daginvulling)
    • de ondernomen activiteiten
  • Overweeg gebruik van een vragenlijst om de ernst van de klachten te kunnen volgen, zoals de Patient Health Questionnaire (PHQ-9), bijvoorbeeld bij de start van medicatie en/of wanneer meerdere behandelaren van verschillende echelons zijn betrokken.
Details
Waarom deze aanbeveling?

Hoewel er geen bewijs is voor het effect op het behandelresultaat van het gebruik van vragenlijsten bij de monitoring van (een) depressieve klachten/ stoornis, denken we dat het toch zinvol kan zijn om (in ieder geval in sommige gevallen) gedurende het behandeltraject bij (een) depressieve klachten/ stoornis gebruik te maken van een monitoringsvragenlijst. De praktische voordelen van het gebruik geven hierbij de doorslag: de handvatten die de lijst voor het consult kan geven, alsmede de mogelijkheid om het beloop van de klachten objectief in kaart te brengen. Deze voordelen van het gebruik van vragenlijsten spelen vooral bij patiënten waarbij medicatie gestart wordt, waarbij verschillende behandelaars betrokken zijn en bij patiënten die mogelijk naar de 2e lijn verwezen zouden kunnen worden.
De voorkeur gaat hierbij uit naar de PHQ-9, omdat dit de kortste geschikte vragenlijst is voor dit doel. De PHQ-9 bestaat uit 9 items en geeft een score tussen 0 en 27. De ontwikkelaars beschrijven hierbij scores van 5, 10, 15 en 20 als afkapwaarden voor milde, matige, matig ernstige en ernstige depressieve klachten. Het invullen duurt 5 minuten.

Van bewijs naar aanbeveling

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs voor het mogelijke effect van vragenlijsten als instrument voor monitoring van (een) depressieve klachten/ stoornis op behandeluitkomsten is laag. Bewijs voor de validiteit van depressievragenlijsten ten behoeve van monitoring in de eerste lijn ontbreekt. De kwaliteit van bewijs voor de validiteit van depressievragenlijsten ten behoeve van monitoring in andere settings is laag.

Voor- en nadelen van monitoring met vragenlijsten

Het is onduidelijk of het routinematig invullen van vragenlijsten over de ernst van depressieve klachten een positief effect heeft op het behandelresultaat. Ook is er geen bewijs voor de validiteit van depressievragenlijsten voor dit doel in de eerste lijn.
Desondanks kan het gebruik van vragenlijsten de behandelaar en patiënt ondersteunen bij het verkrijgen van een volledig beeld van de depressieve klachten. Ook kan de ernst van de klachten objectief vergeleken worden met de ernst op eerdere momenten, zelfs wanneer de patiënt eerder door een andere behandelaar gezien is. Tot slot is het bespreken van de score op een vragenlijst een taak die door verschillende zorgverleners in de keten uitgevoerd kan worden. In de huisartsenpraktijk kan dat (afhankelijk van de werkafspraken) zowel de huisarts als de poh-ggz zijn.

Waarden en voorkeuren van patiënten

De patiënt zou het invullen van vragenlijsten als een belasting kunnen zien, omdat het extra tijd kost voorafgaand aan een consult. Ook zou er, met name wanneer de uitslag tijdens het consult niet (goed) nabesproken wordt, een gevoel van afstandelijke of onpersoonlijke zorg kunnen ontstaan. De werkgroep heeft echter de ervaring dat patiënten het prettig vinden om met een vragenlijst inzicht te krijgen in de mate van klachten.
Het invullen van een vragenlijst voorafgaand aan een controleafspraak kan er echter ook voor zorgen dat de patiënt even de tijd neemt om over de klachten en veranderingen hierin na te denken. Dit kan het gevoel van grip op de klachten vergroten en handvatten bieden voor het gesprek met de behandelaar. Ook kunnen veranderingen in scores op de vragenlijst de patiënt zelf meer inzicht geven in het beloop van de klachten.

Kosten

Het invullen en nabespreken van een vragenlijst kost geen geld, maar wel tijd. Tijd die, zeker tijdens het consult zelf, schaars is. Om die reden is het van belang dat de vragenlijst die gebruikt wordt zo kort mogelijk is. De kortste beschikbare vragenlijst voor monitoring van de ernst van de depressieve stoornis is de PHQ-9. Deze bevat slechts 9 items en het invullen kost de patiënt 5 minuten. Omdat de validiteit van de beschikbare vragenlijsten in de eerste lijn onbekend is en in andere settings min of meer vergelijkbaar is, vormt de beperkte tijdsinvestering die de PHQ-9 vergt ten opzichte van de andere vragenlijsten een voordeel. 

Aanvaardbaarheid en haalbaarheid

  • We verwachten dat het invullen van een korte vragenlijst voorafgaand aan een consult voor de meeste patiënten aanvaardbaar en haalbaar zal zijn. We verwachten dat het bespreken van de uitslagen ook voor de huisarts of poh-ggz aanvaardbaar en haalbaar is, omdat de thema’s die in de vragenlijst naar voren komen ook zonder vragenlijst aan de orde zouden moeten komen tijdens de evaluatie van (een) depressieve klachten/ stoornis.
  • In de generalistische basis-ggz en de specialistische ggz is het gebruik van vragenlijsten aanvaardbaar en gebruikelijk, en wordt het als ondersteunend ervaren om de klachten te kunnen objectiveren.
Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Welke in Nederland gebruikte depressievragenlijsten zijn gevalideerd voor het monitoren van de ernst van depressieve klachten bij patiënten met (een) depressieve klachten/ stoornis in de eerste lijn?

Achtergrond

De behandeladviezen voor depressieve klachten en een depressieve stoornis in deze standaard zijn opgebouwd volgens het principe van stepped care. Dit houdt in dat men start met de eenvoudigste interventie die passend wordt geacht bij de ernst van de klachten en vervolgens kijkt of gekozen interventie voldoende effect heeft, dan wel moet worden uitgebreid.
Om het effect van de gekozen behandelstappen en het bepalen of aanvullende behandelstappen nodig zijn) is monitoring van de klachten van belang. 
Doorgaans worden depressieve klachten door huisartsen gemonitord door te vragen hoe het gaat en door gebruik te maken van de klinische blik. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van meetinstrumenten waarin systematisch relevante symptomen nagevraagd worden. Een risico van deze methode is dat soms  belangrijke symptomen gemist worden, wanneer dezedie niet gestructureerd uitgevraagd zijn soms gemist en bovendien is de ernst van de klachten op verschillende momenten lastig te vergelijken. Daarom worden in de tweedelijns ggz, maar ook in zorgprogramma’s in huisartsenpraktijken, de laatste jaren vaker systematisch vragenlijsten ingezet voor de monitoring van depressieve klachten tijdens een behandeltraject.  197  
Vragenlijsten helpen de behandelaar een volledig beeld van de klachten te verkrijgen en de ernst van de klachten objectief te vergelijken met de ernst op eerdere momenten. En bij een eventuele overdracht geeft een overzicht van de scores gedurende de behandelperiode de andere behandelaar (bijvoorbeeld in de tweede lijn) een inzichtelijk beeld in het beloop van de depressieve stoornis tot dat moment. Vragenlijsten kunnen dus een zinvolle bijdrage leveren aan de monitoring van depressieve klachten. Het is echter onduidelijk welke vragenlijsten voor dit doel gevalideerd zijn in de eerste lijn.

Methode

De Zorgstandaard Depressieve stoornissen noemt enkele vragenlijsten die te gebruiken zijn voor het monitoren van depressieve klachten: de Inventory of Depressive Symptomatology (IDS, 30 items), de Quick Inventory of Depressive Symptomatology (QIDS, 16 items), de Patient Health Questionnaire 9 (PHQ-9, 9 items), de Beck Depression Inventory, second edition (BDI-II, 21 items), de Hamilton Depression Rating Scale 17 (HDRS-17, 17 items) en de Montgomery-Åsberg Depression Rating Scale (MADRS, 10 items).  198   Deze lijst is opgesteld op basis van een peiling onder professionals en patiënten in Nederland naar veelgebruikte vragenlijsten ten behoeve van monitoring. De werkgroep heeft besloten de instrumenten uit deze lijst te gebruiken als basis voor het literatuuronderzoek. Onderzocht is welke van de in de Zorgstandaard Depressieve stoornissen geadviseerde vragenlijsten in de literatuur valide zijn bevonden voor monitoringdoeleinden in de eerste lijn.

De Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL)

De 4DKL is in de huisartsenpraktijk vaak gebruikte vragenlijst voor depressieve klachten, angst, distress en somatisatie.  71   73   De 4DKL is ontwikkeld als screeningsinstrument voor psychosociale klachten en ondersteunt de differentiatie tussen de genoemde 4 dimensies: welke klachten staan het meest op de voorgrond? De Generieke module Psychische klachten in de huisartsenpraktijk adviseert de 4DKL ook te gebruiken bij het monitoren van algemene psychische klachten, maar de 4DKL is daar niet voor gevalideerd en wordt ook niet genoemd in de Zorgstandaard Depressieve stoornissen. Tot slot wordt de 4DKL in de ggz nauwelijks gebruikt, waardoor bijgehouden scores minder zinvol zijn wanneer een patiënt later toch naar de ggz verwezen wordt.
We concluderen dat de 4DKL erg zinvol kan zijn tijdens de diagnostische fase van psychosociale klachten in de huisartsenpraktijk, maar niet tijdens de monitoring van (een) depressieve klachten/ stoornis.

Zoeken en selecteren literatuur

Er is een systematische zoekactie (december 2020) uitgevoerd in PubMed en Embase (zie Totstandkoming en methoden) naar systematische reviews en overige onderzoeken. Tabel d6 toont de selectiecriteria. 

Tabel d6. Selectiecriteria voor vragenlijsten bij het monitoren van depressieve klachten
Onderzoeken

Systematische reviews

Overige onderzoeken

PatiëntenPatiënten met een major depressive disorder
Vragenlijsten

Veelgebruikte vragenlijsten in Nederland voor het meten van de ernst van depressieve klachten op basis van peiling Zorgstandaard:

  • Inventory of Depressive Symptomatology (IDS)
  • Quick Inventory of Depressive Symptomatology (QIDS)
  • Patient Health Questionnaire 9 (PHQ-9)
  • Beck Depression Inventory (BDI-II)
  • Hamilton Depression Rating Scale 17 (HDRS-17)
  • Montgomery-Åsberg Depression Rating Scale (MADRS)
Referentietest

Gestructureerde interviews (bijvoorbeeld MINI of SCID)

Andere vragenlijsten

UitkomstmatenErnst van de depressieve stoornis
SettingEerste lijn
Resultaten

Resultaten zoekactie

De zoekactie leverde 22 systematische reviews op en 231 overige onderzoeken. Helaas bleek geen van de onderzoeken te gaan over de validering van depressievragenlijsten voor monitoring in de eerste lijn.
Besloten is handmatig een aanvullend literatuuronderzoek te verrichten naar mogelijk relevante onderzoeken, die toch zouden kunnen bijdragen aan het beantwoorden van de vraag. De resultaten hiervan worden beschreven.

Onderzoekskarakteristieken

Algemene effectiviteit van routine outcome monitoring in de ggz

  • Kendrick 2016: In een cochranereview is onderzocht of routine outcome monitoring (ROM; het invullen van vragenlijsten en het terugkoppelen van de scores aan behandelaar en/of patiënt) bij veelvoorkomende psychische stoornissen in algemene zin de behandeluitkomsten verbetert . In deze review werden 17 RCT’s geïncludeerd (n = 8787), waarvan 9 uitgevoerd in een multidisciplinaire psychische zorgsetting, 6 in een psychologische zorgsetting en 2 in de eerste lijn (n = 1260). De onderzoekspopulaties bestonden uit patiënten met diverse psychische stoornissen, vastgesteld met behulp van DSM- of ICD-criteria. De 2 eerstelijns RCT’s werden niet in de meta-analyses meegenomen omdat de gebruikte vragenlijsten te beperkt waren of afweken van de andere onderzoeken. Er werd op basis van de meta-analyse geen bewijs gevonden dat ROM een gunstig effect heeft op de ernst van de klachten, de kwaliteit van leven of andere uitkomsten. De auteurs beoordeelden de kwaliteit van bewijs van de geïncludeerde onderzoeken als laag. De 2 eerstelijns RCT’s werden apart beschreven en lieten conflicterende resultaten zien.  199  
  • Chang 2012: Het eerste onderzoek betrof een cluster-RCT (n = 642) bij patiënten met depressieve klachten (gemiddelde PHQ-9 score bij aanvang 15,4). Deelnemers werden 6 maanden gemonitord middels de PHQ-9 vragenlijst. In de interventiegroep werden de scores teruggekoppeld aan behandelaar en patiënt, in de controlegroep gebeurde dit niet. In dit onderzoek werden hogere verbeteringspercentages (≥ 50% afname van de PHQ-9-score) en herstelpercentages gevonden in de groep die de terugkoppeling kreeg ten opzichte van de groep die dit niet kreeg (OR voor verbetering 2,02; 95%-BI 1,36 tot 3,02; OR voor herstel 1,59; 95%-BI 1,07 tot 2,37). Er werd echter geen verschil in de gegeven behandeling gevonden tussen de 2 groepen. Als mogelijke verklaring voor het gunstige effect van terugkoppeling gaven de auteurs het effect van het invullen van vragenlijsten en monitoring op het zelfbewustzijn van de patiënt zelf.  200  
  • Mathias 1994: Het tweede onderzoek betrof een cluster-RCT (n = 618) bij patiënten met hoofdzakelijk angstklachten (70% had ook depressieve klachten volgens de SCL-90-R) die gemonitord werden middels een voor het onderzoek samengestelde PROM, opgebouwd uit diverse vragenlijsten. Ook hier werden in de interventiegroep de scores teruggekoppeld en in de controlegroep niet. In dit onderzoek werd juist een significant verschil gevonden in herkenning en/of behandeling door de clinicus: 35,6% van de patiënten in de interventiegroep versus 20,8% in de controlegroep (p < 0,01), en geen verschil in respons- en herstelpercentages (verandering op Global Severity index 3,81 (SE 0,45) in de interventiegroep versus 3,71 (SE 0,59) in de controlegroep; p = 0,89).  201  
  • Het risico op bias werd voor beide onderzoeken hoog ingeschat. Bij Chang et al. speelden onder andere hoge uitval en niet rapporteren van gemeten uitkomstmaten een rol, bij Mathias et al. een gebrek aan adequate randomisering en blindering.  200   201  

Validiteit van specifieke depressievragenlijsten in andere settings dan de eerste lijn

Het literatuuronderzoek leidde niet tot de identificatie van valideringsonderzoeken van depressievragenlijsten voor monitoring in de eerste lijn. Wel werden er voor alle beschreven vragenlijsten relevante validiteitonderzoeken gevonden die in andere settings zijn verricht.

  • Rush 2003: Rush et al. vergeleken de psychometrische eigenschappen van de IDS-SR en de QIDS-SR bij monitoring van de ernst van de depressieve stoornis in een populatie van poliklinische patiënten met een depressieve stoornis (n = 596). De score op de QIDS-SR werd vergeleken met die op de IDS-SR en de Hamilton Rating Scale for Depression (HAM-D). De totaalscores op de QIDS-SR correleerden in hoge mate met de IDS-SR (0,96) en HAM-D (0,86). De QIDS-SR bleek net zo gevoelig voor veranderingen als de IDS-SR en HAM-D. De auteurs concludeerden dan ook dat de validiteit van alle 3 de vragenlijsten vergelijkbaar is.  202  
  • Löwe 2004: Löwe et al onderzochten in verschillende settings veranderingen in scores op de PHQ-9 over de tijd en vergeleken deze met gestandaardiseerde interviews (n = 434, gemiddelde leeftijd 71 jaar). De veranderingen op de PHQ-9 discrimineerden accuraat tussen een persisterende depressieve stoornis, gedeeltelijke remissie en volledige remissie gebaseerd op het gestandaardiseerde interview. De minimal clinically important difference voor individuele verandering was 5 punten (op een schaal van 27 punten). De auteurs concludeerden de PHQ-9 een betrouwbaar instrument is voor de evaluatie van de effecten van behandeling.  77  
  • Hiroe 2005: Hiroe et al onderzochten bij poliklinische patiënten met een depressieve stoornis (n = 80) de verschillen in score op de BDI-II tussen het eerste consult en 2 weken daarna, vergeleken met de scores op de Clinical Global Impression-Change Scale. De BDI-II bleek alle ernststadia van een depressieve stoornis te kunnen onderscheiden en bleek ook gevoelig voor verandering: de minimally important clinical difference was 5 punten. Een matig verschil correspondeerde met een verschil van 10-19 punten en een groot verschil met ≥ 20 punten.  203  
  • Fantino 2009: Tot slot is ook de bruikbaarheid van de MADRS voor monitoring van de ernst van een depressieve stoornis in verschillende settings onderzocht. In een 8 weken durende RCT werden 278 patiënten met een depressieve stoornis gemonitord middels een MADRS afgenomen door de arts.  204   Cronbachs alfa (een maat voor de betrouwbaarheid van de test) was 0,84, en de stabiliteit van de vragenlijstscore over de tijd bij patiënten van wie de klachten niet veranderden was goed (intraklassecorrelatiecoëfficiënt 0,78). De vragenlijst had voor de uitkomst ‘ervaren remissie’ een sensitiviteit van 82% en een specificiteit van 75%. De auteurs concludeerden dat de MADRS geschikt is voor evaluatiedoeleinden bij patiënten met een depressieve stoornis.

Vergelijkbaarheid van scores op de verschillende vragenlijsten

  • Zimmerman 2017: Zimmerman et al. vergeleken 3 verschillende vragenlijsten voor het vaststellen van remissie van een depressieve stoornis. Aan poliklinische patiënten met een depressieve stoornis (n = 153) werd gevraagd bij aanvang en na 4 maanden 3 depressievragenlijsten in te vullen: de CUDOS, de QIDS-SR en de PHQ-9. Daarnaast werden de HDRS-17 en de MADRS afgenomen door de behandelend arts. Vervolgens werd op basis van de bijbehorende afkapwaarden gekeken naar de overeenkomst in vastgestelde remissies tussen de vragenlijsten onderling. De mate van overeenstemming tussen de vragenlijsten was 79-84%. Het percentage depressieve stoornissen in remissie bij gebruik van de HDRS was significant hoger dan bij de QIDS-SR (35 vs. 23%; p < 0,001) en significant lager dan bij de CUDOS (35 vs. 47%; p < 0,001). De auteurs concludeerden dat het belangrijk is deze mogelijke verschillen tussen vragenlijsten in acht te nemen.  205  
  • Zimmerman 2012: Een eerder cross-sectioneel onderzoek van dezelfde onderzoeksgroep toonde al aan dat ook de indeling in ernstcategorieën tussen de verschillende vragenlijsten kan verschillen. Aan poliklinische patiënten met een depressieve stoornis (n = 245) werd gevraagd de CUDOS, de QIDS-SR en de PHQ-9 in te vullen. De HDRS-17 werd afgenomen door de behandelend arts. Bij de CUDOS en de HDRS-17 was een milde depressieve stoornis de meest voorkomende ernstcategorie, bij de PHQ-9 en de QIDS-SR werd de meerderheid van de patiënten als ernstig depressief bestempeld. Bij gebruik van de CUDOS werden significant minder patiënten als ernstig depressief geclassificeerd dan bij de PHQ-9 (McNemar = 153,8; p < 0,001) en de QIDS (McNemar = 114,0; p < 0,001).  206  
Conclusie
  • Het is onduidelijk of bij patiënten met depressieve klachten het routinematig gebruik maken van vragenlijsten gedurende een behandeltraject invloed heeft op het resultaat van de behandeling.
  • Er zijn geen onderzoeken over validiteit van vragenlijsten voor monitoring van depressieve klachten in de eerste lijn.
  • Voor alle genoemde vragenlijsten (IDS, QIDS, PHQ-9, BD-II, HDRS-17, MADRS) is enige onderbouwing voor de validiteit met betrekking tot monitoring van een depressieve stoornis in andere settings dan de eerste lijn. De psychometrische eigenschappen vertonen onderling geen grote verschillen.
  • De ernstcategorieën van de verschillende vragenlijsten kunnen onderling wel verschillen.

Aandachtspunten bij antidepressiva

  • Vraag expliciet naar bijwerkingen (ook seksuele bijwerkingen)en therapietrouw.
  • Besteed bij jongvolwassenen (18-25 jaar) aandacht aan (het ontstaan van) suïcidaliteit.
    • Controleer hen na de start van de SSRI wekelijks, gedurende minimaal 1 maand.
    • Bij een gunstig beloop kan de periode tussen de controles daarna langer worden.
  • Besteed bij de start van een antidepressivum bij patiënten > 70 met een depressieve stoornis veel aandacht aan de evaluatie van het effect en bijwerkingen. Dit in verband met een waarschijnlijk lagere effectiviteit van antidepressiva en grotere gevoeligheid voor bijwerkingen dan bij jongere volwassenen.
  • Bespreek bij langdurig gebruik van antidepressiva ( > 1 jaar) jaarlijks de voor- en nadelen van gebruik.
  • Overleg met de patiënt of controle na afsluiting van een behandeling in de ggz gewenst is. Indien er een afbouwadvies van antidepressiva is gegeven; begeleid de patiënt bij het afbouwen van antidepressiva. 

Frequentie

  • Bespreek de frequentie van de controles met de patiënt.
  • De frequentie van de vervolgcontacten is afhankelijk van de ernst van de klachten en de wijze waarop de patiënt ermee omgaat en de leeftijd:
    • bij depressieve klachten: een periode van 3-4 weken
    • bij een depressieve stoornis: een periode van 1-2 weken
    • bij een depressieve stoornis bij jongvolwassenen: wekelijkse controles de eerste maand na start antidepressiva
    • bij een gunstig beloop kan de periode tussen de controles geleidelijk aan langer zijn

Herstel en re-integratie/participatie

  • Ga, als de patiënt door de klachten (nog) niet kan werken, na of de bedrijfsarts het proces van arbeidsre-integratie begeleidt.
  • Stem in overleg en met toestemming van de patiënt zo mogelijk af met de bedrijfsarts.
Terugvalpreventie
  • Besteed na het herstel aandacht aan terugvalpreventie.
  • Geef de instructie om vroegtijdig contact op te nemen bij recidiefklachten.
  • Ga bij de patiënt na of er als onderdeel van de behandeling in de ggz een terugvalpreventieplan/signaleringsplan gemaakt is. Bespreek dit met de patiënt en neem het op in het dossier.
  • Bied patiënten met een persisterende depressieve stoornis, ondanks behandeling binnen de gespecialiseerde ggz, aanvullende ondersteuning en begeleiding in de huisartsenpraktijk aan. Deze moet vooral gericht zijn op het sociaal functioneren en het welzijn van de patiënt.
Details
Arbeid en re-integratie

Bij de afwegingen over werkhervatting moet rekening worden gehouden met de ingezette behandeling en de fase waarin de behandeling zich bevindt. Als vanwege de ernst van de symptomen behandeling geïndiceerd is, moeten eerst de symptomen naar een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht, voordat de werkzaamheden weer opgepakt kunnen worden. Een te vroege confrontatie met weer te moeten werken, zonder een goede voorbereiding, kan decompenserend werken. Het advies om een depressieve medewerker tijdelijk met andere werkzaamheden te belasten moet zorgvuldig worden afgewogen, in goed overleg met de werknemer. 100  Factoren die re-integratie begunstigen zijn: mogelijkheden voor positieve (succes)ervaringen in het werk, de mogelijkheid van een aangepaste productienorm en een omgeving die sociale participatie stimuleert. Uit een overzicht over de onderzoeken naar de prognose van werkhervatting bij psychische aandoeningen, blijkt dat een aantal factoren de duur tot werkhervatting voorspellen: verzuimduur (bij reeds langer verzuim is hervatting vaker problematisch); cognitief functioneren (concentratieproblemen belemmeren werkhervatting); rol leidinggevende (een actieve leidinggevende bespoedigt de werkhervatting); geslacht (mannen hervatten sneller dan vrouwen); leeftijd (jongeren hervatten sneller dan ouderen); opleiding (laagopgeleiden hervatten sneller dan hoogopgeleiden).  207  

Terugvalpreventieve psychotherapeutische interventies

In de MDR Depressie (2024) worden, na het herstel van een depressieve stoornis, de volgende terugvalpreventieve psychotherapeutische interventies aanbevolen: preventieve cognitieve therapie (PCT), mindfulness-based cognitive therapy (MBCT) en continuatie-cognitieve therapie (C-CT).  81  

Consultatie en verwijzingNaar Samenvatting

Indicaties voor consultatie van en/of verwijzing naar de generalistische basis-ggz

  • een psychologische behandeling (tenzij in de huisartsenpraktijk een kortdurende psychologische behandeling wordt aangeboden)
  • een depressieve stoornis of persisterende depressieve stoornis met onvoldoende effect van kortdurende psychologische behandeling in de huisartsenpraktijk

Indicaties voor directe consultatie van en/of verwijzing naar de gespecialiseerde ggz

  • verhoogd suïciderisico (zie Module suïcidaliteit)
  • bipolaire stoornis of psychotische kenmerken
  • post-partumdepressie met psychotische kenmerken of inadequate verzorging van het kind
  • depressieve stoornis met ernstig sociaal disfunctioneren, grote lijdensdruk of ernstige psychische comorbiditeit

Overige indicaties voor consultatie van en/of verwijzing naar de gespecialiseerde ggz

  • milde klachten bij bipolaire stoornis of psychotische kenmerken
  • een depressieve stoornis tijdens zwangerschap, kraambed of lactatie. Verwijs dan naar de gespecialiseerde ggz of een multidisciplinair team (bijvoorbeeld een ‘POP-poli’, meestal bestaande uit een psychiater, een gynaecoloog en een kinderarts) voor behandeling en medicatieadvies, afhankelijk van de hulpvraag, voorgeschiedenis en ernst van de klachten. Consulteer of verwijs ook indien de vrouw al voor de zwangerschap werd behandeld met antidepressiva.
  • onvoldoende herstel op psychotherapie en/of antidepressiva
  • niet kunnen afbouwen van antidepressiva (bij een wens om af te bouwen)
  • contra-indicaties voor eerstekeusantidepressiva (meestal volstaat consultatie)
Details
Antidepressiva tijdens zwangerschap en lactatie

SSRI’s kunnen waarschijnlijk veilig gebruikt worden tijdens het eerste en tweede trimester en geven mogelijk een risico in het derde trimester. Ineens stoppen of wisselen van antidepressivum tijdens de zwangerschap en lactatie wordt afgeraden. Wanneer gestart moet worden tijdens de lactatieperiode, is sertraline het voorkeursmiddel (het veiligst); (es)citalopram en fluoxetine zijn waarschijnlijk veilig (zie Voorkeursmiddelen antidepressiva). De start en keuze van een antidepressivum tijdens  zwangerschap en lactatie vergt extra aandacht en expertise. Bij de afweging of een antidepressivum noodzakelijk is, spelen de ernst van de depressieve stoornis, de mogelijkheid van alternatieve behandelingen en de duur van de zwangerschap een rol.
Bij gebruik van SSRI’s in het laatste trimester worden  poliklinische bevalling en observatie aanbevolen, onder andere in verband met  risico op persisterende pulmonale hypertensie bij de neonaat (PPHN) (zie Richtlijnmodule SSRI-antidepressiva in zwangerschap, concept geraadpleegd  9 mei 2022).

Farmacogenetisch onderzoek

Bij herhaaldelijke ineffectiviteit of ernstige bijwerkingen van (es)citalopram of sertraline kan farmacogenetisch onderzoek (CYP2C19) worden overwogen. Doorgaans zal de psychiater dit aanvragen indien geïndiceerd. 

Details
Plaatsbepaling farmacogenetisch onderzoek

Achtergrond

Variaties in DNA kunnen invloed hebben op de effectiviteit en verdraagbaarheid van sommige antidepressiva. Zo kan een genetisch bepaalde afwijkende activiteit van een van de cytochroom P450 (CYP-)enzymen, die een rol spelen bij het metaboliseren van medicatie in de lever, de oorzaak zijn dat een antidepressivum niet effectief is of veel bijwerkingen heeft bij de patiënt in kwestie. De in deze standaard aanbevolen antidepressiva worden met name door CYP2C19 en CYP2D6 omgezet in werkzame en niet-werkzame metabolieten. Een genvariatie kan zorgen voor een andere enzymactiviteit. Een afwijkende activiteit van CYP2C19 komt voor bij 4-25% van de wereldbevolking (veel vaker bij mensen van Aziatische afkomst dan bij mensen van Europese afkomst). Een afwijkende activiteit van CYP2D6 komt voor bij 20-30% van mensen van Europese afkomst en veel minder vaak bij mensen van Aziatische afkomst (KNMP-Kennisbank, geraadpleegd 2 september 2021).  Het onderzoeksveld met betrekking tot farmacogenetica en antidepressiva is nog volop in ontwikkeling (zie ook Leidraad farmacogenetica NVvP).  208   209   Het is nog onvoldoende duidelijk bij hoeveel antidepressiva en in welke mate (nog onontdekte) farmacogenetische aspecten een rol spelen.

Overwegingen

Farmacogenetisch onderzoek vóór start

Het NHG-Standpunt Farmacogenetisch onderzoek in de huisartsenpraktijk adviseert geen standaard farmacogenetisch onderzoek te doen bij geneesmiddelen die door CYP450-enzymen gemetaboliseerd worden. De startdosering van antidepressiva is laag, waardoor bij trage metaboliseerders in theorie geen bijwerkingen te verwachten zijn. Indien verdere dosisverhoging gebeurt op geleide van effectiviteit en bijwerkingen, zullen bijwerkingen vanzelf blijken en zal farmacogenetisch onderzoek vooraf niet bijdragen aan het beleid. Daarnaast leiden bijwerkingen niet tot blijvende schade, waardoor het acceptabel is om pas achteraf te corrigeren.

Farmacogenetisch onderzoek tijdens gebruik
  • Farmacogenetisch onderzoek kan in specifieke gevallen overwogen worden. Bijvoorbeeld bij een patiënt met onverwacht veel bijwerkingen. In de praktijk zal het antidepressivum bij onverwacht veel bijwerkingen of onvoldoende effectiviteit veelal gestaakt worden en zal worden overgestapt op een ander antidepressivum of verwezen worden naar de psychiater.
  • Farmacogenetisch onderzoek is alleen zinvol als bekend is dat een genvariatie kan leiden tot afwijkend metabolisme van een bepaald geneesmiddel én als er een advies beschikbaar is hoe de therapie aangepast moet worden om te lage effectiviteit of overmatige bijwerkingen te voorkomen. Het effect van genvariaties die gevonden worden bij trage, intermediaire of ultrasnelle metaboliseerders kan zo klein zijn dat dit niet tot een aangepast doseeradvies leidt.
  • Bij genvariaties van CYP2D6 is geen aanpassing nodig voor citalopram, escitalopram, fluoxetine en sertraline. In die gevallen is farmacogenetisch onderzoek dus niet zinvol.
  • Bij genvariaties van CYP2C19 daarentegen is wel een advies beschikbaar voor aanpassing van citalopram, escitalopram en sertraline, en kan farmacogenetisch onderzoek overwogen worden (zie tabel d7).

Tabel d7. Farmacogenetisch onderzoek bij genvariaties van CYP2C19
GeneesmiddelAdvies voor aanpassing beschikbaarOverweeg farmacogenetisch onderzoek
CitalopramIM, PMBij onverwacht veel bijwerkingen
ScitalopramUM, IM, PMBij onverwacht veel bijwerkingen of lage effectiviteit
SertralinePMBij onverwacht veel bijwerkingen

UM = ultrasnelle metaboliseerder; IM = intermediaire metaboliseerder; PM = trage metaboliseerder(poor metaboliser).

De uitslag van een farmacogenetisch onderzoek naar CYP2D6 is na ongeveer 2 weken bekend. Bij vragen over de interpretatie of aanpassing van de therapie kan de huisarts contact opnemen met het uitvoerend laboratorium of met een (ziekenhuis)apotheker.

Bron: KNMP-Kennisbank, geraadpleegd 2 september 2021

 

Kosten

De kosten van het onderzoek bedragen ongeveer € 50-75 (zie NHG-Standpunt Farmacogenetisch onderzoek in de huisartsenpraktijk).

Waarom deze aanbeveling?

  • De werkgroep is van mening van er nog weinig bekend is over de kosteneffectiviteit van farmacogenetisch onderzoek. Omdat het onderzoek tijd in beslag neemt en er een alternatief is (wisselen van antidepressivum), is de plaats van dit onderzoek in de eerste lijn beperkt.
  • Wanneer een patiënt bekend is met een polymorfisme van het CYP450-systeem vindt de werkgroep het wel zinvol om hiermee rekening te houden in de keuze en dosering van antidepressiva.
  • In de klinische praktijk heeft dit onderzoek vooral een plaats in de gespecialiseerde ggz; zo nodig kan de huisarts in overleg met de psychiater alvast het onderzoek inzetten.

Overige verwijzingen

  • Overweeg een verwijzing naar het algemeen maatschappelijk werk (vaak onderdeel van sociale wijk- of buurtteams), bedrijfsmaatschappelijk werk (bij werkgerelateerde problemen) of welzijnsorganisaties (Centrum Jeugd en Gezin; welzijnscoach, bijvoorbeeld via Welzijn op Recept) bij vragen over welzijn en jeugdzorg en bij complexe, met elkaar verweven problemen zoals:
    • sociaal-materiële problemen (huisvesting en financiën)
    • ontbreken van dagbesteding
    • eenzaamheid en relatieproblemen
    • problemen met de opvoeding
  • Besteed zorgvuldig aandacht aan de privacy van patiënten bij samenwerking met en verwijzing naar sociale wijkteams, omdat daarin ook niet-BIG-geregistreerde hulpverleners werken.
  • Overweeg patiënten met een depressieve stoornis te verwijzen naar een begeleid beweegprogramma gericht op een depressieve stoornis (in een groep of individueel, afhankelijk van de voorkeur van de patiënt).
  • Bij werknemers kunnen via de bedrijfsarts de mogelijkheden van de betrokken arbodienst verkend worden.
  • Besteed bij verwijzing aandacht aan de persoonlijke behoeften, wensen en voorkeuren van de patiënt.
  • Consulteer bij afbouwen van antidepressiva de apotheker over beschikbare afbouwmedicatie.
Details
Verwijzing van patiënten met een migratieachtergrond naar ggz

Voor een onderzoek naar hulpzoekgedrag en hulpbehoeften van patiënten met een migratieachtergrond in de ggz werden ggz-patiënten met een Surinaamse, Marokkaanse, Turkse en Nederlandse achtergrond geïnterviewd. Ongeveer een derde vond het zeer moeilijk om hulp te vragen bij de ggz, onder meer vanwege de angst niet serieus genomen te worden, de schaamte om over de problemen te praten en het idee dat een psychiater alleen ‘gekken’ behandelt.  210   Voor Nederlanders met een Antilliaanse, Arubaanse, Surinaamse, Marokkaanse en Turkse achtergrond geldt dat de zorgconsumptie van de ggz achterblijft ten opzichte van die van patiënten zonder migratieachtergrond. Er is een geringer aantal contacten en de uitval is hoger. Het contact met vrouwen met een migratieachtergrond blijft vaak beperkt tot de intake. Vrouwen met een Marokkaanse achtergrond maken het minst gebruik van de ambulante ggz.  211  
Sommige patiënten hechten aan een behandelaar die dezelfde sekse en achtergrond heeft als zijzelf. Momenteel zijn er verschillende plaatsen in Nederland waar hulpverleners zich specialiseren in de behandeling van patiënten met een migratieachtergrond. Ook is het van belang te weten dat een directe communicatiestijl soms kan afschrikken, evenals het bespreken van onderwerpen die in de eigen omgeving taboe zijn. Dit kan leiden tot passief gedrag (vanuit respect voor de behandelaar) en tot het gevoel geen controle te hebben over de klachten.  212  

Conclusie

Zowel de diagnose stellen als aansluiten bij de hulpbehoefte kan lastig zijn bij patiënten met verschillende achtergronden. Door persoonsgerichte zorg kan worden aangesloten bij iemands persoonlijke behoeften, wensen en voorkeuren. 

Module suïcidaliteitNaar Samenvatting

Kernboodschappen

  • Gedachten over suïcide zijn gebruikelijk bij een depressieve stoornis. Deze module bevat handvatten om hierover te spreken.
  • Het vragen naar suïcidaliteit hoort bij een goede beoordeling van een depressieve stoornis.
  • Een gesprek leidt niet tot een verhoogde kans op suïcide, en kan zelfs beschermend werken.
  • Een non-suïcidecontract wordt afgeraden; een veiligheidsplan opstellen is wel onderdeel van de behandeling van suïcidaliteit.

Inleiding

Achtergronden

  • In ongeveer 50% van de suïcides gaat het om mensen met een reeds bekende psychische stoornis, zoals een depressieve stoornis. Bij de overige suïcides is er geen diagnose van een psychiatrische stoornis, maar spelen psychologische (of lichamelijke) klachten en persoonlijke omstandigheden die leiden tot wanhoop vaak een rol.
  • ‘Suïcidaliteit’ omvat het geheel aan gedachten, plannen en pogingen die een zekere intentie uitdrukken om zichzelf te doden. Een synoniem voor suïcidaliteit is ‘suïcidaal gedrag’, waarbij ‘gedrag’ verwijst naar handelingen zowel als gedachten. Deze termen worden uitwisselbaar gebruikt.
  • Motieven voor suïcidaliteit kunnen sterk uiteenlopen. Zo kan er een weloverwogen en uitgesproken wens zijn te sterven. Soms volgt suïcidaal gedrag uit de behoefte om anderen iets duidelijk te maken. Het kan ook een wanhoopsdaad zijn, waarbij de patiënt zich gedreven voelt door de omstandigheden en/of door onmacht waarbij suïcide de enige mogelijke uitweg lijkt.
  • Biologische, psychologische en sociale factoren zijn van invloed op de aanwezigheid en mate van suïcidaliteit. Suïcidaal gedrag komt regelmatig voor bij depressieve stoornissen. Voor een inschatting van de ernst zijn zowel de suïcidale toestand (suïcidegedachten en suïcidale handelingen in de voorgeschiedenis en gedachten over de nabije toekomst) als de achterliggende factoren (stress- en kwetsbaarheidsfactoren en beschermende factoren) van belang. 
Details
Oorzaken van suïcidaliteit

Het is niet precies duidelijk waarom de ene persoon in een bepaalde situatie suïcidaal gedrag ontwikkelt en een ander in dezelfde omstandigheden niet. Wel is bekend dat allerlei biologische, psychologische en sociale factoren een rol spelen rondom de aanwezigheid en ernst van suïcidaliteit. Kwetsbaarheid, stressoren en entrapment (‘klem zitten’) vormen samen de centrale elementen die suïcidaal gedrag kunnen verklaren. Zie figuur d1 voor een schematische weergave van deze samenhang. 

Stroomschema stress- en kwetsbaarheidsfactoren https://www.ggzstandaarden.nl/generieke-modules/diagnostiek-en-behandeling-van-suicidaal-gedrag/introductie (geraadpleegd 1 juli 2021)
Figuur d1. Geïntegreerd model van stress- en kwetsbaarheidsfactoren en entrapment voor suïcidaliteit
 

Tabel d8. Stress- en kwetsbaarheidsfactoren voor suïcidaliteit en beschermende factoren
Stress- en kwetsbaarheidsfactoren

Algemeen:

  • Suïcidepoging
  • Letaliteit van de poging
  • Suïcidegedachten, intentie, plannen
  • Beschikbaarheid van een middel
  • Eerdere pogingen of zelfdestructief gedrag
  • Suïcide in de familie

Psychische aandoeningen:

  • Stemmingsstoornis
  • Angststoornis
  • Schizofrenie of psychotische stoornis
  • Intoxicatie (alcohol en/of drugs)
  • Verslaving
  • Eetstoornis
  • Persoonlijkheidsstoornis
  • Voorgeschiedenis van psychiatrische behandeling
  • Slaapstoornis

Psychologische factoren:

  • Wanhoop
  • Negatief denken
  • Denkt een last te zijn voor anderen
  • Angst
  • Agitatie en/of agressie
  • Impulsiviteit

Gebeurtenissen en verlies:

  • Verlieservaringen
  • Ingrijpende gebeurtenissen (onder andere huiselijk geweld, seksueel misbruik, verwaarlozing)
  • Lichamelijke ziekte, pijn
  • Werkloosheid
  • Detentie

Overig:
Onvoldoende contact bij onderzoek (te weinig informatie)

Beschermende factoren (selectie)

Goede sociale steun

  • Verantwoordelijkheid tegenover anderen, kinderen
  • Deel uitmaken van religieuze gemeenschap
  • Goede therapeutische relatie

Epidemiologie

  • In 2020 overleden 1825 mensen in Nederland door suïcide. 
  • Het aantal mannen dat suïcide pleegt is ongeveer 2 × zo hoog als het aantal vrouwen; vrouwen doen vaker suïcidepogingen.
  • De incidentie van een suïcide(poging) in de huisartsenpraktijk (P77) was in 2018 1,1 per 1000 patiënten. 
  • Gemiddeld krijgt een huisarts 1 × per 4 jaar te maken met een sterfgeval door suïcide. 
  • Elke vorm van suïcidaal gedrag is geassocieerd met een verhoogd risico op suïcide. 
Details
Suïcides en suïcidepogingen
  • Van de 1829 suïcides die in 2018 plaatsvonden werden er 1176 door mannen en 653 door vrouwen gepleegd; 55% was 50-65 jaar oud. In verhouding is de sterfte door suïcide in de leeftijdgroep > 80 jaar het hoogst: 15,2 per 100.000 in 2020 (CBS Statline, geraadpleegd 10 februari 2022). Het totale aantal suïcides is al sinds 2013 relatief stabiel. Hoewel dit aantal ook in 2021 stabiel bleef, overleden dat jaar 15% meer jongeren < 30 jaar door suïcide dan in voorgaande jaren (113.nl, geraadpleegd 10 februari 2022).
  • Uit onderzoeken blijkt dat een depressieve stoornis of andere stemmingsstoornis een belangrijke risicofactor is voor suïcidaal gedrag (OR 3,4-5,9).  213   214   Jaarlijks doen in Nederland bijna 100.000 mensen een suïcidepoging.  215   In tegenstelling tot suïcides komen suïcidepogingen vaker voor bij vrouwen. Bijna 16% van de mensen die in hun leven een depressieve stoornis hebben gehad, hebben ook ooit een suïcidepoging gedaan.  216   Onderzoek heeft uitgewezen dat deze pogingen meestal plaatsvinden gedurende een actieve depressieve stoornis.  217   218  
  • Van de patiënten die overlijden als gevolg van een suïcide heeft 45-66% in de laatste maand voor de dood nog contact met een huisarts gehad.  219   220   Onderzoek wijst uit dat huisartsen suïcidaliteit lang niet altijd uitvragen: slechts bij 44% van de patiënten met een bekende depressieve stoornis en bij 66% van de patiënten met een nieuwe depressieve stoornis wordt suïcidaliteit uitgevraagd.  221   Mogelijk wordt hierdoor suïcidaliteit slecht herkend door huisartsen: bij minder dan 30% van de suïcides of ernstige suïcidepogingen heeft de huisarts de suïcidaliteit herkend tijdens een contact in de maand ervoor.
  • In Nederland zijn suïcidepogingen geanalyseerd in het kader van NESDA, een grootschalig onderzoek naar het beloop van stemmingsstoornissen in verschillende settings (algemene populatie, eerste lijn en specialistische zorg). Van de 1713 deelnemers die in het verleden een depressieve stoornis hadden doorgemaakt en die gedurende 6 jaar gevolgd werden, deed 3,4% deelnemers een suïcidepoging in deze periode. Ruim een derde van deze patiënten deed > 1 poging (mediaan na 3 jaar). Gedachten aan suïcide, een suïcidepoging in de voorgeschiedenis, jongere leeftijd, lager opleidingsniveau, werkloosheid, slapeloosheid en gebruik van antidepressiva hingen samen met een hoger risico op een suïcidepoging.  222  
  • In een ander onderzoek werd vastgesteld dat ongeveer 25% van de mensen die een niet-fatale suïcidepoging doet binnen 4 jaar opnieuw een suïcidepoging onderneemt.  223  
Suïcidaliteit in verschillende bevolkingsgroepen

Ten opzichte van Nederlanders zonder migratieachtergrond zijn suïcideaantallen bovengemiddeld bij Nederlanders met een Surinaamse migratieachtergrond en benedengemiddeld bij Nederlanders met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond. Onder jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond komt, behalve bij Marokkaanse Nederlanders, relatief meer suïcide voor dan onder jongeren zonder migratieachtergrond.  224   In Den Haag blijkt dat jonge vrouwen met een Turkse migratieachtergrond ruim 3 × zo vaak en jonge vrouwen met een Surinaamse (met name Hindostaanse) migratieachtergrond ongeveer 2 × zo vaak een suïcidepoging doen als jonge vrouwen met een Nederlandse achtergrond.  224   225   Uit een onderzoek bij Utrechtse tieners komt naar voren dat meisjes met een Turkse migratieachtergrond 2 × zo vaak suïcide overwegen als meisjes met een Nederlandse achtergrond en 3 × zo vaak als meisjes met een Marokkaanse migratieachtergrond. Hetzelfde geldt, in mindere mate, voor jongens met een Turkse migratieachtergrond.  226  
Binnen (streng) religieuze gemeenschappen zijn suïcide en suïcidaliteit vaker een taboe. Daarom is het bij vermoedens van suïcidaliteit goed om na te gaan of de patiënt de gepresenteerde klachten verenigbaar acht met diens geloof. Het kan een ingang zijn om eventuele suïcidale gedachten bespreekbaar te maken.  227  

Richtlijnen diagnostiekNaar Samenvatting

Besteed bij alle patiënten met depressieve klachten aandacht aan het onderwerp suïcidaliteit. Vraag niet alleen bij somberheid naar suïcidaliteit, maar ook bij andere klachten die passen bij een depressieve stoornis zoals interesseverlies, gevoelens van waardeloosheid, piekeren of slaapproblemen.

Aandachtspunten

  • Het vragen naar suïcidaliteit hoort bij een goede beoordeling van een depressieve stoornis, werkt beschermend en wordt door patiënten gewaardeerd. Een gesprek leidt niet tot een verhoogde kans op suïcide.
  • Goed contact met de patiënt is belangrijk. Alleen wanneer de patiënt zich veilig en gehoord voelt zal de patiënt zich vrij voelen om open over suïcidaliteit te spreken. Sta open voor de patiënt, wees empathisch, onbevooroordeeld en toon begrip voor eventuele onmacht of wanhoop.
  • Leg uit dat mensen die dit soort gedachten hebben vaak niet dood willen, maar het leven zoals ze dat op dat moment ervaren, niet meer willen.
    • Probeer te achterhalen wat het leven op dit moment ondraaglijk maakt. Erken de lijdensdruk.
    • Onderzoek of er mogelijk nog een alternatief anders dan de dood kan zijn.
    • Ga na of er factoren zijn die beschermen/ zorgen voor twijfel over suïcidaliteit.
  • Leg indien mogelijk contact met eventuele naasten van de patiënt en betrek deze waar mogelijk. Naasten kunnen niet alleen een vangnet en belangrijke bron van informatie zijn, maar ook een bron van steun bij de behandeling. Nodig bijvoorbeeld naasten uit bij een vervolggesprek.
  • Stel het gesprek uit bij een patiënt die onder invloed is van alcohol, drugs en/of medicatie tot hij/zij goed aanspreekbaar is. Waarborg in de tussentijd de veiligheid van de patiënt. Dit is maatwerk: soms kan de veiligheid geborgd worden door supervisie van een naaste, soms is observatie of opname via de crisisdienst, Opvang Verwarde Personen van de politie of de SEH geïndiceerd. 
Details
Het gesprek over suïcidaliteit

De basis voor de gehanteerde methode van gespreksvoering over de suïcidale toestand is Chronologic Assessment of Suicide Events (CASE).  228   In deze benadering wordt eerst gevraagd naar actuele gedachten en gebeurtenissen, vervolgens naar de recente en ruimere voorgeschiedenis, en tot slot hoe de patiënt over de toekomst denkt en wat er zou kunnen veranderen om dat beeld van de toekomst te verbeteren. De CASE-benadering is de meest gangbare gestructureerde methode voor het uitvragen van suïcidaliteit en toepassing ervan is in lijn met de Multidisciplinaire richtlijn Depressie, de Generieke module Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag en de Handreiking zelfmoordpreventie voor de huisartsenpraktijk van 113 zelfmoordpreventie.
Voor de inschatting van de ernst van suïcidaliteit zijn naast de suïcidale toestand zelf ook de achterliggende factoren van belang (zie tabel d7; zie ook de Generieke module Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag en de Multidisciplinaire richtlijn Suïcidaal gedrag). Elke praktijkmedewerker kan, indien bekwaam, dit gesprek voeren. Wel blijft de huisarts eindverantwoordelijk. Als een patiënt voor het eerst suïcidale klachten benoemt in een gesprek met een andere praktijkmedewerker (bijvoorbeeld de poh-ggz of de praktijkassistente), moet deze overleggen met de huisarts.
Meer adviezen voor het gesprek over suïcidaliteit zijn terug te vinden in de Handreiking zelfmoordpreventie voor de huisartsenpraktijk van 113 zelfmoordpreventie, het boek GGZ in de huisartsenpraktijk en de Generieke module Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag.

AnamneseNaar Samenvatting

Huidige situatie
  • Begin met het uitvragen van de huidige situatie. Voorbeelden zijn:
    • Hoe gaat het met u?
    • Hoe ziet u de toekomst op dit moment?
    • Heeft u wel eens het idee dat het leven niet meer de moeite waard is?
    • Veel mensen denken aan zelfdoding als ze het erg moeilijk hebben. Hoe denkt u daarover?
    • Wanneer heeft u voor het laatst aan zelfdoding gedacht? Zo ja, wat zijn dat voor gedachten?
  • Exploreer bij aanwijzingen voor suïcidale gedachten. Voorbeelden zijn:
    • Hoe vaak heeft u deze gedachten?
    • Heeft u ook plannen? Hoe concreet zijn de plannen?
    • Heeft u ook voorbereidingen getroffen? Welke voorbereidingen?
    • Hoeveel haast heeft u met uw plannen?
    • Wat hoopt u dat de dood voor u zal veranderen?
    • Is er nog tijd om naar uw situatie te kijken en mee te denken over eventuele oplossingen?
    • Wat zou de dood voor gevolgen hebben voor uw naasten? Ervaart u uzelf als last voor anderen?
  • Vraag ook naar voorgeschiedenis en toekomst:
    • suïcidale gedachten en plannen in de recente voorgeschiedenis (4-8 weken)
    • voorgeschiedenis van eerdere episodes van suïcidaliteit
    • welke plannen de patiënt heeft voor de toekomst
    • wat er zou moeten veranderen om het toekomstbeeld te verbeteren
Achterliggende factoren
  • Exploreer achterliggende factoren die mogelijk invloed hebben op de aanwezigheid van en mate van suïcidaliteit. Zo zijn er stress- en kwetsbaarheidsfactoren en beschermende factoren.
  • Voorbeelden van stress- en kwetsbaarheidsfactoren zijn:
    • persoonskenmerken (oudere leeftijd, man)
    • algemeen (eerdere suïcidepoging, beschikbaarheid middel, suïcide in de familie)
    • psychische aandoeningen (stemmingsstoornis, angststoornis, schizofrenie, psychotische stoornis, intoxicatie, verslaving, persoonlijkheidsstoornis etc.)
    • psychologische factoren (wanhoop)
    • gebeurtenissen en verlies (verlieservaringen, ingrijpende gebeurtenissen, lichamelijke ziekte, pijn, werkloosheid)
  • Voorbeelden van beschermende factoren zijn:
    • goede sociale steun
    • verantwoordelijkheid tegenover anderen, kinderen
    • actief betrokken bij een (religieuze) gemeenschap
    • goede behandelrelatie

EvaluatieNaar Samenvatting

  • Maak een inschatting van de ernst van de suïcidaliteit op basis van:
    • de suïcidale toestand (gedachten, intenties, plannen, motieven)
    • de belangrijkste stress- en kwetsbaarheidsfactoren en beschermende factoren
    • de mate van wilsbekwaamheid en de mate waarin de patiënt in staat geacht wordt om zijn of haar belang te overzien
  • Maak bij deze inschatting eventueel gebruik van het stroomdiagram (zie figuur h2), en betrek, indien mogelijk, naasten bij de inschatting. 

 

Stroomschema Depressie
Figuur h2. Stroomschema Evaluatie en Beleid Suïcidaliteit
 
 
Geen suïcidaliteit

Geen gedachten over suïcide, maar er zijn wel gedachten over de dood; dit is normaal en geen teken van suïcidaliteit.

Lichte suïcidaliteit

Af en toe vluchtige gedachten over suïcide, maar geen plan. Controle over de suïcidale gedachten. Liever willen leven dan sterven.

Ambivalente suïcidaliteit

Sterk impulsief gekleurde gedachten over suïcide. Er zijn suïcideplannen, maar deze zijn niet uitgebreid uitgewerkt. De patiënt wil suïcide plegen, maar ook leven.

Ernstige suïcidaliteit

Structureel aanwezige gedachten over suïcide, wanhoopgevoelens. Bang voor eigen impulsiviteit. Verschillende methoden zijn overwogen, er is een uitgebreid plan. Liever willen sterven dan leven.

Zeer ernstige suïcidaliteit

Kan niet langer wachten met suïcide plegen of heeft al een suïcidepoging gedaan. Blikvernauwing, onrust, grote wanhoop en radeloosheid. Geen oog hebben voor de consequenties voor achterblijvers. Geen energie meer om door te leven.

Details
Indeling mate van suïcidaliteit

De mate van suïcidaliteit kan worden ingedeeld in geen, licht, ambivalent, ernstig en zeer ernstig. Maak bij deze inschatting gebruik van figuur d1.

  • Geen suïcidaliteit: Geen gedachten over suïcide. Wellicht wel gedachten over de dood, dit is normaal en geen teken van suïcidaliteit.
  • Lichte suïcidaliteit: Af en toe vluchtige gedachten over suïcide, maar geen plan. Controle over de suïcidale gedachten. Liever willen leven dan sterven.
  • Ambivalente suïcidaliteit: Sterk impulsief gekleurde gedachten over suïcide. Er zijn suïcideplannen maar deze zijn niet uitgebreid uitgewerkt. De patiënt wil suïcide plegen, maar ook leven.
  • Ernstige suïcidaliteit: Structureel aanwezige gedachten over suïcide, wanhoopgevoelens. Bang voor eigen impulsiviteit. Verschillende methoden zijn overwogen, er is een uitgebreid plan. Liever willen sterven dan leven.
  • Zeer ernstige suïcidaliteit: Kan niet langer wachten met suïcide plegen of heeft al een suïcidepoging gedaan. Blikvernauwing, onrust, grote wanhoop en radeloosheid. Geen oog meer voor de consequenties voor achterblijvers. Geen energie meer om door te leven.

Beleid

  • Bij lichte suïcidaliteit kan de behandeling in de huisartsenpraktijk plaatsvinden, mits:
    • huisarts of POH-ggz voldoende ervaring hebben met de behandeling van een depressieve stoornis met bijkomende suïcidaliteit
    • er sprake is van een goede behandelrelatie
    • er continuïteit van zorg is door contact met dezelfde behandelaars
  • Betrek indien mogelijk de naasten bij de behandeling.
  • De behandeling bestaat uit:
    • Psycho-educatie; omvat voorlichting over suïcidaliteit, achterliggende factoren en hiermee gepaard gaande gedachten en gevoelens (bijvoorbeeld wanhoop, schuld, waardeloosheid).
    • Bied voorlichtingsmateriaal aan en verwijs naar de informatie op thuisarts.nl en/of 113 zelfmoordpreventie op 113.nl.
    • Behandeling van de onderliggende problemen, zoals depressieve stoornis, angst (zie NHG-Standaard Angst) of slaapproblemen (zie NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen).
    • Waarborgen van de veiligheid. Een veiligheidsplan kan hierbij behulpzaam zijn. Dit plan bevat 6 items voor de patiënt; onder andere vragen over signalen, afleiding, veiligheid met daarbij een overzicht van contactpersonen, naasten en professionals. Zie voor een voorbeeld 113.nl. Een non-suïcidecontract is géén onderdeel van een veiligheidsplan. Dit is niet effectief en is mogelijk escalerend.
    • Bespreek de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor de patiënt, zoals antidepressiva, als er concrete plannen over suïcide zijn, bijvoorbeeld met geneesmiddelen.
    • Terugvalpreventie met bijvoorbeeld het veiligheidsplan voor het omgaan met toekomstig suïcidaal gedrag.

Controles

  • Spreek samen met de patiënt frequente controles af, afhankelijk diens voorkeur en situatie. Leg vast in het veiligheidsplan bij welke alarmsignalen er extra contact is.
  • Vraag bij elke controle-afspraak bij patiënten met depressieve klachten naar suïcidaliteit en besteed aandacht aan de ernst van de suïcidaliteit. De aanwezigheid en ernst van suïcidaliteit kan erg fluctueren.
  • Wees alert op toename van suïcidaliteit op kritische momenten, bijvoorbeeld bij levensgebeurtenissen of plotselinge veranderingen in het klinisch beeld, overdracht aan een andere behandelaar.
  • Bij toename van suïcidaliteit dient de poh-ggz altijd te overleggen met de huisarts. De huisarts blijft eindverantwoordelijk. 

Consultatie en verwijzing (zie ook figuur h2)

  • Verwijs naar de crisisdienst voor directe beoordeling bij:
    • (zeer) ernstige suïcidaliteit
    • ambivalente suïcidaliteit
    • bij twijfel over de inschatting van de ernst van de suïcidaliteit
  • Bel 112 indien er gevaar is voor patiënt of omstanders bij zeer ernstige suïcidaliteit
  • Consulteer en/of verwijs naar de gespecialiseerde ggz bij:
    • lichte suïcidaliteit wanneer er in de huisartsenpraktijk onvoldoende expertise of vertrouwen aanwezig is voor behandeling
Details
Lichte suicidaliteit
  • Voor de behandeling van suïcidaliteit is weinig empirisch bewijs. Een non-suïcidecontract biedt mogelijk schijnzekerheid en wordt afgeraden.  229   230  
  • Een meta-analyse over de effectiviteit van veiligheidsplannen bij suïcidaliteit includeerde 6 onderzoeken, waaronder 4 RCT’s, uit de Verenigde Staten (k = 3), Taiwan (k = 2) en Zwitserland (k = 1). De controlegroep kreeg gebruikelijke zorg (in 1 onderzoek was dat een veiligheidscontract). De follow-up was 3-24 maanden. Het relatief risico op suïcidaal gedrag bij patiënten met een veiligheidsplan ten opzichte van de controlegroep was 0,57 (95%-BI 0,41 tot 0,80). Er werd geen significant effect gevonden bij suïcidale gedachten.  231  
  • Er is geen Nederlands onderzoek bekend. Momenteel is het gangbaar om samen met de patiënt een veiligheidsplan op te stellen (zie 113.nl, geraadpleegd 10 februari 2022).

Referenties

  1. NICE. Impact of the DSM-IV to DSM-5 Changes on the National Survey on Drug Use and Health [Internet]. 2016. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/NBK519697/pdf/Bookshelf_NBK519697.pdf.
  2. Nielen MMJ, Hek K, Schermer TRJ. Jaarcijfers aandoeningen: incidenties en prevalenties. Uit: Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn [internet] (2020). www.nivel.nl/nl/nivel-zorgregistraties-eerste-lijn/jaarcijfers-aandoeningen-incidenties-en-prevalenties.
  3. Ten Have M, Tuithof M, van Dorsselaer S, Schouten F, Luik AI, de Graaf R. Prevalence and trends of common mental disorders from 2007-2009 to 2019-2022: results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Studies (NEMESIS), including comparison of prevalence rates before vs. during the COVID-19 pandemic. World Psychiatry 2023;22:275–85.
  4. Ten Have M, Penninx B, Tuithof M, van Dorsselaer S, Kleinjan M, Spijker J, et al. Duration of major and minor depressive episodes and associated risk indicators in a psychiatric epidemiological cohort study of the general population. Acta Psychiatr Scand 2017;136:300–12.
  5. Magnusson A. An overview of epidemiological studies on seasonal affective disorder. Acta Psychiatr Scand 2000;101:176–84.
  6. Pop V, van Son M, Wijnen H, Spek V, Denollet J, Bergink V. Increase of depressive symptomatology during pregnancy over 25 years' time in four population based cohorts. J Affect Disord 2019;259:175–9.
  7. NICE. Antenatal and postnatal mental health: clinical management and service guidance (2014). https://www.nice.org.uk/guidance/cg192/resources/antenatal-and-postnatal-mental-health-clinical-management-and-service-guidance-pdf-35109869806789.
  8. Paulson JF, Bazemore SD. Prenatal and postpartum depression in fathers and its association with maternal depression: a meta-analysis. JAMA 2010;303:1961–9.
  9. De Graaf R, Ten Have M, Van Dorsselaer S. NEMESIS-2. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. Eerste resultaten (2010): Trimbos; 2010. https://www.trimbos.nl/docs/491f70c6-2cb2-4ca2-b902-a205fa0e1784.pdf
  10. Stek ML, Gussekloo J, Beekman AT, Van Tilburg W, Westendorp RG. Prevalence, correlates and recognition of depression in the oldest old: the Leiden 85-plus study. J Affect.Disord 2004;78:193–200.
  11. Licht-Strunk E, Van der Kooij KG, Van Schaik DJ, Van Marwijk HW, Van Hout HP, De Haan M, et al. Prevalence of depression in older patients consulting their general practitioner in The Netherlands. Int J Geriatr.Psychiatry 2005;20:1013–9.
  12. De Wit MA, Tuinebreijer WC, Dekker J, Beekman AJ, Gorissen WH, Schrier AC, et al. Depressive and anxiety disorders in different ethnic groups: a population based study among native Dutch, and Turkish, Moroccan and Surinamese migrants in Amsterdam. Soc Psychiatry Psychiatr.Epidemiol. 2008;43:905–12.
  13. Schrier AC, De Wit MA, Rijmen F, Tuinebreijer WC, Verhoeff AP, Kupka RW, et al. Similarity in depressive symptom profile in a population-based study of migrants in the Netherlands. Soc Psychiatry Psychiatr.Epidemiol. 2010;45:941–51.
  14. Van der Wurff FB, Beekman AT, Dijkshoorn H, Spijker JA, Smits CH, Stek ML, et al. Prevalence and risk-factors for depression in elderly Turkish and Moroccan migrants in the Netherlands. J Affect.Disord 2004;83:33–41.
  15. Fassaert T, Nielen M, Verheij R, Verhoeff A, Dekker J, Beekman A, et al. Quality of care for anxiety and depression in different ethnic groups by family practitioners in urban areas in the Netherlands. Gen Hosp Psychiatry 2010;32:368–76.
  16. Swinnen SG, Selten JP. Mood disorders and migration: meta-analysis. Br J Psychiatry 2007;190:6–10.
  17. Lewinsohn PM, Klein DN, Durbin EC, Seeley JR, Rohde P. Family study of subthreshold depressive symptoms: risk factor for MDD? J Affect.Disord 2003;77:149–57.
  18. Janzing JG, De Graaf R, Ten Have M, Vollebergh WA, Verhagen M, Buitelaar JK. Familiality of depression in the community; associations with gender and phenotype of major depressive disorder. Soc Psychiatry Psychiatr.Epidemiol. 2009;44:1067–74.
  19. Noordenbos G. Aandacht voor sekse- en cultuurspecifieke aspecten in de behandeling van depressie. Een aanvulling op de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie (2007). http://www.movisie.nl/117486/def/home/mannen_en_vrouwenemancipatie/publicaties/publicaties/aandacht_voor_sekse__en_cultuurspecifieke_aspecten_in_de_behandeling_van_depressie/?OnderwerpID=115028&toonLinkermenu=false (2007).
  20. Van Mens-Verhulst J. Mannetjesputters of vrouwtjes putters, wat maakt het uit? Humanistiek 2001;2:34–40.
  21. Gijsbers - van Wijk C. Depressie: genderverschillen in prevalentie, klinisch beeld en behandelrespons. Ned T Psychiatrie 2002;44:377–82.
  22. Egede LE. Major depression in individuals with chronic medical disorders: prevalence, correlates and association with health resource utilization, lost productivity and functional disability. Gen Hosp Psychiatry 2007;29:409–16.
  23. Moussavi S, Chatterji S, Verdes E, Tandon A, Patel V, Ustun B. Depression, chronic diseases, and decrements in health: results from the World Health Surveys. Lancet 2007;370:851–8.
  24. Knol MJ, Twisk JW, Beekman AT, Heine RJ, Snoek FJ, Pouwer F. Depression as a risk factor for the onset of type 2 diabetes mellitus. A meta-analysis. Diabetologia 2006;49:837–45.
  25. Mezuk B, Eaton WW, Albrecht S, Golden SH. Depression and type 2 diabetes over the lifespan: a meta-analysis. Diabetes Care 2008;31:2383–90.
  26. Luppino FS, De Wit LM, Bouvy PF, Stijnen T, Cuijpers P, Penninx BW, et al. Overweight, obesity, and depression: a systematic review and meta-analysis of longitudinal studies. Arch Gen Psychiatry 2010;67:220–9.
  27. Cuijpers P, Smit F. Excess mortality in depression: a meta-analysis of community studies. J Affect.Disord 2002;72:227–36.
  28. Penninx BWJH, Van Dyck R. Depressie en somatische comorbiditeit. Ned Tijdschr Geneeskd 2010;154:722–7.
  29. Middeldorp CM, Cath DC, Beem AL, Willemsen G, Boomsma DI. Life events, anxious depression and personality: a prospective and genetic study. Psychol.Med 2008;38:1557–65.
  30. Hegarty K, Gunn J, Chondros P, Small R. Association between depression and abuse by partners of women attending general practice: descriptive, cross sectional survey. BMJ 2004;328:621–4.
  31. Rees S, Silove D, Chey T, Ivancic L, Steel Z, Creamer M, et al. Lifetime prevalence of gender-based violence in women and the relationship with mental disorders and psychosocial function. Jama 2011;306:513–21.
  32. Prosman GJ, Jansen SJ, Lo Fo Wong SH, Lagro-Janssen AL. Prevalence of intimate partner violence among migrant and native women attending general practice and the association between intimate partner violence and depression. Fam Pract 2011;28:267–71.
  33. King M, Semlyen J, Tai SS, Killaspy H, Osborn D, Popelyuk D, et al. A systematic review of mental disorder, suicide, and deliberate self harm in lesbian, gay and bisexual people. BMC Psychiatry 2008;8:70.
  34. Van Weel-Baumgarten E, Van den Bosch W, Van den Hoogen H, Zitman FG. Ten year follow-up of depression after diagnosis in general practice [see comments]. Br.J.gen.Pract. 1998;48:1643–6.
  35. Spijker J, De Graaf R, Bijl RV, Beekman AT, Ormel J, Nolen WA. Duration of major depressive episodes in the general population: results from The Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS). Br.J.Psychiatry 2002;181:208–13.
  36. Licht-Strunk E, Van Marwijk HW, Hoekstra T, Twisk JW, De Haan M, Beekman AT. Outcome of depression in later life in primary care: longitudinal cohort study with three years' follow-up. BMJ 2009a;338:a3079.
  37. Spijker J, De Graaf R, Bijl RV, Beekman AT, Ormel J, Nolen WA. Determinants of persistence of major depressive episodes in the general population. Results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS). J Affect.Disord 2004;81:231–40.
  38. Brown GW, Harris TO. Depression and the serotonin transporter 5-HTTLPR polymorphism: a review and a hypothesis concerning gene-environment interaction. J Affect.Disord 2008;111:1–12.
  39. Licht-Strunk E, Beekman AT, De Haan M, Van Marwijk HW. The prognosis of undetected depression in older general practice patients. A one year follow-up study. J Affect.Disord 2009b;114:310–5.
  40. Licht-Strunk E, Van der Windt DA, Van Marwijk HW, De Haan M, Beekman AT. The prognosis of depression in older patients in general practice and the community. A systematic review. Fam Pract 2007;24:168–80.
  41. Van Weel-Baumgarten EM, Van den Bosch WJ, Van den Hoogen HJ, Zitman FG. The validity of the diagnosis of depression in general practice: is using criteria for diagnosis as a routine the answer? Br.J.gen.Pract. 2000a;50:284–7.
  42. Yiend J, Paykel E, Merritt R, Lester K, Doll H, Burns T. Long term outcome of primary care depression. J Affect.Disord 2009;118:79–86.
  43. Van Balen J, Kremer A, Buijs P, Hulshof C, Goudswaard A. NHG-Standaarden doorgelicht op arbeid. Huisarts en Wetenschap 2010;53:6–12.
  44. Ruijs CDM, Burg-Van Walsum M, De Melker RA. Wat verklaart de onderdiagnostiek van depressie in de eerste lijn? Een literatuurstudie. Huisarts Wet 1999;42:022–5.
  45. Tiemens BG, Van Den Brink W, Van der Meer K, Ormel J. Diagnostiek van depressie en angst in de huisartspraktijk. Huisarts Wet 1998;41:109–16.
  46. Van Weel-Baumgarten EM, Schers HJ, Van den Bosch WJ, Van den Hoogen HJ, Zitman FG. Long-term follow-up of depression among patients in the community and in family practice settings. A systematic review. J Fam Pract 2000b;49:1113–20.
  47. Kirmayer LJ, Robbins JM, Dworkind M, Yaffe MJ. Somatization and the recognition of depression and anxiety in primary care. Am J Psychiatry 1993;150:734–41.
  48. Borra R. Cultuur en psychiatrische diagnostiek: stemmingsstoornissen bij allochtonen. Bijblijven 2003;19:381–93.
  49. Tijdink DWGM, Van Es J. Vertaal- en communicatieproblemen bij de diagnostiek van de depressieve stemming bij berberpatiënten. Tijdschr Psychiatr. 2003;45:327–32.
  50. Pharos. Geef me raad. Handboek deskundigheidsbevordering ggz-professionals geestelijke gezondheidszorg Somaliërs (2009). http://www.pharos.nl/uploads/_site_1/Pdf/Folders/Geef_me_raad-ggz_professionals.pdf (2009).
  51. Hirschfeld RM. The Comorbidity of Major Depression and Anxiety Disorders: Recognition and Management in Primary Care. Prim Care Companion J Clin Psychiatry 2001;3:244–54.
  52. Sareen J, Cox BJ, Afifi TO, de Graaf R, Asmundson GJ, ten Have M, et al. Anxiety disorders and risk for suicidal ideation and suicide attempts: a population-based longitudinal study of adults. Arch Gen Psychiatry 2005;62:1249–57.
  53. Van Balkom AJ, Beekman AT, De Beurs E, Deeg DJ, Van Dyck R, Van Tilburg W. Comorbidity of the anxiety disorders in a community-based older population in The Netherlands. Acta Psychiatr Scand 2000;101:37–45.
  54. Van der Weele GM, Gussekloo J, De Waal MW, De Craen AJ, Van der Mast RC. Co-occurrence of depression and anxiety in elderly subjects aged 90 years and its relationship with functional status, quality of life and mortality. Int J Geriatr.Psychiatry 2009;24:595–601.
  55. Gilbody S, Sheldon T, House A. Screening and case-finding instruments for depression: a meta-analysis. CMAJ. 2008;178:997–1003.
  56. Cuijpers P, Van Straten A, Van Schaik A, Andersson G. Psychological treatment of depression in primary care: a meta-analysis. Br J Gen Pract 2009;59:e51–e60.
  57. Baas KD, Wittkampf KA, Van Weert HCPM, Lucassen P, Huyser J, Van den Hoogen H, et al. Screening op depressie in hoogrisicogroepen levert te weinig op. Huisarts Wet 2009;52:269–74.
  58. Wittkampf KA. Screenen op depressie? Huisarts Wet 2010;53:571–.
  59. Lamers F, Jonkers CC, Bosma H, Kempen GI, Meijer JA, Penninx BW, et al. A minimal psychological intervention in chronically ill elderly patients with depression: a randomized trial. Psychother.Psychosom 2010;79:217–26.
  60. Whooley MA, Avins AL, Miranda J, Browner WS. Case-finding instruments for depression. Two questions are as good as many. J.Gen.Intern.Med. 1997;12:439.
  61. Arroll B, Khin N, Kerse N. Screening for depression in primary care with two verbally asked questions: cross sectional study. BMJ 2003;327:1144–6.
  62. Arroll B, Goodyear-Smith F, Kerse N, Fishman T, Gunn J. Effect of the addition of a "help" question to two screening questions on specificity for diagnosis of depression in general practice: diagnostic validity study. BMJ 2005;331:884.
  63. Huber M, van Vliet M, Giezenberg M, Winkens B, Heerkens Y, Dagnelie PC, et al. Towards a 'patient-centred' operationalisation of the new dynamic concept of health: a mixed methods study. BMJ Open 2016;6:e010091.
  64. Van Riet J, Makkes N. Het 4Domeinen model (2019):[1–15 pp.]. https://documentcloud.adobe.com/spodintegration/index.html#.
  65. Starmans R, Rijnders P, Cox M. Methodisch werken met het KOP-model bij psychische klachten (2018). https://www.henw.org/artikelen/methodisch-werken-met-het-kop-model-bij-psychische-klachten.
  66. Rijnders P, Heene E. Handboek KOP-model. Kortdurende psychologische interventies voor de basisggz (2021):[1–480 pp.].
  67. Redactiecommissie Medicatiebewaking. Commentaren medicatiebewaking 2011/2012 (2011).
  68. Zwaanswijk M, Verhaak PFM. Effectieve kortdurende interventies voor psychische problemen. Een kennissynthese over hun toepasbaarheid in de huisartsenvoorziening. Utrecht: Nivel, 2009.
  69. Dowrick C, Leydon G, Anita M, Amanda H, Hana B, Pamela C, et al. Patients and doctors views on depression severity questionnaires incentivised in UK quality and outcomes framework: qualitative study. BMJ 2009;338.
  70. Van Weel C, Van Weel-Baumgarten E, Van Rijswijk E. Treatment of depression in primary care. BMJ 2009;338:b934.
  71. Terluin B, Rijmen F, Van Marwijk HWJ, Stalman WAB. Waarde van de Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL) voor het detecteren van depressieve stoornissen. Huisarts Wet 2007;50:300–5.
  72. Terluin B, Terluin M, Prince K, Van Marwijk H. De Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL) spoort psychische problemen op. Huisarts en Wetenschap 2008;51:251–5.
  73. Wittkampf K, Van Ravesteijn H, Baas K, Van de Hoogen H, Schene A, Bindels P, et al. The accuracy of Patient Health Questionnaire-9 in detecting depression and measuring depression severity in high-risk groups in primary care. Gen Hosp Psychiatry 2009;31:451–9.
  74. Arroll B, Goodyear-Smith F, Crengle S, Gunn J, Kerse N, Fishman T, et al. Validation of PHQ-2 and PHQ-9 to screen for major depression in the primary care population. Ann Fam Med 2010;8:348–53.
  75. Lamers F, Jonkers CC, Bosma H, Penninx BW, Knottnerus JA, Van Eijk JT. Summed score of the Patient Health Questionnaire-9 was a reliable and valid method for depression screening in chronically ill elderly patients. J Clin Epidemiol. 2008;61:679–87.
  76. Kroenke K, Spitzer RL, Williams JB. The PHQ-9: validity of a brief depression severity measure. J Gen Intern Med 2001;16:606–13.
  77. Löwe B, Unützer J, Callahan CM, Perkins AJ, Kroenke K. Monitoring depression treatment outcomes with the patient health questionnaire-9. Med Care 2004;42:1194–201.
  78. Kendrick T, Dowrick C, McBride A, Howe A, Clarke P, Maisey S, et al. Management of depression in UK general practice in relation to scores on depression severity questionnaires: analysis of medical record data. BMJ 2009;338:b750.
  79. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Addendum ouderen bij de MDR Depressie (2008). https://www.trimbos.nl/docs/b0822cf7-b915-44a2-9a55-db6ea341267a.pdf.
  80. Boyle LL, Porsteinsson AP, Cui X, King DA, Lyness JM. Depression predicts cognitive disorders in older primary care patients. J Clin Psychiatry 2010;71:74–9.
  81. FMS. MDR Depressie 2024 (2024):[1–284 pp.]. https://documentcloud.adobe.com/spodintegration/index.html#.
  82. Luborsky L, Rosenthal R, Diguer L, Andrusyna TP, Berman JS, Levitt J, et al. The dodo bird verdict is alive and well - mostly. Clin Psychol Sci Pract 2002;9:2–12.
  83. Wampold BE. Allegiance and adherence: further evidence for the contextual model. In: Wampold BE, editor. The great psychotherapy debate: models, methods, and findings. Mahwak, New Yersey: Lawrence Erlbaum Associates; 2001. p. 159–83.
  84. Hubble MA, Duncan BL, Miller SD. The heart and soul of change. What works in therapy. Washington DC: American Psychological Association, 1999.
  85. Lambert MJ, Barley DE. Research summary on the therapeutic relationship and psychotherapy outcome. Psychotherapy 2001;38:357–61.
  86. Lambert MJ. Implication of psychotherapy outcome research for psychotehrapy integration. In: Norcross JC, Goldfield MR, editors. Handbook of Psychotherapy Integration. Oxford: Oxford University Press; 2003.
  87. Levinson W, Roter D. Physicians' psychosocial beliefs correlate with their patient communication skills. J Gen Intern Med 1995;10:375–9.
  88. Silva de Lima M, Moncrieff J, Soares B. Drugs versus placebo for dysthymia. Cochrane Database Syst Rev 2005.
  89. Silva de Lima M, Hotopf M. Pharmacotherapy for dysthymia. Cochrane Database Syst Rev 2003.
  90. Cuijpers P, Van Straten A, Schuurmans J, Van Oppen P, Hollon SD, Andersson G. Psychotherapy for chronic major depression and dysthymia: a meta-analysis. Clin Psychol Rev 2010;30:51–62.
  91. Prins MA, Verhaak PF, Van der Meer K, Penninx BW, Bensing JM. Primary care patients with anxiety and depression: need for care from the patient's perspective. J Affect.Disord 2009;119:163–71.
  92. Gold LH. Postpartum disorders in primary care: diagnosis and treatment. Prim Care 2002;29:27–41, vi.
  93. Dennis CL, Hodnett E. Psychosocial and psychological interventions for treating postpartum depression. Cochrane Database Syst Rev 2007:CD006116.
  94. Mulcahy R, Reay RE, Wilkinson RB, Owen C. A randomised control trial for the effectiveness of group Interpersonal Psychotherapy for postnatal depression. Arch Womens Ment.Health 2010;13:125–39.
  95. Grote NK, Swartz HA, Geibel SL, Zuckoff A, Houck PR, Frank E. A randomized controlled trial of culturally relevant, brief interpersonal psychotherapy for perinatal depression. Psychiatr.Serv 2009;60:313–21.
  96. Checkley SA, Murphy DG, Abbas M, Marks M, Winton F, Palazidou E, et al. Melatonin rhythms in seasonal affective disorder. Br J Psychiatry 1993;163:332–7.
  97. Coiro V, Volpi R, Marchesi C, De Ferri A, Davoli C, Caffarra P, et al. Abnormal serotonergic control of prolactin and cortisol secretion in patients with seasonal affective disorder. Psychoneuroendocrinology 1993;18:551–6.
  98. Tam EM, Lam RW, Robertson HA, Stewart JN, Yatham LN, Zis AP. Atypical depressive symptoms in seasonal and non-seasonal mood disorders. J Affect.Disord 1997;44:39–44.
  99. Cuijpers P, Van Straten A, Warmerdam L. Problem solving therapies for depression: a meta-analysis. Eur Psychiatry 2007;22:9–15.
  100. Gezondheidsraad. Verzekeringsgeneeskundige protocollen (2006). http://www.nvvg.nl/download/content/VG_protocollen_Algemene_Inleiding_Overspanning_en_Depressieve_Stoornis.pdf (2006).
  101. Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Richtlijnherziening van de Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie). Richtlijn voor de diagnostiek, behandeling en begeleiding van volwassen patiënten met een depressieve stoornis. (2009). https://www.gerdierx.nl/wp-content/uploads/2012/02/Multidisciplinair-Richtlijn-Depressie.pdf
  102. Morres ID, Hatzigeorgiadis A, Stathi A, Comoutos N, Arpin-Cribbie C, Krommidas C, et al. Aerobic exercise for adult patients with major depressive disorder in mental health services: A systematic review and meta-analysis. Depress Anxiety 2019;36:39–53.
  103. Krogh J, Hjorthøj C, Speyer H, Gluud C, Nordentoft M. Exercise for patients with major depression: a systematic review with meta-analysis and trial sequential analysis. BMJ Open 2017;7:e014820.
  104. NICE. Depression in adults: treatment and management (2022):[1–111 pp.].
  105. Pierce D. Problem solving therapy - use and effectiveness in general practice. Aust Fam Physician 2012;41:676–9.
  106. Hayes SC, Luoma JB, Bond FW, Masuda A, Lillis J. Acceptance and commitment therapy: model, processes and outcomes. Behav Res Ther 2006;44:1–25.
  107. Hayes SC, Masuda A, Bissett R, Luoma J, Guerrero LF. DBT, FAP, and ACT: How empirically oriented are the new behavior therapy technologies? Behavior Therapy 2004;35:35–54.
  108. Linde K, Sigterman K, Kriston L, Rücker G, Jamil S, Meissner K, et al. Effectiveness of psychological treatments for depressive disorders in primary care: systematic review and meta-analysis. Ann Fam Med 2015;13:56–68.
  109. Holvast F, Massoudi B, Oude Voshaar RC, Verhaak PFM. Non-pharmacological treatment for depressed older patients in primary care: A systematic review and meta-analysis. PLoS One 2017;12:e0184666.
  110. Santoft F, Axelsson E, Öst LG, Hedman-Lagerlöf M, Fust J, Hedman-Lagerlöf E. Cognitive behaviour therapy for depression in primary care: systematic review and meta-analysis. Psychol Med 2019;49:1266–74.
  111. Zhang A, Park S, Sullivan JE, Jing S. The effectiveness of problem-solving therapy for primary care patients' depressive and/or anxiety disorders: a systematic review and meta-analysis. J Am Board Fam Med 2018;31:139–50.
  112. Zhang A, Borhneimer LA, Weaver A, Franklin C, Hai AH, Guz S, et al. Cognitive behavioral therapy for primary care depression and anxiety: a secondary meta-analytic review using robust variance estimation in meta-regression. J Behav Med 2019;42:1117–41.
  113. Janssen NP, Lucassen P, Huibers MJH, Ekers D, Broekman T, Bosmans JE, et al. Behavioural activation versus treatment as usual for depressed older adults in primary care: a pragmatic cluster-randomised controlled trial. Psychother Psychosom 2023;92:255–66.
  114. Choi I, Zou J, Titov N, Dear BF, Li S, Johnston L, et al. Culturally attuned Internet treatment for depression amongst Chinese Australians: a randomised controlled trial. J Affect Disord 2012;136:459–68.
  115. Landreville P, Bissonnette L. Effects of cognitive bibliotherapy for depressed older adults with a disability. Clinical Gerontologist: The Journal of Aging and Mental Health 1997;17(4):35–55.
  116. Moldovan R, Cobeanu O, David D. Cognitive bibliotherapy for mild depressive symptomatology: randomized clinical trial of efficacy and mechanisms of change. Clin Psychol Psychother 2013;20:482–93.
  117. Pecheur DR, Edwards KJ. A comparison of secular and religious versions of cognitive therapy with depressed christian college students. Journal of Psychology and Theology 1984;12:45–54.
  118. Scogin F, Hamblin D, Beutler L. Bibliotherapy for depressed older adults: a self-help alternative. Gerontologist 1987;27:383–7.
  119. Scogin F, Jamison C, Gochneaur K. Comparative efficacy of cognitive and behavioral bibliotherapy for mildly and moderately depressed older adults. J Consult Clin Psychol 1989;57:403–7.
  120. Spek V, Nyklícek I, Smits N, Cuijpers P, Riper H, Keyzer J, et al. Internet-based cognitive behavioural therapy for subthreshold depression in people over 50 years old: a randomized controlled clinical trial. Psychol Med 2007;37:1797–806.
  121. Stiles-Shields C, Montague E, Kwasny MJ, Mohr DC. Behavioral and cognitive intervention strategies delivered via coached apps for depression: Pilot trial. Psychol Serv 2018;16:233–8.
  122. Taylor FG, Marshall WL. Experimental analysis of a cognitive-behavioral therapy for depression. Cognitive Therapy and Research 1977;1:59–72.
  123. Titov N, Andrews G, Davies M, McIntyre K, Robinson E, Solley K. Internet treatment for depression: a randomized controlled trial comparing clinician vs. technician assistance. PLoS One 2010;5:e10939.
  124. Titov N, Dear BF, Ali S, Zou JB, Lorian CN, Johnston L, et al. Clinical and cost-effectiveness of therapist-guided internet-delivered cognitive behavior therapy for older adults with symptoms of depression: a randomized controlled trial. Behav Ther 2015;46:193–205.
  125. Vernmark K, Lenndin J, Bjärehed J, Carlsson M, Karlsson J, Oberg J, et al. Internet administered guided self-help versus individualized e-mail therapy: A randomized trial of two versions of CBT for major depression. Behav Res Ther 2010;48:368–76.
  126. Wilson PH, Goldin JC, Charbonneau-Powis M. Comparative efficacy of behavioral and cognitive treatments of depression. Cognitive Therapy and Research 1983;7:111–24.
  127. Bohlmeijer ET, Fledderus M, Rokx TA, Pieterse ME. Efficacy of an early intervention based on acceptance and commitment therapy for adults with depressive symptomatology: Evaluation in a randomized controlled trial. Behav Res Ther 2011;49:62–7.
  128. Carlbring P, Hägglund M, Luthström A, Dahlin M, Kadowaki Å, Vernmark K, et al. Internet-based behavioral activation and acceptance-based treatment for depression: a randomized controlled trial. J Affect Disord 2013;148:331–7.
  129. Greenberg J, Datta T, Shapero BG, Sevinc G, Mischoulon D, Lazar SW. Compassionate hearts protect against wandering minds: self-compassion moderates the effect of mind-wandering on depression. Spiritual Clin Pract (Wash D C ) 2018;5:155–69.
  130. Lappalainen P, Langrial S, Oinas-Kukkonen H, Tolvanen A, Lappalainen R. Web-based acceptance and commitment therapy for depressive symptoms with minimal support: a randomized controlled trial. Behav Modif 2015;39:805–34.
  131. McIndoo CC, File AA, Preddy T, Clark CG, Hopko DR. Mindfulness-based therapy and behavioral activation: A randomized controlled trial with depressed college students. Behav Res Ther 2016;77:118–28.
  132. Michalak J, Schultze M, Heidenreich T, Schramm E. A randomized controlled trial on the efficacy of mindfulness-based cognitive therapy and a group version of cognitive behavioral analysis system of psychotherapy for chronically depressed patients. J Consult Clin Psychol 2015;83:951–63.
  133. Szumska I, Gola M, Rusanowska M, Krajewska M, Żygierewicz J, Krejtz I, et al. Mindfulness-based cognitive therapy reduces clinical symptoms, but do not change frontal alpha asymmetry in people with major depression disorder. Int J Neurosci 2021;131:453–61.
  134. Gawrysiak M, Nicholas C, Hopko D. Behavioral Activation for Moderately Depressed University Students: Randomized Controlled Trial. Journal of Counseling Psychology 2009;56:468–75.
  135. Nyström MBT, Stenling A, Sjöström E, Neely G, Lindner P, Hassmén P, et al. Behavioral activation versus physical activity via the internet: A randomized controlled trial. J Affect Disord 2017;215:85–93.
  136. Ebert DD, Lehr D, Boß L, Riper H, Cuijpers P, Andersson G, et al. Efficacy of an internet-based problem-solving training for teachers: results of a randomized controlled trial. Scand J Work Environ Health 2014;40:582–96.
  137. Unlu B, Cuijpers P, Van t Hof E, Van Ballegooijen W, Christensen H, Riper H. Internet-based, culturally sensitive, problem-solving therapy for turkish migrants with depression: Randomized controlled trial. Journal of Medical Internet Research 2013;15(10):e227.
  138. Warmerdam L, van Straten A, Twisk J, Riper H, Cuijpers P. Internet-based treatment for adults with depressive symptoms: randomized controlled trial. J Med Internet Res 2008;10:e44.
  139. Horackova K, Kopecek M, Machů V, Kagstrom A, Aarsland D, Motlova LB, et al. Prevalence of late-life depression and gap in mental health service use across European regions. Eur Psychiatry 2019;57:19–25.
  140. Cuijpers P, Karyotaki E, Eckshtain D, Ng MY, Corteselli KA, Noma H, et al. Psychotherapy for depression across different age groups: a systematic review and meta-analysis. JAMA Psychiatry 2020;77:694–702.
  141. Orgeta V, Brede J, Livingston G. Behavioural activation for depression in older people: systematic review and meta-analysis. Br J Psychiatry 2017;211:274–9.
  142. Van Schaik DJ, Klijn AF, Van Hout HP, Van Marwijk HW, Beekman AT, De Haan M, et al. Patients' preferences in the treatment of depressive disorder in primary care. Gen Hosp Psychiatry 2004;26:184–9.
  143. McHugh RK, Whitton SW, Peckham AD, Welge JA, Otto MW. Patient preference for psychological vs pharmacologic treatment of psychiatric disorders: a meta-analytic review. J Clin Psychiatry 2013;74:595–602.
  144. Karyotaki E, Efthimiou O, Miguel C, Bermpohl FMG, Furukawa TA, Cuijpers P, et al. Internet-based cognitive behavioral therapy for depression: a systematic review and individual patient data network meta-analysis. JAMA Psychiatry 2021;78:361–71.
  145. Wells MJ, Owen JJ, McCray LW, Bishop LB, Eells TD, Brown GK, et al. Computer-assisted cognitive-behavior therapy for depression in primary care: systematic review and meta-analysis. Prim Care Companion CNS Disord 2018;20.
  146. Klimczak KS, San Miguel GG, Mukasa MN, Twohig MP, Levin ME. A systematic review and meta-analysis of self-guided online acceptance and commitment therapy as a transdiagnostic self-help intervention. Cogn Behav Ther 2023;52:269–94.
  147. Kolovos S, van Dongen JM, Riper H, Buntrock C, Cuijpers P, Ebert DD, et al. Cost effectiveness of guided Internet-based interventions for depression in comparison with control conditions: An individual-participant data meta-analysis. Depress Anxiety 2018;35:209–19.
  148. GGZ. Digitale Zorg (2024). https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/digitale-zorg/introductie, geraadpleegd maart 2025.
  149. Mårtensson B, Pettersson A, Berglund L, Ekselius L. Bright white light therapy in depression: A critical review of the evidence. J Affect Disord 2015;182:1–7.
  150. Rohan KJ, Mahon JN, Evans M, Ho SY, Meyerhoff J, Postolache TT, et al. Randomized trial of cognitive-behavioral therapy versus light therapy for seasonal affective disorder: acute outcomes. Am J Psychiatry 2015;172:862–9.
  151. Rohan KJ, Meyerhoff J, Ho SY, Evans M, Postolache TT, Vacek PM. Outcomes one and two winters following cognitive-behavioral therapy or light therapy for seasonal affective disorder. Am J Psychiatry 2016;173:244–51.
  152. Partonen T, Lönnqvist J. Prevention of winter seasonal affective disorder by bright-light treatment. Psychol Med 1996;26:1075–80.
  153. Nussbaumer-Streit B, Forneris CA, Morgan LC, Van Noord MG, Gaynes BN, Greenblatt A, et al. Light therapy for preventing seasonal affective disorder. Cochrane Database Syst Rev 2019;3:Cd011269.
  154. Pail G, Huf W, Pjrek E, Winkler D, Willeit M, Praschak-Rieder N, et al. Bright-light therapy in the treatment of mood disorders. Neuropsychobiology 2011;64:152–62.
  155. Winkler D, Pjrek E, Iwaki R, Kasper S. Treatment of seasonal affective disorder. Expert Review of Neurotherapeutics 2006;6:1039–48.
  156. Praschak-Rieder N, Willeit M. Treatment of seasonal affective disorders. Dialogues Clin Neurosci 2003;5:389–98.
  157. Meesters Y, van Houwelingen CA. Rapid mood swings after unmonitored light exposure. Am J Psychiatry 1998;155:306.
  158. Schulte PFJ, Kaarsgarden MJ, Eldering B, Haarman B, Postma D, Riemersma-Van der Lek RF, et al. Protocol voor lichttherapie bij bipolaire stoornis. Tijdschr voor Psychiatrie 2020:1–6.
  159. Anderson IM. Meta-analytical studies on new antidepressants. Br Med Bull 2001;57:161–78.
  160. Bijl D, Verhoeven WMA. Antidepressiva bij depressie: een kritische beschouwing. Geneesmiddelen bulletin 2002;36:51–9.
  161. Williams JW, Jr., Mulrow CD, Chiquette E, Noel PH, Aguilar C, Cornell J. A systematic review of newer pharmacotherapies for depression in adults: evidence report summary. Ann.Intern.Med. 2000;132:743–56.
  162. Arroll B, Elley CR, Fishman T, Goodyear-Smith FA, Kenealy T, Blashki G, et al. Antidepressants versus placebo for depression in primary care. Cochrane Database Syst Rev 2009:CD007954.
  163. Turner EH, Matthews AM, Linardatos E, Tell RA, Rosenthal R. Selective publication of antidepressant trials and its influence on apparent efficacy. N Engl J Med 2008;358:252–60.
  164. Kirsch I, Deacon BJ, Huedo-Medina TB, Scoboria A, Moore TJ, Johnson BT. Initial severity and antidepressant benefits: a meta-analysis of data submitted to the Food and Drug Administration. PLoS Med 2008;5:e45.
  165. Fournier JC, DeRubeis RJ, Hollon SD, Dimidjian S, Amsterdam JD, Shelton RC, et al. Antidepressant Drug Effects and Depression Severity: A Patient-Level Meta-analysis. JAMA: The Journal of the American Medical Association 2010;303:47–53.
  166. Cipriani A, Furukawa TA, Salanti G, Chaimani A, Atkinson LZ, Ogawa Y, et al. Comparative efficacy and acceptability of 21 antidepressant drugs for the acute treatment of adults with major depressive disorder: a systematic review and network meta-analysis. Lancet 2018;391:1357–66.
  167. KNMP, NHG, NVvP, MIND. Multidisciplinair document 'Afbouwen SSRI’s & SNRI’s' (2018). https://www.knmp.nl/richtlijnen/afbouwen-ssris-snris.
  168. Warner CH, Bobo W, Warner C, Reid S, Rachal J. Antidepressant discontinuation syndrome. Am Fam Physician 2006;74:449–56.
  169. Fava M, Mulroy R, Alpert J, Nierenberg AA, Rosenbaum JF. Emergence of adverse events following discontinuation of treatment with extended-release venlafaxine. Am J Psychiatry 1997;154:1760–2.
  170. van Geffen EC, Hugtenburg JG, Heerdink ER, van Hulten RP, Egberts AC. Discontinuation symptoms in users of selective serotonin reuptake inhibitors in clinical practice: tapering versus abrupt discontinuation. Eur J Clin Pharmacol 2005;61:303–7.
  171. Groot PC. Taperingstrips voor paroxetine en venlafaxine. Tijdschr Psychiatr 2013;55:789–94.
  172. Rosenbaum JF, Fava M, Hoog SL, Ascroft RC, Krebs WB. Selective serotonin reuptake inhibitor discontinuation syndrome: a randomized clinical trial. Biol Psychiatry 1998;44:77–87.
  173. Hulp CF. Farmacotherapeutisch Kompas. Amstelveen: College voor Zorgverzekeringen, 2012.
  174. Hall J, Naranjo CA, Sproule BA, Herrmann N. Pharmacokinetic and pharmacodynamic evaluation of the inhibition of alprazolam by citalopram and fluoxetine. J Clin Psychopharmacol 2003;23:349–57.
  175. Luijering JK. Over de teelt van Hypericum perforatum Sint-Janskruid. Nederlands Tijdschrift voor Fytotherapie 1998:18–9.
  176. Butterweck V. Mechanism of action of St John's wort in depression : what is known? CNS Drugs 2003;17:539–62.
  177. Apaydin EA, Maher AR, Shanman R, Booth MS, Miles JN, Sorbero ME, et al. A systematic review of St. John's wort for major depressive disorder. Syst Rev 2016;5:148.
  178. De Wit L, Jeurissen S, Chen W. Risk assessment of herbal preparations containing St John’s wort (2019). https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2019-0115.pdf.
  179. Van de Koppel S, Ekhart C. Risico’s bij gebruik van producten met Sint-Janskruid (2020). https://www.lareb.nl/media/oxqdwobs/pw-st-janskruid.pdf.
  180. Joyce PR, Mulder RT, Luty SE, McKenzie JM, Miller AL, Rogers GR, et al. Age-dependent antidepressant pharmacogenomics: polymorphisms of the serotonin transporter and G protein beta3 subunit as predictors of response to fluoxetine and nortriptyline. Int J Neuropsychopharmacol 2003;6:339–46.
  181. Mulder RT, Watkins WG, Joyce PR, Luty SE. Age may affect response to antidepressants with serotonergic and noradrenergic actions. J Affect Disord 2003;76:143–9.
  182. Sharma T, Guski LS, Freund N, Gøtzsche PC. Suicidality and aggression during antidepressant treatment: systematic review and meta-analyses based on clinical study reports. Bmj 2016;352:i65.
  183. Bruijn JA, Moleman P. Suïcidaliteit en suïcide bij behandeling met antidepressiva. Psyfar (2007). https://www.psyfar.nl/tijdschrift/editie/artikel/t/suicidaliteit-en-suicide-bij-behandeling-met-antidepressiva.
  184. Stone M, Laughren T, Jones ML, Levenson M, Holland PC, Hughes A, et al. Risk of suicidality in clinical trials of antidepressants in adults: analysis of proprietary data submitted to US Food and Drug Administration. Bmj 2009;339:b2880.
  185. Carpenter DJ, Fong R, Kraus JE, Davies JT, Moore C, Thase ME. Meta-analysis of efficacy and treatment-emergent suicidality in adults by psychiatric indication and age subgroup following initiation of paroxetine therapy: a complete set of randomized placebo-controlled trials. J Clin Psychiatry 2011;72:1503–14.
  186. Vanderburg DG, Batzar E, Fogel I, Kremer CM. A pooled analysis of suicidality in double-blind, placebo-controlled studies of sertraline in adults. J Clin Psychiatry 2009;70:674–83.
  187. Martinez C, Rietbrock S, Wise L, Ashby D, Chick J, Moseley J, et al. Antidepressant treatment and the risk of fatal and non-fatal self harm in first episode depression: nested case-control study. Bmj 2005;330:389.
  188. Umetsu R, Abe J, Ueda N, Kato Y, Matsui T, Nakayama Y, et al. Association between Selective Serotonin Reuptake Inhibitor Therapy and Suicidality: Analysis of U.S. Food and Drug Administration Adverse Event Reporting System Data. Biol Pharm Bull 2015;38:1689–99.
  189. Mallery L, MacLeod T, Allen M, McLean-Veysey P, Rodney-Cail N, Bezanson E, et al. Systematic review and meta-analysis of second-generation antidepressants for the treatment of older adults with depression: questionable benefit and considerations for frailty. BMC Geriatr 2019;19:306.
  190. Tham A, Jonsson U, Andersson G, Söderlund A, Allard P, Bertilsson G. Efficacy and tolerability of antidepressants in people aged 65 years or older with major depressive disorder - A systematic review and a meta-analysis. J Affect Disord 2016;205:1–12.
  191. Krause M, Gutsmiedl K, Bighelli I, Schneider-Thoma J, Chaimani A, Leucht S. Efficacy and tolerability of pharmacological and non-pharmacological interventions in older patients with major depressive disorder: A systematic review, pairwise and network meta-analysis. Eur Neuropsychopharmacol 2019;29:1003–22.
  192. Ephor. Serotonine heropnameremmers en andere tweede generatie antidepressiva. Geneesmiddelbeoordeling voor de (kwetsbare) oude patiënt (2019). https://ephor.nl/wp-content/uploads/2018/12/sris-rapport-2012.pdf.
  193. Pollock BG. Adverse reactions of antidepressants in elderly patients. J Clin Psychiatry 1999;60 Suppl 20:4–8.
  194. VWS Mv. HARM-WRESTLING. Een voorstel van de Expertgroep Medicatieveiligheid m.b.t. concrete interventies die de extramurale medicatieveiligheid op korte termijn kunnen verbeteren. Den Haag: Ministerie van VWS, 2009.
  195. Wijnen HH, Van Schendel FM, Olde Rikkert MG, Van der Hooft CS, Van Puijenbroek EP. Hyponatriëmie bij gebruik van selectieve serotonineheropnameremmers: meldingen in 1992-2002. Ned.Tijdschr.Geneeskd. 2004;148:1921–4.
  196. Ruhe HG, Booij J, Van Weert HC, Reitsma JB, Franssen EJ, Michel MC, et al. Dosisverhoging van SSRI'S bij depressie; niet aan te bevelen in richtlijnen. Tijdschr Psychiatr. 2010;52:615–25.
  197. Trimbos-instituut. Persoonlijk en maatschappelijk herstel van mensen met ernstige psychische aandoeningen (2014). https://www.trimbos.nl/aanbod/webwinkel/af1311-trendrapportage-ggz-persoonlijk-en-maatschappelijk-herstel-van-mensen-met-ernstige-psychische-aandoeningen/.
  198. GGZ. Zorgstandaard. Depressieve stoornissen (2018):[1–171 pp.].
  199. Kendrick T, El-Gohary M, Stuart B, Gilbody S, Churchill R, Aiken L, et al. Routine use of patient reported outcome measures (PROMs) for improving treatment of common mental health disorders in adults. Cochrane Database Syst Rev 2016;7:Cd011119.
  200. Chang TE, Jing Y, Yeung AS, Brenneman SK, Kalsekar I, Hebden T, et al. Effect of communicating depression severity on physician prescribing patterns: findings from the Clinical Outcomes in MEasurement-based Treatment (COMET) trial. Gen Hosp Psychiatry 2012;34:105–12.
  201. Mathias SD, Fifer SK, Mazonson PD, Lubeck DP, Buesching DP, Patrick DL. Necessary but not sufficient: the effect of screening and feedback on outcomes of primary care patients with untreated anxiety. J Gen Intern Med 1994;9:606–15.
  202. Rush AJ, Trivedi MH, Ibrahim HM, Carmody TJ, Arnow B, Klein DN, et al. The 16-Item Quick Inventory of Depressive Symptomatology (QIDS), clinician rating (QIDS-C), and self-report (QIDS-SR): a psychometric evaluation in patients with chronic major depression. Biol Psychiatry 2003;54:573–83.
  203. Hiroe T, Kojima M, Yamamoto I, Nojima S, Kinoshita Y, Hashimoto N, et al. Gradations of clinical severity and sensitivity to change assessed with the Beck Depression Inventory-II in Japanese patients with depression. Psychiatry Res 2005;135:229–35.
  204. Fantino B, Moore N. The self-reported Montgomery-Asberg Depression Rating Scale is a useful evaluative tool in Major Depressive Disorder. BMC Psychiatry 2009;9:26.
  205. Zimmerman M, Walsh E, Friedman M, Boerescu DA, Attiullah N. Identifying Remission From Depression on 3 Self-Report Scales. J Clin Psychiatry 2017;78:177–83.
  206. Zimmerman M, Martinez JH, Friedman M, Boerescu DA, Attiullah N, Toba C. How can we use depression severity to guide treatment selection when measures of depression categorize patients differently? J Clin Psychiatry 2012;73:1287–91.
  207. De Croon EM, Hugenholz NIR, Nieuwenhuijsen K, Van Dijk FJH. Prognose van verzuimduur bij psychische aandoeningen. TBV 2005;13:164–72.
  208. Hiemke C, Bergemann N, Clement HW, Conca A, Deckert J, Domschke K, et al. Consensus Guidelines for Therapeutic Drug Monitoring in Neuropsychopharmacology: Update 2017. Pharmacopsychiatry 2018;51:9–62.
  209. Milosavljevic F, Bukvic N, Pavlovic Z, Miljevic C, Pešic V, Molden E, et al. Association of CYP2C19 and CYP2D6 Poor and Intermediate Metabolizer Status With Antidepressant and Antipsychotic Exposure: A Systematic Review and Meta-analysis. JAMA Psychiatry 2021;78:270–80.
  210. Knipscheer JW, Kleber RJ. Migranten in de ggz: empirische bevindingen rond gezondheid, hulpzoekgedrag, hulpbehoeften en waardering van zorg. Tijdschr Psychiatr. 2005;47:753–9.
  211. Raad voor de volksgezondheid en zorg. Allochtone cliënten en geestelijke gezondheidszorg [achtergrondstudie bij Interculturalisatie van de gezondheidszorg] (2000). http://www.rvz.net/data/download/publ99-22.pdf (2000). http://www.rvz.net/data/download/publ99-22.pdf.
  212. Rabbae N, Smits C, Franx G. Wie kiespijn heeft, zoekt zelf een arts. Informatiebehoeften van Turkse en Marokkaanse cliënten met depressie. Cultuur Migratie Gezondheid 2008;5:86–95.
  213. Bertolote JM, Fleischmann A, De Leo D, Wasserman D. Psychiatric diagnoses and suicide: revisiting the evidence. Crisis 2004;25:147–55.
  214. Nock MK, Borges G, Bromet EJ, Alonso J, Angermeyer M, Beautrais A, et al. Cross-national prevalence and risk factors for suicidal ideation, plans and attempts. Br J Psychiatry 2008;192:98–105.
  215. Marquet R, Donker G. Praten over suïcidegedachten. Huisarts Wet 2009;52:267–.
  216. Chen YW, Dilsaver SC. Lifetime rates of suicide attempts among subjects with bipolar and unipolar disorders relative to subjects with other Axis I disorders. Biol Psychiatry 1996;39:896–9.
  217. Holma KM, Melartin TK, Haukka J, Holma IA, Sokero TP, Isometsä ET. Incidence and predictors of suicide attempts in DSM-IV major depressive disorder: a five-year prospective study. Am J Psychiatry 2010;167:801–8.
  218. Riihimäki K, Vuorilehto M, Melartin T, Haukka J, Isometsä E. Incidence and predictors of suicide attempts among primary-care patients with depressive disorders: a 5-year prospective study. Psychol Med 2014;44:291–302.
  219. Andersen UA, Andersen M, Rosholm JU, Gram LF. Contacts to the health care system prior to suicide: a comprehensive analysis using registers for general and psychiatric hospital admissions, contacts to general practitioners and practising specialists and drug prescriptions. Acta Psychiatr Scand 2000;102:126–34.
  220. Luoma JB, Martin CE, Pearson JL. Contact with mental health and primary care providers before suicide: a review of the evidence. Am J Psychiatry 2002;159:909–16.
  221. Elzinga E, Gilissen R, Donker GA, Beekman ATF, de Beurs DP. Discussing suicidality with depressed patients: an observational study in Dutch sentinel general practices. BMJ Open 2019;9:e027624.
  222. Eikelenboom M, Beekman ATF, Penninx B, Smit JH. A 6-year longitudinal study of predictors for suicide attempts in major depressive disorder. Psychol Med 2019;49:911–21.
  223. Neeleman J. Suïcidaliteit. Ned Tijdschr Geneeskd 2001;145:515–20.
  224. Garssen MJ, Hoogenboezem J, Kerkhof AJ. Zelfdoding onder migrantengroepen en autochtonen in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd 2006;150:2143–9.
  225. Bakker H. Eergerelateerd geweld in Nederland. Een bronnenboek. Utrecht: TransAct, 2005.
  226. Van Bergen DD, Smit JH, Van Balkom AJ, Van Ameijden E, Saharso S. Suicidal ideation in ethnic minority and majority adolescents in Utrecht, the Netherlands. Crisis 2008;29:202–8.
  227. Acherrat-Stitou Z. Islam en psychiatrie in Nederland, een verkenning. Psyche & Geloof 2009;20:110–8.
  228. Shea SC. The chronological assessment of suicide events: a practical interviewing strategy for the elicitation of suicidal ideation. J Clin Psychiatry 1998;59 Suppl 20:58–72.
  229. De Vries P, Huisman A, Kerkhof AJ, Robben PB. Het non-suïcidecontract: een riskant ritueel. Tijdschr Psychiatr 2008;50:667–71.
  230. Kerkhof AJFM, Van der Meer CE, Van der Meer-Medendorp AMA, De Beurs D, De Winter R. Is de huisarts machteloos bij suïcidale patiënten? Ned Tijdschr Geneeskd 2020;164:D5058.
  231. Nuij C, van Ballegooijen W, de Beurs D, Juniar D, Erlangsen A, Portzky G, et al. Safety planning-type interventions for suicide prevention: meta-analysis. Br J Psychiatry 2021;219:419–26.
Tabellen, schema’s en afbeeldingen

Tabellen

Schema's