Beroerte

Beroerte

Samenvatting

Richtlijnen diagnostiekNaar Volledige tekst

Eerste (telefonische) contact

Beoordeel de klinische toestand van de patiënt volgens de ABCDE-systematiek.

ABCDE-instabielNaar Volledige tekst

  • Bel, indien de patiënt ABCDE-instabiel is, bijvoorbeeld bij verlaagd bewustzijn of epileptisch insult, direct een ambulance.
  • Overweeg vervolgens een spoedvisite af te leggen.
  • Indien er alleen neurologische uitvalsverschijnselen zijn, volg het beleid bij ABCDE-stabiel.

ABCDE-stabielNaar Volledige tekst

  • Maak (telefonisch) een inschatting van de waarschijnlijkheid van een TIA, herseninfarct of hersenbloeding. Overweeg hierbij de FAST-test te gebruiken.
  • Zie verder Anamnese en Richtlijnen beleid acute fase.
FAST-test (Face-Arm-Speech-Time-test)Naar Volledige tekst
  • Deze test wordt bij voorkeur afgenomen door iemand in de directe omgeving van de patiënt:
    1. Gezicht: vraag de patiënt de tanden te laten zien. Let op scheefstand mond en afhangende mondhoek.
    2. Arm: vraag de patiënt beide armen tegelijk horizontaal naar voren te strekken en de handpalmen naar boven te draaien. Let op of een arm wegzakt of rondzwalkt.
    3. Spraak: vraag naar veranderingen in het spreken (onduidelijk spreken, niet meer uit de woorden kunnen komen).
    4. Tijd: vraag hoe laat de klachten zijn begonnen.
  • Interpretatie: bij een niet goede uitvoering van ≥ 1 van de eerste 3 opdrachten is er verdenking op een beroerte. Houd er rekening mee dat de FAST-test negatief kan zijn, vooral bij een beroerte in het vertebrobasilaire stroomgebied.

AnamneseNaar Volledige tekst

Vraag bij vermoeden van een beroerte naar:

  • aard van de uitvalsverschijnselen (zoals paresen, spraak-/taalstoornis)
  • tijdstip van ontstaan van de uitvalsverschijnselen
  • acuut of geleidelijk begin
  • beloop
  • eerdere episoden met gelijksoortige verschijnselen
  • gebruik van orale anticoagulantia; tijdstip van laatste inname; recente bloedingen of operaties
  • risicofactoren voor beroerte: hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten waaronder atriumfibrilleren, diabetes mellitus, overgewicht, overmatig alcoholgebruik, roken, migraine, drugsgebruik, hormoontherapie tijdens de overgang of als anticonceptie

Lichamelijk onderzoekNaar Volledige tekst

  • Onderzoek de aanwezigheid, aard en ernst van de uitvalsverschijnselen (ook indien er anamnestisch geen uitvalsverschijnselen meer zijn).
  • Meet de bloeddruk en ausculteer het hart (ritme en frequentie).

Aanvullend onderzoekNaar Volledige tekst

Bepaal de bloedglucosewaarde.

EvaluatieNaar Volledige tekst

  • Stel de werkdiagnose herseninfarct of intracerebrale bloeding bij patiënten met focale uitvalsverschijnselen die nog aanwezig zijn bij presentatie. Kenmerkend is dat de verschijnselen acuut, gelijktijdig en zonder voortekenen zijn begonnen.
  • Stel de werkdiagnose TIA bij patiënten met passagère focale uitvalsverschijnselen die bij presentatie volledig verdwenen zijn. Kenmerkend is dat de uitvalsverschijnselen acuut, gelijktijdig en zonder voortekenen zijn begonnen, en te verklaren zijn vanuit een stoornis in 1 cerebraal stroomgebied.
  • Voor de belangrijkste differentiaaldiagnostische overwegingen, zie tabel h2.

Richtlijnen beleid acute faseNaar Volledige tekst

De aanwezigheid en de duur van de uitvalsverschijnselen bepalen de urgentie voor beoordeling en verwijzing (zie figuur h1).  

Beoordeel tot welke categorie de patiënt behoort op basis van aanwezigheid en duur van de uitvalsverschijnselen en eventuele behandelbeperking:

Uitvalsverschijnselen aanwezig, < 12 uur geleden ontstaan (U1, spoed)Naar Volledige tekst

  • Bel met spoed een ambulance en verwijs patiënt naar de neuroloog.
  • Overweeg, na het inschakelen van de ambulance, een spoedvisite af te leggen (U1-urgentie).
  • Verwijs de patiënt ook met spoed indien onduidelijk is wanneer de uitvalsverschijnselen zijn begonnen (bijvoorbeeld wake-up stroke), en de patiënt < 12 uur geleden voor het laatst zonder uitvalsverschijnselen is gezien.
  • Verzamel, indien mogelijk, informatie over de contra-indicaties voor intraveneuze trombolyse (zie tabel h3).

Uitvalsverschijnselen aanwezig, ≥ 12 uur geleden ontstaan (U2, < 1 uur)Naar Volledige tekst

  • Leg een spoedvisite af of laat de patiënt met geringe uitvalsverschijnselen direct naar de praktijk komen (U2-urgentie, < 1 uur).
  • Overleg vervolgens, wanneer een beroerte aannemelijk is, met de neuroloog over de urgentie waarmee patiënt verwezen moet worden (onder andere afhankelijk van duur en ernst van de uitvalsverschijnselen).

Uitvalsverschijnselen aanwezig: infauste prognose of wens thuis te blijven (U2, < 1 uur)Naar Volledige tekst

  • Leg een spoedvisite af (U2-urgentie, < 1 uur).
  • Houd bij de besluitvorming over opname rekening met de wens van de patiënt en diens familie. Of de patiënt thuis kan blijven, hangt af van de mogelijkheden van de omgeving (partner, mantelzorg, thuiszorg). Zie Aandachtspunten indien de patiënt thuis blijft.

Uitvalsverschijnselen volledig verdwenen (U3, binnen enkele uren)Naar Volledige tekst

  • Laat de patiënt naar de praktijk komen of leg een visite af (U3, binnen enkele uren).
  • Instrueer de patiënt om direct opnieuw contact met de huisarts op te nemen indien de verschijnselen in de tussentijd recidiveren.
  • Bij de werkdiagnose TIA:
    • overleg met de neuroloog over de gewenste termijn van beoordeling  (bij voorkeur binnen 24 uur).
    • start acetylsalicylzuur (eenmalig 160 mg, gevolgd door 80 mg 1dd), tenzij de neuroloog de patiënt direct beoordeelt

Richtlijnen beleid na ontslagNaar Volledige tekst

Overdracht van tweede lijn naar huisartsNaar Volledige tekst

  • De aard en intensiteit van de nazorg direct na ontslag hangt af van de toestand van de patiënt (aard en ernst van de restverschijnselen, complicaties) en van diens prognose.
  • Het verdient aanbeveling om contact op te nemen met de patiënt binnen enkele dagen na het ontslag; leg een visite af of nodig de patiënt uit op het spreekuur.

Aandachtspunten

Besteed, afhankelijk van de fase waarin de patiënt verkeert, eventuele behandeling en controle elders, en de aard en ernst van de uitvalsverschijnselen, aandacht aan de volgende aspecten en betrek daarbij indien mogelijk de partner/mantelzorger:

  • Besteed aandacht aan de beperkingen, ervaren steun en behandeling, zoals deelname aan een revalidatieprogramma, depressieve of angstklachten, relationele en seksuele problemen, vermoeidheidsklachten, het maatschappelijk functioneren en de re-integratie in het arbeidsproces.
  • Besteed aan de hand van de ernst van de beperkingen in het spreken, aandacht aan de communicatie en waarneming (zoals neglect, hemianopsie, afasie en/of dysartrie), aanwezigheid van cognitieve stoornissen.
  • Verricht diagnostiek bij tekenen van een cognitieve stoornis (zie NHG-Standaard Dementie).
  • Kijk naar de belastbaarheid van de mantelzorg.

VoorlichtingNaar Volledige tekst

Bespreek:

  • aard en oorzaak van de aandoening
  • behandeling (revalidatietraject, secundaire preventie)
  • prognose
  • geef informatie over het omgaan met de ziekte en de beperkingen
  • adviseer direct contact op te nemen met de huisarts bij opnieuw optreden van uitvalsverschijnselen

Secundaire preventieNaar Volledige tekst

Medicamenteuze onderhoudsbehandelingNaar Volledige tekst

De neuroloog start de secundaire preventie. Continueer deze medicatie in principe levenslang.

Na een TIA of herseninfarct

  • Trombocytenaggregatieremmers:
    • dipyridamol met gereguleerde afgifte 200 mg 2 dd in combinatie met acetylsalicylzuur 80 mg 1 dd óf
    • clopidogrel 75 mg 1 dd
  • De neuroloog behandelt patiënten na een TIA of herseninfarct meestal gedurende 21 dagen met zowel clopidogrel als acetylsalicylzuur.
  • Bij een TIA of herseninfarct als gevolg van atriumfibrilleren of andere cardiale emboliebron: vitamine K-antagonisten of DOAC’s in plaats van een trombocytenaggregatieremmer, zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren.
  • Voor cholesterolverlagende medicatie en antihypertensiva: zie NHG-Standaard CVRM.

Na een intracerebrale bloedingNaar Volledige tekst

  • Antihypertensiva: behandel de bloeddruk volgens de streefwaarden in de NHG-Standaard CVRM).
  • Trombocytenaggregatieremmers kunnen waarschijnlijk veilig gebruikt worden na een intracerebrale bloeding die optrad tijdens het gebruik van antitrombotische medicatie (trombocytenaggregatieremmers of orale anticoagulantia).

ControlesNaar Volledige tekst

  • Maak afspraken met patiënt en diens partner/mantelzorger over de frequentie van de controles; dit hangt mede af van de beperkingen van de patiënt.
  • Wees ook na een minor stroke of TIA alert op beperkingen.
  • Indien de patiënt stabiel is en alle benodigde zorg is ingeschakeld, ligt de nadruk op cardiovasculair risicomanagement.
  • Soms blijft een diagnose TIA onzeker. Besteed aandacht aan eventuele recidiverende verschijnselen en blijf alert op een alternatieve oorzaak voor de klachten.

Consultatie en verwijzingNaar Volledige tekst

  • Bij recidief uitvalsverschijnselen en complicaties (zoals epileptische insulten): neuroloog.
  • Voor overige verwijsindicaties: zie volledige tekst.
Volledige tekst

Belangrijkste wijzigingen

September 2026

  • De indicaties voor endovasculaire behandeling bij een herseninfarct zijn uitgebreid, het verwijsbeleid in de acute fase is echter niet gewijzigd.
  • Wees terughoudend met het aanvragen van farmacogenetisch onderzoek bij patiënten die clopidogrel gebruiken en uit controle van de neuroloog zijn ontslagen. We bevelen niet aan om patiënten hiervoor actief te benaderen.
  • Behandel de bloeddruk in de secundaire preventie na een intracerebrale bloeding volgens de streefwaarden in de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (in plaats van te streven naar een zo laag mogelijke, door de patiënt verdragen, systolische bloeddruk).

Kernboodschappen

  • Plotseling optredende verschijnselen van focale uitval in de hersenen als gevolg van ischemie (TIA of herseninfarct) of van een spontane intracerebrale bloeding, worden in de standaard aangeduid met de overkoepelende term ‘beroerte’.
  • Het beleid bij het vermoeden van een beroerte is afhankelijk van de aanwezigheid en duur van de uitvalsverschijnselen bij presentatie.
  • Stel de werkdiagnose TIA bij patiënten bij wie geen uitvalsverschijnselen meer aanwezig zijn bij presentatie aan de huisarts.
  • Start acetylsalicylzuur (eenmalig 160 mg, gevolgd door 80 mg 1 dd) bij de werkdiagnose TIA, tenzij de patiënt direct door de neuroloog wordt onderzocht.
  • Een patiënt met een doorgemaakt TIA of herseninfarct wordt beschouwd als een patiënt met een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten. Inventariseer en optimaliseer de risicofactoren voor hart- en vaatziekten.
  • Een beroerte kan tot (ernstige) restverschijnselen op lichamelijk en psychisch gebied leiden. Controleer de patiënt regelmatig, afhankelijk van de aard en ernst van de verschijnselen en wees alert op lichamelijke en neuropsychologische restverschijnselen.

Inleiding

Scope

  • Diagnostiek en beleid bij patiënten met neurologische uitvalsverschijnselen die plotseling ontstaan zijn als gevolg van cerebrale ischemie (transient ischaemic attack (TIA) of een herseninfarct) of van een spontane intracerebrale bloeding.
  • De rol van de huisarts na het ontslag uit het ziekenhuis of revalidatie instelling is:
    • signaleren en begeleiden van patiënten met restverschijnselen
    • secundaire preventie

Buiten de scope

  • Andere oorzaken van neurologische uitvalsverschijnselen, zoals een subduraal hematoom of subarachnoïdale bloeding.
  • Het beleid bij een herseninfarct dat is vastgesteld door middel van beeldvorming en wat niet gepaard is gegaan met klinisch herkenbare uitvalsverschijnselen (stil herseninfarct).

Afstemming

De aanbevelingen sluiten zoveel mogelijk aan bij de volgende richtlijnen:

Achtergronden

Begrippen

Beroerte

Overkoepelende term voor plotseling optredende verschijnselen van focale uitval in de hersenen als gevolg van ischemie (TIA en herseninfarct) of een spontane intracerebrale bloeding.

Transient ischaemic attack (TIA)

Voorbijgaande episode met neurologische verschijnselen als gevolg van focale ischemie van de hersenen, het ruggenmerg of de retina zonder aanwijzingen voor verse infarcering bij beeldvorming.

Herseninfarct

Plotseling optredende verschijnselen van focale uitval in de hersenen als gevolg van ischemie.

Minor stroke

Klein herseninfarct met geringe uitvalsverschijnselen die niet volledig herstellen.

Intracerebrale bloeding

Plotseling optredende verschijnselen van focale uitval in de hersenen als gevolg van een spontane parenchymateuze bloeding.

Details
Begrippen

De huidige definitie van een TIA (volgens de American Heart Association) luidt: een voorbijgaande episode met neurologische uitval als gevolg van focale ischemie van de hersenen, het ruggenmerg of de retina zonder acute infarcering.  1     2     Als er sprake is van infarcering bij beeldvormend onderzoek (CT/MRI) is er, onafhankelijk van de duur van de symptomen, sprake van een herseninfarct.

De internationaal langdurig gehanteerde tijdsgrens van 24 uur is inmiddels verlaten, aangezien bij 3 op de 4 patiënten de uitvalsverschijnselen binnen 1 uur volledig zijn verdwenen. Daarnaast worden met diffusiegewogen MRI (DWI) verse ischemische afwijkingen gevonden bij circa 1 op de 3 patiënten met een TIA volgens bovenstaande definitie. 
Wat betreft oorzaken, diagnostiek en secundaire preventie bestaat er geen verschil tussen een TIA of herseninfarct. Daarnaast is het bij uitvalsverschijnselen onwenselijk om af te wachten of deze voorbijgaand zijn. De werkdiagnose TIA wordt gehanteerd bij patiënten bij wie geen uitvalsverschijnselen meer aanwezig zijn bij presentatie aan de huisarts. De neuroloog stelt de definitieve diagnose TIA indien er geen aanwijzingen zijn voor andere intracraniële pathologie en er bij beeldvormend onderzoek geen aanwijzingen zijn voor verse infarcering.

De term ‘beroerte’ is de vertaling van de Engelse term stroke, een verzamelnaam voor spontane intracerebrale bloedingen, subarachnoïdale bloedingen en infarcten van de hersenen, ruggenmerg of retina.  3    
In deze standaard hanteren we ‘beroerte’ als overkoepelende term voor herseninfarct, spontane intracerebrale bloeding en TIA. Subarachnoïdale bloedingen vallen buiten het bestek van deze standaard. 

Epidemiologie

  • De incidentie van een TIA (ICPC-code K89) bedroeg in de huisartsenpraktijk in 2024 2,9 per 1000 personen per jaar.
  • De incidentie van een herseninfarct en intracerebrale bloeding (ICPC K90) bedroeg in de huisartsenpraktijk in 2024 2,3 per 1000 personen per jaar en neemt sterk toe met de leeftijd.
  • De incidentie voor vrouwen en mannen is ongeveer gelijk. Vrouwen zijn gemiddeld ouder dan mannen op het moment van een eerste beroerte; de klinische presentatie is niet wezenlijk verschillend.
  • Bij ongeveer 80% van de patiënten met een beroerte is er sprake van een herseninfarct, bij 20% is er sprake van een intracerebrale bloeding.
Details
Epidemiologie

Incidentie en prevalentie

Om tot het Nederlandse incidentie- en prevalentiecijfer te komen heeft het NIVEL het aantal personen geteld dat ooit een vermelding van TIA of CVA had in het huisartsendossier. Doordat deze cijfers gebaseerd zijn op klinische diagnoses is er zeer waarschijnlijk sprake van onderregistratie.  4     5     In 2024 werden 23.790 mannen en 19.764 vrouwen opgenomen in het ziekenhuis met de diagnose beroerte; de gemiddelde leeftijd bij opname was 71 jaar voor mannen en 74 jaar voor vrouwen. 
In 2024 overleden in totaal 4.018 mannen en 5.369 vrouwen aan een beroerte; de gemiddelde leeftijd was 80 jaar voor mannen en 84 jaar voor vrouwen. De kans om binnen 30 dagen na een beroerte te overlijden was 11,7%; de kans om binnen 1 jaar te overlijden was 20,1% en de kans om binnen 5 jaar te overlijden 38,6%. De overlijdenskans was na een intracerebrale bloeding veel hoger dan na een herseninfarct: in 2024 was de kans om binnen 30 dagen na de eerste opname voor een hersenbloeding te overlijden 32%, bij herseninfarct was dit 11,4% (Hart & Vaatcijfers).  6    

Tussen 1980 en 2024 is het voor de bevolkingsopbouw gecorrigeerde sterftecijfer voor beroerte bij mannen gedaald met 73% (van 166 naar 45 per 100.000 patiënten) en bij vrouwen met 66% (van 179 naar 60 per 100.000 patiënten) (Volksgezondheid en Zorg).  7     Deze verbetering in de prognose kan verklaard worden door het beschikbaar komen van stroke-units en door verbeteringen in de secundaire preventie (Beroerte | Cijfers & Context | Trends | Volksgezondheidenzorg.info).  8     9    
In de periode 2011-2017 was de jaarprevalentie (het aantal mensen met beroerte dat bekend was bij de huisarts) gestegen met ongeveer 15% voor zowel mannen als vrouwen. Sinds 2017 is het cijfer gestabiliseerd. De trend is gecorrigeerd voor veranderingen in de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking. De aanvankelijke stijging is mogelijk te verklaren door betere diagnostiek en door de stijgende prevalentie van risicofactoren zoals hypertensie en diabetes mellitus type 2  8     (Beroerte | Cijfers & Context | Trends | Volksgezondheidenzorg.info).  9    

Etniciteit

In Nederland hebben verschillende bevolkingsgroepen na correctie voor leeftijd, burgerlijke staat, urbanisatiegraad en sociaaleconomische positie een hoger risico om te overlijden aan hart- en vaatziekten, vooral als gevolg van een beroerte. Mannen met een Turkse achtergrond hebben een hoger relatief risico om te overlijden aan een beroerte dan mannen met een Nederlandse achtergrond (RR 1,44; 95%-BI 1,14 tot 1,82). Ditzelfde geldt voor mannen met een Surinaamse achtergrond (RR 1,90; 95%-BI 1,66 tot 2,17). Vrouwen met een Surinaamse achtergrond hebben een hoger relatief risico om te overlijden aan een beroerte dan vrouwen met een Nederlandse achtergrond (RR 1,37; 95%-BI 1,20 tot 1,56). Voor vrouwen met een Turkse achtergrond en personen met een Marokkaanse of Caribisch-Nederlandse achtergrond zijn er geen significante verschillen vergeleken met personen met een Nederlandse achtergrond.  10    

Conclusie

Vrouwen en mannen met een Surinaamse achtergrond en mannen met een Turkse achtergrond hebben in vergelijking met personen met een Nederlandse achtergrond een verhoogd risico om te overlijden aan een beroerte.

Seksespecifieke verschillen

De leeftijdsspecifieke incidentie voor beroerte in Nederland is hoger bij mannen dan bij vrouwen. In verband met de hogere levensverwachting van vrouwen en de stijging van de incidentie met de leeftijd ligt de absolute incidentie van beroertes hoger bij vrouwen dan bij mannen.  11     12     De gemiddelde leeftijd waarop mannen een eerste beroerte doormaken, bedroeg in de Framingham Heart Study, een cohortonderzoek, 71,1 jaar voor mannen versus 75,1 jaar voor vrouwen.  13    
Er zijn aanwijzingen dat bij vrouwen een herseninfarct vaker een cardio-embolische oorzaak heeft, terwijl bij mannen atherosclerotisch vaatlijden een belangrijke rol inneemt. Seksespecifieke risicofactoren voor het krijgen van een beroerte zijn zwangerschap, kraamperiode en postmenopauzale hormoontherapie.  11     Wat betreft klinische presentatie lijken er geen belangrijke seksespecifieke verschillen te zijn. Een prospectief onderzoek (n = 461) beschrijft dat vrouwen vaker dan mannen niet-traditionele symptomen hebben bij presentatie, zoals pijn en bewustzijnsdaling. Het grootste verschil werd gezien op de uitkomst ‘verandering van de mentale toestand’ (23,2% bij vrouwen versus 15,2% bij mannen; p = 0,03).  14     In een retrospectief statusonderzoek (n = 1107) werd echter geen verschil aangetoond in symptomen bij presentatie.  15     Er is geen verschil in ernst van de uitvalsverschijnselen bij presentatie.  11     16    
Uit de gegevens van het PRACTISE-onderzoek (n = 5515) blijkt dat vrouwen in Nederland minder vaak behandeld worden met intraveneuze trombolyse dan mannen. Dit is het gevolg van latere presentatie in het ziekenhuis. Zevenentwintig procent van de vrouwen die deelnamen aan de studie was binnen 4 uur in het ziekenhuis tegenover 33% van de mannen. Eenmaal op tijd in het ziekenhuis hebben mannen en vrouwen evenveel kans om behandeld te worden.  17     Mogelijk ligt het feit dat oudere vrouwen vaker alleen wonen ten grondslag aan de latere presentatie. Dit speelt ook een rol bij het gegeven dat vrouwen procentueel minder vaak naar huis worden ontslagen dan mannen.  11     13     16     Vrouwen hebben een grotere kans op een post-strokedepressie.  16    

Conclusie

De aangetoonde sekseverschillen zijn met name gerelateerd aan de hogere leeftijdsverwachting van vrouwen en de gemiddeld hogere leeftijd bij presentatie.

(Risicofactoren voor) hart- en vaatziekten bij patiënten met een beroerte

Uit de Oxford Vascular Study blijkt dat (risicofactoren voor) hart- en vaataandoeningen bij patiënten met een eerste beroerte veelvuldig voorkomen. In de periode 2002 tot 2004 werden onder andere de volgende factoren geregistreerd: hypertensie (systolische bloeddruk ≥ 150 mmHg) bij 45,7% en een serumcholesterolspiegel > 6,0 mmol/l bij 29,5% van de patiënten. Roken, atriumfibrilleren en diabetes mellitus waren aanwezig bij respectievelijk 18,1, 16,8 en 9,5% van de patiënten.  18    

Kosten

De zorgkosten voor beroerte werden in 2007 geschat op 700 miljoen euro voor mannen en 937 miljoen euro voor vrouwen. In totaal bedroegen de kosten voor zorg voor mensen met een beroerte 2,2% van de totale kosten voor gezondheidszorg in Nederland, waarbij het grootste gedeelte naar verpleging en verzorging gaat.  19    

Herkenning herseninfarct en intracerebrale bloeding

In een systematisch literatuuronderzoek met 21 observationele (veelal retrospectieve) onderzoeken verricht in de Verenigde Staten, Australië, Verenigd Koninkrijk, China, Zweden en Canada (n = 6934) werd gevonden dat 2-52% van alle patiënten bij wie een beroerte in het ziekenhuis werd vastgesteld, de beroerte door het ambulancepersoneel niet als zodanig was herkend, ondanks gebruik van screeningsinstrumenten zoals FAST, LAPSS, MASS, CPSS en ROSIER.  20    

De meest voorkomende symptomen bij degenen bij wie de beroerte niet herkend was, waren spraakproblemen (13-28%), misselijkheid/braken (8-38%), duizeligheid (23-27%), ‘veranderingen van de mentale status’ (verwardheid, delier, gestoorde oriëntatie en geheugen; 8-25%) en visusklachten (visusdaling, diplopie of wazig zien; 13-29%). Al deze klachten zijn zelden het enige symptoom van een beroerte. De auteurs van het literatuuronderzoek concluderen dat het ambulancepersoneel vooral spraakproblemen en symptomen van een beroerte in het achterste (vertebrobasilaire) stroomgebied niet altijd herkent als een mogelijke beroerte.  20    

Ongeveer 20% van de herseninfarcten vindt plaats in het achterste stroomgebied. Ongeveer 10% van de infarcten in het cerebellum presenteert zich met alleen draaiduizeligheid.  21     22     Op de Spoedeisende Hulp is de kans dat een patiënt met acute draaiduizeligheid zonder andere uitvalsverschijnselen symptomen een herseninfarct heeft naar schatting 0,7-5%.  23     24     In de huisartsenpraktijk zal dit percentage nog lager zijn.

In een narratief literatuuronderzoek naar factoren die bijdragen aan het missen van een beroerte in het achterste stroomgebied, wordt beschreven dat de kans dat een beroerte in het achterste (vertebrobasilaire) stroomgebied bij presentatie op de Spoedeisende Hulp wordt gemist bijna 3 × zo groot is als voor een beroerte in het stroomgebied van de carotiden. De voornaamste klachten bij de gemiste beroertes waren misselijkheid, braken en duizeligheid. Vooral als de klachten mild, voorbijgaand of aspecifiek waren, werd de beroerte gemist. Andere factoren waarbij beroertes vaker gemist werden, zijn leeftijd ≤ 35 jaar, dissectie als oorzaak en vrouwelijk geslacht.  25    

Van de patiënten die direct, zonder beoordeling door een huisarts, ingestuurd worden met vermoeden van een beroerte, blijkt een aanzienlijk deel uiteindelijk geen beroerte te hebben. Dit bleek uit een cross-sectioneel onderzoek in Nederlandse huisartsenposten (n = 1269) naar de accuraatheid van het Nederlands Triage Systeem (NTS) bij patiënten met verschijnselen die bij een TIA, herseninfarct of hersenbloeding kunnen passen. Bij 45% van de met behulp van het NTS getrieerde patiënten werd uiteindelijk een andere diagnose gesteld, zoals migraine, epilepsie of perifeer vestibulair syndroom. De overige diagnoses waren TIA/minor stroke (34,2%), herseninfarct of intracerebrale bloeding (15,8%) en andere ernstige neurologische aandoening, zoals intracraniële bloeding of meningitis (4,8%).  26    

Herkenning TIA

In een Nederlands cross-sectioneel onderzoek (MIND-TIA) kreeg circa 40% van de patiënten die met vermoeden van een TIA naar de TIA-service werden verwezen uiteindelijk een andere diagnose: migraine (30%), stressgerelateerde (of somatoforme) klachten (20%) en syncope (11,3%).  27     In een Zwitsers cohortonderzoek werd bij 15% van de patiënten met vermoeden van een TIA uiteindelijk een andere diagnose gesteld: bij ongeveer 44% epilepsie en bij 24% migraine. Overige diagnoses waren onder andere transient global amnesia (3,6%), hypertensieve encefalopathie (3,6%) en een psychogene oorzaak (3,6%).  28    

In buitenlands onderzoek is gerapporteerd dat vooral niet-specialisten de diagnose ‘TIA’ te lichtvaardig stellen. Portugees onderzoek op basis van enkele tientallen patiënten meldde dat de diagnose vooral ten onrechte gesteld werd bij patiënten die voorbijgaande bewustzijns- of evenwichtsstoornissen aangaven.  29     Ook onder – in cerebrovasculaire aandoeningen gespecialiseerde – neurologen bestaat geen volledige overeenstemming over het stellen van de diagnose ‘TIA’. Nederlands onderzoek toont een matige overeenstemming (kappa 0,65-0,77) tussen neurologen indien zij onafhankelijk van elkaar bij dezelfde patiënt de anamnese afnamen en lichamelijk onderzoek uitvoerden.  30     31    

Afgaand op de diagnoses gesteld door het expertpanel in het MIND-TIA-cohort (n = 206) waren de behandelend neurologen bij twijfel geneigd te kiezen voor levenslange plaatjesremming. Dertig (van totaal 80) patiënten van wie het panel vond dat er geen sprake was van een TIA waren wel als zodanig behandeld, 10 op basis van de diagnose ‘TIA’ en 20 op basis van de diagnose ‘mogelijk TIA’. Slechts eenmaal stelde het expertpanel de diagnose ‘TIA’ terwijl de behandelend neuroloog had geconcludeerd dat het geen TIA was.  32    

Mortaliteit

  • Een beroerte was bij 9387 patiënten (2024) de primaire doodsoorzaak. De gemiddelde leeftijd van overlijden was 84 jaar voor vrouwen en 80 jaar voor mannen.
  • Het risico om binnen 30 dagen na een herseninfarct na de eerste opname te overlijden was in 2024 11,4%, en na een hersenbloeding 32%. Na 1 jaar was het risico respectievelijk 21,8 en 42,3%, en na 5 jaar 42,4 en 59,5%.
  • De eerste dagen na een herseninfarct of intracerebrale bloeding is de sterfte meestal het gevolg van de hersenschade of cardiale problematiek. Hierna komen andere oorzaken op de voorgrond te staan, zoals complicaties als gevolg van immobiliteit of andere hart- en vaatziekten.

Etiologie en pathofysiologie

TIA en herseninfarct

TIA’s en herseninfarcten zijn het gevolg van focale ischemie in de hersenen. De meest voorkomende oorzaken hiervan zijn een embolie afkomstig uit het hart of de aanvoerende cerebrale arteriën en atherosclerose van de cerebrale vaten.
Risicofactoren zijn onder andere:

  • atherosclerose van de carotiden of intracerebrale arteriën, onder andere als gevolg van:
    • hypertensie
    • roken
    • hypercholesterolemie
    • overmatig alcoholgebruik
    • diabetes mellitus
    • overgewicht
  • hormoontherapie als anticonceptie of tijdens de overgang (zie NHG-Standaard De overgang en NHG-Standaard Anticonceptie)
  • atriumfibrilleren
  • hartklepafwijkingen, recent myocardinfarct
  • migraine met aura. Waarschijnlijk is migraine zonder aura ook een risicofactor, maar de risico’s zijn lager en minder eenduidig aangetoond (zie NHG-Standaard Hoofdpijn)

Minder vaak voorkomende oorzaken van een TIA of herseninfarct zijn:

  • Arteriële dissectie, cerebrale vasculitis, verhoogde stollingsneiging, patent foramen ovale en veneuze sinustrombose. Deze oorzaken komen relatief frequent voor bij mensen met een TIA of herseninfarct < 50 jaar.
  • Bloeddrukdaling: vooral bij een ernstige carotisstenose kan dit leiden tot infarcering in de grensgebieden tussen 2 stroomgebieden (waterscheidingsinfarct).
  • Vaatspasmen, bijvoorbeeld na een subarachnoïdale bloeding of het reversibele cerebrale vasoconstrictiesyndroom.
Details
Pathofysiologie TIA en herseninfarct

Risicofactoren voor stolselvorming

Alleen de belangrijkste factoren die de kans op de vorming van stolsels doen toenemen zijn in de standaard vermeld.  33     34     Andere, zeldzamere, risicofactoren zijn ernstige anemie, polycytemie, trombocytemie, maligniteiten en (congestieve) cardiomyopathie.  35     36    

Atriumfibrilleren en risico op trombo-embolie

Uit prospectief onderzoek naar risicofactoren voor beroerte bleek dat, gecorrigeerd voor leeftijd, bij patiënten met atriumfibrilleren de kans op het krijgen van een herseninfarct 4,8 × zo groot is als bij patiënten zonder atriumfibrilleren.  37     Atriumfibrilleren is hiermee verantwoordelijk voor 15-25% van de herseninfarcten.  38     Het risico op een ischemisch CVA bij atriumfibrilleren kan ingeschat worden met behulp van de CHA2DS2-VASc-score (zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren). Het optreden van een herseninfarct of TIA bij een patiënt met atriumfibrilleren betekent niet automatisch dat een embolie de oorzaak is. In twee onderzoeken bij patiënten met een herseninfarct en atriumfibrilleren werd met behulp van echografie vastgesteld dat waarschijnlijk in 70% van de gevallen sprake was van een cardiale embolie.  39     40     Tijdens een eerste aanval van atriumfibrilleren is het risico op trombo-embolie gedurende de eerste 48 uur waarschijnlijk niet verhoogd. Op pathofysiologische gronden valt namelijk aan te nemen dat tijdens kort bestaand atriumfibrilleren geen thrombusvorming plaatsvindt.

Migraine, risicofactor voor een herseninfarct

Patiënten met migraine met aura hebben een circa 2 × verhoogd risico op een herseninfarct. Ook het risico op een hersenbloeding, myocardinfarct en mogelijk ook atriumfibrilleren en veneuze trombo-embolie is verhoogd. De risico’s zijn het hoogst voor vrouwen. Migraine met aura lijkt een onafhankelijke risicofactor te zijn. Mede gezien de leeftijd van de patiënten met migraine zijn de absolute risico’s op een herseninfarct laag. Zo bedroeg de cumulatieve incidentie van een herseninfarct na 19 jaar follow-up in een prospectief cohortonderzoek (n = 51.032) 45 per 1000 migrainepatiënten vs. 25 per 1000 in de algemene bevolking.  41     Waarschijnlijk is migraine zonder aura ook een risicofactor, de risico’s zijn echter lager en minder eenduidig aangetoond.
Het is onduidelijk of het verhoogde risico het gevolg is van het pathofysiologische mechanisme dat ten grondslag ligt aan migraine met aura of dat zowel het herseninfarct als migraine met aura een uiting zijn van dezelfde predispositie voor vasculair disfunctioneren. Waarschijnlijk is de oorzaak multifactorieel; hypothesen zijn een genetische predispositie, systemische vasculopathie, hypercoagulabiliteit, een relatie met NSAID-gebruik en de aanwezigheid van een patent foramen ovale. Waarschijnlijk ligt atherosclerose niet ten grondslag aan het verhoogde risico op hart- en vaatziekten bij migrainepatiënten (zie NHG-Standaard Hoofdpijn).  41     42    

Oorzaken van vaatspasmen

Vaatwandbeschadiging, hypertensie en verstoring van de natrium-, kalium-, calcium- en magnesiumhuishouding zouden aan vaatspasmen ten grondslag kunnen liggen.  43     44     45     46     Het reversibele cerebrale vasoconstrictiesyndroom wordt gekenmerkt door segmentele vasoconstrictie van cerebrale arteriën. De incidentie is onbekend; dit is het gevolg van het ontbreken van een eenduidige definitie en het gegeven dat de diagnose steeds vaker gesteld wordt sinds de komst van de MR-angiografie. Kenmerkend is de peracute, hevige hoofdpijn (thunderclap headache).

De vasoconstrictie kan ook leiden tot een TIA of herseninfarct. De vasoconstrictie kan spontaan optreden, maar kan ook worden uitgelokt door drugs, vasoactieve middelen, serotonerge medicatie, hypercalciëmie en zwangerschap of puerperium.  47     48    

Acuut gehoorverlies

Ischemie in het stroomgebied van de a. cerebelli anterior inferior (AICA) wordt gekarakteriseerd door acuut ipsilateraal gehoorverlies in combinatie met draaiduizeligheid. Ook kunnen het syndroom van Horner, extremiteitsataxie, nystagmus en hypesthesie optreden.

Circa 4% van de cerebellaire infarcten vindt plaats in het stroomgebied van de AICA; de overige in het stroomgebied van de a. cerebelli posterior inferior (PICA).

Bij de combinatie van acuut gehoorverlies en draaiduizeligheid moet differentiaaldiagnostisch gedacht worden aan het syndroom van Ramsay-Hunt (herpes zoster oticus) en de ziekte van Ménière.  21    

Uitvalsverschijnselen

De bloedvoorziening van de hersenen bestaat uit het stroomgebied van de linker en rechter arteria carotis interna en het vertebrobasilaire stroomgebied (zie figuur h1). In tabel h1 is per stroomgebied aangegeven welke uitvalsverschijnselen kunnen optreden bij verstoring van de doorbloeding. Ischemie in het stroomgebied van de carotiden komt naar schatting 4 × zo vaak voor als ischemie in het vertebrobasilaire stroomgebied. 

anatomie bloedvoorziening van de hersenen
Figuur h1. Anatomie bloedvoorziening van de hersenen
 

Tabel h1. Uitvalsverschijnselen die passen bij verstoring van de bloedvoorziening in de verschillende stroomgebieden

Stroomgebied a. carotis interna (links of rechts)

Vertebrobasilair stroomgebied

Contralaterale hemiparese

Parese in een of beide lichaamshelften

Contralaterale sensibiliteitsstoornis

Sensibiliteitsstoornis in een of beide lichaamshelften

Homonieme hemianopsie

Homonieme hemianopsie

Dysartrie

Combinaties van:

  • vertigo

  • dysartrie

  • diplopie

  • dysfagie

  • ataxie

  • acuut gehoorverlies

Neglect

Afasie

Amaurosis fugax

Intracerebrale bloeding

Intracerebrale bloedingen ontstaan als een verzwakte vaatwand ruptureert. Dit kan tot acute focale uitvalsverschijnselen leiden. Deze zijn afhankelijk van de grootte en lokalisatie van de bloeding. Door groei van het hematoom en oedeemvorming kunnen de verschijnselen gedurende de eerste dagen toenemen. Bewustzijnsdaling kan optreden door een verhoogde intracraniële druk ten gevolge van oedeemvorming en ruimte-innemende werking van de bloeding.

Risicofactoren zijn onder andere:

  • hypertensie: vooral in de kleine penetrerende arteriën (bijvoorbeeld in de basale ganglia) ontstaan hierdoor vaatwandveranderingen die gevoelig zijn voor rupturering
  • amyloïdangiopathie: is bij 20-30% van de patiënten de onderliggende oorzaak. De hierdoor ontstane vaatwandveranderingen kunnen leiden tot bloedingen in de hersenen, die meestal lobair of subcorticaal zijn gelokaliseerd
  • stollingsstoornissen
  • anticoagulantia, zoals acenocoumarol, fenprocoumon, directwerkende orale anticoagulantia (DOAC’s) en laagmoleculairgewicht heparine (LMWH)
  • mannelijk geslacht
  • overmatig alcoholgebruik, gebruik van amfetamine en/of cocaïne
  • roken
  • diabetes mellitus

Minder vaak voorkomende oorzaken van intracerebrale bloeding zijn vaatafwijkingen (waaronder arterioveneuze malformatie), tumoren, veneuze sinustrombose en eclampsie.

Bloedingen zijn meestal gelokaliseerd in de basale ganglia of elders in de hemisferen; andere lokalisaties zijn, in afnemende frequentie: thalamus, cerebellum en pons.

Details
Risicofactoren voor intracerebrale bloedingen

In een systematische review van 11 cohort- en 14 patiëntcontroleonderzoeken werden de volgende risicofactoren en bijbehorende risico’s voor intracerebrale bloedingen gevonden: leeftijdstoename met 10 jaar RR 1,97 (95%-BI 1,79 tot 2,16), alcohol > 56 g/dag (komt overeen met > 4 eenheden per dag) OR 3,36 (95%-BI 2,21 tot 5,12), hypertensie OR 3,68 (95%-BI 2,52 tot 5,38), mannelijk geslacht RR 3,73 (95%-BI 3,28 tot 4,25), roken RR 1,31 (95%-BI 1,09 tot 1,58) en diabetes mellitus RR 1,30 (95%-BI 1,02 tot 1,67).  49     Ook cocaïne- en/of amfetaminegebruik leidt tot een 2-3 × verhoogd risico op een intracerebrale bloeding.  50    

Beloop en prognose

Frequent optredende complicaties

  • inadequate inname van voedsel en vocht met als mogelijk gevolg spiermassaverlies
  • verslikpneumonieën als gevolg van slikstoornissen
  • schouderpijn door afhangen van arm door een parese of overstrekken van de hand en pols
  • oedeem van de hand als gevolg van een verkeerde houding bij zitten en/of liggen, negeren lichaamsdeel en onvoldoende ondersteuning tijdens verzorging
  • decubitus
  • valincidenten
  • delier

Ontslagbestemming

Bijna de helft van de patiënten die een herseninfarct of intracerebrale bloeding heeft doorgemaakt kan direct terugkeren naar huis. Ongeveer 30% gaat (tijdelijk) naar een verpleeghuis (inclusief geriatrische revalidatie) en ongeveer 10% naar een revalidatiecentrum. De overige 10% gaat naar een verzorgingshuis.

Prognose

  • De gevolgen van een beroerte zijn in Nederland de belangrijkste oorzaak van invaliditeit. Van alle overlevenden van een herseninfarct functioneert bijna de helft na 6 maanden zelfstandig. Na een intracerebrale bloeding functioneert slechts een derde van de patiënten uiteindelijk weer zelfstandig.
  • De grootste vooruitgang vindt plaats in de eerste weken na de beroerte. Herstel kan tot circa een jaar na een beroerte nog plaatsvinden.
  • Patiënten hebben na een TIA of herseninfarct een risico van circa 15% per jaar op een ernstige vasculaire aandoening indien geen secundaire preventie gestart wordt.
  • Uiteindelijk overlijdt circa 20% van de patiënten die ooit een beroerte heeft doorgemaakt aan een andere hart- en vaatziekte.
Details
Beloop en prognose

Ontslagbestemming

In 2020 waren er 41.048 klinische opnamen voor beroerte (exclusief subarachnoïdale bloeding).  4     Van deze patiënten wordt 41% vanuit het ziekenhuis naar huis ontslagen, gaat 33,0% naar een verpleeghuis (inclusief geriatrische revalidatie), gaat 8,4% naar een revalidatiecentrum en overlijdt 10% in het ziekenhuis. De overige patiënten zijn overgeplaatst naar een andere ziekenhuisafdeling of ontslagen naar een verzorgingshuis.  51    

Prognose

Het herstel na het optreden van een herseninfarct of intracerebrale bloeding is onder andere afhankelijk van de lokalisatie en grootte van het infarct of de bloeding. Verschillende mechanismen spelen een rol in het herstel, waaronder restitutie (herstel van de functionaliteit van het beschadigde weefsel), substitutie (reorganisatie van de structuren die intact gebleven zijn) en compensatie.  52     De grootste vooruitgang vindt plaats in de eerste weken. Herstel kan echter de eerste maanden tot jaren na een beroerte nog plaatsvinden.  52     53     54    
Van alle overlevenden van een herseninfarct is slechts 45% na 6 maanden functioneel onafhankelijk.  55     Na een hersenbloeding is de prognose nog slechter; in een systematische review wordt geschat dat tussen de 12 en 39% van de patiënten uiteindelijk functioneel onafhankelijk is na een bloeding.  56     Na een beroerte bedraagt de kans op een ernstige vasculaire aandoening (myocardinfarct, recidief herseninfarct of overlijden door een vasculaire oorzaak) zonder behandeling 9 tot 15% per jaar.  57     58     59     Na een TIA bedraagt de kans op een herseninfarct 5,2% gedurende de eerste 7 dagen, blijkt uit een systematische review, waarin zowel patiënten die reeds met secundaire preventie waren gestart als patiënten die nog niet werden behandeld werden geïncludeerd.  60     Na 90 dagen worden percentages tot 17,3% beschreven.  61     62    

In een Australisch population-based onderzoek (n = 22.157) werden patiënten die met een TIA waren opgenomen gedurende 9 jaar vervolgd. Na 1 jaar bleek 91,5% nog in leven te zijn, in vergelijking tot 95% van de op basis van de leeftijd verwachte overleving. Na 9 jaar was de geobserveerde overleving 20% lager dan de op basis van leeftijd verwachte overleving. Leeftijd > 65 jaar, hartfalen, atriumfibrilleren en een eerdere opname voor beroerte waren factoren die geassocieerd waren met een afname van de overlevingskans.  63    

Restverschijnselen

  • Parese in ten minste 1 van de ledematen. Na een half jaar heeft ongeveer de helft van de patiënten nog motorische uitval.
  • Spraak-/taalstoornissen:
    • Afasie: bij circa 75% begint het herstel van de afasie in de eerste 2 weken. Bij ongeveer 20% is na een half jaar geen enkele vooruitgang opgetreden. Circa 40% herstelt (vrijwel) volledig binnen een jaar.
    • Dysartrie: bij 15% van de patiënten herstelt dysartrie niet volledig.
  • Slikstoornissen.
  • Visusstoornissen (bijvoorbeeld hemianopsie).
  • Verlies van controle over de blaas en defecatieproblemen.
  • Vermoeidheid en vermindering van het uithoudingsvermogen.
  • Epilepsie.
Details
Restverschijnselen

Spraak-, taal- en slikstoornissen

Bij 92% van de rechtshandigen en 69% van de linkshandigen zijn de belangrijkste taalgebieden in de linkerhersenhelft gelokaliseerd. Afasie treedt dan ook voornamelijk op bij rechtszijdige paresen.  64     Gegevens over het voorkomen en beloop van afasie en dysartrie zijn ontleend aan onderzoeken van Wade et al., Dickey et al. en El Hachioui et al. en een overzichtsartikel van Ferro et al..  65     66     67     68     Over het voorkomen van slikstoornissen bij patiënten meldt de literatuur een percentage van 40 tot 80%. In ongeveer 50% van de gevallen verbetert dit spontaan gedurende de eerste twee weken.  69    

Blaasfunctiestoornissen en defecatieproblemen

Afhankelijk van de uitgebreidheid en lokalisatie van het herseninfarct of intracerebrale bloeding komen blaasfunctiestoornissen bij 37 tot 79% van de patiënten voor.  70     Blaascontrole keert meestal binnen twee weken terug. Circa 30% van de patiënten heeft in het acute stadium fecale incontinentie. Eén jaar na de beroerte is dit bij 11% van alle patiënten niet volledig hersteld.  71     Als gevolg van inactiviteit kunnen patiënten ook klachten krijgen van obstipatie en urineretentie.

Neuropsychologische functiestoornissen na herseninfarct of intracerebrale bloeding

Na een herseninfarct of intracerebrale bloeding kunnen op verschillende domeinen problemen ontstaan. Voorbeelden zijn:

  • Vermindering van de cognitieve vermogens. Dit kan onder andere tot stoornissen leiden in aandacht, geheugen of oriëntatie. Circa 10% van de patiënten ontwikkelt (vasculaire) dementie.
  • Stoornissen in de waarneming:
    • Neglect komt in de acute fase veelvuldig voor; de patiënt neemt de lichaamshelft contralateraal aan de aangedane hersenhelft onvolledig waar.
    • Anosognosie kan optreden bij laesies in de pariëtale cortex van de niet-dominante hemisfeer; de patiënt meent hierbij bijvoorbeeld de getroffen lichaamshelft normaal te kunnen gebruiken.
    • Vermindering van de visueel-ruimtelijke waarneming gaat vaak gepaard met apraxie.
  • Verandering in emoties of gedrag. Het kan gaan om initiatiefverlies, emotionele labiliteit, impulsiviteit, ontremming, egocentriciteit, aandacht vragend gedrag, agressiviteit, angst of prikkelbaarheid en veranderingen in de seksualiteit. Een derde van alle patiënten ontwikkelt vroeg of laat een depressie.
  • Vermoeidheid.

De neuropsychologische functiestoornissen komen soms pas weken tot maanden na de beroerte duidelijk tot uiting. Meer nog dan de ‘zichtbare’ gevolgen hebben ze een negatieve invloed op de motivatie om te revalideren, het herstel, de persoonlijke verzorging, het weer oppakken van de dagelijkse handelingen, de tijdsbesteding en de eventuele arbeidsre-integratie. Cognitieve, emotionele en gedragsmatige veranderingen kunnen daarnaast een negatieve invloed hebben op de relaties met naasten.

Details
Neuropsychologische functiestoornissen na herseninfarct of intracerebrale bloeding

Vermoeidheid

De prevalentie van vermoeidheid na het doormaken van een herseninfarct of -bloeding loopt in de verschillende onderzoeken uiteen van 39 tot 72% van de patiënten.  72     73     Het uiteenlopen van deze percentages is het gevolg van de volgende factoren: verschillen in onderzochte populatie, ernst van de uitval, verstreken tijd, of patiënten met een depressie ook werden geïncludeerd en de gehanteerde definitie van vermoeidheid. De helft van de patiënten meldt na een jaar nog moe te zijn, dit is vaak onafhankelijk van het bestaan van emotionele en cognitieve problematiek.  74    

Behandeling met antidepressiva is niet effectief.  75     Cognitieve therapie gedurende twaalf weken leidt bij 24% van de patiënten tot vermindering van de vermoeidheid. Indien dit wordt gecombineerd met een bewegingsprogramma, rapporteert 58% van de patiënten een verbetering.  76    

Cognitieve stoornissen

Circa 10% van de patiënten ontwikkelt na een eerste herseninfarct of intracerebrale bloeding dementie. Hoewel het in de lijn der verwachting ligt dat dit vooral vasculair van oorzaak is, is de bijdrage van degeneratieve veranderingen onbekend.  77     Cognitieve stoornissen, zoals verminderd concentratievermogen, geheugenverlies en een verminderd ziekte-inzicht, komen bij een hoger percentage van de patiënten voor. Percentages van 35 (stoornissen op minstens vier domeinen) tot 55 (stoornis op minstens één domein) worden beschreven, drie maanden na het optreden van een herseninfarct of -bloeding.  78     In de subacute fase (twee weken na de beroerte) worden percentages tot 91,5 (stoornis op minstens één domein) beschreven.  79     De aanwezigheid van cognitieve stoornissen leidt tot een grotere kans op verminderde functionaliteit en een geïnstitutionaliseerde woonsituatie.  80     Bij aanwijzingen voor cognitieve stoornissen wordt in de regel gedurende het revalidatieproces een neuropsychologisch onderzoek verricht, waarbij met verschillende testen alle relevante domeinen van het cognitief functioneren worden getest.  81     Een neuropsychologisch onderzoek kan worden aangevraagd indien sprake is van een onduidelijk beeld of om onderscheid te maken tussen een depressie en cognitieve problematiek. Cognitieve revalidatie door de neuropsycholoog, onder andere gericht op het aanleren van compensatiestrategieën, is mogelijk zinvol bij de aanwezigheid van cognitieve stoornissen.  82     83     84    

Depressiviteit

Uit een meta-analyse over 51 observationele onderzoeken blijkt dat circa 33% (95%-BI 29 tot 36%) van de personen die een herseninfarct of intracerebrale bloeding hebben doorgemaakt een depressie ontwikkelt. In deze onderzoeken werden verschillende criteria toegepast om de diagnose depressie te stellen. Een depressie kan in alle fasen na een beroerte optreden.
Het beloop van een depressie varieert. Sommige patiënten herstellen vlot zonder behandeling, maar tot 45% van de patiënten met een depressie lijdt hier langer dan één jaar aan.  85     Het ontstaansmechanisme is waarschijnlijk multifactorieel, waarbij zowel somatische factoren, zoals lokalisatie van het infarct of de bloeding en verandering in de neurotransmitters, als psychologische en sociale factoren een rol spelen.  86    
Er zijn aanwijzingen dat de aanwezigheid van een depressie het revalidatieproces kan belemmeren.  87     88     Afname van de depressieve symptomen leidt tot een verbetering van het functioneel herstel.  89     90     De effectiviteit van antidepressiva bij een post-strokedepressie werd in een systematische review (16 RCT’s, n = 1655) onderzocht. In 7 trials werden de patiënten met een SSRI behandeld, in 2 trials met een TCA en in de overige trials met andere middelen, zoals trazodon. Er werd een significant effect gezien op de uitkomstmaat complete remissie van de depressie. Patiënten die behandeld werden met een antidepressivum hadden in vergelijking tot de patiënten die met placebo werden behandeld een lagere kans om aan het einde van de behandelperiode (variërend van 4 tot 26 weken) nog te voldoen aan de criteria voor de diagnose depressie of dysthymie (OR 0,47; 95%-BI 0,2 tot 0,98). Dit gunstige effect ging gepaard met een significante toename van bijwerkingen, zoals sufheid en gastro-intestinale bijwerkingen. Er was geen invloed op de functionaliteit. Een subgroepanalyse naar de effectiviteit van de verschillende soorten antidepressiva werd niet verricht. Van verschillende vormen van psychotherapie (bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of motiverende gespreksvoering) werd geen effect aangetoond. De onderzoeken die in deze review werden geïncludeerd vertonen heterogeniteit wat betreft de toegepaste diagnostische criteria, de uitkomstmaten en de analyse, wat ten koste gaat van de bewijskracht.  91     Gezien het frequente optreden van een depressie is het advies om bij de controles expliciet na te vragen of er symptomen zijn die passen bij een depressie. De Checklijst voor het opsporen van cognitieve en emotionele klachten na een beroerte (CLCE-24) kan hierbij behulpzaam zijn.  92    

Conclusie

Circa 33% van de patiënten die een herseninfarct of intracerebrale bloeding hebben doorgemaakt ontwikkelt een depressie. Het spontane beloop varieert. Mede omdat er aanwijzingen zijn dat een depressie een vertragende invloed heeft op het revalidatieproces, dient de behandelaar alert te zijn op de aanwezigheid van depressieve symptomen. Voor de behandeling van een depressie is het advies de NHG-Standaard Depressie te volgen.

Neuropsychologische functiestoornissen na TIA

Per definitie zijn de uitvalsverschijnselen bij een TIA voorbijgaand. Er lijkt echter een associatie tussen het doormaken van een TIA of minor stroke en het optreden van neuropsychologische restverschijnselen, zoals depressie, angst, cognitieve stoornissen en vermoeidheid.

Details
Neuropsychologische functiestoornissen na TIA

Na een herseninfarct of intracerebrale bloeding komen neuropsychologische functiestoornissen, zoals cognitieve stoornissen, depressie en vermoeidheid frequent voor.

De uitvalsverschijnselen bij een TIA zijn per definitie voorbijgaand. Er zijn echter aanwijzingen dat neuropsychologische functiestoornissen ook na een TIA voorkomen. In dit detail beschrijven wij het voorkomen van neuropsychologische functiestoornissen na een TIA aan de hand van 1 systematische review  93     en 2 na de zoekdatum van deze review gepubliceerde observationele onderzoeken.  94     95    

Moran 2014

In een systematisch literatuuronderzoek werd de prevalentie van cognitieve stoornissen, depressie, vermoeidheid, angst en posttraumatische stressstoornis onderzocht bij patiënten die een TIA of minor stroke hadden doorgemaakt. De reviewers includeerden 31 onderzoeken (n = 4109), waarvan 22 in de tweede lijn.  93     De kwaliteit van de geïncludeerde onderzoeken was zeer laag. De voornaamste beperking was veelal het ontbreken van een controlegroep, gematcht naar leeftijd en geslacht. Ook is onduidelijk wat de prevalentie van de klachten was voorafgaand aan de TIA of minor stroke. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of die prevalentie bij patiënten die een TIA of minor stroke hadden doorgemaakt hoger was dan in de algemene bevolking. Andere beperkingen waren de heterogeniteit in opzet, inclusiecriteria en meetinstrumenten. Tenslotte werd voor de verschillende uitkomstmaten beperkt onderzoek gevonden.

Cognitieve stoornissen

In 15 onderzoeken werd de prevalentie van cognitieve stoornissen bepaald met behulp van de MMSE, MoCA of neuropsychologisch onderzoek. De gepoolde prevalenties waren respectievelijk 17, 54 en 39%; cognitieve stoornissen kwamen vaker voor na een minor stroke dan na een TIA. De gehanteerde afkapwaarden voor de MMSE varieerden en waren over het algemeen hoger dan wordt aanbevolen in de NHG-Standaard Dementie (MMSE < 24 is indicatief voor dementie). De gehanteerde afkapwaarde voor de MoCA was < 26. Twee onderzoeken vonden geen verschil in prevalentie van cognitieve stoornissen op respectievelijk 26 en 52 weken na het event en 1 en 4 weken na het event.

Depressie

In 10 onderzoeken werd de prevalentie van depressie onderzocht. Deze was 6-42%. De prevalentie was 4 weken na het event het hoogst en daalde tussen 6 weken en 3 maanden na de TIA. In de verschillende onderzoeken werden verschillende meetinstrumenten gebruikt. Er was geen verschil in prevalentie na TIA en minor stroke.

Vermoeidheid

In 3 onderzoeken werd de prevalentie van vermoeidheid 6-12 maanden na een TIA of minor stroke onderzocht. Er werden verschillende vragenlijsten gehanteerd. De gerapporteerde prevalentie was 23-40%. In 1 onderzoek was er 6 en 12 maanden na het event geen verschil in prevalentie. Geen van de onderzoeken had een controlegroep.

Angst

In 1 onderzoek bedroeg de prevalentie van angstklachten 14 dagen na een TIA 52% en na een minor stroke 65% (in de controlegroep 23%). In 1 onderzoek werd de prevalentie 1 jaar na het minor stroke onderzocht. Deze bedroeg 24%. Beide onderzoeken gebruikten de Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS-A) om angst te meten, maar gebruikten verschillende afkapwaarden (respectievelijk > 4 en > 8).

Posttraumatische stressstoornis (PTSS)

In 1 onderzoek (n = 49) werd 12 maanden na een minor stroke een prevalentie van 31% gevonden. De diagnose werd gesteld met de Impact of Events Scale. De auteurs van de review concluderen dat er bewijs is dat patiënten die een TIA of minor stroke hebben doorgemaakt restverschijnselen kunnen houden. Ze vermelden echter dat de resultaten voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden, gezien de zeer lage kwaliteit van bewijs.

Turner 2016

In een retrospectief cohortonderzoek op basis van huisartsendossiers werden patiënten die een eerste TIA hadden doorgemaakt in de periode 2009-2013 (n = 9419) gematcht met een controlegroep (n = 46.511) op basis van leeftijd, geslacht en huisartsenpraktijk.  94    

Er werd gecorrigeerd voor verschillende variabelen, zoals leeftijd, BMI, roken, comorbiditeit én aanwezigheid van vermoeidheid, psychische en cognitieve beperkingen voorafgaand aan het doormaken van de TIA. Een beperking van dit onderzoek was dat niet bij alle patiënten beeldvormend onderzoek werd verricht, dus de deelnemers hadden mogelijk wel een infarct doorgemaakt. Daarnaast werden symptomen geregistreerd en niet alleen klinische diagnoses. Zo werden dus niet alleen angststoornissen geregistreerd, maar ook angstgevoelens.

Vermoeidheid

Tijdens de follow-upperiode van mediaan 17,2 maanden voor TIA-patiënten en 19,1 maanden voor controlepatiënten rapporteerde in de TIA-arm 9,8% vermoeidheid, versus 5,9% in de controlearm. De kans dat een patiënt in de TIA-arm de huisarts consulteerde in verband met vermoeidheid was 43% groter dan in de controlegroep (HR 1,43; 95%-BI 1,33 tot 1,54).

Psychische beperking

Een psychische beperking, gedefinieerd als angst, depressie of PTSS, dan wel eerste voorschrift voor een antidepressivum of anxiolyticum, werd geregistreerd bij 3159 TIA-patiënten (34,2%) en bij 11.126 controlepatiënten (24,1%). Bij 11.040 patiënten was de consultreden depressie, bij 2691 angst, bij 546 angst en depressie en bij 8 PTSS.

De kans dat een patiënt in de TIA-arm de huisarts consulteerde in verband met een psychische beperking was 26% groter dan in de controlearm (HR 1,26; 95%-BI 1,20 tot 1,31).

Cognitieve beperking

Een cognitieve beperking, gedefinieerd als problemen met geheugen, aandacht, ruimtelijk inzicht, perceptie, apraxie en executief functioneren, maar géén dementie, werd geregistreerd bij 3,9% van de TIA-patiënten en 2,3% van de controlepatiënten (mediane follow-up 18,8 maanden in de TIA-arm en 20 maanden in de controlearm). De kans dat een patiënt in de TIA-arm de huisarts consulteerde in verband met een cognitieve beperking was 45% groter dan in de controlearm (HR 1,45; 95%-BI 1,28 tot 1,65). De auteurs concluderen dat het doormaken van een TIA geassocieerd is met een significant verhoogd risico op consultatie van de huisarts in verband met vermoeidheid, psychologische of cognitieve beperkingen.

Van Rooij 2014

In dit prospectieve onderzoek kregen 107 patiënten van 45-65 jaar bij wie een TIA was gediagnosticeerd in een academisch ziekenhuis binnen 3 maanden na de TIA een neuropsychologisch onderzoek.  95     Een TIA werd gedefinieerd als een focale neurologische stoornis van vasculaire origine met een plotseling begin en volledig verdwijnen van de focale symptomen binnen 24 uur. Patiënten werden vergeleken met controlepatiënten uit hun eigen omgeving. Er waren geen verschillen qua geslacht, opleidingsniveau of score op angst- en depressieschaal. De patiënten waren gemiddeld ouder dan de controlegroep (56,6 vs. 52,9 jaar).

Patiënten die een TIA hadden doorgemaakt scoorden slechter op alle cognitieve domeinen, met uitzondering van het episodisch geheugen. Het werkgeheugen, de aandacht en de informatieverwerkingssnelheid waren gestoord bij respectievelijk 25, 22 en 16%. Dit was vaker dan in de controlearm: de odds ratio’s (gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht) varieerden van 3,5 (95%-BI 0,7 tot 16,7) voor executieve functies tot 22,5 (95%-BI 2,9 tot 174,3) voor werkgeheugen. In de TIA-arm had 38,3% een stoornis op ≥ 1 cognitief domein (OR 5,9; 95%-BI 2,4 tot 14,5).

Conclusie

Er lijkt een associatie tussen het doormaken van een TIA of minor stroke en het optreden van neuropsychologische functiestoornissen zoals depressie, angst, cognitieve stoornissen en vermoeidheid.

Behandelingsmogelijkheden

Het beloop na een beroerte kan bij geselecteerde patiënten gunstig beïnvloed worden door de volgende behandelingen:

  • opname op een stroke unit
  • intraveneuze trombolyse
  • endovasculaire behandeling
  • secundaire preventie
  • revalidatie

Opname op een stroke unit

Opname op een stroke unit leidt tot een reductie van de sterfte onder patiënten met een herseninfarct of intracerebrale bloeding en tot minder invaliditeit. Dit is het gevolg van:

  • aandacht voor preventie van en eerder ingrijpen bij complicaties (bijvoorbeeld verslikpneumonie, longembolie, spiermassaverlies, decubitus en/of urosepsis)
  • snelle start van revalidatie, vooral vroege mobilisatie
  • diagnostiek naar eventuele onderliggende aandoeningen, zoals atriumfibrilleren en carotisstenose
  • start van secundaire preventie (zie Medicamenteuze onderhoudsbehandeling)
Details
Stroke units

Stroke units in ziekenhuizen moeten onderscheiden worden van stroke units in verpleeghuizen of revalidatiecentra die vooral gericht zijn op de revalidatie van patiënten met een herseninfarct of intracerebrale bloeding, na het acute stadium. In een update van een Cochrane-review over 26 gerandomiseerde onderzoeken met in totaal 5592 patiënten werd de uitkomst van opname op een stroke unit in een ziekenhuis vergeleken met die van opname op een gewone ziekenhuisafdeling. Het belangrijkste resultaat van deze meta-analyse is dat opname op een stroke unit één jaar nadien resulteert in een relatieve risicoreductie van de kans op overlijden of het hebben van een handicap met afhankelijkheid met 18% (HR 0,82; 95%-BI 0,73 tot 0,92; p = 0,001).  96     Opname op een stroke unit lijkt ook bij patiënten met slechts geringe uitvalsverschijnselen ten tijde van de randomisatie tot minder afhankelijkheid te leiden, zonder invloed op de mortaliteit. Daarnaast lijken de voordelen van behandeling op een stroke unit onafhankelijk te zijn van de leeftijd van de patiënt Stroke Unit Trialists’ Collaboration.  96     97     De duur van de opname lijkt niet toegenomen in vergelijking tot opname op een gewone ziekenhuisafdeling.  96    

Deze gunstige resultaten worden bevestigd door een observationele studie  98     en systematische reviews over eerder uitgevoerde observationele studies.  99     100     De interpretatie van de reviews wordt bemoeilijkt doordat zowel het begrip stroke unit als de behandeling die wordt gegeven in de controlegroepen in de afzonderlijke trials dikwijls niet scherp is omschreven. Gemeenschappelijk kenmerk in de onderzoeken is de aanwezigheid van een multidisciplinair team dat zich speciaal heeft toegelegd op de behandeling van patiënten met een beroerte. Doorgaans bestaat een dergelijk team uit een neuroloog, speciaal getrainde verpleegkundigen, een revalidatiearts, een fysiotherapeut, een ergotherapeut, een logopedist en een maatschappelijk werker. Ook de inbreng van een diëtist of neuropsycholoog en de mogelijkheid van vlotte consultatie van een internist of cardioloog kunnen van belang zijn.

Algemeen wordt aangenomen dat de gunstige resultaten van stroke units in het acute stadium toegeschreven moeten worden aan de snellere en betere diagnostiek, behandeling door een neuroloog, meer toepassing van intraveneuze trombolyse, preventie van en sneller ingrijpen bij complicaties, de technisch betere verpleging (preventie en behandeling van bijvoorbeeld verslikken, decubitus, incontinentie) en een intensievere revalidatie.  98     101    

Conclusie

Opname op een stroke unit in een ziekenhuis leidt tot reductie van de sterfte onder patiënten met een herseninfarct of intracerebrale bloeding en tot minder invaliditeit nadien.

Intraveneuze trombolyse

  • Het doel van intraveneuze trombolyse is de bloedtoevoer naar het ischemische gebied herstellen door de lokale trombose of afsluitende trombo-embolie op te lossen met het trombolyticum alteplase.
  • De effectiviteit neemt duidelijk af met het verstrijken van de tijd. Ook komt slechts een beperkt aantal patiënten in aanmerking voor de behandeling bij een klachtenduur van > 4,5 uur of een onbekend tijdstip van ontstaan van de uitvalsverschijnselen.
  • Er is bij volwassenen geen leeftijdscriterium voor intraveneuze trombolyse.
Details
Intraveneuze trombolyse

Intraveneuze trombolyse bij een herseninfarct

Het doel van intraveneuze trombolyse bij een acuut herseninfarct is het bewerkstelligen van een herstelde bloedtoevoer naar het ischemische gebied door het oplossen van de lokale trombose of afsluitende trombo-embolie met het trombolyticum alteplase.

Trombolyse tot 4,5 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen

In een gepoolde analyse (7 RCT’s, n = 3670) werd gekeken naar de effectiviteit van behandeling met intraveneuze trombolyse met alteplase in verschillende tijdsintervallen na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen. Deze analyse toont dat intraveneuze trombolyse met alteplase tot 4,5 uur na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen effectief en veilig is. De kans op een gunstige uitkomst (functionele onafhankelijkheid, gedefinieerd als een gemodificeerde rankinscore (mRS) 0 of 1 na 90 dagen) neemt duidelijk af naarmate de tijd verstrijkt. De berekende oddsratio’s voor een gunstige uitkomst zijn 2,55 (95%-BI 1,44 tot 4,52) voor behandeling binnen de termijn < 1,5 uur, 1,64 (95%-BI 1,12 tot 2,40) voor de termijn 1,5 tot 3 uur en 1,34 (95%-BI 1,06 tot 1,68) voor de termijn 3 tot 4,5 uur ten gunste van de patiënten behandeld met intraveneus alteplase in vergelijking tot placebo. Voor het tijdsinterval 4,5 tot 6 uur is er geen significant verschil tussen beide behandelgroepen (indien er geen selectie wordt verricht aan de hand van geavanceerde beeldvormende diagnostiek). De bijbehorende numbers needed to treat (NNT) staan samengevat in (tabel d1). Grote parenchymale bloedingen werden gezien bij 5,2% van alle patiënten die behandeld werden met intraveneus alteplase en bij 1,0% van alle controlepatiënten (OR 5,37; 95%-BI 3,22 tot 8,95; p < 0,0001; number needed to harm (NNH) 24). Er was geen duidelijke relatie met de tijd tot behandeling. De mortaliteit was verhoogd indien de behandeling met alteplase later dan 4,5 uur na het begin van de symptomen gestart werd (OR 1,49; 95%-BI 1,00 tot 2,21).  102    

Tabel d1. Effectiviteit van intraveneuze trombolyse

Tijdsduur tot start van intraveneuze trombolyse

Number needed to treat*

< 1,5 uur

5

1,5 tot 3 uur

9

3 tot 4,5 uur

15

* Number needed to treat voor een goede uitkomst na 90 dagen (gemodificeerde rankinscore 0 of 1) voor behandeling met intraveneuze trombolyse in verhouding tot het tijdsinterval van ontstaan van de uitvalsverschijnselen tot start van de behandeling.  102    

Intraveneuze trombolyse met alteplase is geïndiceerd voor patiënten met een acuut herseninfarct waarbij de behandeling binnen 4,5 uur na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen gestart kan worden. In dit tijdsvenster is, naast het uitsluiten van contra-indicaties, een CT-scan van de hersenen zonder contrast voldoende voor selectie van patiënten voor behandeling.  103    

Trombolyse na 4,5 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen en bij een onbekend aanvangstijdstip

Aanvankelijk werd intraveneuze trombolyse alleen toegepast bij patiënten met een herseninfarct indien binnen 4,5 uur na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen kon worden gestart.  102     103    

Later onderzoek toonde aan dat bij geselecteerde patiënten met een herseninfarct en een klachtenduur van maximaal 9 uur of met een onbekend aanvangstijdstip, de voordelen (grotere kans op functionele onafhankelijkheid en vrijwel volledig herstel) opwegen tegen de nadelen (mogelijke toename van de kans op sterfte en symptomatische intracraniële bloeding).  103    

Dit heeft in de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding geleid tot de aanbeveling om patiënten bij wie de behandeling pas na 4,5 uur gestart kan worden of met een onduidelijk begintijdstip van de klachten, maar “last seen well” meer dan 4,5 uur geleden (bijvoorbeeld omdat de verschijnselen pas bij ontwaken werden ontdekt) met intraveneuze alteplase te behandelen. Dit echter wel op voorwaarde dat behandeling binnen 12 uur na “last seen well” of begin van de verschijnselen gestart wordt en voldaan is aan een aantal criteria bij geavanceerde beeldvorming.

Met het verstrijken van de tijd neemt de effectiviteit van intraveneuze trombolyse aanzienlijk af. Naarmate de klachtenduur langer is, komen vanwege strengere selectiecriteria minder patiënten in aanmerking voor de behandeling. Daarom wordt de behandeling bij voorkeur zo snel mogelijk na ontstaan van de uitvalsverschijnselen gestart.

Intraveneuze trombolyse bij patiënten > 80 jaar

De leeftijd van de patiënt (ouder of jonger dan 80 jaar) lijkt geen invloed te hebben op het effect van alteplase. Er is geen overtuigend bewijs dat leeftijd de tijd verkort waarbinnen behandeling met alteplase voordeel heeft. Ook lijkt de kans op het ontstaan van fatale intracerebrale bloedingen niet afhankelijk te zijn van de leeftijd.  104    

Endovasculaire behandeling

  • Bij endovasculaire behandeling wordt de trombus met een katheter via de lies uit de intracraniële arterie verwijderd. Deze behandeling wordt toegepast bij patiënten met een acuut herseninfarct als gevolg van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën in de voorste circulatie of een occlusie van de a. basilaris.
  • Met het verstrijken van de tijd neemt de effectiviteit af en komen minder patiënten in aanmerking voor de behandeling.
  • Diagnostiek vindt, afhankelijk van regionale afspraken, meestal plaats in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Indien endovasculaire behandeling geïndiceerd is, zal verwijzing naar een interventiecentrum plaatsvinden.
Details
Endovasculaire behandeling

Endovasculaire behandeling (EVT) kan onder bepaalde voorwaarden worden toegepast bij een herseninfarct als gevolg van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën in de voorste circulatie (stroomgebied van de a. carotis interna) of een occlusie van de a. basilaris (vertebrobasilaire stroomgebied). EVT is een minimaal invasieve behandeling die met behulp van angiografie wordt uitgevoerd. Hierbij wordt een katheter via de lies ingebracht in de a. femoralis tot de plaats van de trombus. Er zijn vervolgens verschillende technieken beschikbaar om de trombus te verwijderen.

Bij patiënten met een herseninfarct wordt met spoed beeldvormend onderzoek van de hersenen (CT) en slagaderen van hoofd en hals (CTA) gedaan, om te kunnen beoordelen of zij in aanmerking komen voor EVT. In de praktijk zullen patiënten in het dichtstbijzijnde ziekenhuis worden gediagnostiseerd en indien zij in aanmerking komen voor EVT worden zij doorgestuurd naar een interventiecentrum (afhankelijk van regionale afspraken).

Verbeterde endovasculaire technieken en uitkomsten van studies hebben ertoe geleid dat het indicatiegebied voor EVT steeds verder uitbreidt. Deze behandelmogelijkheid is ook van invloed op het tijdscriterium waarbinnen patiënten na het ontstaan van uitvalsverschijnselen met spoed verwezen dienen te worden naar het ziekenhuis (zie detail Uitvalsverschijnselen aanwezig, < 12 uur geleden ontstaan (U1, spoed)).  

Endovasculaire behandeling voorste circulatie tot 6 uur na begin uitvalsverschijnselen

Met oudere technieken leidde EVT weliswaar tot een hoger percentage rekanalisatie, maar dit had geen effect op de functionele uitkomst.  105     106     107    
Het laatste decennium zijn de behandelingstechnieken verbeterd. Er werden 5 RCT’s gepubliceerd waarin de effectiviteit en veiligheid van de nieuwe behandelingstechnieken met een zelfontplooiende stent werd onderzocht.  108     109     110     111     112     Deze trials verschillen niet alleen qua behandelingstechniek van de eerder gepubliceerde trials, ze hanteren ook strengere inclusiecriteria. Uit deze onderzoeken blijkt dat EVT bij patiënten met een herseninfarct als gevolg van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën in de voorste circulatie tot een grotere kans op functionele onafhankelijkheid leidt indien behandeling wordt gestart binnen zes uur na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen, zonder dat het optreden van symptomatische intracraniële bloedingen toeneemt. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat EVT de kans op overlijden binnen drie maanden verlaagt.

De uitkomsten van deze studies hebben geleid tot de aanbeveling in de richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie  103     om patiënten met een acuut herseninfarct < 6 uur op basis van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën in de voorste circulatie, endovasculair te behandelen, ongeacht de ernst van de neurologische uitval. Indien de patiënt ook in aanmerking komt voor intraveneuze trombolyse met alteplase, wordt dit eerst gestart.

Endovasculaire behandeling voorste circulatie 6-24 uur na begin uitvalsverschijnselen

De indicaties voor EVT na een acuut herseninfarct op basis van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën in de voorste circulatie tussen 6-24 uur na het ontstaan van de klachten zijn recentelijk verruimd in de richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.  103    

Voorheen vond selectie van patiënten die in aanmerking kwamen voor EVT tussen 6-24 uur na het ontstaan van de klachten, plaats op basis van de grootte van de penumbra (gebied rondom de infarctkern wat nog niet onherstelbaar beschadigd is), de grootte van de infarctkern en de ernst van de klinische verschijnselen. Recentelijk is het indicatiegebied voor EVT in dit tijdsvenster uitgebreid door de resultaten van een aantal studies. Mogelijk hebben (bewijs van lage kwaliteit) patiënten met een acuut herseninfarct op basis van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën in de voorste circulatie die binnen 6-24 uur na ontstaan van de verschijnselen met EVT behandeld worden en geselecteerd worden op aanwezigheid van collateralen of gunstige parameters op de perfusie CT-scan (CTP), een betere uitkomst dan de controlegroep.  113     114    

De kwaliteit van bewijs is laag en dit betekent dat er onzekerheid is over de uitkomsten. Er waren onder andere tegenstrijdige resultaten: de patiënten die in de meta-analyse van Jovin met EVT behandeld werden hebben mogelijk een gunstigere functionele uitkomst (mRS 0-2 na 90 dagen OR 3.88 [1.93-7.78]). Echter, de RCT van Olthuis (met ruimere inclusiecriteria dan Jovin) laat geen klinisch relevant effect zien van EVT op de uitkomstmaat goede (mRS 0-2) of excellente (mRS 0-1) functionele uitkomst na 3 maanden in vergelijking tot de controlegroep. Daarnaast is er onzekerheid over de effectiviteit van EVT in de groep met een klachtenduur van 16 tot 24 uur op grond van lage patiëntaantallen in dit tijdsvenster: het merendeel had een klachtenduur van minder dan 16 uur (Jovin: mediane klachtenduur 631 min [IQR 468-779]. Olthuis: mediane klachtenduur 709 min [IQR 542-910]). Tenslotte heeft nog steeds een minderheid van de patiënten een goede uitkomst (mRS 0-2) na 3 maanden (46% van de met EVT behandelde patiënten versus 20% van de patiënten in de controlegroep).  113    

De uitkomsten van de verschillende studies hebben ondanks deze onzekerheid geleid tot een uitbreiding van het indicatiegebied voor EVT bij patiënten met een acuut herseninfarct op basis van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën in de voorste circulatie tussen 6-24 uur na het ontstaan van de verschijnselen. EVT wordt in de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding aanbevolen, tenzij er sprake is van:

  • ernstige comorbiditeit of beperkte levensverwachting
  • geringe neurologische uitval (NIHSS < 2; de NIHSS-score geeft een inschatting van de ernst van de beroerte. Range score 0-42 waarbij een hoge score overeenkomt met een ernstige beroerte)
  • ongunstige parameters bij geavanceerde beeldvorming (waaronder afwezigheid van collateralen)

Zowel het aantal patiënten dat in aanmerking komt voor EVT als de effectiviteit van EVT neemt af met het verstrijken van de tijd. De selectiecriteria bij een klachtenduur van 6-24 uur zijn strenger dan de criteria bij een klachtenduur < 6 uur, waardoor een lager percentage patiënten voor de behandeling in aanmerking komt.

Endovasculaire behandeling achterste circulatie

In de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding staat beschreven dat er laag tot matig bewijs is dat patiënten met een herseninfarct op basis van een basilaristrombose voordeel hebben van EVT, toegepast binnen 24 uur na het ontstaan van de verschijnselen. Het voordeel van EVT geldt vooral voor patiënten met ernstige neurologische uitval (NIHSS ≥ 10). Het risico op een symptomatische intracraniële bloeding lijkt echter groter met EVT dan met de standaardbehandeling.  103    

Voor patiënten met een acuut herseninfarct op basis van een basilaristrombose gelden in de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding de volgende aanbevelingen voor het toepassen van EVT:

  • Behandel patiënten met een basilaristrombose, bij wie behandeling binnen 12 uur na het begin van de verschijnselen kan worden gestart, met EVT bij ernstige neurologische uitval (NIHSS ≥ 10).
  • Overweeg EVT bij patiënten met een basilaristrombose, bij wie behandeling binnen 12 uur na het begin van de verschijnselen kan worden gestart, bij NIHSS < 10.
  • Overweeg EVT bij patiënten met een basilaristrombose, bij wie behandeling tussen 12 en 24 uur na het begin van de verschijnselen kan worden gestart, met name bij ernstige neurologische uitval (NIHSS ≥ 10).
  • Pas geen EVT toe bij uitgebreide vroege ischemische afwijkingen op een blanco CT-scan van de hersenen in het stroomgebied van de arteria basilaris.

Secundaire preventieNaar Samenvatting

  • Na een TIA of herseninfarct is het risico op het doormaken van een herseninfarct verhoogd. Dit risico is gedurende de eerste dagen het grootst.
  • Een snelle start van medicamenteuze secundaire preventie leidt tot verlaging van het risico op een recidief.
Details
Secundaire preventie

Start secundaire preventie

Na een TIA of klein herseninfarct is de kans op een herseninfarct gedurende de eerste dagen het hoogst: ongeveer 3% in de eerste twee dagen, 5 tot 10% in de eerste week en 12 tot 18% gedurende het eerste jaar.  60     61     115    

Uit het prospectieve EXPRESS-onderzoek blijkt dat snelle start van secundaire preventie (plaatjesaggregatieremmers of anticoagulantia, statine, antihypertensiva) na een TIA of minor stroke (gemiddelde tijd tot start behandeling: een dag) in vergelijking tot latere start van de behandeling (gemiddelde tijd tot start behandeling: twintig dagen) leidt tot een significante afname van de kans op een herseninfarct binnen negentig dagen: 2,1 versus 10,3% (HR 0,20; p = 0,0001; NNT 12). De kans op een intracerebrale bloeding was niet toegenomen bij een vroege start van de secundaire preventie. Het is in dit onderzoek niet duidelijk aan welk medicijn welk deel van het effect is toe te schrijven.  116    

Secundaire preventie in de praktijk

In 2011 is het medicamenteuze behandelbeleid van huisartsen bij patiënten na een TIA of herseninfarct in Nederland geëvalueerd aan de hand van NIVEL Zorgregistraties Eerste lijn. Patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt werden vrijwel altijd behandeld met een trombocytenaggregatieremmer (respectievelijk 86 en 79%) of een vitamine K-antagonist (respectievelijk 12 en 16%). Slechts een minderheid van de patiënten kreeg een combinatie van acetylsalicylzuur en dipyridamol (respectievelijk 21 en 19%) of clopidogrelmonotherapie (respectievelijk 3 en 5%). Van de patiënten die een TIA hadden doorgemaakt gebruikte 60% lipidenverlagende therapie, van de patiënten die een herseninfarct hadden doorgemaakt 68%. Respectievelijk 66 en 72% gebruikte antihypertensiva.  117    

TIA-service

Vrijwel alle ziekenhuizen in Nederland beschikken over een TIA-service (-poli). Het bezoek aan de neuroloog, het aanvullende diagnostische onderzoek – doorgaans bestaand uit bloedonderzoek, een ecg, een duplex/CTA van de carotiden (bij uitvalsverschijnselen in het stroomgebied van de carotiden) en CT-scan van het cerebrum – en het opstellen van een behandelplan bij patiënten die verwezen zijn in verband met (een verdenking van) een TIA, vindt op één dag plaats. Het doel hiervan is, naast het eventueel bevestigen van de diagnose, het zo snel mogelijk vaststellen of de patiënt risicofactoren heeft voor een (recidief) infarct, die door behandeling gunstig beïnvloed kunnen worden. Snelle diagnostiek naar de doorgankelijkheid van de carotiden is daarnaast van belang, zodat een eventuele carotisendarteriëctomie zo snel mogelijk kan plaatsvinden.

Carotisdesobstructie
  • Circa 20% van de herseninfarcten en 15% van de TIA’s zijn het gevolg van een stenose van de a. carotis interna.
  • Bij een TIA of minor stroke in het carotisstroomgebied wordt tijdens de opname op de stroke unit of via de TIA-service zo snel mogelijk diagnostiek uitgevoerd naar het bestaan van een ipsilaterale stenose van de a. carotis interna.
  • Van de patiënten die in de voorafgaande 6 maanden een herseninfarct, TIA of retinale ischemie doormaakten, heeft een geselecteerde groep met een ipsilaterale stenose van 50-99% een indicatie voor carotisdesobstructie.
Details
Carotisdesobstructie

Diagnostiek

De diagnostiek is erop gericht om die patiënten te identificeren die mogelijk baat hebben bij carotisdesobstructie, wat verricht wordt bij patiënten die een TIA of minor stroke in het stroomgebied van de a. carotis hebben doorgemaakt. Deze diagnostiek is niet aangewezen bij ischemie in het vertebrobasilaire stroomgebied omdat dit geen behandelconsequenties heeft. Duplexultrasonografie (DUS) kan gebruikt worden als eerste screening, zo nodig gevolgd door CT- of MR-angiografie.  104    

Indicaties voor carotisendarteriëctomie

De effectiviteit van carotisdesobstructie door middel van carotisendarteriëctomie (CEA) bij een symptomatische carotisstenose is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de leeftijd en het geslacht van de patiënt, de aard van de uitvalsverschijnselen en de ernst van de stenose.

De aanbevelingen voor wat betreft de indicaties voor carotisdesobstructie zijn afkomstig uit de Richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.  104    

De indicaties zijn gebaseerd op onderzoeken uit de jaren 80 en 90. Destijds werden patiënten niet altijd behandeld met plaatjesremmers, zelden met statines en vaak onvoldoende met bloeddrukverlagende middelen. Het effect van een carotisdesobstructie kan tegenwoordig door de betere medicamenteuze secundaire preventie minder groot zijn dan in de tijd dat de trials werden uitgevoerd.

Bij de beslissing om al dan niet te behandelen wordt gebruikgemaakt van de CAR-score (sealedenvelope.com). Dit algoritme is gebaseerd op trialdata en aangepast aan de huidige inzichten over secundaire preventie. Overwegingen bij de behandelbeslissing:

  • kans op peroperatieve complicaties
  • het effect bij vrouwen is kleiner dan bij mannen
  • carotisdesobstructie is effectiever bij oudere patiënten (NNT 5 bij 75 jaar, 16 bij 65-74 jaar en 18 bij < 65 jaar)
  • carotisdesobstructie is effectiever bij hemisferale ischemie dan bij retinale ischemie
  • bij een stenose < 50% is het risico op een ipsilateraal herseninfarct zo laag dat carotisdesobstructie niet in aanmerking komt
  • na carotisdesobstructie hebben patiënten nog steeds een risico op een ipsilateraal herseninfarct van 1-2% per jaar

Techniek

Carotisdesobstructie vindt plaats door middel van een CEA. Bij een endovasculaire behandeling is het risico op een herseninfarct of hersenbloeding binnen 30 dagen significant hoger dan bij een CEA.  104    

Beleid bij asymptomatische stenose

Een asymptomatische carotisstenose (als toevalsbevinding of contralateraal van het herseninfarct) vormt meestal geen indicatie voor een carotisendarteriëctomie. Een CEA kan alleen worden overwogen bij mannen < 75 jaar met een asymptomatische stenose van > 70% en een operatierisico < 3% op een invaliderend herseninfarct, hersenbloeding of overlijden.  104    

Beleid bij occlusie van de a. carotis interna

Bij circa 15% van de patiënten met een infarct in het stroomgebied van de a. carotis interna wordt een occlusie van een van de aa. carotis internae aangetoond. Het jaarlijks risico op een recidief infarct bedraagt circa 5,5%. Het jaarlijks risico op een ipsilateraal infarct bedraagt circa 2,1%.  118     Bij patiënten met een occlusie van de a. carotis interna is geen meerwaarde aangetoond van bypasschirurgie.  119     120    

Revalidatie na herseninfarct of intracerebrale bloeding

  • Revalidatie zorgt voor een verbeterd functieherstel en bestaat over het algemeen uit oefentherapie, ergotherapie en logopedie.
  • Bij cognitieve stoornissen kan cognitieve revalidatie worden overwogen met als doel patiënten te leren omgaan met (blijvende) cognitieve gevolgen in het dagelijks leven.
  • De beslissing waar de revalidatie het best kan plaatsvinden, wordt (in samenspraak met de patiënt) genomen tijdens opname op de stroke unit en hangt onder andere af van de ernst van de beperkingen en de leerbaarheid, motivatie en leeftijd van de patiënt. Daarnaast is de belastbaarheid van een eventuele mantelzorger van invloed op de beslissing.
  • In de acute fase (de eerste paar dagen) is de revalidatie met name gericht op snelle mobilisatie.
  • In de revalidatiefase (de fase waarin nog herstel te verwachten is, over het algemeen de eerste 6 maanden) is de revalidatie gericht op verbetering van de functionaliteit en het bevorderen van de re-integratie thuis en in de maatschappij.
  • In de chronische fase (na de revalidatiefase) ligt de nadruk op het omgaan met blijvende beperkingen.
Details
Revalidatie na herseninfarct of intracerebrale bloeding

Effectiviteit

Het functieherstel wordt verbeterd door revalidatie. In het revalidatieproces zijn verschillende organisaties betrokken, zoals ziekenhuis, verpleeghuis, revalidatiecentrum, thuiszorgorganisatie en huisarts. In de acute fase resulteert multidisciplinaire zorg op een stroke unit, waaronder een snelle mobilisatie, één jaar nadien in een relatieve risicoreductie van de kans op overlijden of het hebben van een handicap met afhankelijkheid met 18% (HR 0,82; 95%-BI 0,73 tot 0,92; p = 0,001).  96     Uit enkele overzichtsartikelen komt naar voren dat start van een revalidatieprogramma binnen enkele dagen het functionele herstel op korte en middellange termijn (tot circa een half jaar) ten goede komt.  121     122     Op basis van een gepoolde analyse over twee gerandomiseerde onderzoeken (n = 103) zijn er aanwijzingen dat patiënten bij wie snel werd gestart met mobilisatie (mediane tijdsduur van ontstaan van de uitvalsverschijnselen tot start van de mobilisatie: 21 uur) in vergelijking tot patiënten bij wie langer werd gewacht (mediane tijdsduur tot start van mobilisatie: 31 uur) een grotere kans hebben op functionele onafhankelijkheid na drie maanden: OR (gecorrigeerd voor onder andere leeftijd en premorbide functioneren) 3,11; 95%-BI 1,03 tot 9,33.  123    

Twee meta-analyses (20 RCT’s, n = 2686 respectievelijk 14 RCT’s, n = 725) tonen dat meer tijd besteed aan oefentherapie (fysio- en ergotherapie) resulteert in een grotere ADL-zelfstandigheid en beter loopvermogen.  124     125     126     Op basis van deze resultaten wordt nagestreefd dat patiënten met een barthel-index < 19 tijdens opname dagelijks in de gelegenheid worden gesteld om minimaal twee keer per dag minimaal twintig tot dertig minuten per behandelsessie te oefenen onder begeleiding van een fysio- en/of ergotherapeut.  53     125     126    

Revalidatie na ontslag uit het ziekenhuis

De revalidatie na ontslag uit het ziekenhuis kan op verschillende manieren vormgegeven worden: vanuit de thuissituatie met enkel- of meervoudige eerstelijnstherapie, vanuit de thuissituatie met poliklinische revalidatiebehandeling op een revalidatieafdeling van het ziekenhuis of een revalidatiecentrum, vanuit de thuissituatie met geriatrische dagbehandeling/revalidatie, klinische revalidatie in een revalidatiecentrum of klinische revalidatie in een verpleeghuis op een speciale revalidatieafdeling. Bij de beslissing waar de revalidatie plaats zal vinden, spelen de volgende factoren een rol: de ernst van de beperkingen, de prognose, de leerbaarheid of het leervermogen, de motivatie, de leeftijd, de wens van de patiënt en zijn naaste(n), hun psychische en sociale draagkracht en de beschikbaarheid van noodzakelijke (mantel)zorg en voorzieningen. Patiënten die in een revalidatiecentrum worden opgenomen zijn gemiddeld ongeveer twintig jaar jonger dan degenen die in een verpleeghuis worden opgenomen. Het multidisciplinaire team op de stroke unit schakelt zo nodig thuiszorg en therapie thuis in of verzorgt de overdracht naar het revalidatiecentrum of verpleeghuis.

Conclusie

Patiënten met een herseninfarct of intracerebrale bloeding moeten, binnen hun mogelijkheden, snel gemobiliseerd worden. In de acute fase is zorg op een gespecialiseerde stroke unit de beste optie. Na ontslag uit het ziekenhuis vindt verdere revalidatie plaats. De beslissing waar de revalidatie het beste kan plaatsvinden hangt van verschillende factoren af en wordt tijdens opname op de stroke unit in een multidisciplinair overleg genomen.

Oefen- en ergotherapie
  • Oefentherapie is gericht op het herstel van functionaliteit, basisvaardigheden en mobiliteit.
  • Ergotherapie is gericht op het herstel van de dagelijkse activiteiten, zoals ADL, huishouden, werk(hervatting) en vrije tijdbesteding. De ergotherapeut kan ook een rol spelen bij het leren omgaan met vermoeidheid en cognitieve problemen.
Details
Oefen- en ergotherapie

Oefentherapie is gericht op het herstel van functies, basisvaardigheden en mobiliteit. In het kader van het mobiliteitsherstel wordt aandacht geschonken aan het handhaven of veranderen van de houding, lopen, verplaatsen met een rolstoel, traplopen en gebruik van vervoermiddelen. Verschillende methoden zijn effectief gebleken, waaronder constraint induced movement therapy (CIMT).

Deze therapie, waarbij de niet-aangedane arm geïmmobiliseerd wordt, leidt tot verbetering van de motorische functie van de aangedane arm. Cardiorespiratoire training en krachttraining zijn effectief om de conditie en mobiliteit te verbeteren na een herseninfarct of -bloeding. De loopsnelheid en -afstand verbeteren met training op een loopband.  52     127    

Ergotherapie is gericht op het herstel van ADL- en huishoudelijke verrichtingen. Tijdens een huisbezoek inventariseert de ergotherapeut de noodzaak tot aanpassingen in de thuissituatie. Een meta-analyse (9 RCT’s, n = 1258) toont dat ergotherapie gericht op ADL-verrichtingen tot een lager risico op een slechte uitkomst (mortaliteit, functionele verslechtering of afhankelijkheid; OR 0,67; 95%-BI 0,51 tot 0,87) leidt. Er werd een number needed tot treat (NNT) van 11 berekend om bij één persoon een slechte uitkomst te voorkomen.  128     129     Daarnaast heeft de therapie een gunstig effect op de mobiliteit buitenshuis.  130    

Uit overzichtsartikelen blijkt dat meer tijd besteed aan fysio- en ergotherapie resulteert in een grotere ADL-zelfstandigheid. De training dient progressief te zijn en vooral toegespitst op het leren van vaardigheden die van belang zijn voor het dagelijks leven van de patiënt.  124     125     126    
Ook in de thuissituatie is het van belang dat de patiënt activiteiten ontplooit en mobiel blijft. Uit een Nederlands cohortonderzoek blijkt dat 21% van de patiënten die een eerste beroerte hebben doorgemaakt drie jaar nadien een significant slechtere mobiliteit heeft dan één jaar na de beroerte. Inactiviteit thuis bleek hiervoor een onafhankelijke determinant, evenals cognitieve problematiek, depressie en een gevoel van vermoeidheid.  131    

Conclusie

Oefen- en ergotherapie dragen bij aan een grotere ADL-zelfstandigheid en betere mobiliteit.

Logopedie

Logopedie speelt een belangrijke rol in het verbeteren van spraak, taal en de slikfunctie.

Details
Logopedie

Logopedie is gericht op het verbeteren van de communicatie door het aanleren en uitbouwen van resterende verbale en non-verbale communicatiemogelijkheden. Daarnaast kan de logopedist aandacht schenken aan de omgang met de spraak-/taalstoornis door middel van psychosociale begeleiding van de patiënt en zijn omgeving. Uit overzichtsartikelen blijkt dat toepassing van intensieve afasietherapie door logopedisten, zowel in de eerste maanden als in de periode van zes tot twaalf maanden na de beroerte, zorgt voor een verbetering van de communicatieve mogelijkheden, indien dit vergeleken wordt met geen interventie. Indien intensieve spraaktherapie vergeleken wordt met frequente alledaagse gesprekken met bezoekers, is er geen verschil op de uitkomst functionele communicatie. De optimale duur en vorm van de therapie is niet bekend.  132     133     Over de effectiviteit van logopedische behandeling van dysartrie is weinig bekend. Op basis van niet-gecontroleerd onderzoek zijn er aanwijzingen dat patiënten met dysartrie baat kunnen hebben bij logopedie.  134     In een gerandomiseerd onderzoek werd echter geen verschil aangetoond in effectiviteit van intensieve spraaktherapie in de vroege fase van een beroerte in vergelijking tot frequente alledaagse gesprekken met bezoekers bij patiënten met dysartrie. 135    

De logopedist kan de patiënt eveneens leren veilig te slikken en te eten. Direct na het optreden van een herseninfarct of intracerebrale bloeding wordt het bestaan van dysfagie onderzocht. Behandeling van slikstoornissen is belangrijk ter voorkoming van aspiratie en ondervoeding. Hiervoor zijn diverse methodes in omloop. Een positief effect op de slikfunctie en het voorkomen van pneumonie is beschreven van geprotocolleerde behandeling, bestaand uit dagelijkse slikoefeningen en dieetmodificatie onder begeleiding van een logopedist of getrainde stroke-verpleegkundige.  136    

Conclusie

Logopedie speelt een belangrijke rol in de behandeling van dysfagie en waarschijnlijk ook van afasie als gevolg van een herseninfarct of intracerebrale bloeding.

Richtlijnen diagnostiekNaar Samenvatting

Eerste (telefonisch) contact

Maak (telefonisch of bij het eerste fysieke contact) een klinische inschatting op basis van de ABCDE-systematiek. Maak vervolgens een inschatting van de waarschijnlijkheid van een beroerte (TIA, herseninfarct of intracerebrale bloeding).

ABCDE-instabielNaar Samenvatting

  • Bel, indien de patiënt ABCDE-instabiel is, bijvoorbeeld bij verlaagd bewustzijn of epileptisch insult, direct een ambulance. Indien er alleen neurologische uitvalsverschijnselen zijn: volg het beleid bij ABCDE-stabiel.
  • Overweeg vervolgens een spoedvisite af te leggen.
  • Zie voor het beleid bij een epileptisch insult NHG-Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties.

ABCDE-stabielNaar Samenvatting

  • Maak (telefonisch) een inschatting van de waarschijnlijkheid van een beroerte (TIA, herseninfarct of hersenbloeding). Overweeg hierbij de FAST-test te gebruiken.
  • Zie verder Anamnese en Richtlijnen beleid acute fase.
FAST-test (Face-Arm-Speech-Time-test)Naar Samenvatting
  • Overweeg de FAST-test te gebruiken als hulpmiddel voor het telefonisch inschatten van de waarschijnlijkheid van een beroerte (door huisarts of doktersassistente). Deze test wordt bij voorkeur afgenomen door iemand in de directe omgeving van de patient:
    1. Gezicht: vraag de patiënt de tanden te laten zien. Let op scheefstand van de mond of een afhangende mondhoek.
    2. Arm: vraag de patiënt om beide armen tegelijk horizontaal naar voren te strekken en de handpalmen naar boven te draaien. Let op of een arm wegzakt of rondzwalkt.
    3. Spraak: vraag naar veranderingen in het spreken (onduidelijk spreken of niet meer uit woorden kunnen komen).
    4. Tijd: vraag hoe laat de klachten zijn begonnen.
  • Interpretatie: bij geen goede uitvoering van ≥ 1 van de eerste 3 opdrachten is er verdenking op een beroerte. Houd er rekening mee dat de FAST-test negatief kan zijn, vooral bij een beroerte in het vertebrobasilaire stroomgebied.
Details
FAST-test (Face-Arm-Speech-Time-test)

Waarom deze aanbeveling?

De FAST-test is eenvoudig hulpmiddel voor paramedici om een beroerte snel te kunnen herkennen. Met een sensitiviteit van 85% (bij afname door paramedici) is de kans op een foutnegatieve uitslag echter nog steeds 15%. Vooral beroertes in het vertebrobasilaire stroomgebied worden gemist. Vergeleken met de CPSS had de FAST-test in dit literatuuronderzoek een iets hogere sensitiviteit, maar een lagere specificiteit. De FAST test is beter onderzocht dan de KPSS, BE-FAST en Pre-HAST, die in slechts 1 geïncludeerd onderzoek voorkwamen. 

Of de FAST-test ook bij telefonische triage door doktersassistenten een betrouwbaar oordeel oplevert, is niet onderzocht. Daarom kunnen we geen onderbouwde uitspraak doen over de waarde van deze test tijdens telefonische triage, bijvoorbeeld op de huisartsenpost. De FAST-test lijkt echter wel een goed hulpmiddel om de symptomen van een beroerte meer bekendheid te geven onder de bevolking. De werkgroep verwacht dat leken met behulp van de FAST-test een goede eerste indruk kunnen krijgen over de aard van de symptomen.

Op basis van deze review lijkt de FAST-test nog steeds het meest geschikt voor een telefonische inschatting van de waarschijnlijkheid van een beroerte door een triagist, doktersassistente of meldkamer ambulance. Dit is aanleiding voor de zwak positieve aanbeveling om de FAST-test te gebruiken als hulpmiddel (voor huisarts of doktersassistente) bij het telefonisch inschatten van de waarschijnlijkheid van een beroerte. Houd rekening met de kans op een foutnegatieve uitslag. Dit lijkt vooral van toepassing voor beroerte in het vertebrobasilaire stroomgebied. 

Samenvatting van bewijs

Uitgangsvraag

Is de Face-Arm-Speech-Time-test (FAST-test), vergeleken met de Cincinnati Prehospital Stroke Scale (CPSS), Pre-HAST (Prehospital Ambulance Stroke Test), Balance Eyes FAST (BE-FAST) en Kurashiki Prehospital Stroke Scale (KPSS), aan te bevelen als hulpmiddel om in de eerste lijn telefonisch de kans op een beroerte in te schatten?

Achtergrond

De FAST-test is een screeningstest die gebruikt kan worden om telefonisch een inschatting te maken van de waarschijnlijkheid van de diagnose beroerte. De FAST-test wordt daarnaast al jaren gebruikt in publiekscampagnes om meer bekendheid te geven aan de symptomen van een beroerte. Bovendien zijn de vragen uit de FAST-test onderdeel van de triagewijzer. Er zijn echter meer screeningstests voor de herkenning van een beroerte. De vraag is hoe deze zich verhouden tot de FAST-test.

De CPSS is vrijwel hetzelfde als de FAST-test, alleen de vraag naar de duur van de klachten ontbreekt. Deze vraag is onder andere belangrijk om de urgentie te kunnen inschatten, bijvoorbeeld om te beoordelen of de patiënt mogelijk in aanmerking komt voor acute behandeling. De BE-FAST is de FAST-test, aangevuld met 2 extra items: coördinatie en diplopie. De Pre-HAST is ontworpen voor ambulancepersoneel, heeft 8 vragen en is te ingewikkeld voor een snelle telefonische beoordeling. De KPSS bestaat uit 4 vragen (bewustzijnsniveau, verwardheid, kracht in arm en been, en spraak) en is ontworpen om een beroerte te herkennen en tegelijk de ernst in te schatten.

Buiten beschouwing laten we hier screeningstests waarbij het bloedglucose gemeten wordt, zoals de LAPSS, OPSS, ROSIER, MASS, Med-PACS en FASTER, aangezien deze meting bij een telefonische beoordeling niet mogelijk is.

Methoden

In april 2021 is in PubMed een literatuursearch uitgevoerd naar systematische literatuuronderzoeken, RCT’s en observationeel onderzoek met een update in februari 2022.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De literatuursearch leverde een systematisch literatuuronderzoek op.  137     Er werden geen na de zoekdatum van de review gepubliceerde onderzoeken met betrekking tot dit onderwerp meer gevonden. Bij de update in februari 2022 werd een observationeel onderzoek gevonden dat in lijn is met onderstaande resultaten en daarom de aanbeveling niet zal veranderen.  138    

Onderzoekskarakteristieken

Meyran et al. includeerden 24 observationale onderzoeken (n = 10.446) waarin 10 screeningstests werden geëvalueerd, bij 5 waarvan de glucosewaarde niet gemeten wordt (FAST-test, KPSS, CPSS, Pre-HAST en BE-FAST). Geïncludeerd werden tests die buiten het ziekenhuis waren uitgevoerd door paramedici, verpleegkundigen of eerstehulpverleners, bij volwassenen met mogelijk een TIA, herseninfarct of hersenbloeding. Onderzoek naar telefonische triage werd niet gevonden.

De uitslag van de screeningstest werd vergeleken met de diagnose die uiteindelijk in het ziekenhuis werd gesteld. Uitkomstmaten waren onder andere verschil in tijd tot behandeling, aanvankelijke herkenning van de beroerte ؘ– onderscheiden in klinische doelmatigheid (deel patiënten dat de juiste behandeling krijgt) en diagnostische accuratesse (deel patiënten dat de juiste diagnose krijgt) – en goede neurologische uitkomst.

De positief en negatief voorspellende waarde van BE-FAST en de FAST-test werden niet beschreven in het systematische onderzoek van Meyran et al. Hiervoor hebben we teruggegrepen op het oorspronkelijke onderzoek van Pickham.  139    

Uitkomsten
  • Tijd tot behandeling:
    • KPSS: in 1 retrospectief observationeel onderzoek (n = 430) arriveerde 62,9% van de patiënten bij wie de KPSS werd toegepast < 3 uur na het ontstaan van de symptomen in het ziekenhuis, en 52,3% van de patiënten bij wie de KPSS niet werd toegepast (RR 1,2; 95%-BI 1,01 tot 1,43; kwaliteit van bewijs zeer laag). De gemiddelde tijd tot opname bedroeg 2,1 uur, versus 2,7 uur zonder toepassing van de KPSS. (p = 0,024; kwaliteit van bewijs zeer laag).
    • Voor de FAST-test, CPSS, Pre-HAST en BE-FAST werd geen onderzoek gevonden.
  • Herkenning van beroerte (deel patiënten dat de juiste behandeling krijgt):
    • FAST-test: in 1 onderzoek (n = 356) werd bij gebruik van FAST-test een groter deel van de patiënten binnen 3 uur na ontstaan van de symptomen behandeld dan wanneer de FAST-test niet werd gebruikt (48,2 vs. 14,6%; RR 3.3; 95%-BI 2,29 tot 4,75; kwaliteit van bewijs zeer laag)
    • KPSS: in 1 onderzoek (n = 430) was het percentage patiënten dat de diagnose beroerte kreeg of behandeld werd met trombolyse even groot in de groep bij wie de KPSS werd toegepast als in de controlegroep (kwaliteit van bewijs laag).
  • Herkenning van beroerte (deel patiënten dat de juiste diagnose krijgt)
    • FAST-test: deze uitkomstmaat werd onderzocht in 4 prospectieve observationele onderzoeken (n = 1585). De sensitiviteit was 0,85 (95%-BI 0,69 tot 0,94) en de specificiteit 0,38 (95%-BI 0,16 tot 0,66) (kwaliteit van bewijs zeer laag).
    • CPSS: deze uitkomstmaat werd onderzocht in 6 prospectieve en 6 retrospectieve observationele onderzoeken (n = 4842). De sensitiviteit was 0,81 (95%-BI 0,70 tot 0,89) en de specificiteit 0,55 (95%-BI 0,39 tot 0,69) (kwaliteit van bewijs zeer laag).
    • Pre-HAST: in 1 onderzoek (n = 69) was de sensitiviteit 1,00 (95%-BI 0,87 tot 1,00) en de specificiteit 0,40 (95%-BI 0,25 tot 0,56).
    • BE-FAST: in 1 onderzoek (n = 359) was de sensitiviteit 0,91 (95%-BI 0,86 tot 0,95) en de specificiteit 0,26 (95%-BI 0,20 tot 0,33).
    • KPSS: geen onderzoek gevonden.
    • BE-FAST vs. FAST-test: in een directe vergelijking (n = 359) was de positief voorspellende waarde van BE-FAST 0,49 en van de FAST-test 0,53. De negatief voorspellende waarde van BE-FAST was 0,93 en van de FAST-test 0,86.
  • Goede neurologische uitkomst: geen onderzoek gevonden.

AnamneseNaar Samenvatting

Vraag bij vermoeden van een beroerte naar:

  • aanwezigheid van uitvalsverschijnselen
  • tijdstip van ontstaan van de uitvalsverschijnselen; indien onbekend: wanneer de patiënt voor het laatst zeker geen uitvalsverschijnselen had
  • acuut of geleidelijk begin, opbouw van de uitvalsverschijnselen, eventuele voortekenen
  • aard van de uitvalsverschijnselen: verlamming ledematen, scheefstand gezicht, spraakstoornissen, dubbelzien, draaiduizeligheid, coördinatiestoornissen
  • hoofdpijn, misselijkheid en/of braken
  • beloop
  • eerdere episoden met gelijksoortige verschijnselen
  • bijkomende factoren: gebruik van anticoagulantia en, in het geval van een DOAC, het tijdstip van de laatste inname; recente bloedingen of operaties

Vraag naar risicofactoren voor beroerte:

  • hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, diabetes mellitus, overgewicht
  • belaste familieanamnese voor premature hart- en vaatziekten
  • atriumfibrilleren
  • roken, overmatig alcoholgebruik, drugsgebruik (zoals ecstasy en cocaïne)
  • migraine
  • gebruik van hormonale medicatie (waaronder anticonceptie)

Lichamelijk onderzoekNaar Samenvatting

Verricht ook bij patiënten die anamnestisch geen uitvalsverschijnselen meer hebben, lichamelijk onderzoek om eventuele resterende neurologische uitval vast te stellen waarvan de patiënt zich niet bewust is. Patiënten merken bepaalde uitvalsverschijnselen, zoals hemianopsie, vaak niet op.

Onderzoek:

  • het bewustzijn
  • het gezichtsveld
  • de spraak/taal
  • de pupilreacties
  • de kracht van de gelaatsmusculatuur en de stand van de ogen
  • de kracht van de bovenste en onderste extremiteiten
  • de coördinatie en sensibiliteit
  • het looppatroon
  • het hart- en vaatstelsel: meet de bloeddruk, ausculteer het hart (ritme en frequentie)

Overweeg de Head Impulse Test (HIT) toe te passen bij draaiduizeligheid die constant aanwezig is zonder andere uitvalsverschijnselen, om een perifere oorzaak van de duizeligheid waarschijnlijker te maken (zie NHG-Standaard Duizeligheid).

Details
Lichamelijk onderzoek

Hemianopsie

Ongeveer zestig procent van de patiënten met gezichtsvelduitval blijkt zich hiervan niet bewust te zijn.  140    

Centrale versus perifere n. facialis-uitval

Bij onderzoek van de kracht van de gelaatsmusculatuur wordt zo mogelijk onderscheid gemaakt tussen een centrale en perifere n. facialis-uitval. Wanneer het bovenste deel van de aangezichtsspieren evenveel is aangedaan als het onderste, is er sprake van een perifere uitval. Door de dubbele innervatie van de bovenste aangezichtsspieren is de oogsluiting bij eenzijdige centrale laesies altijd intact. Differentiatie tussen een centrale en perifere facialisuitval is in de lichtere gevallen klinisch niet altijd mogelijk.  141    

Aanvullend onderzoekNaar Samenvatting

Meet de bloedglucosewaarde om een hypo- of hyperglykemie als oorzaak van de uitvalsverschijnselen uit te sluiten.

Details
Bloedglucosemeting

Hypo- en hyperglykemie kunnen de oorzaak zijn van passagère uitvalsverschijnselen
Uit een subgroepanalyse in het literatuuronderzoek van Meyran et al. bleek dat screeningstests waarbij ook een bloedglucosemeting gedaan wordt (LAPSS, OPSS, ROSIER, MASS en Med-PACS) een vergelijkbare sensitiviteit hebben als de FAST-test. Een aantal van deze tests scoorde op specificiteit beter dan de FAST-test (specificiteit 0,18-0,86 versus 0,38 voor de FAST-test). De screeningstests werden verricht bij patiënten met vermoeden van een beroerte. Er zijn in dit literatuuronderzoek geen subgroepanalyses gedaan bij patiënten met en zonder diabetes mellitus type 2.  137    
De werkgroep acht het zinvol om, bij het eerste telefonische contact indien de patiënt over een bloedglucosemeter beschikt of anders tijdens het eerste persoonlijke contact (consult of visite), eveneens de bloedglucosewaarde te (laten) meten om een hypo- of hyperglykemie als oorzaak van de klachten uit te sluiten. 

Predictiemodel

We bevelen het predictiemodel Explicit Diagnostic Criteria for TIA (EDCT) niet aan.

Details
Waarom deze aanbeveling?

De (gemodificeerde) EDCT zouden een nuttige beslisondersteuner kunnen zijn voor huisartsen, vooral bij het uitsluiten van een TIA. Dit zou kunnen resulteren in minder verwijzingen naar de TIA-service. Op dit moment is er echter onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing om algemeen gebruik van de EDCT aan te bevelen. Om de daadwerkelijke bruikbaarheid van de (gemodificeerde) EDCT in de Nederlandse huisartsenpraktijk te bepalen, is validatie- en implementatieonderzoek nodig.

Van bewijs naar aanbeveling

Als de resultaten van de validatie van de EDCT in het eerstelijns MIND-TIA cohort direct zouden worden vertaald naar de praktijk, zouden de EDCT van elke 100 patiënten met vermoeden van een TIA er 24 aanwijzen als geen TIA, die niet verwezen hoeven te worden naar de neuroloog. Bij de gemodificeerde EDCT zou het om 29 patiënten gaan en met beide versies zou 1 TIA gemist worden. We zijn echter onzeker over deze aantallen.
Op dit moment is het wetenschappelijke bewijs voor de EDCT beperkt en de gemodificeerde EDCT zouden gevalideerd moeten worden in een onafhankelijk cohort. Idealiter zouden de EDCT getoetst moeten worden in een setting waarin een huisarts de criteria toepast in plaats van een getrainde onderzoeker.

Ook zonder ze letterlijk te volgen, kunnen de EDCT een nuttige ondersteuning vormen voor huisartsen bij een lastige diagnose en gebrek aan andere diagnostische middelen. De criteria kunnen helpen concreet te maken welke symptomen in de anamnese wel en niet kenmerkend zijn voor een TIA, en handvatten geven voor het bespreken van de patiënt met een neuroloog.

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Zijn de Explicit Diagnostic Criteria for TIA (EDCT) aan te bevelen als predictiemodel voor de huisarts bij een verdenking op een TIA?

Achtergrond

De EDCT (tabel d2) vormen een predictiemodel voor de diagnose ‘TIA’.  142     Het is een klinische tool, ontwikkeld door 2 neurologen op basis van klinische ervaring in plaats van statistische methoden. Aan de hand van type, duur en ontstaanswijze van de klinische verschijnselen onderscheiden de EDCT een TIA van beelden die een TIA kunnen nabootsen, zoals migraine, epilepsie of (pre)syncope. Een klachtenepisode wordt geduid als TIA wanneer de klinische verschijnselen aan alle criteria voldoen: een plots begin, een begin in volle intensiteit zonder een geleidelijke opbouw van symptomen, de aanwezigheid van neurologische uitvalsverschijnselen en de afwezigheid van zogeheten positieve symptomen.
In een eerste onderzoek hebben de ontwikkelaars van de EDCT onderzocht hoe dit predictiemodel presteert in een cohort van patiënten met een TIA (n = 120) en 2 cohorten van patiënten met migraine met aura, maar zonder TIA (n = 1390 en n = 152).  142    De resultaten waren veelbelovend: van de TIA-patiënten werd 99% terecht geclassificeerd; van de migrainepatiënten werd 4-5% geclassificeerd als TIA. Het is echter onduidelijk hoe de EDCT presteren in een ongeselecteerde populatie van patiënten met vermoeden van een TIA.

Methoden

In juni 2021 is in PubMed een literatuursearch uitgevoerd naar systematische literatuuronderzoeken en observationeel onderzoek. In februari 2022 is een update uitgevoerd.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De literatuursearch leverde, naast het oorspronkelijke onderzoek, 142     2 observationele cross-sectionele onderzoeken op waarin de EDCT werden gevalideerd naar diagnostische accuratesse.  143     144     De update in februari 2022 leverde geen nieuwe onderzoeken op.

Beschrijving onderzoeken
  • Dolmans et al. (2019): Deze onderzoeksgroep valideerde de EDCT in het Nederlandse eerstelijnscohort MIND-TIA (Markers in the Diagnosis of TIA) van patiënten bij wie hun huisarts een TIA vermoedde en die binnen 72 uur konden worden geïncludeerd (n = 206). Alle patiënten werden verwezen voor aanvullend onderzoek op een TIA-service. Een onderzoeksverpleegkundige legde de symptomen vast door middel van een gestandaardiseerde vragenlijst. Deze bevatte alle onderdelen van de EDCT. Volgens de uiteindelijke diagnose, gesteld door een expertpanel van 3 vasculair neurologen, had 61% van de patiënten een TIA of minor stroke. De onderzoekers maakten een geringe aanpassing in de C-criteria, die de interpretatie en toepassing moet verhelderen en tegelijkertijd aansluit bij de symptomatologie van een TIA (gemodificeerde EDCT; zie tabel d2).
  • Göbel et al (2021): In dit onderzoek werd de EDCT gevalideerd in een spoedeisendehulpsetting in Duitsland, onder 128 patiënten die werden verdacht van een TIA. De oorspronkelijke EDCT werd in een interview afgenomen door een lid van het onderzoeksteam, en vergeleken met de uiteindelijke diagnose van de neuroloog. 61% van de patiënten had een TIA volgens deze diagnose.

De onderzoekers voegden een extra criterium toe om de specificiteit te verhogen, namelijk ‘de symptomen worden niet beter verklaard door een andere medische of mentale aandoening’ (criterium F; zie tabel d2). 

Tabel d2. Explicit Diagnostic Criteria for TIA (EDCT), met aanpassingen

A

Plots begin van volledig reversibele neurologische symptomen (hemiparese, hemihypesthesie, dyfasie, neglect, amaurosis fugax, hemianopsie, hemiataxie)

B

Duur < 24 uur

C

Ten minste 2 van de volgende criteria:

≥ 1 symptoom is binnen ≤ 1 minuut ontstaan (geen geleidelijke toename)

≥ 2 symptomen treden tegelijk op

er zijn symptomen in de vorm van uitvalsverschijnselen (geen positieve symptomen zoals fotopsie (lichtflikkeringen), paresthesieën enzovoort)

geen hoofdpijn tijdens de neurologische symptomen of < 1 uur erna

C*

Ten minste 2 van de volgende criteria:

alle symptomen zijn binnen ≤ 1 min ontstaan (geen geleidelijke toename)

alle symptomen treden tegelijk op

alle symptomen zijn uitvalsverschijnselen (geen positieve symptomen zoals fotopsie, paresthesieën enzovoort)

geen hoofdpijn tijdens de neurologische symptomen of < 1 uur erna

D

Geen geїsoleerd optreden van de volgende symptomen (deze mogen wel optreden samen met meer kenmerkende symptomen): shaking spells, dubbelzien, duizeligheid, vertigo, syncope, verminderd bewustzijn, verwardheid, met hyperventilatie geassocieerde paresthesieën, onverklaard vallen, amnesie.

E

Bij beeldvormend onderzoek geen tekenen van acute infarcering (in bijpassend hersengebied)

F#

De symptomen worden niet beter verklaard door een andere medische of mentale aandoening

* Gemodificeerde criteria uit het onderzoek van Dolmans et al..  143    
# Toegevoegd criterium uit het onderzoek van Göbel et al..  144    

Onderzoeksresultaten

Tabel d3 geeft de diagnostische testkarakteristieken van de EDCT weer zoals gevonden in de beide onderzoeken, zowel voor de oorspronkelijke versie als voor beide aangepaste versies van de EDCT. Door de aanpassingen werd de specificiteit, en daarmee het aantal terecht-negatieve testuitslagen, verhoogd, terwijl het aantal foutpositieve testuitslagen werd verlaagd. De aanpassingen hadden geen invloed op de sensitiviteit en dus het aantal terechtpositieve en foutnegatieve testuitslagen. 

Tabel d3. Diagnostische testeigenschappen van de Explicit Diagnostic Criteria for TIA (EDCT)

Auteur

Versie EDCT

N

Sensitiviteit

(95%-BI)

Specificiteit

(95%-BI)

AOC

Uitslagen per 1000 geteste patiënten (95%-BI)

TP

FN

TN

FP

Dolmans

Origineel

206

0,98 (0,94 tot 1,00)

0,61 (0,50 tot 0,72)

0,80 (0,73 tot 0,87)

600 (576 tot 609)

10 (1 tot 34)

239 (194 tot 280)

151 (110 tot 196)

Dolmans

Gemodificeerd*

 

 

0,74 (0,63 tot 0,83)

0,86 (0,80 tot 0,92)

 

 

288 (245 tot 324)

102 (66 tot 145)

Göbel

Origineel

128

0,96 (0,89 tot 0,99

0,88 (0,76 tot 0,95)

niet gerapporteerd

586 (543 tot 604)

24 (6 tot 67)

343 (296 tot 371)

47 (19 tot 94)

Göbel

Origineel met extra criterium*

 

 

0,98 (0,90 tot 1,00)

 

 

 

382 (349 tot 389)

8 (1 tot 41)

* Alleen die uitkomsten zijn vermeld die door de aanpassingen werden beïnvloed.

AOC = Area Under the Curve; TP = terecht positief; FN = foutnegatief; TN = terecht negatief FP = foutpositief.

Conclusie

De EDCT lijken een goede diagnostische accuratesse te hebben met in de onderzoeken slechts 1-2% foutnegatieve testuitslagen, waardoor in theorie het aantal verwijzingen met ongeveer 30% kan worden teruggebracht. Het model is echter slechts in twee kleine onderzoeken gevalideerd, waardoor deze schattingen onzeker zijn. In beide onderzoeken zijn verbeteringen aangebracht in het model, die nog niet in onafhankelijk onderzoek zijn gevalideerd. Het model lijkt dus nog niet uitgekristalliseerd.

EvaluatieNaar Samenvatting

Acute focale neurologische uitvalsverschijnselen kunnen zowel bij een TIA, herseninfarct of een hersenbloeding optreden en zijn afhankelijk van de lokalisatie van de ischemie of bloeding (zie tabel h1).

Stel de werkdiagnose herseninfarct of intracerebrale bloeding bij patiënten met focale uitvalsverschijnselen die nog aanwezig zijn bij presentatie. Kenmerkend is dat de verschijnselen acuut, gelijktijdig en zonder voortekenen zijn begonnen. 
Stel de werkdiagnose TIA bij patiënten met passagère focale uitvalsverschijnselen die bij presentatie volledig verdwenen zijn. Typisch is dat de uitvalsverschijnselen acuut, gelijktijdig en zonder voortekenen zijn begonnen en te verklaren zijn vanuit een stoornis in één cerebraal stroomgebied.

De neuroloog stelt de diagnose TIA indien er geen aanwijzingen zijn voor andere intracraniële pathologie en er bij beeldvorming geen aanwijzingen zijn voor verse infarcering (zie Begrippen).

Kenmerken die een beroerte waarschijnlijker maken

  • De uitvalsverschijnselen zijn acuut en zonder voortekenen begonnen. In enkele gevallen nemen de uitvalsverschijnselen in de loop van minuten tot uren in ernst toe (stuttering stroke of intracerebrale bloeding).
  • Alle verschijnselen zijn tegelijk ontstaan.
  • De uitvalsverschijnselen zijn te verklaren vanuit een stoornis in het stroomgebied van een van de carotiden of het vertebrobasilaire stroomgebied, zie tabel h1.
  • Vooral bij een infarct in het vertebrobasilaire stroomgebied en bij een intracerebrale bloeding kunnen bewustzijnsdaling, progressieve uitvalsverschijnselen, hoofdpijn, misselijkheid en braken optreden.
  • Visusdaling in 1 oog waarbij het lijkt of er een donker gordijn naar beneden zakt (amaurosis fugax).
  • Patiëntgebonden kenmerken:
    • leeftijd > 65 jaar
    • de aanwezigheid van een of meer risicofactoren voor hart- en vaatziekten
    • beroerte in de voorgeschiedenis
    • atriumfibrilleren
    • gebruik van antistolling

Kenmerken die een beroerte minder waarschijnlijk maken

  • uitvalsverschijnselen die gepaard gaan met of voorafgegaan zijn door trekkingen
  • licht of zweverig gevoel in het hoofd en/of wazig zien, gevolgd door passagère bewustzijnsverlies
  • positieve symptomen zoals fotopsie (lichtflikkeringen), kleuren zien en paresthesiёen
  • een ‘mars’ van symptomen verspreid over verschillende delen van het lichaam
  • geïsoleerd voorkomen van draaiduizeligheid (zonder andere uitvalsverschijnselen)
  • geïsoleerd voorkomen van verwardheid of amnesie
  • lichtflitsen zien (flikkerscotomen), wazig zien en/of beweging van het beeld
  • passagère uitvalsverschijnselen gevolgd door hoofdpijn

Differentiaaldiagnose

Voor een overzicht van de belangrijkste differentiaaldiagnostische overwegingen bij neurologische uitvalsverschijnselen, zie tabel h2. Bij twijfel over de interpretatie van verschijnselen: overleg met de neuroloog.

Details
Differentiaaldiagnose

Differentiaaldiagnose monoculaire visusstoornis

Monoculaire (voorbijgaande) visusstoornissen kunnen behalve door amaurosis fugax en arteriitis temporalis ook veroorzaakt worden door glaucoom, maligne hypertensie, migraine, ablatio retinae, neuritis optica en tumoren.  145    

Transient global amnesia

Transient global amnesia (TGA) is een syndroom met als klinisch kenmerk een acuut ontstaan van algeheel geheugenverlies, zowel anterograad als retrograad, gedurende maximaal 24 uur. De patiënt is helder en in staat te communiceren. Tevens is hij in staat tot het uitvoeren van complexe handelingen. Na de episode is er een amnesie voor het gebeuren. In de literatuur wordt de jaarlijkse incidentie van TGA geschat op 3 per 100.000. De meeste patiënten zijn ouder dan 50 jaar en het syndroom komt iets vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. De recidiefkans bedraagt 3 tot 4%. De differentiaaldiagnose bestaat uit epilepsie, amnesie na een hoofdtrauma en ischemie in het posterior stroomgebied. De pathofysiologie van transient global amnesia is onbekend.
Met behulp van MRI zijn er aanwijzingen gevonden voor een focaal verminderde functie van de hippocampus gedurende de periode met amnesie.  146     147     148     Verwijzing naar de neuroloog en aanvullend onderzoek zijn niet geïndiceerd bij een typische, eenmalige episode. Aangezien er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor een ischemische genese, is medicamenteuze therapie in het kader van cardiovasculaire preventie niet geïndiceerd.  147     148    

Drop attacks

Een drop attack wordt omschreven als een val als gevolg van voorbijgaande atonie, meestal optredend tijdens lopen, die niet gepaard gaat met bewustzijnsverlies of andere symptomen. Er zijn geen restverschijnselen. Drop attacks treden vooral op bij vrouwen ouder dan 40 jaar.  149     Een drop attack kan uiteenlopende oorzaken hebben en de differentiaaldiagnose is uitgebreid. Uit een onderzoek waarin patiënten met drie of meer drop attacks in de voorgaande zes maanden een uitgebreid onderzoek ondergingen, werd voor 90% van de patiënten één of meerdere waarschijnlijke oorzaken voor de val gevonden: cardiovasculair (53%), neurologisch (29%, waaronder vertebrobasilaire insufficiëntie, ziekte van Parkinson en cerebrovasculaire stoornis), medicatie (11%) en houdings- en/of balansstoornissen (18%). In 10% werd geen oorzaak gevonden voor de val. Dit laatste percentage ligt waarschijnlijk hoger in de populatie die minder frequent een drop attack heeft gehad.  150     Ook binnenoordisfunctie, bijvoorbeeld in het kader van de ziekte van Ménière, wordt als oorzaak beschreven.  151    

Acute draaiduizeligheid
  • Onderscheid maken tussen een centrale en perifere oorzaak is vaak lastig.
  • Bij geïsoleerde acute aanhoudende draaiduizeligheid zonder aanwijzingen voor bijkomende (nieuwe) neurologische verschijnselen is het risico op een beroerte klein ( < 5%).
  • Houd bij de interpretatie rekening met patiëntgebonden kenmerken (zie Kenmerken die een beroerte waarschijnlijker maken).
  • Extremiteitsataxie (verstoring van het evenwicht en de bewegingscoördinatie, zich uitend in afwijkende top-neusproef, knie-hakproef en diadochokinese) past bij een centrale oorzaak. Een afwijkend (breedbasisch) looppatroon kan zowel bij centrale als vestibulaire oorzaken voorkomen en is dus niet onderscheidend.
Acuut dubbelzien
  • Acuut binoculair dubbelzien kan verschillende oorzaken hebben, zoals een herseninfarct, een aneurysma of trombose van de sinus cavernosus of zenuwcompressie.
  • Verwijs patiënten met acuut binoculair dubbelzien én bijkomende neurologische verschijnselen naar de neuroloog (zie Richtlijnen beleid acute fase). Verwijs de overige patiënten met dubbelzien naar de oogarts (zie NHG-Standaard Visusklachten).

Tabel h2. Enkele belangrijke aandoeningen in de differentiaaldiagnose van al dan niet voorbijgaande uitvalsverschijnselen

 

Hoofdkenmerk(en)

Duur uitvals-verschijnselen

Ontwikkeling uitvals-verschijnselen

Begeleidende symptomen

Onderscheidend(e) kenmerk(en) van beroerte

(Partiële) 
epileptische 
aanval

Trekkingen, (postictale) bewustzijnsdaling en/of hemiparese

Aanval: enkele seconden (partieel) tot > 30 minuten (status epilepticus)

Postictale parese: enkele minuten tot enkele dagen

Snelle uitbreiding van distaal naar proximaal

Soms voorafgegaan door een aura

Trekkingen en bewustzijnsdaling gevolgd door verwardheid

Migraine-aura

Reversibel(e) focale neurologisch(e) sympto(o)m(en) (bijvoorbeeld flikker-scotoom, visuele prikkelingsverschijnselen, paresthesieën, hypesthesie, parese en/of spraakstoornis), meestal binnen 1 uur gevolgd door bonkende unilaterale hoofdpijn

Maximaal 60 minuten

Ontstaat geleidelijk, bereikt een maximum in 5-20 minuten

Hoofdpijnfase gepaard gaande met misselijkheid, braken, foto- en fonofobie. Aura hoeft niet gevolgd te worden door hoofdpijn (migraine sans migraine)

Uitvalsverschijnselen ontwikkelen zich geleidelijk en worden meestal gevolgd door bonkende unilaterale hoofdpijn.

De visuele verschijnselen zijn dynamisch met veelal kleuren, bij een amaurosis fugax statisch en donker.

Arteriitis temporalis

Variabel: gedeeltelijk of totaal verlies van gezichtsveld, snel ontstane visusdaling, dubbelzien enkel- of dubbelzijdig, voorbijgaand of permanent

Pijnlijke, verdikte arteria temporalis, afwezige pulsaties.

Visusdaling varieert van voorbijgaand na enkele minuten tot blijvende blindheid

Acuut

Hoofdpijn, malaise, sterk verhoogd BSE/CRP

Aanwezigheid van hoofdpijn en malaise bij visusdaling of gezichtsvelduitval

Perifeer vestibulair syndroom

Draaiduizeligheid

BPPD: < 2 minuten, vooral gerelateerd aan houdingsverandering

Neuritis vestibularis: enkele dagen tot weken

Ziekte van Ménière: uren tot enkele dagen, aanvalsgewijs

BPPD: latentietijd 0-40 seconden (meestal 7-8 seconden)

Neuritis vestibularis: acuut

Ziekte van Ménière: 20 minuten tot enkele uren

Nystagmus (afname bij fixatie), vegetatieve verschijnselen, gehoorklachten (ziekte van Ménière)

Afwezigheid van diplopie en dysartrie en nystagmus die afneemt bij fixatie; draaiduizeligheid is over het algemeen heviger dan bij een centrale oorzaak

Perifere uitval n. facialis

Volledige of gedeeltelijke, eenzijdige verlamming van de aangezichtsmusculatuur

Herstel begint binnen enkele weken tot 6 maanden

Ontstaat binnen 1-2 dagen, verergering kan de eerste dagen hierna nog optreden

Smaakverlies, verminderde speekselsecretie, overgevoeligheid voor geluid

Uitval van de bovenste gelaatshelft

Afwezigheid van diplopie, ataxie en parese

Ruimte-innemend proces

Geleidelijk toenemende uitvalsverschijnselen

Persisterend

Ontstaat geleidelijk in de loop van dagen tot weken een bloeding in een tumor kan leiden tot acute uitval

Afhankelijk van de lokalisatie: hoofdpijn, insulten, visusklachten, parese, gevoelsstoornissen

Geleidelijk ontstaan van de uitvalsverschijnselen

Perifere (compressie)
neuropathie

Parese en/of gevoelsstoornis, meestal uitgelokt door een bepaalde houding of beweging uitvalsverschijnselen in het verzorgingsgebied van 1 zenuw

Meestal voorbijgaand, duur van enkele minuten tot uren, soms persisterend

Variabel, meestal geleidelijk

Pijn, paresthesieën

Uitval in het verzorgingsgebied van 1 perifere zenuw

Overige oorzaken van neurologische uitvalsverschijnselen

Spoedeisend

  • Cerebrale infecties (bijvoorbeeld encefalitis, hersenabces): gaan meestal gepaard met bewustzijnsveranderingen en koorts.

  • Metabole encefalopathie (bijvoorbeeld als gevolg van hyponatriëmie, hypoglykemie en/of hypercalciëmie): kan gepaard gaan met focale uitvalsverschijnselen. Over het algemeen staat het subacuut ontstaan van bewustzijnsveranderingen echter op de voorgrond.

  • Subduraal hematoom: gaat in zeldzame gevallen gepaard met acute, soms voorbijgaande, uitvalsverschijnselen.

  • Subarachnoïdale bloeding: wordt gekenmerkt door per acuut ontstane, zeer hevige hoofdpijn en eventuele bewustzijnsdaling.

Minder spoedeisend

  • Psychogeen: een inconsistente en onduidelijke anamnese en neurologisch onderzoek kunnen aanwijzingen zijn voor bijvoorbeeld functioneel neurologische stoornis (FNS) of simulatie.

  • Transient global amnesia: acuut ontstaan van algeheel geheugenverlies dat niet gepaard gaat met andere focale neurologische uitvalsverschijnselen.

  • Overige oorzaken, zoals intoxicaties, multipele sclerose, vasovagale collaps, drop attack, paniekaanval.

Details
Acuut dubbelzien

Dubbelzien wordt onderscheiden in monoculair of binoculair dubbelzien.
Binoculair dubbelzien komt het meest voor en ontstaat doordat de oogspieren van beide ogen niet goed samenwerken. Vasculaire afwijkingen, compressie van de zenuw (nn. III, IV of VI) of myogene oorzaken kunnen hieraan ten grondslag liggen. Ischemie kan leiden tot oogspierparesen en is alarmerend wanneer zij in combinatie met andere neurologische symptomen voorkomt, of wanneer alle oogspieren zijn aangedaan. Een acute totale oftalmoplegie (nn. III, IV en VI) kan worden veroorzaakt door een aneurysma of trombose van de sinus cavernosus. Compressie van de zenuw (nn. III, IV of VI) kan optreden bij schedeltrauma (orbitafractuur), een aneurysma, tumoren of metastasen, of een verhoogde intracraniële druk. Myogene oorzaken zijn bijvoorbeeld myasthenia gravis of ziekte van Graves.
Monoculaire dubbelbeelden komen weinig voor en zijn vrijwel altijd het gevolg van lokale oogafwijkingen, zoals subluxatie van de lens.
Niet-acute monoculaire diplopie komt voor bij een gestoorde traanfilm, cataract en sterk astigmatisme. Psychogene oorzaken komen ook voor. Ook intoxicaties (insecticiden, botulisme, alcohol) en geneesmiddelen, zoals anti-epileptica, kunnen dubbelzien veroorzaken.
Niet-acute binoculaire diplopie met een intermitterend karakter wordt veelal veroorzaakt door een lang bestaand en decompenserend latent strabisme.
Zie ook NHG-Standaard Visusklachten.

Richtlijnen beleid acute faseNaar Samenvatting

De aanwezigheid en de duur van de uitvalsverschijnselen bepalen de urgentie voor beoordeling en verwijzing (zie stroomschema). Indien de patiënt ABCDE-instabiel is: zie Eerste (telefonisch) contact. 

Stroomschema Beleid in de acute fase bij vermoeden van een beroerte
Stroomschema Beleid in de acute fase bij vermoeden van een beroerte
 

Beoordeel tot welke categorie de patiënt behoort op basis van aanwezigheid en duur van de uitvalsverschijnselen en eventuele behandelbeperking:

  • uitvalsverschijnselen aanwezig, < 12 uur geleden ontstaan (U1, spoed)
  • uitvalsverschijnselen aanwezig, ≥ 12 uur geleden ontstaan (U2, < 1 uur)
  • uitvalsverschijnselen aanwezig: infauste prognose of wens om thuis te blijven (U2, < 1 uur)
  • uitvalsverschijnselen volledig verdwenen (U3, binnen enkele uren)

Uitvalsverschijnselen aanwezig, < 12 uur geleden ontstaan (U1, spoed)Naar Samenvatting

  • Bel met spoed een ambulance en verwijs de patiënt naar de neuroloog.
  • Overweeg, na het inschakelen van de ambulance, een spoedvisite af te leggen.
  • Start geen trombocytenaggregatieremmer of antihypertensivum.
  • Verwijs de patiënt ook met spoed indien het onduidelijk is wanneer de uitvalsverschijnselen zijn begonnen (bijvoorbeeld wake-up stroke), maar de patiënt < 12 uur geleden voor het laatst zonder uitvalsverschijnselen is gezien.
  • Verzamel, indien mogelijk, informatie over de contra-indicaties voor intraveneuze trombolyse (zie tabel h3). Zorg dat dit niet tot vertraging in het verwijsproces leidt.
Tabel h3. Contra-indicaties voor intraveneuze trombolyse (relevant voor de huisarts)

Contra-indicatie

Geen contra-indicatie

Matig/ernstig schedelhersenletsel < 2 maanden geleden

Hogere leeftijd

Herseninfarct < 2 maanden geleden

Geringe uitvalsverschijnselen 

Intracraniële bloeding < 3 maanden geleden

Menstruatie 

Bloeding in maag-darmkanaal of urinewegen < 2 weken geleden

Gebruik van een trombocytenaggregatieremmer of LMWH in profylactische dosering 

Grote chirurgische ingreep < 2 weken geleden

Recent acuut myocardinfarct 

Gebruik van vitamine K-antagonist en INR > 1,7

 

Gebruik DOAC (exclusief dabigatran)*

 

* dabigatran kan gecoupeerd worden.

Details
Indicaties voor spoedverwijzing

De urgentie waarmee de huisarts de patiënt naar de neuroloog verwijst bij vermoeden van een beroerte is afhankelijk van de aanwezigheid van uitvalsverschijnselen en de mogelijkheid tot behandeling in de acute fase.

Mogelijkheden tot behandeling in de acute fase

Hier wordt een overzicht gegeven van de behandelingsmogelijkheden in de acute fase. Voor de referenties verwijzen we naar de details waarin deze behandelingen uitvoerig worden besproken.

Intracerebrale bloeding
Couperen antistolling

Gebruik van orale anticoagulantia is een risicofactor voor intracerebrale bloedingen. Indien bij beeldvormend onderzoek sprake is van een intracerebrale bloeding, kunnen vitamine K-antagonisten eventueel gecoupeerd worden met vitamine K of protrombinecomplex. Dabigatran kan gecoupeerd worden met idarucizumab. Rivaroxaban, apixaban en edoxaban kunnen gecoupeerd worden met protrombinecomplex.

Operatie

Incidenteel worden patiënten met een spontane intracerebrale bloeding geopereerd (evacuatie hematoom). Indicaties hiervoor kunnen zijn:

  • supratentorieel hematoom: progressieve neurologische achteruitgang met een oppervlakkig gelegen hematoom.
  • infratentorieel hematoom: progressieve neurologische achteruitgang of bij initiële slechte neurologische toestand.  104    

Herseninfarct

Intraveneuze trombolyse < 4,5 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen

Patiënten met een acuut herseninfarct < 4,5 uur komen in aanmerking voor intraveneuze trombolyse. Naast het uitsluiten van contra-indicaties is een CT-hersenen zonder contrast voldoende voor selectie van patiënten die in aanmerking komen voor trombolyse (zie detail Intraveneuze trombolyse).
In Nederland wordt circa 22% van de patiënten met een acuut herseninfarct behandeld met intraveneuze trombolyse (hartenvaatcijfers.nl).  6    

Intraveneuze trombolyse > 4,5 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen en bij een onbekend begintijdstip

Patiënten met een acuut herseninfarct komen tot 12 uur na “last seen well” of het ontstaan van de uitvalsverschijnselen in aanmerking voor intraveneuze trombolyse. Als de uitvalsverschijnselen > 4,5 uur bestaan of het begintijdstip onbekend is maar “last seen well” > 4,5 uur geleden was, gelden er strengere selectiecriteria bij beeldvormend onderzoek waardoor een lager percentage patiënten voor de behandeling in aanmerking komt (zie detail Intraveneuze trombolyse).

Endovasculaire behandeling voorste circulatie < 6 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen

Endovasculaire behandeling (EVT) kan worden toegepast bij patiënten met een acuut herseninfarct bij wie de uitvalsverschijnselen < 6 uur bestaan waarbij occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën is opgetreden, ongeacht de ernst van de neurologische uitval (zie detail Endovasculaire behandeling).

Endovasculaire behandeling voorste circulatie 6-24 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen

Uitkomsten van verschillende studies hebben geleid tot een uitbreiding van het indicatiegebied voor EVT in het tijdsvenster van 6-24 uur na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen. Patiënten met een acuut herseninfarct op basis van een occlusie van één van de proximale intracraniële arteriën kunnen voor EVT in aanmerking komen, maar de selectiecriteria bij een klachtenduur van 6-24 uur zijn strenger dan bij een klachtenduur < 6 uur, waardoor een lager percentage patiënten voor de behandeling in aanmerking komt. In 2024 kreeg 13% van de patiënten met een herseninfarct (< 12 uur na het ontstaan van klachten of last seen well) EVT. In het late tijdsvenster (> 12 uur na het ontstaan van de klachten of last seen well) was dit maximaal 5%. Deze cijfers zijn gebaseerd op gegevens uit alle Nederlandse ziekenhuizen (DICA beroertezorg (DASA)). De percentages sinds verruiming van de EVT-criteria zijn nog niet bekend (zie detail Endovasculaire behandeling).

Endovasculaire behandeling achterste circulatie

EVT kan bij patiënten met een acuut herseninfarct door basilaristrombose onder bepaalde voorwaarden worden toegepast tot 24 uur na het ontstaan van de verschijnselen, waarbij slechts een beperkte groep in aanmerking komt in het tijdsvenster 12-24 uur (zie detail Endovasculaire behandeling).

Operatie

Chirurgische decompressie wordt incidenteel overwogen bij patiënten met klinische en radiologische tekenen van een ruimte-innemend herseninfarct, binnen 48 uur na ontstaan van het infarct.  104    

Medicamenteuze secundaire preventie

Een snelle start van medicamenteuze secundaire preventie na een herseninfarct leidt tot verlaging van het risico op een recidief.

Carotisdesobstructie

Carotisdesobstructie dient zo spoedig mogelijk na het ontstaan van de symptomen te gebeuren, maar niet binnen de eerste 24 uur.

TIA

Medicamenteuze secundaire preventie

Een snelle start van medicamenteuze secundaire preventie na een TIA leidt tot verlaging van het risico op een recidief TIA of op een herseninfarct.

Carotisdesobstructie

Carotisdesobstructie dient zo spoedig mogelijk na het ontstaan van de symptomen te gebeuren, maar niet binnen de eerste 24 uur.

Overwegingen bij het bepalen van de verwijsurgentie

Bij de vertaling van de mogelijkheden tot acute behandeling naar indicaties voor spoedverwijzing moet rekening worden gehouden met de volgende factoren:

  • de kans dat er daadwerkelijk sprake is van een herseninfarct of intracerebrale bloeding
  • de kans dat acute behandeling mogelijk is
  • de impact van een spoedverwijzing op de patiënt, de ambulancezorg, spoedeisende hulp en verkeersveiligheid
Kans dat er daadwerkelijk sprake is van een herseninfarct of intracerebrale bloeding

Een aanzienlijk deel van de patiënten die direct, zonder beoordeeld te zijn door een huisarts, ingestuurd worden met verdenking op een beroerte, heeft uiteindelijk geen beroerte. In een cross-sectioneel onderzoek op de Nederlandse huisartsenposten (n = 1269) werd de accuraatheid van het NTS bij patiënten met verschijnselen die bij een TIA, herseninfarct of intracerebrale bloeding kunnen passen, onderzocht. Bij 45% van de met behulp van het NTS getrieerde patiënten met vermoeden van TIA, herseninfarct of intracerebrale bloeding werd uiteindelijk een andere diagnose gesteld, zoals migraine, epilepsie of perifeer vestibulair syndroom; 34,2% kreeg de diagnose TIA/minor stroke, 15,8% herseninfarct of intracerebrale bloeding en 4,8% andere ernstige neurologische aandoening, zoals een intracraniële bloeding of meningitis.  26    

Kans dat acute behandeling mogelijk is

De ontwikkelingen op het gebied van intraveneuze trombolyse en endovasculaire behandeling gaan snel. De termijnen waarbinnen deze behandelingen toegepast kunnen worden zijn aan verandering onderhevig en worden steeds verder verruimd.
Momenteel kunnen patiënten met een acuut herseninfarct dat minder dan 12 uur bestaat, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor intraveneuze trombolyse. Voor endovasculaire behandeling ligt de grens op 24 uur na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen. Ook hiervoor geldt dat bij langer bestaande klachten strengere selectiecriteria gelden.
Het aantal patiënten dat intraveneuze trombolyse en/of endovasculaire behandeling kan ondergaan, neemt af met het verstrijken van de tijd. Ook neemt de effectiviteit van de behandelingen af, naarmate de uitvalsverschijnselen langer bestaan.

Impact van een spoedverwijzing

Een spoedverwijzing legt meer druk op de ambulancezorg en spoedeisende hulp. Daarnaast maakt een spoedverwijzing per ambulance vaak veel indruk op de patiënt en heeft het een grote impact op de verkeersveiligheid.

Termijn voor verwijzing met spoed

De werkgroep hecht groot belang aan eenduidige, in de praktijk goed toepasbare richtlijnen voor verwijscriteria en verwijsurgenties. Tijdens het herzieningstraject van de NHG-Standaard Beroerte hebben meerdere overleggen plaatsgevonden met Ambulancezorg Nederland (AZN) en de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN).

Uitvalsverschijnselen aanwezig

Er is consensus dat tot een termijn van 12 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen zodanig veel patiënten met een herseninfarct in aanmerking komen voor intraveneuze trombolyse en/of endovasculaire behandeling (en couperen van orale anticoagulantia) dat dit spoedverwijzing rechtvaardigt. Dit geldt ook voor patiënten met een onbekend aanvangstijdstip van de klachten, maar die < 12 uur geleden voor het laatst zonder uitvalsverschijnselen zijn gezien. Patiënten worden (afhankelijk van regionale afspraken) naar een lokaal of regionaal ziekenhuis verwezen voor diagnostiek. Patiënten die in aanmerking komen voor endovasculaire behandeling worden vervolgens naar een expertisecentrum verwezen.

De criteria voor endovasculaire behandeling zijn recentelijk verruimd.  103     Wat de invloed is van deze ruimere criteria op het aantal patiënten dat in aanmerking komt voor EVT is (nog) niet duidelijk. De werkgroep acht het zinvol dat na de termijn van 12 uur eerst de huisarts de patiënt beoordeelt (U2-urgentie). Dit om de uitvalsverschijnselen te objectiveren en een inschatting te maken of er sprake is van een beroerte of van een andere aandoening zoals migraine, drukneuropathie of perifeer vestibulair syndroom. Dit voorkomt onterechte verwijzing van patiënten die geen beroerte blijken te hebben. Verwijs de patiënt per ambulance naar het ziekenhuis indien een beroerte na beoordeling/onderzoek waarschijnlijk is. In samenspraak met de neuroloog wordt de verwijsurgentie bepaald. Factoren zoals leeftijd, comorbiditeit, kwetsbaarheid en behandelwensen wegen mee in deze beslissing om (al dan niet met spoed) te verwijzen. Een eerste beoordeling door de huisarts, waarna zo nodig overleg met de neuroloog over de verwijsurgentie, in plaats van directe inzet van een ambulance bij klachten die langer dan 12 uur bestaan, voorkomt onnodige spoedverwijzingen en onevenredig grote druk op de ambulancezorg en spoedeisende hulp.

Uitvalsverschijnselen volledig verdwenen

Patiënten bij wie de uitvalsverschijnselen inmiddels volledig zijn verdwenen, komen niet in aanmerking voor bovenstaande behandelingen. Daarmee is de urgentie tot directe beoordeling door de neuroloog lager. In geval van een recidief kan de patiënt echter alsnog in aanmerking komen voor deze behandelingen, het is dan ook van belang om patiënten te instrueren om bij recidiefklachten direct contact op te nemen met de huisarts.

Indien bij beoordeling van deze patiënten (binnen een paar uur, U3-urgentie) de werkdiagnose TIA wordt gesteld, moet met de neuroloog worden overlegd over de gewenste termijn van beoordeling. Het is wenselijk om zo snel mogelijk te starten met secundaire preventie en diagnostiek naar een mogelijke carotisstenose te verrichten. Bovendien kunnen patiënten met een TIA in aanmerking komen voor duale behandeling met clopidogrel en acetylsalicylzuur. Op basis van deze overwegingen wordt aanbevolen patiënten met een TIA bij voorkeur binnen 24 uur naar de neuroloog te verwijzen.

Conclusie
  • Uitvalsverschijnselen die nog aanwezig zijn, maar < 12 uur geleden zijn ontstaan, zijn een indicatie voor spoedverwijzing (U1-urgentie).
  • Als de uitvalsverschijnselen ≥ 12 uur bestaan, leg dan een spoedvisite af of laat de patiënt bij geringe uitvalsverschijnselen direct naar de praktijk komen (U2-urgentie). Overleg, indien op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek een beroerte aannemelijk is, met de neuroloog over de urgentie waarmee patiënt verwezen moet worden (onder andere afhankelijk van duur en ernst van de uitvalsverschijnselen).
  • Leg bij patiënten bij wie de uitvalsverschijnselen nog aanwezig zijn, maar die een infauste prognose hebben of de wens om thuis te blijven, direct een visite af (U2-urgentie).
  • Beoordeel patiënten bij wie de uitvalsverschijnselen volledig verdwenen zijn binnen een paar uur (U3-urgentie). Verwijs vervolgens patiënten bij wie de werkdiagnose TIA gesteld wordt bij voorkeur binnen 24 uur naar de neuroloog.
Beleid bij een minor stroke

Een internationale definitie van ‘klein herseninfarct’ oftewel minor stroke ontbreekt. Over het algemeen spreekt men hiervan bij geringe uitvalsverschijnselen die niet volledig herstellen. In onderzoeksverband wordt vaak een score ≤ 3 op de National Institutes of Health Stroke Scale (NIHSS) toegepast om de ernst van de uitvalsverschijnselen bij een minor stroke te definiëren.

Het advies is om alle patiënten die bij presentatie nog uitvalsverschijnselen vertonen, onafhankelijk van de ernst hiervan, direct naar het ziekenhuis te verwijzen. In de praktijk blijkt namelijk dat patiënten die aanvankelijk slechts geringe uitvalsverschijnselen vertonen in de loop van uren tot dagen een toename van uitval kunnen krijgen. Zo toonde een prospectief observationeel onderzoek (n = 2165) dat 17% van de patiënten die niet in aanmerking kwamen voor behandeling met intraveneuze trombolyse omdat zij slechts geringe uitvalsverschijnselen hadden (gemiddelde NIHSS bij opname 3), tijdens opname waren overleden of niet functioneel onafhankelijk waren bij ontslag uit het ziekenhuis (gemodificeerde rankinscore (mRS) > 2).  152     Dit percentage komt redelijk overeen met de bevindingen uit een prospectief onderzoek waarin 510 patiënten met een minor stroke (NIHSS < 4) of met een TIA werden geïncludeerd. Exclusiecriteria waren onder andere behandeling met intraveneuze trombolyse en mRS = 2. Vijftien procent van de patiënten bleek na negentig dagen functioneel verslechterd, gedefinieerd als een mRS = 2. Het grootste deel van deze patiënten (74%) had geen recidief (gedefinieerd als uitvalsverschijnselen die minstens 24 uur aanhielden) doorgemaakt. Het doormaken van een recidief (ruim 7% van alle patiënten) was wel geassocieerd met een slechtere uitkomst: 53% was na negentig dagen functioneel afhankelijk.  153    

Naast de kans op functionele verslechtering bij een minor stroke blijkt ook dat opname op een stroke unit bij patiënten met slechts geringe uitvalsverschijnselen ten tijde van randomisatie tot minder afhankelijkheid leidt.  96     Ten slotte blijkt uit een prospectief cohortonderzoek (onderdeel van de Oxford Vascular Study, n = 87) dat er een reëel risico is op het optreden van een herseninfarct na een minor stroke (NIHSS = 3). Gedurende de eerste zeven dagen na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen bedraagt deze kans 11,5%, gedurende de eerste maand 15% en gedurende de eerste drie maanden 18,5%. Snelle start van secundaire preventie is daarom wenselijk.  61    

Patiënten met slechts geringe uitvalsverschijnselen komen ook in aanmerking voor behandeling met intraveneuze trombolyse indien sprake is van interferentie met de functionaliteit, wat bijvoorbeeld het geval is bij een geïsoleerde afasie of hemianopsie.

Conclusie

Alle patiënten met uitvalsverschijnselen bij presentatie worden, onafhankelijk van de ernst hiervan, met U1- of U2-indicatie (afhankelijk van de eventuele mogelijkheid tot acute behandeling) naar het ziekenhuis verwezen.

Antihypertensiva in de acute fase van een beroerte

TIA/Herseninfarct

In de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding wordt geadviseerd om te starten met bloeddrukverlagende therapie zodra de patiënt medisch en neurologisch stabiel is. Dit advies is tot stand gekomen op basis van consensus. In de acute fase is bij een bloeddruk ≥ 220/120 mmHg een snelle verlaging van de bloeddruk geïndiceerd met als streefwaarde een maximale bloeddruk van 185/110 mmHg (NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding).

Intracerebrale bloeding

Patiënten met een acute intracerebrale bloeding hebben vaak een hoge tot zeer hoge bloeddruk. In de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding wordt aanbevolen om bij patiënten met een spontane intracerebrale bloeding en een systolische bloeddruk ≥ 150 mmHg, die binnen 6 uur na het ontstaan van de symptomen behandeld kunnen worden, de bloeddruk binnen 1 uur te verlagen tot 140 mmHg. Indien behandeling niet binnen 6 uur na het ontstaan van de symptomen mogelijk is, wordt bij een systolische bloeddruk ≥ 180 mmHg een geleidelijke daling naar 140 mmHg in enkele uren aanbevolen (NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding).

Contra-indicaties voor intraveneuze trombolyse en endovasculaire behandeling

De contra-indicaties zijn ontleend aan de Richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.  103     Verzamel, indien mogelijk, informatie over de contra-indicaties voor intraveneuze trombolyse en endovasculaire behandeling.

Intraveneuze trombolyse

Veel van de contra-indicaties zijn ter beoordeling aan de neuroloog en voor de huisartsgeneeskundige beoordeling niet relevant.

Contra-indicaties
  • Intracraniële bloeding (inclusief hemorragische transformatie van een infarct) bij beeldvormend onderzoek
  • Matig of ernstig schedelhersenletsel in voorgaande 2 maanden
  • Herseninfarct in de voorgaande 2 maanden (in verband met de kans op hemorragische transformatie)
  • Intracraniële bloeding in voorgaande 3 maanden
  • Bloeding in maag-darmkanaal of urinewegen in voorgaande twee weken
  • Grote chirurgische ingreep in voorgaande twee weken
  • Bloeddruk systolisch ≥ 185 mmHg of diastolisch ≥ 110 mmHg (eventueel in de tweede lijn medicamenteus te verlagen)
  • Actieve bloeding of traumatisch letsel (bijvoorbeeld fractuur)
  • Gebruik van een vitamine K-antagonist en INR > 1,7
  • Gebruik van een direct werkend oraal anticoagulantium (DOAC). Alleen bij dabigatran kan 5 minuten na couperen met intraveneus idarucizumab trombolyse worden toegepast
  • Gebruik van een laagmoleculairgewicht heparine (LMWH) in therapeutische dosering, tenzij > 4 uur geleden een subcutane gift en normale anti Xa-spiegel
  • Trombocytengetal < 100 × 109/L
  • Serumglucose < 2,7 mmol/L als mogelijke oorzaak van de verschijnselen, of serumglucose > 22,0 mmol/L
Relatieve contra-indicatie

Epileptisch insult

Geen contra-indicaties
  • Gebruik van een trombocytenaggregatieremmer
  • Menstruatie
  • Gebruik van LMWH in profylactische dosering
  • Dissectie van de extracraniële a. carotis of a. vertebralis
  • Vroege ischemische veranderingen op CT zonder contrastmiddel, die niet suggereren dat het infarct ouder is dan 4,5 uur
  • Ongeruptureerd intracranieel aneurysma of arterioveneuze of caverneuze malformatie
  • Acuut myocardinfarct (de neuroloog overlegt zo nodig met de cardioloog)
  • Gebruik van dabigatran, indien gecoupeerd met idarucizumab

Endovasculaire behandeling

Contra-indicaties
  • Intracraniële bloeding (inclusief hemorragische transformatie van een infarct) bij beeldvormend onderzoek
  • De uitvalsverschijnselen zijn > 24 uur geleden ontstaan
Relatieve contra-indicatie

Infarct in het aangedane stroomgebied in de voorgaande 6 weken.

Toelichting

  • Binnen 12 uur na het ontstaan van de verschijnselen komt een aanzienlijk deel van de patiënten met een beroerte in aanmerking voor een acute behandeling (herseninfarct: intraveneuze trombolyse en/of endovasculaire behandeling; intracerebrale bloeding: couperen antistolling), zodat dit spoedverwijzing rechtvaardigt.
  • Het aantal patiënten dat intraveneuze trombolyse en/of endovasculaire behandeling kan ondergaan, neemt af met het verstrijken van de tijd. Ook neemt de effectiviteit van de behandelingen af naarmate de uitvalsverschijnselen langer bestaan.

Uitvalsverschijnselen aanwezig, ≥ 12 uur geleden ontstaan (U2, < 1 uur)Naar Samenvatting

  • Leg een spoedvisite af of laat de patiënt met geringe uitvalsverschijnselen direct naar de praktijk komen (U2-urgentie, < 1 uur).
  • Overleg, indien op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek een beroerte aannemelijk is, met de neuroloog over de urgentie waarmee patiënt verwezen moet worden (onder andere afhankelijk van de duur en ernst van de uitvalsverschijnselen).
  • Start geen trombocytenaggregatieremmer of antihypertensivum.
  • Bij een sterk vermoeden van een beroerte kan de huisarts (bij uitzondering) besluiten direct een ambulance in te zetten.
  • Bij een klachtenduur > 24 uur kan beoordeling, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van een beroerte en de klinische toestand, met een lagere urgentie (maar wel dezelfde dag) plaatsvinden. 

Toelichting

  • Bijna de helft van de patiënten die direct, zonder beoordeling door een huisarts, ingestuurd worden wegens vermoeden van een beroerte blijkt uiteindelijk geen beroerte te hebben.
  • Bij een klachtenduur van 12 - 24 uur komt een kleiner deel van de patiënten met een herseninfarct (maximaal 5%) in aanmerking voor endovasculaire behandeling (EVT) dan bij een klachtenduur korter dan 12 uur (circa 13%). De percentages sinds uitbreiding van de EVT-indicaties zijn nog niet bekend.
  • In samenspraak met Ambulancezorg Nederland (AZN) is besloten dat bij een klachtenduur > 12 uur het zinvol is om eerst de uitvalsverschijnselen te objectiveren en te beoordelen of een beroerte waarschijnlijk is, alvorens de patiënt te verwijzen. Dit voorkomt onnodige spoedverwijzingen en een onevenredig grote druk op de ambulancezorg en spoedeisende hulp. 

Uitvalsverschijnselen aanwezig: infauste prognose of wens thuis te blijven (U2, < 1 uur)Naar Samenvatting

Patiënten met:

  • ernstige comorbiditeit
  • terminale patiënten
  • ernstige uitvalsverschijnselen met een infauste prognose
  • uitdrukkelijke wens om thuis te blijven

Beleid

  • Leg een spoedvisite af (U2-urgentie, < 1 uur).
  • Opname op een stroke unit is effectief, onafhankelijk van de leeftijd van de patiënt of de ernst van de uitvalsverschijnselen. Daarnaast hebben patiënten met ernstige uitvalsverschijnselen complexe zorg nodig, zeker in de acute fase. Verwijzing naar de neuroloog heeft dan ook bij het merendeel van de patiënten de voorkeur.
  • In uitzonderlijke gevallen, bij zodanig massale uitvalsverschijnselen dat de prognose op korte termijn infaust lijkt, kan worden overwogen de patiënt niet te verwijzen.
  • Een zeer slechte uitgangssituatie door omvangrijke comorbiditeit kan aanleiding zijn om af te zien van een opname.
  • Zie voor een hulpmiddel bij de besluitvorming over doorbehandelen na een ernstige beroerte: behandelbeleidbijberoerte.nl.
  • Houd bij de besluitvorming over opname rekening met de wens van de patiënt en diens familie. Of de patiënt thuis kan blijven, hangt af van de mogelijkheden van de omgeving (partner, mantelzorg, thuiszorg). Zie Aandachtspunten indien de patiënt thuisblijft.

Aandachtspunten indien de patiënt thuisblijft

Patiënten die op verzoek thuisblijven
  • Start in de acute fase, in overleg met de neuroloog, secundaire preventie en revalidatie, tenzij de prognose infaust lijkt.
  • Laat een logopedist de slikfunctie onderzoeken vóórdat de patiënt iets eet of drinkt. Indien dit praktisch niet haalbaar is, kan een indruk van de slikfunctie worden gekregen door de patiënt in zittende houding enkele slokjes water te laten drinken.
  • Bij aanwijzingen voor slikstoornissen (hoesten, stemveranderingen, water uit de mond laten lopen) mag de patiënt uitsluitend eten en drinken in de (door een logopedist geadviseerde) veilige consistenties, tot de slikfunctie (grotendeels) hersteld is, in verband met het risico op aspiratie en aspiratiepneumonie.
  • Plaats bij onvoldoende intake door slikstoornissen (en de wens tot doorbehandelen) een neussonde of laat deze plaatsen, bijvoorbeeld door een gespecialiseerde wijkverpleegkundige. Consulteer de diëtist voor begeleiding bij sondevoeding.
  • Overleg zo nodig met de apotheker over hoe de medicatie toe te dienen bij plaatsing van een neussonde.
  • Coördineer zorg en revalidatie conform de regionale afspraken. Overleg regelmatig met de betrokken eerstelijnshulpverleners (thuiszorg, fysiotherapeut, ergotherapeut, logopedist, diëtist).
Patiënten met een infauste prognose

Zie voor zorgaspecten in de palliatieve fase (zoals decubituspreventie) de richtlijnen van het Integraal Kankercentrum Nederland op pallialine.nl.

Uitvalsverschijnselen volledig verdwenen (U3, binnen enkele uren)Naar Samenvatting

  • Laat de patiënt naar de praktijk komen of leg een visite af, in ieder geval binnen enkele uren (U3-urgentie).
  • Instrueer de patiënt om direct opnieuw contact met de huisarts op te nemen indien de verschijnselen in de tussentijd recidiveren.
  • Overleg direct met de neuroloog, indien je na onderzoek de werkdiagnose TIA stelt, over de gewenste termijn van beoordeling door de neuroloog (bij voorkeur binnen 24 uur).
    • Bij patiënten met een recidief TIA die reeds onderzocht zijn: overleg met de neuroloog over de noodzaak tot herbeoordeling.
  • Start acetylsalicylzuur, tenzij de neuroloog de patiënt direct beoordeelt (zie tabel h4 en Trombocytenaggregatieremmers in de acute fase bij TIA)
Details
Waarom deze aanbeveling?

De effectiviteit van acetylsalicylzuur in de acute fase van een TIA is onderzocht. Daarnaast beschikt de huisarts over dit middel in de spoedkoffer. Op grond hiervan is acetylsalicylzuur eerste keus in de acute fase van een TIA.

Hoewel clopidogrel in de acute fase niet is onderzocht, is het waarschijnlijk dat ook dit middel direct werkzaam is als met een oplaaddosering wordt gestart (300 mg). Bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit is clopidogrel minder effectief (zie detail Farmacogenetisch onderzoek bij patiënten die clopidogrel gebruiken als secundaire preventie na een TIA of herseninfarct).

In de praktijk is het gangbaar dat neurologen clopidogrel adviseren bij patiënten met een TIA in de acute fase.

Op grond van bovenstaande argumenten heeft acetylsalicylzuur (eenmalig 160 mg, gevolgd door 1dd 80 mg) in de acute fase van een TIA in de huisartsenpraktijk echter de voorkeur.

Van bewijs naar aanbeveling

Voor- en nadelen

Er is geen direct vergelijkend onderzoek beschikbaar tussen acetylsalicylzuur en clopidogrel in de acute fase van een TIA. De effectiviteit van acetylsalicylzuur is onderzocht in de acute fase van een TIA en herseninfarct, die van clopidogrel niet.

Na de acute fase is clopidogrel een geschikt alternatief voor de behandeling met acetylsalicylzuur in combinatie met dipyridamol; theoretisch is het waarschijnlijk dat een oplaaddosering clopidogrel ook in de acute fase direct werkzaam is.

Kwaliteit van bewijs

Niet van toepassing.

Waarden en voorkeuren van patiënten

Geen bijzonderheden.

Kosten

De kosten van een oplaaddosering acetylsalicylzuur (eenmalig 160 mg) bedragen € 0,06 (1 tablet van 80 mg kost € 0,03). De kosten van een oplaaddosis clopidogrel (eenmalig 300 mg) bedragen € 0,20 (1 tablet van 75 mg kost € 0,05) (Medicijnkosten.nl, geraadpleegd 6 december 2021).

Aanvaardbaarheid

Zowel behandeling met acetylsalicylzuur als met clopidogrel is aanvaardbaar voor patiënten en huisartsen. Bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit is clopidogrel minder effectief (zie detail Farmacogenetisch onderzoek bij patiënten die clopidogrel gebruiken als secundaire preventie na een TIA of herseninfarct).

Haalbaarheid

Zowel acetylsalicylzuur als clopidogrel zijn goed verkrijgbaar in Nederland. De huisarts heeft met het voorschrijven van beide middelen veel ervaring. De huisarts heeft standaard de beschikking over acetylsalicylzuur in de spoedkoffer.

Samenvatting van bewijs (Clopidogrel in de acute fase van een TIA)
Uitgangsvraag

Is clopidogrel in oplaaddosering (vergeleken met acetylsalicylzuur 1 dd 160 mg) aan te bevelen bij patiënten met een TIA die niet direct door een neuroloog kunnen worden gezien? Zie de PICO-tabel.

PICO-tabel
PatiëntenPatiënten met een TIA die niet direct door een neuroloog kunnen worden beoordeeld
InterventieClopidogrel in oplaaddosering
VergelijkingAcetylsalicylzuur 1 dd 160 mg (of 320 mg)
Uitkomstmaten (follow-upduur 3 maanden)

Cruciaal

  • recidief TIA/herseninfarct
  • ernstige bloeding
  • overige bijwerkingen
  • mortaliteit
Achtergrond

De Module Plaatjesaggregatieremmers na TIA of herseninfarct van de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding beveelt aan om patiënten na een TIA of herseninfarct te behandelen met trombocytenaggregatieremmers.  104     In principe wordt deze behandeling door de neuroloog zo snel mogelijk opgestart (bij behandeling met intraveneuze trombolyse pas na 24 uur). Bij een patiënt met een TIA die niet dezelfde dag door een neuroloog kan worden beoordeeld kan de huisarts ‘blind’ starten met een oplaaddosering. In de acute fase van een TIA of herseninfarct is acetylsalicylzuur een effectieve behandeling. Of clopidogrel een geschikt alternatief is, is niet bekend.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews en RCT’s uitgevoerd in PubMed in april 2021, met een update in februari 2022.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De zoekactie leverde geen geschikte systematische review of RCT op. De update in februari 2022 leverde geen RCT’s op.

Onderzoekskarakteristieken

Er is geen onderzoek gevonden dat antwoord gaf op de uitgangsvraag.

Effectiviteit en bijwerkingen

Er is geen onderzoek gevonden dat antwoord gaf op de uitgangsvraag.

Conclusies

Er is geen onderzoek gevonden dat antwoord gaf op de uitgangsvraag.

Acetylsalicylzuur in de acute fase van een TIA

Het effect van toediening van acetylsalicylzuur in de acute fase van een herseninfarct werd onderzocht in twee trials: de IST en de CAST.  154     155     In elk van deze onderzoeken werden circa 20.000 patiënten geïncludeerd die bij randomisatie voor acetylsalicylzuur binnen 48 uur na het begin van de uitvalsverschijnselen 300 mg (IST) of 160 mg (CAST) per dag kregen. In het CAST-onderzoek werd deze dosering gedurende vier weken of tot ontslag gegeven, in het IST-onderzoek gedurende veertien dagen of tot ontslag. Het CAST-onderzoek was geblindeerd en placebogecontroleerd, de IST had een multifactoriële niet-geblindeerde opzet waarbij een deel van de patiënten ook heparine kreeg.

Uit een meta-analyse over deze twee onderzoeken blijkt dat gebruik van acetylsalicylzuur in de acute fase van het herseninfarct na een follow-up van veertien dagen (IST) of een maand (CAST) resulteert in een geringe, maar significante daling van 1,2% van het aantal overleden of afhankelijke patiënten (dit is 12 per 1000 behandelde patiënten, NNT 83).  156     Het effect berust vooral op een vermindering van het aantal recidief infarcten dat slechts in beperkte mate teniet wordt gedaan door enkele extra optredende hemorragische infarcten. Een tweetal andere meta-analyses, waarin de gegevens vrijwel volledig op deze twee onderzoeken berusten, komen tot overeenkomstige conclusies.  156     157     158     In zowel de IST als de CAST ondergingen de meeste patiënten vóór randomisatie een CT-scan ter uitsluiting van een hersenbloeding. Indien een CT-scan voornamelijk om organisatorische redenen niet bijtijds gerealiseerd kon worden, kon de patiënt toch worden geïncludeerd als het klinisch beeld een herseninfarct deed vermoeden. Twee procent van deze patiënten bleek uiteindelijk een hersenbloeding te hebben. Bij deze patiënten waren er geen aanwijzingen voor een slechtere uitkomst.  156     158     Onderzoek naar het effect van zeer snelle toediening van acetylsalicylzuur na het ontstaan van uitvalsverschijnselen werd niet verricht. Er bestaat geen onderzoek naar de optimale dosering acetylsalicylzuur in de acute fase. De dosering van 160 tot 300 mg die in de praktijk wordt toegepast komt overeen met de dosering in de hiervoor besproken trials. De dosering van 160 mg die in deze richtlijn geadviseerd wordt, komt overeen met de laagste dosering die gebruikt werd in de hiervoor besproken trials. De optimale duur waarop deze dosering gecontinueerd dient te worden in de acute fase, voordat deze naar 80 mg per dag verlaagd wordt, is niet onderzocht. In de onderzoeken bedroeg de duur van behandeling twee (IST) en vier weken (CAST). Met een eenmalige oplaaddosering van 160 mg is de plaatjesaggregatieremming echter al maximaal.  159     In de praktijk worden er in de tweede lijn verschillende richtlijnen gehanteerd. De behandeling met de hogere dosis (160 tot 300 mg) wordt ofwel eenmalig toegediend, ofwel gecontinueerd tot ontslag naar huis of gedurende de eerste veertien dagen.

Conclusie

Het advies is zo snel mogelijk behandeling met acetylsalicylzuur te starten bij een herseninfarct, nadat een hersenbloeding middels beeldvormend onderzoek is uitgesloten, tenzij er behandeling met intraveneuze trombolyse plaatsvindt. Bij patiënten met een TIA of met spontaan sterk verbeterende uitvalsverschijnselen bij wie niet binnen een paar uur een CT-scan kan worden verricht, kan de huisarts ‘blind’ starten met acetylsalicylzuur (eenmalig 160 mg gevolgd door 1dd 80 mg) tot het consult met de neuroloog. De neuroloog stelt het vervolgbeleid vast.

Trombocytenaggregatieremmers in de acute fase bij TIA

  • Start acetylsalicylzuur, tenzij de neuroloog de patiënt direct beoordeelt. Continueer dit tot de neuroloog de patiënt beoordeelt (zie tabel h4).
  • De neuroloog kan adviseren i.p.v. acetylsalicylzuur te starten met clopidogrel eenmalig 300 mg gevolgd door 75 mg 1 dd. Acetylsalicylzuur heeft echter de voorkeur om de volgende redenen: 
    • acetylsalicylzuur is effectief in de acute fase van een TIA of herseninfarct (van clopidogrel is dit niet onderzocht).
    • clopidogrel is minder effectief bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (trage en intermediaire metaboliseerders). De CYP2C19-status is doorgaans (nog) niet bekend bij aanvang van de behandeling.
  • Start geen orale anticoagulantia bij verdenking op atriumfibrilleren of andere cardiale emboliebron als oorzaak van de TIA, omdat eerst een intracerebrale bloeding als oorzaak van de uitvalsverschijnselen moet worden uitgesloten.
  • Continueer trombocytenaggregatieremmers of orale anticoagulantia in ongewijzigde dosering indien de patiënt deze reeds gebruikt. 
Tabel h4. Medicamenteuze behandeling van TIA, acute fase

Geneesmiddel

Dosering

Bijwerkingen

Contra-indicatie

Aandachtspunten

Acetylsalicylzuur (tablet)

eenmalig 160 mg, gevolgd door 80 mg 1 dd 

 

Bloedingen, maag-darmklachten

Actieve bloeding

Maagbescherming kan geïndiceerd zijn zie NHG-Behandelrichtlijn Preventie van maagcomplicaties door geneesmiddelgebruik.

ABCD²-score

We bevelen toepassing van de ABCD2-score door huisartsen niet aan.

Details
ABCD²-score

Achtergrond

De ABCD2-score (tabel d4) is een predictiemodel waarmee het risico op een herseninfarct gedurende de eerste dagen na het optreden van een TIA ingeschat kan worden.  160     Dit predictiemodel werd gevalideerd in vier onafhankelijke cohorten (n = 2893), waaronder één eerstelijnscohort. In tabel d5 staan de risico’s voor het optreden van een herseninfarct aan de hand van de ABCD2-score samengevat.  161     Bij de termijnbepaling waarop een patiënt met een TIA door de neuroloog beoordeeld moet worden, kan dit risico worden meegewogen. Er zijn neurologen die ervoor pleiten om patiënten met een hoge risicoscore kortdurend ter observatie op te nemen op een stroke unit.  162     

Tabel d4. ABCD2-score

Klinisch kenmerk

Punten

A Leeftijd

> 60 jaar: 1

B Bloeddruk

Systolisch > 140 mmHg of diastolisch > 90 mmHg: 1

C Symptomen (clinical features)

Spraakstoornis zonder unilaterale zwakte: 1; unilaterale zwakte: 2

D Duur

10-59 minuten: 1; ≥ 1 uur: 2

D Diabetes mellitus

Diabetes mellitus: 1

Tabel d5. Risico op een herseninfarct op basis van de ABCD2-score

ABCD2-score

Risico op een herseninfarct binnen 2 dagen

Risico op een herseninfarct binnen 7 dagen

0-3 (laag)

1%

1,2%

4-5 (gemiddeld)

4,1%

5,9%

6-7 (hoog)

8,1%

11,7%

Resultaten

I. Bron

Systematische review en gepoolde analyse over 18 validatie(cohort)onderzoeken (n = 9436), zowel retrospectief als prospectief.  163     Het betreft 4 onderzoeken in eerstelijnspopulaties, de overige onderzoeken zijn uitgevoerd in de tweede lijn. Voor elk cohort werd het risico op een herseninfarct en de bijbehorende sensitiviteit en specificiteit berekend voor de afkapwaarden van de intervallen die werden gerapporteerd. De prognostische waarde van de ABCD2-score voor de kans op beroerte zeven dagen na een TIA werd beschreven aan de hand van de gepoolde oppervlakte onder de ROC-curve (AUC).

Kwaliteit

Er is sprake van significante heterogeniteit tussen de onderzoeken, vooral als gevolg van verschillen in methodologie.

Effect

De ABCD2-score voorspelt de kans op het optreden van een herseninfarct binnen zeven dagen matig tot redelijk: de gepoolde AUC voor de risicoschatting binnen zeven dagen bedraagt voor de ABCD2-score 0,72 (95%-BI 0,63 tot 0,80).

II. Bron

Systematische review en meta-analyse over zestien validatieonderzoeken (n = 8482).  160     Twee retrospectieve onderzoeken die in de eerstelijnspopulatie werden verricht, werden geïncludeerd, de overige onderzoeken werden verricht binnen de tweede lijn. Het op basis van de ABCD2-score voorspelde aantal patiënten met een herseninfarct (op basis van de derivatiestudie)  161     werd vergeleken met het in de validatieonderzoeken geobserveerde aantal patiënten met een herseninfarct na zeven en na negentig dagen. De gepoolde resultaten werden gestratificeerd naar risicogroep: laag (0 tot 3 punten), gemiddeld (4 tot 5 punten) en hoog (6 tot 7 punten) en uitgedrukt in relatieve risico’s (RR > 1: overschatting van het risico op een herseninfarct; RR < 1: onderschatting van het risico op een herseninfarct).

Kwaliteit

Er is sprake van significante heterogeniteit tussen de onderzoeken, vooral als gevolg van methodologische verschillen.

Effect

Bij alle drie de risicogroepen voorspelt de ABCD2-score de kans op het optreden van een herseninfarct binnen zeven dagen redelijk goed: lage score RR 0,86 (95%-BI 0,47 tot 1,58), gemiddelde score RR 0,99 (95%-BI 0,67 tot 1,47), hoge score RR 0,84 (95%-BI 0,6 tot 1,19). Na negentig dagen was sprake van een trend naar overschatting van het risico op een herseninfarct bij toepassing van de ABCD2-score: lage score RR 1,31 (95%-BI 0,77 tot 2,23); gemiddelde score 1,64 (95%-BI 0,98 tot 2,77); hoge score 1,40 (95%-BI 0,81 tot 2,40).

III. Bron

Een meta-analyse en meta-regressieanalyse om de accuraatheid van de voorspelling van het risico op beroerte twee, zeven en negentig dagen na een TIA, middels de ABCD2-score, te beoordelen (33 onderzoeken, n = 16.070),  164    

Kwaliteit

Ook abstracts voor conferenties werden geïncludeerd. Er werd geen onderzoek geïncludeerd waarin de waarde van de ABCD2-score bij beoordeling door huisartsen werd beoordeeld. Er was sprake van heterogeniteit (I2> 50) bij het poolen voor de bepaling van de positieve likelihood ratio, dit bleek bij de meta-regressieanalyse grotendeels verklaard te worden door het specialisme van de arts die de diagnose TIA stelde (53,1%) en de methode van diagnostiek van beroerte (mondeling of door statusonderzoek) (45,7%).

Effect

Bij een onderverdeling van de ABCD2-score in laag risico (score 0 tot 3) en hoog risico (score 4 tot 7) bedraagt de sensitiviteit van de ABCD2-score voor het voorspellen van het risico op een herseninfarct binnen zeven dagen na het optreden van een TIA 0,89 (95%-BI 0,87 tot 0,91), de specificiteit 0,34 (95%-BI 0,33 tot 0,35), de positief voorspellende waarde 0,08 (95%-BI 0,07 tot 0,09), de negatief voorspellende waarde 0,98 (95%-BI 0,98 tot 0,98), de positieve likelihood ratio 1,43 (95%-BI 1,33 tot 1,54), de negatieve likelihood ratio 0,40 (95%-BI 0,33 tot 0,50) en de AUC 0,70 (95%-BI 0,62 tot 0,78). De resultaten na twee en negentig dagen waren vergelijkbaar. De positieve likelihood ratio was hoger indien de neuroloog de diagnose TIA stelde (1,51; 95%-BI 1,37 tot 1,66) dan wanneer de eerstehulparts dat deed (1,25; 95%-BI 1,19 tot 1,31).

Conclusie

De bewijskracht voor een goede voorspellende waarde van de ABCD2-score voor het optreden van een herseninfarct na een TIA bij beoordeling door neurologen is redelijk. Toepassing van de score in een eerstelijnspopulatie door de huisarts is beperkt onderzocht.

Van bewijs naar aanbeveling

Toepassing van de ABCD2-score door neurologen is voldoende gevalideerd. Uitgebreid onderzoek naar toepassing van de score in een eerstelijnspopulatie door huisartsen (bij voorkeur in de Nederlandse setting) is noodzakelijk voordat routinematige toepassing geadviseerd kan worden. Daarnaast is het nog onvoldoende duidelijk of routinematige toepassing van de score de prognose van de patiënt verbetert en of het opnemen van de patiënt ter observatie in het ziekenhuis bij een hoge score de uiteindelijke prognose van de patiënt daadwerkelijk verbetert. Ook bestaat er nog geen landelijk opnamebeleid dat gebaseerd is op de ABCD2-score.

Richtlijnen beleid na ontslagNaar Samenvatting

Overdracht van tweede lijn naar huisartsNaar Samenvatting

  • Op de stroke unit ligt het accent, na diagnostiek en behandeling, op het voorkomen van complicaties zoals trombose en aspiratiepneumonie. Snelle mobilisatie en start van secundaire preventie is van groot belang.
  • In een multidisciplinair overleg wordt besproken of er een indicatie bestaat voor verdere revalidatie na ontslag uit het ziekenhuis (zie Behandelingsmogelijkheden).
  • De coördinatie van het revalidatietraject vindt over het algemeen plaats vanuit de tweede lijn, tenzij dit regionaal anders is afgesproken (zie Regionale zorgketen).
  • De neuroloog zorgt bij ontslag van de stroke unit direct (uiterlijk binnen 24 uur) voor een ontslagbrief en bij voorkeur ook voor telefonische overdracht aan de huisarts.
  • De aard en intensiteit van de nazorg hangt, direct na ontslag uit het ziekenhuis, af van de toestand van de patiënt (aard en ernst van de uitvalsverschijnselen, complicaties) en van diens prognose.
  • Het verdient aanbeveling om contact op te nemen met de patiënt binnen enkele dagen na het ontslag uit een ziekenhuis of revalidatie-instelling; leg een visite af of nodig de patiënt uit op het spreekuur.

Aandachtspunten bij controles

Besteed tijdens de controles, afhankelijk van de fase waarin de patiënt verkeert, de behandeling die de patiënt elders krijgt en de aard en ernst van eventuele uitvalsverschijnselen, aandacht aan de onderstaande aspecten. Betrek daarbij ook, indien mogelijk, de partner/mantelzorger. Ook na een TIA of minor stroke is aandacht voor onderstaande aspecten van belang.

Details
Aandachtspunten bij controles

De genoemde punten voor de inventarisatie van de zorgbehoefte zijn gebaseerd op de verschillende domeinen van het SAMPC-model (of SFMPC-model) ((S)omatisch, (A)ctiviteiten in het dagelijks leven, (M)aatschappelijk functioneren, (M)antelzorg, (P)sychisch functioneren, (C)ommunicatie/waarneming). Indien alle punten van dit model worden geïnventariseerd wordt er een goed overzicht verkregen van de problemen en mogelijkheden op de verschillende terreinen. Op basis hiervan kan zo nodig een zorgplan worden opgesteld.  165    

Behandeling

  • Inventariseer het door de neuroloog, revalidatiearts of specialist ouderengeneeskunde ingezette beleid.
  • Zet de secundaire preventie voort:
    • inventariseer leefstijl en medicatie (therapietrouw, problemen met gebruik, mogelijke bijwerkingen)
    • wees alert op aanwijzingen voor (paroxismaal) atriumfibrilleren (zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren).

Beperkingen

  • Inventariseer en vervolg de functionele beperkingen (zie Barthel-index).
  • Beoordeel beperkingen in de communicatie en waarneming, vooral bij hemianopsie, afasie en/of dysartrie. Verwijs de patiënt zo nodig naar een logopedist, en/of specialist ouderengeneeskunde of revalidatiearts.
  • Beoordeel of sprake is van (dreigende) contracturen of spasticiteit. Verwijs de patiënt zo nodig naar de revalidatiearts.
Barthel-index

Overweeg de barthel-index te gebruiken voor het vervolgen van de beperkingen in het dagelijks functioneren (zie tabel d6 in Details). Het advies is om de index na 1 week, 3 maanden en 6 maanden af te nemen, tenzij dit in het kader van het revalidatieproces al elders gebeurt.

Details
Barthel-index

De barthel-index geeft aan in hoeverre de patiënt zelfredzaam is wat betreft de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). De betrouwbaarheid en validiteit van de barthel-index zijn goed.  166     167    

In vergelijking tot andere meetinstrumenten, zoals de gemodificeerde rankinscore (mRS) en de Functional Independence Measure (FIM), geniet de barthel-index de voorkeur op basis van de praktische toepasbaarheid (de index is snel en eenvoudig af te nemen) en betrouwbaarheid. De voornaamste beperking is het zogeheten plafondeffect. Aangezien het instrument alleen eenvoudige activiteiten meet, garandeert een maximale score niet dat patiënten, hoewel ze ADL-zelfstandig zijn, volledig zonder beperkingen zijn bij complexere activiteiten. Daarnaast zijn het bestaan van afasie, cognitieve stoornissen, visusstoornissen en pijn niet in de scorelijst betrokken. 

Tabel d6. Barthel-index

Item

Waarde

Score

Ontlasting

Incontinent

0

 

Soms incontinent

1

 

Continent

2

Urine

Incontinent/katheter

0

 

Soms incontinent

1

 

Continent

2

Persoonlijke hygiëne

Hulpbehoevend

0

 

Zelfstandig in staat tot verzorging gelaat, haren, tanden, scheren

1

Toiletbezoek

Hulpbehoevend

0

 

Weinig hulp nodig

1

 

Zelfstandig

2

Baden

Hulpbehoevend

0

 

Zelfstandig

1

Eten

Hulpbehoevend

0

 

Hulp, bijvoorbeeld bij smeren of snijden

1

 

Zelfstandig

2

Van bed naar stoel

Niet toe in staat

0

 

Veel hulp nodig, kan zitten

1

 

Weinig hulp (verbaal/lichamelijk)*

2

 

Zelfstandig

3

Lopen

Niet toe in staat

0

 

Zelfstandig in rolstoel bewegen

1

 

Lopen met hulp (verbaal/lichamelijk)

2

 

Zelfstandig

3

Aankleden

Hulpbehoevend

0

 

Gedeeltelijk mogelijk

1

 

Zelfstandig (inclusief knopen, rits, veters)

2

Traplopen

Niet toe in staat

0

 

Met hulp (verbaal/lichamelijk)*

1

 

Zelfstandig

2

* De hulp kan zowel bestaan uit verbale aanmoediging als uit fysieke ondersteuning. Maximale score na optelling per item: 20 punten.

Interpretatie:
0-4: volledig hulpbehoevend
5-9: ernstig hulpbehoevend
10-14: hulp nodig, kan veel zelf
15-19: redelijk/goed zelfstandig
20: volledig onafhankelijk

Neuropsychologisch
  • Beoordeel of er aanwijzingen zijn voor een depressie of angststoornis. Soms komen psychische klachten pas weken tot maanden na de beroerte tot uiting. Ook na een TIA of minor stroke worden deze klachten beschreven.
  • Overweeg een antidepressivum bij een angststoornis en/of depressie met ernstig sociaal disfunctioneren en/of grote lijdensdruk (zie NHG-Standaard Depressie en NHG-Standaard Angst).
  • Informeer naar het bestaan van vermoeidheid. Overweeg verwijzing naar een ergotherapeut of revalidatiearts bij ernstige vermoeidheid.
  • Wees alert op cognitieve stoornissen, vooral bij ouderen. Let op:
    • emotionaliteit en/of onverschilligheid
    • ontplooiing van initiatieven
    • vermogen tot het opslaan van nieuwe informatie en het uitvoeren van verschillende taken tegelijkertijd
    • besef van tijd, plaats, ruimte of persoon
  • Verricht diagnostiek volgens de NHG-Standaard Dementie bij tekenen van een cognitieve stoornis.
  • Verwijs bij aanhoudende onduidelijkheid over het bestaan en de aard van cognitieve stoornissen naar een neuropsycholoog (in overleg met neuroloog en/of revalidatiearts).
  • Overweeg cognitieve revalidatie (ergotherapeut, ziekenhuis, revalidatie-instelling of geriatrische revalidatiezorg) na een herseninfarct of hersenbloeding bij patiënten met cognitieve stoornissen, om hen te leren omgaan met (blijvende) cognitieve gevolgen in het dagelijks leven. Overleg met neuroloog, specialist ouderengeneeskunde of revalidatiearts.
MoCA

We bevelen de Montreal Cognitive Assessment (MoCA) niet aan voor de diagnostiek van cognitieve stoornissen na een beroerte.

Details
Waarom deze aanbeveling?
  • Op de stroke unit wordt in principe bij iedere patiënt in de acute fase een MoCA en zo mogelijk ook een kort neuropsychologisch onderzoek (NPO) gedaan.  104    
  • Ook na de acute fase is het van belang om alert te blijven op het bestaan van cognitieve stoornissen, zeker als een patiënt hier nog niet op is onderzocht en bij oudere patiënten. Dit geldt ook voor patiënten die een minor stroke of TIA hebben doorgemaakt.
  • Op grond van het beschreven onderzoek, met aanzienlijke methodologische beperkingen, lijken er geen grote verschillen te zijn in de diagnostische accuratesse van de MMSE en de MoCA, hoewel de kwaliteit van bewijs zeer laag is.
  • In de NHG-Standaard Dementie wordt een combinatie van de MMSE en de kloktekentest aanbevolen. De kloktekentest onderzoekt enkele uitvoerende taken die niet in de MMSE worden onderzocht. Naar verwachting is de sensitiviteit van de combinatie MMSE en kloktekentest hoger dan die van de MMSE alleen.
  • Er is geen bewijs dat de MoCA in een eerstelijnspopulatie met een beroerte beter is dan de MMSE (en kloktekentest). Andere nadelen van de MoCA: 
    • de huisarts heeft geen ervaring met het afnemen
    • vooral geschikt voor patiënten met een hoger opleidingsniveau
    • ontbreken van consensus over de afkapwaarde (ook de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding noemt geen afkapwaarde voor de MoCA)
  • Op grond van deze argumenten adviseert de werkgroep om bij tekenen van cognitieve stoornissen na een herseninfarct of hersenbloeding onderzoek hiernaar te verrichten volgens de NHG-Standaard Dementie. Als screeningsinstrument in de chronische fase zijn een MMSE in combinatie met een kloktekentest naar verwachting voldoende betrouwbaar in de eerste lijn. We bevelen de MoCA niet aan voor de diagnostiek van cognitieve stoornissen na een beroerte.
  • Verwijs bij aanhoudende onduidelijkheid over het bestaan en de aard van cognitieve stoornissen, naar een neuropsycholoog.
  • Bij cognitieve stoornissen na een herseninfarct of hersenbloeding kan cognitieve revalidatie (ziekenhuis, ergotherapeut, revalidatie-instelling of geriatrische revalidatiezorg) worden overwogen met als doel patiënten te leren omgaan met (blijvende) cognitieve gevolgen in het dagelijks leven.  104     Overleg in dit geval met de neuroloog en/of revalidatiearts.
Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Is de Montreal Cognitive Assessment (MoCA) vergeleken met MMSE aan te bevelen voor het screenen op cognitieve stoornissen na een beroerte in de eerste lijn?

Achtergrond

Circa 10% van de patiënten ontwikkelt dementie na een eerste herseninfarct of hersenbloeding. Cognitieve stoornissen, zoals verminderd concentratievermogen, geheugenverlies en verminderd ziekte-inzicht, komen voor bij een tamelijk groot deel van de patiënten. Drie maanden na het optreden van een herseninfarct of -bloeding worden percentages beschreven van 35% (stoornissen op ≥ 4 domeinen) tot 55% (stoornis op ≥ 1 domein). In de subacute fase (2 weken na de beroerte) worden voor een stoornis op ≥ 1 domein percentages tot 91,5% beschreven.  77     78     79     80    

Ook na minor stroke en TIA worden cognitieve stoornissen beschreven.  168    

Cognitieve stoornissen zijn van invloed op het functioneel herstel, de kwaliteit van leven en de sociale participatie na een herseninfarct of hersenbloeding. Signalering en diagnostiek zijn gewenst om de juiste revalidatiebegeleiding te kunnen bieden. De NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding adviseert cognitieve revalidatie te overwegen om patiënten met cognitieve stoornissen te leren omgaan met (blijvende) cognitieve gevolgen in het dagelijks leven. Gerichte informatie en psycho-educatie dienen altijd aangeboden te worden. Trainingen gericht op het herstel van cognitieve functies (digitale cognitieve training, niet-invasieve hersenstimulatie, medicatie) worden niet aangeraden omdat deze geen langetermijneffecten hebben en er geen generalisatie van de behandeleffecten naar het dagelijks leven optreedt.  104    

De NHG-Standaard Dementie beveelt de Mini-Mental State Evaluation (MMSE) in combinatie met de kloktekentest aan als screeningstest bij aanwijzingen voor cognitieve stoornissen. De NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding beveelt de Montreal Cognitive Assessment (MoCA) aan als screeningstest in de acute en subacute fase na een herseninfarct of hersenbloeding. De MMSE zou bij deze patiëntenpopulatie onvoldoende sensitief zijn voor cognitieve stoornissen en de criteriumvaliditeit (sensitiviteit ≥ 80%, specificiteit ≥ 60%) wordt onvoldoende geacht.  104     De uitgangsvraag is of de MoCA ook ná de acute fase de voorkeur heeft bij patiënten die weer thuis zijn na een herseninfarct of -bloeding.

Methoden

In april 2021 is in PubMed een literatuursearch uitgevoerd naar systematische literatuuronderzoeken, RCT’s en observationeel onderzoek, met in februari 2022 een update.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De literatuursearch leverde 2 systematische literatuuronderzoeken op.  168     169     Op grond van verschil in inclusiecriteria en methodologie werd besloten beide onderzoeken te beschrijven.
Er werden geen na de zoekdatum van de review van Shi gepubliceerde onderzoeken gevonden.
Bij de update in februari 2022 werd een systematische review en een observationeel onderzoek gevonden, die in lijn zijn met onderstaande resultaten en daarom de aanbeveling niet zullen veranderen.  170     171    

Onderzoekskarakteristieken
  • Shi 2018: includeerde 12 onderzoeken (n = 2130) waarin de MoCA werd onderzocht; de referentietest was een neuropsychologisch onderzoek. Alle onderzoeken werden in het ziekenhuis afgenomen. In 7 onderzoeken werden patiënten met een TIA, herseninfarct of hersenbloeding geïncludeerd, in 5 onderzoeken patiënten met een herseninfarct of hersenbloeding. In 7 onderzoeken werd de MoCA met een andere screeningstest vergeleken, in 6 daarvan met de MMSE. In 3 onderzoeken werden de testeigenschappen van de MoCA en de MMSE bij afname 3-6 maanden na de beroerte onderzocht. De testeigenschappen van deze 2 tests werd bij verschillende afkapwaarden onderzocht. Van de 12 onderzoeken hadden er 7 een lage kans op vertekening.  168    
  • Lees 2014: Systematische review en meta-analyse van 32 onderzoeken (n = 3562) waarin cognitieve screeningstests, waaronder de MMSE en MoCA, werden onderzocht bij patiënten die een herseninfarct of hersenbloeding hadden doorgemaakt. De referentie was een diagnose dementie of cognitieve problemen op verschillende domeinen, vastgesteld met een erkend classificatiesysteem of neuropsychologisch onderzoek. Geïncludeerd werden patiënten in verschillende stadia na het event: hyperacuut (< 7 dagen); acuut (8-14 dagen); postacuut (15 dagen tot 3 maanden); middellang (3-12 maanden) en lang (> 1 jaar). De resultaten werden gepoold. De kwaliteit van bewijs was echter zeer laag op grond van kans op vertekening en heterogeniteit (inclusiecriterium, fase na beroerte, referentietest). De testeigenschappen van de beide tests werden bij verschillende afkapwaarden onderzocht: de MMSE bij < 22 en < 26 (de NHG-Standaard Dementie hanteert een afkapwaarde < 24 als indicatie voor dementie) en de MoCA bij < 25 en < 27 (de NHG-Standaard Dementie acht een score ≥ 26 op de MoCA indicatief voor een normaal geheugen).  169    
Uitkomsten

Shi 2018: In 2 onderzoeken waren de testeigenschappen van de MMSE en de MoCA 3-6 maanden na het event vergelijkbaar. In 1 onderzoek had de MMSE een slechtere sensitiviteit dan de MoCA. Samengenomen had de MMSE een hogere specificiteit en de MoCA een hogere sensitiviteit. In beide tests is de maximale score 30. Voor de MMSE werden de afkapwaarden < 25, < 26 en < 27 onderzocht en voor de MoCA < 22, < 23 en < 24. Hoe lager de afkapwaarde, hoe lager de sensitiviteit en hoe hoger de specificiteit (zie tabel d7).  168     

Tabel d7. Sensitiviteit en specificiteit van MMSE en MoCA bij verschillende afkapwaarden

MMSE

MoCA

Afkapwaarde

Sensitiviteit*

Specificiteit *

Afkapwaarde

Sensitiviteit*

Specificiteit*

< 25

0,73

0,82

< 21

0,86

0,67

< 26

0,83

0,70

< 22

0,87

0,69

< 27

0,89

0,65

< 23

0,93

0,63

*Betrouwbaarheidsintervallen niet gerapporteerd.

 

Lees 2014: De MMSE werd in 12 onderzoeken (n = 1639) onderzocht met een afkapwaarde < 25. Bij 30% was een cognitieve stoornis vastgesteld met het referentieonderzoek. De sensitiviteit was 0,71 (95%-BI 0,60 tot 0,80), de specificiteit 0,85 (95%-BI 0,80 tot 0,89), positieve likelihood ratio (LR+) 4,73 (95%-BI 3,63 tot 6,17) en negatieve likelihood ratio (LR-) 0,34 (95%-BI 0,25 tot 0,47). De MoCA werd in 4 onderzoeken (n = 326) onderzocht met een afkapwaarde < 26. Bij 40% werd een cognitieve stoornis vastgesteld met het referentieonderzoek. De sensitiviteit was 0,95 (95%-BI 0,89 tot 0,98), specificiteit 0,45 (95%-BI 0,34 tot 0,57), LR + 1,73 (95%-BI 1,43 tot 2,1) en LR- 0,1 (95%-BI 0,04 tot 0,23). Zie tabel d8 voor de testeigenschappen per afkapwaarde.  169     

Tabel d8. Testeigenschappen van MMSE en MoCA bij verschillende afkapwaarden

Test (afkapwaarde)

Onderzoeken (n)

Cognitieve beperking, n (%)

Sensitiviteit (95%-BI)

Specificiteit (95%-BI)

LR+ (95%-BI)

LR– (95%-BI)

MMSE (< 25)

12 (1639)

483 (30%)

0,71 (0,60 tot 0,80)

0,85 (0,80 tot 0,89)

4,73 (3,63 tot 6,17)

0,34 (0,25 tot 0,47)

MMSE (< 27)

5 (445)

195 (44%)

0,88 (0,82 tot 0,92)

0,62 (0,50 tot 0,73)

2,33 (1,72 tot 3,17)

0,19 (0,13 tot 0,29)

MoCA (< 22)

6 (726)

289 (39%)

0,84 (0,76 tot 0,89)

0,78 (0,69 tot 0,84)

3,75 (2,77 tot 5,08)

0,20 (0,15 tot 0,29)

MoCA (< 26)

4 (326)

131 (40%)

0,95 (0,89 tot 0,98)

0,45 (0,34 tot 0,57)

1,73 (1,43 tot 2,10)

0,10 (0,04 tot 0,23)

LR+ = positieve likelihood ratio; LR– = negatieve likelihood ratio.

Bron: Lees et al. 2014.  169    

Maatschappelijk functioneren

Beoordeel het maatschappelijk functioneren aan de hand van de volgende aspecten:

  • sociale situatie
  • woonomstandigheden en -voorzieningen
  • dagbesteding
  • huishouding
Arbeidsre-integratie
  • Bespreek met de patiënt en naasten in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijke gevolgen van de beroerte die de terugkeer naar werk kunnen beïnvloeden.
  • Informeer naar de re-integratie in het arbeidsproces. Ga na of de bedrijfsarts het proces van arbeidsre-integratie begeleidt. Overleg zo nodig met de revalidatie- en/of bedrijfsarts (of medisch adviseur van de particuliere verzekeraar bij zelfstandige ondernemers).
Details
Arbeidsre-integratie
  • In Nederland is circa 40% van degenen die voor het optreden van niet-aangeboren hersenletsel (waaronder traumatisch hersenletsel en beroerte) werkzaam waren, 2 jaar na het letsel weer aan het werk.  172    
  • Internationaal keert 40-73% van de patiënten die voor het 45e levensjaar een beroerte hebben doorgemaakt na verloop van tijd weer terug op de arbeidsmarkt.  173     174     175     Die terugkeer leidt over het algemeen tot een hogere kwaliteit van leven.  159    
  • Factoren die positief geassocieerd zijn met re-integratie zijn onder andere normale spierkracht, zelfstandig kunnen lopen, het ontbreken van cognitieve stoornissen, het verrichten van kantoorwerkzaamheden, hoog opleidingsniveau, steun van omgeving en leidinggevende, en goede medewerking aan de revalidatie. Negatief geassocieerd met werkhervatting zijn onder andere depressie, cognitieve stoornissen, gebrek aan begeleiding, het ontbreken van steun en ernstige uitvalsverschijnselen.  176     177     178     179    
  • Bij de inschatting of iemand weer aan het werk kan, wordt gekeken naar cognitieve functies, fysieke beperkingen, mentale beperkingen, fysieke belastbaarheid, mentale belastbaarheid, sociaal functioneren en emotioneel functioneren. Dit wordt beoordeeld in samenhang met de benodigde capaciteiten voor het werk.
  • Bespreek met patiënt en naasten in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijke gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel die het proces van terugkeer naar werk kunnen beïnvloeden, waarbij de timing van de informatieverstrekking afhankelijk is van de klinische toestand van de patiënt en het ingezette revalidatietraject.
  • Arbeidsgerichte interventies zijn mogelijk. Adviseer de patiënt om, wanneer er problemen met werkhervatting worden verwacht, vóór het hervatten van het werk de op dat moment ervaren of vastgestelde beperkingen met zowel de leidinggevende als de bedrijfsarts te bespreken. De bedrijfsarts kan verwijzen naar een ergotherapeut of revalidatie-instelling.
  • Ook voor zelfstandig ondernemers en zzp’ers bestaan er arbeidsgerichte interventies. Deze kunnen in gang worden gezet via de medisch adviseur van de verzekeraar. Zelfstandig ondernemers zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering kan men het beste (terug)verwijzen naar de revalidatiearts of naar hersenz.nl.  172    
Conclusie
  • Bespreek met de patiënt en diens naasten in een zo vroeg mogelijk stadium de huidige (ervaren) beperkingen die het proces van maximale terugkeer naar werk kunnen beïnvloeden. Laat de timing van deze informatieverstrekking afhangen van de klinische toestand van de patiënt en het ingezette revalidatietraject.
  • Zowel de revalidatiearts als de bedrijfsarts hebben een belangrijke rol bij de re-integratie. Ga, als de patiënt door de klachten (nog) niet kan werken, na of de bedrijfsarts het proces van arbeidsre-integratie begeleidt en stem de voortgang, in overleg met de patiënt, indien mogelijk af met de bedrijfsarts.

Mantelzorg

Beoordeel de belastbaarheid van de mantelzorg en evalueer dit regelmatig. De zorg voor een patiënt met een beroerte vraagt veel van mantelzorgers; daarnaast kunnen de eventuele verandering van karakter en een veranderde rol in de relatie belastend zijn voor de mantelzorger en andere naasten (zie Toolkit Mantelzorg in de huisartsenpraktijk van de LHV).

Details
Mantelzorg

Naasten van patiënten met een herseninfarct of intracerebrale bloeding ervaren een hoge zorglast. Deze zorglast wordt aangegeven in termen van zware verantwoordelijkheid, onduidelijkheid over de zorgbehoeften van de patiënt, constante bezorgdheid, verminderde sociale contacten en het gevoel er alleen voor te staan.  180     Vooral de neuropsychologische functiestoornissen die het gevolg zijn van de beroerte blijken voor de partners belastend te zijn. Doorgaans hebben partners minder mogelijkheden voor ontspanningsactiviteiten. Ook treden er veranderingen in rolpatronen op die spanningen met zich mee kunnen brengen. Vaak ontstaat er minder wederkerigheid in de relatie.  181    
Uit een prospectief onderzoek (n = 100) blijkt dat 30 tot 33% van de mantelzorgers een depressie ontwikkelt gedurende een achttien maanden durende follow-up. De ernst van de uitval en leeftijd van de patiënt zijn met het ontstaan hiervan geassocieerd. Daarnaast spelen de gezondheidstoestand, copingstijl van de mantelzorger en de ervaren sociale steun een rol in het ontstaan van een depressie bij de mantelzorger.  182    

VoorlichtingNaar Samenvatting

Ook na ontslag uit het ziekenhuis hebben de patiënt en diens familie behoefte aan aanvullende informatie, afgestemd op het stadium waarin de patiënt zich bevindt. Een doorgemaakte beroerte is een belangrijke gebeurtenis voor de patiënt en diens naasten, betrek ook de naasten bij de voorlichting.

Bespreek:

  • aard en oorzaak van de aandoening
  • behandeling (revalidatietraject, secundaire preventie)
  • prognose
  • chronische fase:
    • Emoties en eventuele cognitieve stoornissen kunnen de opname van informatie bemoeilijken.
    • Geef informatie over het omgaan met de ziekte en de beperkingen (waaronder neuropsychologische functiestoornissen) én de eventuele zorgmogelijkheden.
  • adviseer direct contact op te nemen met de huisarts bij opnieuw optreden van uitvalsverschijnselen

Secundaire preventieNaar Samenvatting

Leefstijladviezen

Ga met de patiënt na op welke leefstijlfactor(en) de grootste winst te behalen is en wat de meest haalbare aanpak is. Adviseer:

  • niet te roken en meeroken te vermijden
  • voldoende te bewegen: ten minste 150 minuten per week matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen; niet meer dan 8 uur per dag te zitten
  • te streven naar een optimaal gewicht: BMI 20-25
  • gezond te eten volgens de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum
  • stress te voorkomen

Voor gerichte leefstijladviezen, zie NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement.

Details
Leefstijladviezen

Het effect van leefstijlmodificatie op de recidiefkans van een beroerte is niet onderzocht. Wel is aangetoond dat roken, overmatig alcoholgebruik, overgewicht en weinig lichaamsbeweging geassocieerd zijn met het risico op een (recidief) herseninfarct.

Stoppen met roken

Roken is een onafhankelijke risicofactor voor het optreden van een herseninfarct.  183     184     185     Het risico neemt toe met het aantal pakjaren. In een prospectieve studie bleek het relatieve risico op mortaliteit bij patiënten die een beroerte hebben doorgemaakt na een gemiddelde follow-up van 7,5 jaar 2,27 (95%-BI 1,12 tot 4,47) voor rokers in vergelijking met niet-rokers.  186    

Op alle leeftijden leidt stoppen met roken tot een afname van de kans op hart- en vaatziekten (HVZ). De voordelen van stoppen lijken groter in jongere leeftijdsgroepen. In de oudere leeftijdsgroepen is het relatieve risico van roken weliswaar kleiner dan in de jongere groepen, maar is de absolute kans op HVZ beduidend groter, zodat het ook voor ouderen zin heeft om te stoppen. Uit een cohortonderzoek blijkt dat het risico op HVZ vijf jaar na het stoppen op hetzelfde niveau ligt als bij personen die nooit gerookt hebben.  185    

In een prospectieve studie (n = 1139) rookte 32,3% ten tijde van het doormaken van een beroerte. Van de 151 rokers die na een jaar nog leefden waren er 62 (41,4%) gestopt, de meesten in de eerste drie maanden na de beroerte.  187    

Lichaamsbeweging

Lichamelijke inactiviteit is een risicofactor voor het optreden van een beroerte.  188     189     Regelmatige lichamelijk activiteit leidt niet alleen rechtstreeks tot een verlaagd risico op HVZ, maar ook indirect via het effect op bloeddruk en gewicht, vasodilatatie, glucosetolerantie en het lipidenspectrum. Uit een meta-analyse van achttien cohortstudies en vijf patiëntcontroleonderzoeken bleek dat zeer actieve mensen 27% minder kans hebben op een beroerte ten opzichte van inactieve personen (RR 0,73; 95%-BI 0,67 tot 0,79). Gemiddeld actieve individuen hadden een 20% lager risico op een beroerte in vergelijking met inactieve personen (RR 0,80; 95%-BI 0,74 tot 0,86).  188     Het ligt in de lijn der verwachting dat, in overeenstemming met de gunstige effecten in de secundaire preventie bij coronair vaatlijden, regelmatige lichaamsbeweging aangepast aan de mogelijkheden van de patiënt en eventueel onder begeleiding van een fysiotherapeut of in de vorm van een beweegprogramma, een gunstig effect heeft op de recidiefkans van een herseninfarct.  190    

Het advies is om voldoende te bewegen, conform de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement:

  • ≥ 150 minuten per week matig intensieve inspanning zoals wandelen en fietsen, verspreid over diverse dagen
  • voorkom > 8 uur per dag zitten
  • verricht daarnaast ≥ 2 × per week spier- en botversterkende activiteiten zoals traplopen, springen of tuinieren
  • voor ouderen: combineer spier- en botversterkende activiteiten met balansoefeningen

Overmatig alcoholgebruik

Overmatige alcoholconsumptie is een onafhankelijke risicofactor voor beroerte. Een meta-analyse (zeventien cohortonderzoeken en negen patiëntcontroleonderzoeken) toont dat de kans op een hersenbloeding toeneemt met het gemiddeld aantal glazen alcohol dat per dag wordt gedronken. Wat betreft het risico op een herseninfarct is sprake van een J-vormige curve, waarbij het laagste risico op een herseninfarct gevonden wordt bij een alcoholconsumptie van één eenheid per dag. Vanaf een consumptie van drie eenheden per dag nemen het risico op een herseninfarct en de mortaliteit toe, zowel bij vrouwen als bij mannen. Mogelijk speelt de bloeddrukverhogende werking van alcohol hierbij een grote rol.  191     In een prospectief onderzoek was 72,1% van de patiënten die voorafgaand aan een eerste beroerte overmatig alcohol dronken (vrouwen > 14 eenheden/week; mannen > 21 eenheden/week), drie maanden na de beroerte gestopt met het excessieve alcoholgebruik.  187    

Het advies is om volgens de Richtlijnen goede voeding (2015) van de Gezondheidsraad geen alcohol of ten hoogste 1 eenheid alcohol per dag te nuttigen (zie NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement).

Gewichtsreductie

Een meta-analyse van 25 prospectieve onderzoeken toont dat overgewicht (BMI 25-29,9) en obesitas (BMI ≥ 30) onafhankelijke risicofactoren zijn voor het optreden van een herseninfarct (overgewicht RR 1,22; 95%-BI 1,05 tot 1,41; obesitas RR 1,64; 95%-BI 1,36 tot 1,99). Er was geen significante relatie tussen overgewicht en obesitas en het optreden van een hersenbloeding.  192     In een prospectief onderzoek voldeed 56,3% ten tijde van de eerste beroerte aan de criteria voor obesitas (MHR bij mannen > 0,98; bij vrouwen > 0,88). Na 1 jaar voldeed nog 36,1% van de patiënten aan deze criteria.  187     Adviseer personen met een gezond gewicht (BMI 20-25) gewichtsbehoud en gezond te eten conform de Richtlijnen goede voeding 2015 en te bewegen. Adviseer personen met overgewicht of obesitas (BMI ≥ 25) in het algemeen om voldoende te bewegen en op gezonde wijze af te vallen (zie NHG-Standaard Obesitas en NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement).

Conclusie

Roken, overmatig alcoholgebruik, overgewicht en lichamelijke inactiviteit zijn geassocieerd met het risico op een (recidief) herseninfarct. Hoewel onderzoek naar de effectiviteit van de afzonderlijke leefstijlinterventies in de secundaire preventie ontbreekt, ligt het in de lijn der verwachting dat naleving van bovenstaande adviezen tot een lagere recidiefkans leidt.

Rijgeschiktheid

  • Indien er geen cognitieve of lichamelijke functiestoornissen zijn die met de rijgeschiktheid interfereren, is autorijden toegestaan (patiënt moet wel een ‘Gezondheidsverklaring’ invullen) bij:
    • personenauto’s en motorrijwielen (groep 1) vanaf 2 weken na de beroerte
    • vrachtwagens en autobussen (groep 2) vanaf 4 weken na de beroerte
  • Indien er wel functiestoornissen zijn, bedraagt de termijn van de rijongeschiktheid in ieder geval 3 maanden, waarna de patiënt een ‘Gezondheidsverklaring’ moet invullen en eventueel een rijtest afleggen bij het CBR.
  • Als er met de rijgeschiktheid interfererende functiestoornissen zijn, kan men niet geschikt worden verklaard voor groep 2.
Details
Rijgeschiktheid

Rijbewijzen van groep 1

Personen met een TIA, herseninfarct of hersenbloeding (die niet het gevolg is van een misvorming van de hersenvaten), mogen gedurende twee weken na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen niet autorijden (groep 1: personenauto’s en motorrijwielen, rijbewijzen A, B, BE). Na 2 weken wordt door de neuroloog beoordeeld of er een met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis bestaat: indien er geen met de rijgeschiktheid interfererende cognitieve of lichamelijke functiestoornissen zijn, mag men 2 weken na een TIA, herseninfarct of hersenbloeding 2 weken weer autorijden. Aanbevolen wordt een Gezondheidsverklaring in te vullen. Er is geen meldingsplicht aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Bestaat er na twee weken een vermoeden van een met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, dan blijft de patiënt ongeschikt tot drie maanden na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen. Na die termijn is een Gezondheidsverklaring vereist, zo nodig gevolgd door er een rijtest (zie Regeling eisen geschiktheid 2000, geraadpleegd augustus 2021, en Regels voor het rijden na een beroerte, geraadpleegd maart 2022).

Rijbewijzen van groep 2

Gedurende 4 weken na een TIA, herseninfarct of hersenbloeding (die niet het gevolg is van een misvorming van de hersenvaten) is men ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 (vrachtwagens en autobussen, rijbewijzen C, CE, D, DE).

Na 4 weken wordt door de neuroloog beoordeeld of er met de rijgeschiktheid infererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis bestaat:

  • Bestaat er na vier weken na het begin van de uitvalsverschijnselen geen met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, dan kunnen zij op basis van een van de door de keurend arts ingevulde beroertevragenlijst geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2 zonder termijnbeperking.
  • Bestaat er na vier weken een vermoeden op met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis dan zijn zij ongeschikt tot drie maanden na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen.

Daarna is een specialistisch rapport, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts, vereist. Zij kunnen geschikt worden verklaard als uit het specialistisch rapport blijkt dat er geen met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is.

Zijn er wel met de rijgeschiktheid interfererende functiestoornissen, dan kan men niet geschikt worden verklaard voor groep 2 (zie Regeling eisen geschiktheid 2000, geraadpleegd augustus 2021, en Regels voor het rijden na een beroerte, geraadpleegd maart 2022).

Seksualiteit

  • Een herseninfarct of intracerebrale bloeding is geen reden om af te zien van seksuele activiteit.
  • Vertel de patiënt en diens partner dat erectiele disfunctie en/of een verminderd seksueel verlangen over het algemeen van voorbijgaande aard zijn en informeer hen over de eventuele behandelingsmogelijkheden, zie NHG-Standaard Seksuele klachten.
Details
Seksualiteit

Na een herseninfarct of intracerebrale bloeding rapporteert 17 tot 57% van de patiënten een verminderd seksueel verlangen. Daarnaast kan sprake zijn van erectiele disfunctie, die meestal binnen 7 weken na de beroerte herstelt, of een vermindering van de vaginale lubricatie en het orgasmevermogen. In zeldzame gevallen wordt hyperseksualiteit gezien. De oorzaak van de seksuele stoornis is meestal multifactorieel waarbij lichamelijke factoren een rol spelen, zoals comorbiditeit (hypertensie, diabetes mellitus, perifeer arterieel vaatlijden), medicatie, verminderde functionaliteit en lokalisatie van het infarct of de bloeding. Daarnaast spelen vaak psychische factoren een rol, zoals angst voor een recidief, veranderd rolpatroon, verlies van zelfvertrouwen en het eventuele bestaan van een ‘post-stroke’-depressie.  193     194    
Een herseninfarct is geen reden om af te zien van seksuele activiteit. Ook na een hersenbloeding is er meestal geen beperking. Voor de behandeling van erectiele disfunctie wordt verwezen naar de NHG-Standaard Erectiele disfunctie. Het is aan te bevelen dat de huisarts actief vraagt naar seksuele problemen en voorlichting geeft.
De brochure Intimiteit en seksualiteit na een beroerte van de Hart&Vaatgroep geeft adequate patiëntinformatie Brochure Seksualiteit en Beroerte (harteraad.nl).

Thuisarts

Verwijs naar de informatie op thuisarts.nl. De informatie op thuisarts.nl is gebaseerd op deze NHG-Standaard. Of verwijs de patiënt voor informatie naar de patiëntenvereniging hersenletsel.nl of naar breinlijn.nl.

Medicamenteuze onderhoudsbehandelingNaar Samenvatting

De neuroloog start tijdens opname de secundaire preventie. Continueer deze medicatie in principe levenslang.

Na TIA of herseninfarct

Trombocytenaggregatieremmers
  • De neuroloog behandelt patiënten na een TIA of herseninfarct meestal gedurende 21 dagen met duale behandeling (clopidogrel en acetylsalicylzuur).
  • Voor de onderhoudsbehandeling zijn er 2 gelijkwaardige behandelopties (voor doseringen, contra-indicaties en bijwerkingen zie tabel h5):
    • dipyridamol met gereguleerde afgifte in combinatie met acetylsalicylzuur óf
    • clopidogrel
    • indien er geen bijwerkingen en geen problemen met de therapietrouw zijn, is er geen reden om de combinatie dipyridamol en acetylsalicylzuur om te zetten naar clopidogrelmonotherapie
  • Acetylsalicylzuurmonotherapie is alleen een behandeloptie als zowel clopidogrel als dipyridamol niet geschikt zijn vanwege contra-indicaties of bijwerkingen.
  • We bevelen ticagrelor na een TIA of herseninfarct in de huisartsenpraktijk niet aan.  
Tabel h5. Aandachtspunten medicamenteuze behandeling TIA en herseninfarct, chronische fase

Geneesmiddel

Dosering

Bijwerkingen

Contra-indicatie

Aandachtspunten

Clopidogrel (tablet)

75 mg 1 dd

 

Bloedingen, maag-darmklachten

Actieve bloeding, ernstige leverfunctiestoornis

 

Acetylsalicylzuur (tablet) 

80 mg 1 dd

 

Bloedingen, maag-darmklachten

 

Actieve bloeding

Maagbescherming kan geïndiceerd zijn zie NHG-Behandelrichtlijn Preventie van maagcomplicaties door geneesmiddelgebruik.

Dipyridamol (capsule met gereguleerde afgifte)

200 mg 2 dd 

(200 mg 1 dd week 1 en 2) 

Hoofdpijn (te voorkomen/verminderen door geleidelijke opbouw), maag-darmklachten, duizeligheid

 

Actieve bloeding

 

Details
Waarom deze aanbeveling?

Uit de literatuur blijkt onzekerheid over de effectiviteit van ticagrelor in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. Er is geen onderzoek beschikbaar over de langetermijneffecten van ticagrelor. Mogelijk treden er meer bloedingen op bij gebruik van ticagrelor dan bij gebruik van clopidogrel maar de aantallen zijn te klein om uit de onderzoeken een conclusie te trekken over ernstige bloedingen. Het verhoogde bloedingsrisico bij ticagrelor komt naar voren in verschillende studies bij ACS-patiënten.  222     223     224     225     Het wordt ook benoemd in de ESC richtlijn voor behandeling van ACS-patiënten,  195     de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie  226     en het Farmacotherapeutisch Kompas. Daarnaast wordt ticagrelor, als onderdeel van duale therapie, bij ACS-patiënten in principe maar voor 12 maanden voorgeschreven. In de acute fase ligt de nadruk op voorkomen van een recidief TIA/herseninfarct. Op de langere termijn neemt het recidiefrisico af, waardoor we het verhoogde bloedingsrisico zwaarder wegen.

Ticagrelor is niet geregistreerd voor de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. Er zijn alternatieven voor clopidogrel (in geval van een verminderde CYP2C19-functionaliteit), namelijk acetylsalicylzuur + dipyridamol (gelijkwaardig alternatief) en acetylsalicylzuurmonotherapie. Daarnaast gaat ticagrelor gepaard met hogere kosten en een groter risico op interacties. Op dit moment zien wij op grond van deze argumenten geen plaats voor ticagrelor in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. 

Van bewijs naar aanbeveling

Gewenste en ongewenste effecten

We zijn onzeker over een verschil in mortaliteit, recidief herseninfarct en myocardinfarct tussen ticagrelor en clopidogrel, al treden er in de subgroep met een verminderde CYP2C19-functionaliteit mogelijk minder recidief herseninfarcten op bij gebruik van ticagrelor. Ticagrelor lijkt te leiden tot een groter totaal aantal bloedingen, maar de aantallen zijn te klein om uit de onderzoeken een conclusie te trekken over ernstige bloedingen. Wat overige bijwerkingen betreft treedt er waarschijnlijk meer dyspneu op bij gebruik van ticagrelor en lijken gastro-intestinale bijwerkingen even vaak voor te komen bij ticagrelor als bij clopidogrel, maar over andere bijwerkingen zijn we onzeker.

Wat de vergelijking tussen ticagrelor en acetylsalicylzuur betreft, lijkt er weinig of geen verschil te zijn in mortaliteit, het optreden van bloedingen en in het aantal bijwerkingen, maar over andere uitkomstmaten zijn we onzeker.

Volgens de KNMP Kennisbank zijn veel voorkomende bijwerkingen van ticagrelor bloedingen, dyspneu, jicht, maag-darmklachten, duizeligheid en huiduitslag. Zeldzame ernstige bijwerkingen zijn ernstige bloedingen.

Daarnaast is ticagrelor in studies vergeleken met clopidogrel, maar niet met de combinatie acetylsalicylzuur en dipyridamol. Wel is ticagrelor vergeleken met acetylsalicylzuurmonotherapie, maar deze behandeling wordt niet als gelijkwaardig alternatief beschouwd voor clopidogrel of de combinatie acetylsalicylzuur met dipyridamol in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct.

Onderzoek bij ACS-patiënten suggereert dat overstappen op clopidogrel na één maand even effectief is in het voorkomen van ischemische events als behandeling met ticagrelor of prasugrel, maar dat het gepaard gaat met minder bloedingen.  195    

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs is over het algemeen laag tot zeer laag. We hebben meestal afgewaardeerd vanwege indirect bewijs (tweedelijnspatiënten; verdeling CYP2C19-genotypes mogelijk niet vergelijkbaar met die van patiënten in Nederland; follow-upduur van slechts 90 dagen) en onnauwkeurigheid (kleine aantallen gebeurtenissen), en daarnaast in sommige gevallen voor kans op vertekening vanwege inmenging van de farmaceutische industrie.

Waarden en voorkeuren van patiënten

De werkgroep verwacht dat het voorkómen van een herseninfarct en andere cardiovasculaire aandoeningen, maar ook het voorkómen van ernstige bloedingen, het zwaarst wegen voor patiënten.

Kosten

De kosten per maand zijn ongeveer: clopidogrel € 2,70, dipyridamol + acetylsalicylzuur € 24, acetylsalicylzuurmonotherapie € 1,50 en ticagrelor € 60, exclusief apotheekkosten. (Zorginstituut Nederland. Medicijnkosten.nl, geraadpleegd 8 augustus 2025).

Aanvaardbaarheid

Ticagrelor is niet geregistreerd voor de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. In 2021 trok de fabrikant de aanvraag voor uitbreiding van de indicatie van ticagrelor naar TIA/herseninfarct in, nadat het EMA concludeerde dat het voordeel van ticagrelor bij het voorkomen van beroertes niet duidelijk opwoog tegen het verhoogde risico op bloedingen (European Medicines Agency (EMA).  196    

Volgens het Farmacotherapeutisch kompas geven alle trombocytenaggregatieremmers een verhoogd risico op (ernstige) bloedingen, waarbij ernstige, levensbedreigende bloedingen vaker voorkomen bij ticagrelor dan bij clopidogrel (farmacotherapeutischkompas.nl, geraadpleegd op 8 augustus 2025). Verder zijn veelvoorkomende bijwerkingen van trombocytenaggregatieremmers maag-darmklachten. Daarnaast geeft dipyridamol vaak (>10%) hoofdpijn en ticagrelor vaak ( > 10%) dyspneu (KNMP Kennisbank, geraadpleegd 28 augustus 2025).

Kwetsbare ouderen hebben een verhoogd bloedingsrisico. Het verhoogde bloedingsrisico kan dan doorslaggevend zijn in de keuze voor een trombocytenaggregatieremmer.

Clopidogrel is minder werkzaam bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (zie detail Farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrel). De werkzaamheid van ticagrelor is niet afhankelijk van de CYP2C19-functionaliteit. Ticagrelor kent, vergeleken met de andere trombocytenaggregatieremmers, vrij veel interacties met andere geneesmiddelen zoals simvastatine, bepaalde antibiotica, antimycotica en anti-epileptica.

Ticagrelor en dipyridamol worden tweemaal daags toegediend, waarbij dipyridamol nog gecombineerd wordt met acetylsalicylzuur. Clopidogrel en acetylsalicylzuurmonotherapie worden eenmaal daags gedoseerd.

Haalbaarheid

Er worden geen problemen verwacht met betrekking tot de haalbaarheid.

Samenvatting van bewijs (Ticagrelor na een TIA of herseninfarct)
Uitgangsvraag

Is ticagrelor aan te bevelen in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct vergeleken met huidige medicamenteuze behandelopties (clopidogrel, acetylsalicylzuur + dipyridamol of acetylsalicylzuurmonotherapie)? Zie de PICO-tabel.

PICO-tabel
PatiëntenPatiënten met in de voorgeschiedenis een TIA of herseninfarct
InterventieTicagrelor
VergelijkingClopidogrel, dipyridamol plus acetylsalicylzuur, acetylsalicylzuurmonotherapie
Uitkomstmaten

Cruciaal 

  • Mortaliteit

  • Recidief TIA/herseninfarct

  • Myocardinfarct

  • Ernstige bloeding, met name:

    • Intracerebrale bloeding

    • Gastro-intestinale bloeding


Belangrijk

  • Perifeer arterieel vaatlijden

  • Overige bijwerkingen (hoofdpijn, dyspneu, gastro-intestinale klachten, niet-ernstige bloeding)

  

De werkgroep heeft de volgende absolute verschillen als klinisch relevant vastgesteld:

  • Mortaliteit, recidief TIA/herseninfarct, myocardinfarct, ernstige bloeding: ≥ 10 per 1000 patiënten
  • Perifeer arterieel vaatlijden en overige bijwerkingen: ≥ 25 per 1000 patiënten

Achtergrond

Clopidogrel lijkt even effectief als de combinatiebehandeling acetylsalicylzuur en dipyridamol in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. De meerwaarde van de combinatiebehandeling acetylsalicylzuur en dipyridamol boven monotherapie met acetylsalicylzuur is overtuigender aangetoond dan de eventuele meerwaarde van clopidogrel boven acetylsalicylzuur (zie detail clopidogrel na een TIA of herseninfarct, acetylsalicylzuur na een TIA of herseninfarct, dipyridamol in combinatie met acetylsalicylzuur na een TIA of herseninfarct).

Clopidogrel is minder werkzaam bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (zie detail Farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrel). Wanneer acetylsalicylzuur + dipyridamol niet wordt verdragen bij deze patiëntengroep, is acetylsalicylzuurmonotherapie een alternatief. De vraag is of ticagrelor eveneens effectief en veilig is in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews (SR’s) en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase in juli 2025, met een update in november 2025.

Resultaten

Resultaat zoekactie

De search leverde geen geschikte SR op. Wel hebben we de zoekresultaten van 1 SR gebruikt.  197     In deze SR werden 4 RCT’s geïncludeerd die aansloten op onze PICO.  198     199     200     201     Een aanvullende search na de zoekdatum van dit literatuuronderzoek leverde 1 aanvullende RCT op waarover in 2 artikelen werden gepubliceerd.  202     203    

Onderzoekskarakteristieken

  • Ahmed, 2025 (TICA-CLOP): RCT uitgevoerd in Egypte onder 900 patiënten met een eerste niet-cardio-embolisch herseninfarct. Patiënten werden gerandomiseerd naar ticagrelor (180 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 2 dd 90 mg) of clopidogrel (300 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 75 mg/dag) en werden 90 dagen gevolgd. Het CYP2C19-genotype van de deelnemers is niet bepaald. De farmaceutische industrie was niet betrokken bij het onderzoek.  202     Een deel van de deelnemers uit deze RCT (subgroep met large-vessel arterial ischemic stroke) is ook geïncludeerd in Zeinhom 2024; deze publicatie hebben we gebruikt voor de uitkomst mortaliteit, omdat die niet als aparte uitkomstmaat was gerapporteerd in Ahmed 2025.  203    
  • Johnston, 2016 (SOCRATES): RCT onder 13199 patiënten met TIA of herseninfarct in 33 landen (o.a. VS, Japan, China, Zweden). Patiënten werden gerandomiseerd naar ticagrelor (180 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 2 dd 90 mg) of acetylsalicylzuur (300 mg op de eerste dag, daarna 100 mg/dag) en werden 90 dagen gevolgd. AstraZeneca heeft het onderzoek gesponsord en was betrokken bij uitvoer, dataverzameling en data-analyse.
  • Wang, 2019 (PRINCE): RCT uitgevoerd in China onder 675 patiënten met herseninfarct of TIA. Patiënten werden gerandomiseerd naar ticagrelor (180 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 2 dd 90 mg) of clopidogrel (300 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 75 mg/dag). Beide groepen kregen de eerste 21 dagen duale therapie met acetylsalicylzuur 100 mg/dag. Het CYP2C19-genotype is bepaald en 57,5% van de deelnemers had een verminderde functionaliteit. De patiënten werden 90 dagen gevolgd. Het onderzoek is niet gesponsord door de farmaceutische industrie, maar AstraZeneca leverde de medicatie.  199    
  • Wang, 2021 (CHANCE-2): RCT uitgevoerd in China onder 6412 patiënten met herseninfarct of TIA en verminderde CYP2C19-functionaliteit. Patiënten werden gerandomiseerd naar ticagrelor (180 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 2 dd 90 mg) met placebo-clopidogrel, of clopidogrel (300 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 75 mg/dag) met placebo-ticagrelor. Beide groepen kregen de eerste 21 dagen duale therapie met acetylsalicylzuur (75-300 mg oplaaddosering op de eerste dag, daarna 75 mg/dag. De patiënten werden 90 dagen gevolgd. Het onderzoek is niet gesponsord door de farmaceutische industrie, maar Shenzhen Salubris Pharmaceuticals leverde gratis de medicatie en placebo’s en Chongqing Jingyin Bioscience leverde gratis het GMEX point-of-care genotyperingssysteem.  200    
  • Zeinhom, 2022: RCT uitgevoerd in Egypte onder 169 patiënten met een eerste herseninfarct. Patiënten werden gerandomiseerd naar ticagrelor (180 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 2 dd 90 mg) of acetylsalicylzuur (300 mg oplaaddosis op de eerste dag, daarna 14 dagen 300 mg/dag, daarna 75 mg/dag). De patiënten werden 90 dagen gevolgd. De farmaceutische industrie was niet betrokken bij het onderzoek.  201    

Data-analyse

De resultaten van de RCT’s zijn gepoold met behulp van random effects modellen in Review Manager 5.3 (zie forest plots in de bijlage van de Totstandkoming).

Effectiviteit en bijwerkingen

Zie tabellen Ticagrelor vergeleken met clopidogrel (alle CYP2C19-functionaliteiten), Ticagrelor vergeleken met clopidogrel bij patiënten met verminderde CYP2C19-functionaliteit en Ticagrelor vergeleken met acetylsalicylzuur voor de samenvatting van de resultaten.

Veel voorkomende bijwerkingen van ticagrelor zijn bloedingen, dyspneu, jicht, maag-darmklachten, duizeligheid en huiduitslag. Zeldzame ernstige bijwerkingen zijn ernstige bloedingen (KNMP Kennisbank, geraadpleegd 28 augustus 2025).

Conclusies

Ticagrelor vergeleken met clopidogrel (alle patiënten):

  • Mogelijk treden er meer bloedingen (ernstig en niet-ernstig) op bij gebruik van ticagrelor dan bij gebruik van clopidogrel (kwaliteit van bewijs laag).
  • Waarschijnlijk treedt er meer dyspneu op bij gebruik van ticagrelor dan bij gebruik van clopidogrel (kwaliteit van bewijs redelijk).
  • Mogelijk is er weinig tot geen verschil in optreden van gastro-intestinale bijwerkingen (kwaliteit van bewijs laag).
  • We zijn onzeker over een verschil in mortaliteit, recidief herseninfarct, myocardinfarct, ernstige bloeding (waaronder intracerebrale bloeding en gastro-intestinale bloeding) en hoofdpijn (kwaliteit van bewijs zeer laag).
  • Perifeer arterieel vaatlijden is niet bepaald.

Ticagrelor vergeleken met clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit:

  • Mogelijk treden er minder recidieven van herseninfarct op bij gebruik van ticagrelor dan bij gebruik van clopidogrel (kwaliteit van bewijs laag).
  • Mogelijk treden er meer bloedingen (ernstig en niet-ernstig) op bij gebruik van ticagrelor dan bij gebruik van clopidogrel (kwaliteit van bewijs laag).
  • Mogelijk is er weinig tot geen verschil in het optreden van dyspneu en gastro-intestinale bijwerkingen (kwaliteit van bewijs laag).
  • We zijn onzeker over een verschil in mortaliteit, myocardinfarct en ernstige bloeding (waaronder intracerebrale bloeding en gastro-intestinale bloeding; kwaliteit van bewijs zeer laag).
  • Perifeer arterieel vaatlijden en hoofdpijn zijn niet bepaald.

Ticagrelor vergeleken met acetylsalicylzuur (monotherapie):

  • Mogelijk is er weinig of geen verschil in mortaliteit en het optreden van bloedingen (ernstig en niet-ernstig) (kwaliteit van bewijs laag).
  • We zijn onzeker over een verschil in optreden van recidief herseninfarct, myocardinfarct, ernstige bloeding en intracerebrale bloeding (kwaliteit van bewijs zeer laag).
  • Mogelijk is er weinig of geen verschil in het aantal bijwerkingen (kwaliteit van bewijs laag).
  • We zijn onzeker over een verschil in gastro-intestinale bijwerkingen (kwaliteit van bewijs zeer laag).
  • Gastro-intestinale bloeding, perifeer arterieel vaatlijden, dyspneu en hoofdpijn zijn niet bepaald.

Ticagrelor vergeleken met dipyridamol en acetylsalicylzuur:

Niet onderzocht.

Clopidogrel na een TIA of herseninfarct
Achtergrond

In de PROFESS-studie (n = 20.332, non-inferiority design) kon geen verschil in effectiviteit worden aangetoond van de combinatiebehandeling van tweemaal daags 25 mg acetylsalicylzuur en 200 mg dipyridamol ten opzichte van clopidogrel 75 mg/dag, bij een gemiddelde follow-up van 2,5 jaar (het risico op een recidief beroerte bij genoemde behandelingen bedroeg respectievelijk 9,0 en 8,8%). De mediane tijd van TIA of herseninfarct tot start van de behandeling bedroeg 15 dagen. Patiënten die behandeld werden met de combinatie acetylsalicylzuur en dipyridamol rapporteerden meer bijwerkingen (vooral hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en braken), die leidden tot staken van de therapie dan de patiënten die met clopidogrel behandeld werden (16,4 versus 10,6%). Ernstige bloedingen kwamen voor bij 4,1% van de patiënten die met de combinatie behandeld werden en bij 3,6% van de patiënten die met clopidogrel behandeld werden (HR 1,15; 95%-BI 1,00 tot 1,32).  204     Eerder was in de CAPRIE-studie, voor patiënten die bekend waren met atherosclerotisch vaatlijden, een klein maar statistisch significant effect ten gunste van clopidogrel ten opzichte van acetylsalicylzuur aangetoond (relatieve risicoreductie op samengesteld eindpunt ‘beroerte, hartinfarct of vasculaire sterfte’ 8,7%; 95%-BI 0,3 tot 16,5%), overeenkomend met een absolute risicoreductie van 1,3% in 2 jaar. Voor de subgroep patiënten met een herseninfarct was het effect ongeveer even groot, maar niet statistisch significant.  205    

In een netwerkanalyse waarin geprobeerd werd resultaten van deze trials aan elkaar te relateren en consistent te maken, kon niet worden aangetoond dat clopidogrel effectiever is dan acetylsalicylzuur alleen. In deze analyse werd als uitkomst echter ‘stroke’ gebruikt, en niet de klinisch relevantere gecombineerde uitkomst ‘niet-fatale beroerte, hartinfarct of vasculaire sterfte’.  Daardoor blijft de paradox onopgehelderd dat na een TIA of herseninfarct: 1) acetylsalicylzuur plus dipyridamol effectiever is dan acetylsalicylzuur alleen, 2) acetylsalicylzuur plus dipyridamol equivalent lijkt aan clopidogrel, terwijl 3) clopidogrel niet duidelijk effectiever lijkt dan acetylsalicylzuur.

Resultaten

Behandeling met acetylsalicylzuur in combinatie met clopidogrel werd vergeleken met behandeling met monotherapie met clopidogrel in het MATCH-onderzoek en met monotherapie met acetylsalicylzuur in het CHARISMA- en SPS 3-onderzoek. Beide onderzoeken toonden geen toegevoegde waarde van combinatiebehandeling, terwijl de combinatiebehandeling wel gepaard ging met een toename van bloedingen.  206     207     208     Er werd geen onderzoek verricht naar de effectiviteit van clopidogrel versus placebo en de combinatiebehandeling clopidogrel en dipyridamol in de secundaire preventie na TIA of herseninfarct.

Clopidogrel heeft hetzelfde werkingsmechanisme als ticlopidine, maar gaat minder vaak gepaard met ernstige bijwerkingen, zoals neutropenie en trombocytopenie.  209    

Conclusie

Clopidogrel lijkt even effectief als de combinatiebehandeling acetylsalicylzuur en dipyridamol in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. De meerwaarde van de combinatiebehandeling acetylsalicylzuur en dipyridamol boven monotherapie met acetylsalicylzuur is overtuigender aangetoond dan de eventuele meerwaarde van clopidogrel boven acetylsalicylzuur.

Van bewijs naar aanbeveling

Clopidogrel wordt in toenemende mate binnen de tweede lijn gebruikt als alternatief voor de combinatiebehandeling acetylsalicylzuur en dipyridamol.  210     Voordelen van clopidogrel zijn het gebruiksgemak (één tablet in plaats van drie tabletten per dag) en het minder frequent optreden van bijwerkingen. Daarnaast is de behandeling met clopidogrel goedkoper dan de combinatiebehandeling. Een nadeel is dat de meerwaarde van de combinatiebehandeling acetylsalicylzuur en dipyridamol boven monotherapie met acetylsalicylzuur overtuigender is aangetoond dan de eventuele meerwaarde van clopidogrel boven acetylsalicylzuur. Bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit is clopidogrel minder effectief (zie detail Farmacogenetisch onderzoek bij patiënten die clopidogrel gebruiken als secundaire preventie na een TIA of herseninfarct). Op grond van bovenstaande overwegingen is monotherapie met clopidogrel een gelijkwaardig alternatief voor de behandeling met acetylsalicylzuur in combinatie met dipyridamol na een TIA of herseninfarct.

Aanbeveling

Monotherapie met dagelijks clopidogrel is een gelijkwaardig alternatief voor de combinatiebehandeling met acetylsalicylzuur en dipyridamol bij patiënten die een TIA of herseninfarct (zonder cardiale emboliebron) hebben doorgemaakt.

Acetylsalicylzuur na een TIA of herseninfarct

De baten van gebruik van acetylsalicylzuur door patiënten met een TIA of een herseninfarct zijn in vele trials aangetoond. In een meta-analyse is berekend dat dit middel zowel de kans op het doormaken van een niet-dodelijk herseninfarct als een niet-dodelijk myocardinfarct met circa 25% vermindert. De relatieve reductie van de kans op sterfte is geringer en bedraagt circa 10%. De absolute reductie van de kans op cardiovasculaire morbiditeit of mortaliteit bedraagt in de trials ruim 1% per jaar. Er is geen duidelijke dosis-effectrelatie.  211     Ook in een ander overzichtsartikel wordt geconcludeerd dat alle doseringen van 50 tot 1500 mg daags even effectief zijn en wordt het niet uitgesloten dat de ondergrens verder verlaagd kan worden.  212     Het enige onderzoek waarin werd gewerkt met een dosering van minder dan 50 mg per dag, is de Dutch TIA Trial. Hieruit blijkt dat 30 mg een even goed resultaat geeft als een dosering van 283 mg en met minder gastro-intestinale bijwerkingen gepaard gaat Dutch TIA Trial Study Group.  213     Op theoretische gronden is zelfs wel gesuggereerd dat 30 mg effectiever is dan hogere doseringen, omdat de remming van de plaatjesaggregatie door vermindering van de productie van tromboxaan A2in de bloedplaatjes bij deze lage dosering al volledig is, terwijl de productie van het aggregatieremmende prostaglandine in de endotheelcellen nog nauwelijks is verlaagd.  214     215    

Omdat de hoeveelheid bewijs voor de effectiviteit van een dosering van meer dan 50 mg acetylsalicylzuur per dag veel groter is dan die voor de effectiviteit van lagere doseringen en gebruik van 80 mg per dag ook voor andere indicaties wordt toegepast, wordt het gebruik van 80 mg acetylsalicylzuur per dag geadviseerd.

Conclusie

Na een TIA of herseninfarct leidt behandeling met dagelijks acetylsalicylzuur 80 mg tot een absolute reductie van de kans op cardiovasculaire morbiditeit of mortaliteit van ruim 1% per jaar. Monotherapie met acetylsalicylzuur is alleen een behandeloptie als zowel clopidogrel als dipyridamol niet geschikt zijn vanwege contra-indicaties of bijwerkingen. 

Dipyridamol in combinatie met acetylsalicylzuur na een TIA of herseninfarct

Achtergrond

In het verleden werd alleen acetylsalicylzuur als trombocytenaggregatieremmer voorgeschreven aan patiënten die een TIA of herseninfarct (zonder cardiale emboliebron) hebben doorgemaakt. Het is de vraag of de combinatie met dipyridamol effectiever is in de secundaire preventie.

Bron

De effectiviteit en veiligheid van de combinatiebehandeling van tweemaal daags 200 mg dipyridamol en 30 tot 325 mg acetylsalicylzuur in vergelijking tot behandeling met alleen 30 tot 325 mg acetylsalicylzuur bij patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt, werd onderzocht in de European/Australian Stroke Prevention in Reversible Ischaemia Trial (ESPRIT), een gerandomiseerd open-labelonderzoek (n = 2763, gemiddelde follow-up 3,5 jaar). De primaire uitkomstmaat bestond uit het samengestelde eindpunt vasculaire sterfte, niet-fataal herseninfarct, niet-fataal myocardinfarct of een ernstige bloeding. Secundaire uitkomstmaten waren onder andere mortaliteit, recidief herseninfarct en bloedingen.  216     Daarnaast zijn na het verschijnen van de resultaten van de ESPRIT-trial verschillende meta-analyses verricht: een netwerkanalyse (24 RCT’s, n = 42.688),  217     een meta-analyse met gebruik van individuele patiëntgegevens (5 RCT’s, n = 7612, gemiddelde follow-up 2,6 jaar),  218     een meta-analyse (6 RCT’s, n = 7648)  219     en een heranalyse (2 RCT’s, n = 5700).  162    

Kwaliteit

De deelnemers in de ESPRIT-trial waren niet geblindeerd. De beoordelaars van de uitkomsten waren dit wel. Daarnaast werden alleen patiënten met een minor stroke geïncludeerd (mRS = 3). De dosering acetylsalicylzuur was variabel (30 tot 325 mg/ dag). De meta-analyse met gebruik van individuele patiëntinformatie is van de hoogste kwaliteit, hierbij wordt gebruikgemaakt van gepoolde data.  218     In de netwerkanalyse wordt geprobeerd resultaten van de trials aan elkaar te relateren, wat ten koste gaat van de bewijskracht.

Resultaten

De resultaten zijn samengevat in tabel d9.

Toelichting

In de ESPRIT-trial bedroeg de absolute risicoreductie bij behandeling met de combinatie acetylsalicylzuur en dipyridamol in vergelijking tot alleen acetylsalicylzuur voor het samengestelde eindpunt (vasculaire sterfte, niet-fataal herseninfarct, niet-fataal myocardinfarct of een ernstige bloeding) 0,96% per jaar (95%-BI 0,1 tot 1,8%; NNT 104).  216    

In de analyse waarbij gebruik werd gemaakt van individuele patiëntgegevens (IPD) werd een absoluut risicoverschil berekend van 1,0% per jaar voor het samengestelde eindpunt vasculaire mortaliteit, acuut myocardinfarct en herseninfarct (HR 0,82; 95%-BI 0,72 tot 0,92; NNT 100) ten gunste van de combinatiebehandeling in vergelijking tot behandeling met alleen acetylsalicylzuur.  218    

Een heranalyse van de patiëntgegevens van de ESPRIT- en ESPS-2-trials toont dat de effectiviteit van de combinatiebehandeling onafhankelijk is van de ernst van het voorgaande herseninfarct (HR 0,79; 95%-BI 0,69 tot 0,91). Hierbij dient te worden aangetekend dat slechts 7,5% van de patiënten een invaliderend herseninfarct (rankinscore 4-5) heeft doorgemaakt, en dat deze patiënten allen afkomstig zijn uit de ESPS-2-trial.  220    

In de ESPRIT-trial waren hoofdpijn en gastro-intestinale bijwerkingen de voornaamste redenen om de therapie te staken.

In de verschillende onderzoeken werd geen verschil in het optreden van bloedingen gevonden. 

Tabel d9. Dipyridamol in combinatie met acetylsalicylzuur vergeleken met alleen acetylsalicylzuur na een TIA of herseninfarct

Studie

Opzet

ASA + Dp

ASA

Herseninfarct

Vasculaire sterfte

Herseninfarct/AMI/vasculaire sterfte

Staken therapie agv bijwerkingen

Bewijskracht

  

n

n

ASA + Dp (n)

ASA(n)

HR (95%-BI)

ASA + Dp (n)

ASA (n)

HR (95%-BI)

ASA + Dp (n)

ASA (n)

HR (95%- BI)

ASA +Dp (%)

ASA

 

Esprit; 2006  216    

RCT

1363

1376

96

116

0,84 (0,64-1,10)

44

60

0,75 (0,51-1,10)

173

216

0.80 (0,66-0,98)

34

17

matig

Verro; 2008  219    

Meta-analyse

3823

3826

294

381

0,77 (0,67-0,89)

 

 

 

542

640

0,85 (0,76-0,94)

 

 

matig

Halkes; 2008  218    

IPD

3800

3812

341

429

0,78 (0,68-0,90)

175

187

0,96 (0,78-1,18)

475

579

0,82 (0,72 -0,92)

 

 

matig

Thijs; 2008  217    

Netwerk-meta-analyse

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,78 (0,70-0,87)

 

 

laag

ASA: acetylsalicylzuur;Dp: dipyridamol; AMI: acuut myocardinfarct; n: aantal patiënten per subgroep; RCT: randomised controlled trial; IPD: individual patient data meta-analyse.

Conclusie

Er zijn aanwijzingen dat de combinatiebehandeling met dipyridamol met gereguleerde afgifte (tweemaal daags 200 mg) en acetylsalicylzuur in vergelijking tot monotherapie met acetylsalicylzuur na een herseninfarct (onafhankelijk van de ernst) of TIA een geringe toegevoegde waarde heeft in de preventie van een herseninfarct en andere vasculaire complicaties (matige bewijskracht).

Overweging

Het additionele effect van dipyridamol ligt in dezelfde orde van grootte als het effect van acetylsalicylzuur, vergeleken met placebo.  157     Op basis hiervan, in combinatie met de ernst van het te voorkomen event (cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit), achten wij het bescheiden effect van dipyridamol klinisch relevant. Behandeling met dipyridamol gaat niet gepaard met een verhoogd risico op bloedingen. Hoofdpijn, duizeligheid en gastro-intestinale bijwerkingen treden vaker op ten tijde van een behandeling met dipyridamol. Een literatuuronderzoek naar de kosteneffectiviteit van toevoeging van dipyridamol aan de behandeling in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct concludeert dat combinatiebehandeling gedurende vijf jaar kosteneffectief is.  221    

Bij keuze voor de combinatiebehandeling is het advies de dipyridamol op te bouwen (week 1 en 2 dipyridamol 200 mg eenmaal daags, hierna 2 dd 200 mg. De bijwerking hoofdpijn lijkt hiermee deels te voorkomen. Dit advies is gebaseerd op expert opinion. Omdat de geadviseerde dosering acetylsalicylzuur 80 mg per dag bedraagt, ontraden we het gebruik van het combinatiemiddel dipyridamol/acetylsalicylzuur 200/25 mg. De effectiviteit van een lagere dosering acetylsalicylzuur is niet onderzocht.

Aanbeveling

Behandeling met dipyridamol met gereguleerde afgifte (2 dd 200 mg) en acetylsalicylzuur wordt aanbevolen bij patiënten die een herseninfarct (onafhankelijk van de ernst) of TIA (zonder cardiale emboliebron) hebben doorgemaakt. Clopidogrel is een gelijkwaardig alternatief.

Duale therapie met trombocytenaggregatieremmers

De neuroloog behandelt patiënten na een TIA of herseninfarct gedurende 21 dagen met duale behandeling (clopidogrel en acetylsalicylzuur). De duale behandeling wordt gevolgd door clopidogrelmonotherapie of door dipyridamol in combinatie met acetylsalicylzuur. In de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding wordt genoemd dat duale behandeling met clopidogrel en acetylsalicylzuur in de acute fase een verminderde kans geeft op een recidief herseninfarct en gepaard gaat met een laag risico op ernstige bloedingscomplicaties. Geadviseerd wordt de behandeling zo snel mogelijk te starten omdat het recidiefrisico in de eerste dagen het hoogst is. Op de lange termijn weegt het verhoogde bloedingsrisico echter zwaarder dan het afgenomen risico op een recidief herseninfarct, waardoor het voordeel van duale therapie na 21 dagen niet meer opweegt tegen de nadelen (NVN-Richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding). 

Farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrel
  • De neuroloog bepaalt of farmacogenetisch onderzoek nodig is bij start van clopidogrel en bij een recidief. Bij een verminderde CYP2C19-functionaliteit bepaalt de neuroloog het beleid.
  • Wees terughoudend met het aanvragen van farmacogenetisch onderzoek bij patiënten die clopidogrel gebruiken en uit controle van de neuroloog zijn ontslagen. We bevelen het niet aan om patiënten hiervoor actief te benaderen. Leg de voor-en nadelen uit indien een patiënt vragen heeft over farmacogenetisch onderzoek: 
    • Bij langdurig gebruik van clopidogrel zonder recidieven lijkt farmacogenetisch onderzoek minder zinvol omdat het risico op een recidief beroerte in de eerste maanden het hoogst is.
    • Clopidogrel is minder effectief bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (geschatte prevalentie bij patiënten met een TIA of herseninfarct in de Nederlandse bevolking is 27%); door gebrek aan bewijs is het onzeker of een alternatieve trombocytenaggregatieremmer bij deze patiëntengroep voordeel biedt.
    • Acetylsalicylzuur met dipyridamol is een gelijkwaardig alternatief voor clopidogrel in de niet gegenotypeerde populatie. Overstappen kan echter gepaard gaan met bijwerkingen, minder gebruiksgemak en hogere kosten.
    • Farmacogenetisch onderzoek brengt kosten met zich mee.
Details
Waarom deze aanbeveling?

Uit de literatuur blijkt dat recidief herseninfarcten en cardiovasculaire gebeurtenissen vaker optreden onder clopidogrelgebruikers met een verminderde CYP2C19-functionaliteit. Dit is de reden dat in de NVN-richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding wordt aanbevolen om bij patiënten met een TIA of herseninfarct bij start van de behandeling met clopidogrel te overwegen om  farmacogenetisch onderzoek te verrichten naar CYP2C19.

Het beleid voor de acute fase in de NVN-richtlijn is echter niet één op één te vertalen naar de chronische fase in de huisartsenpraktijk. We zijn onzeker of het zinvol is om alle patiënten die al ingesteld zijn op clopidogrel te genotyperen en aan de hand van de uitslag zo nodig de medicatie aan te passen. Het feit dat patiënten al jaren clopidogrel slikken zonder een recidief cardiovasculair voorval gehad te hebben maakt het minder waarschijnlijk dat zij een verminderde CYP2C19-functionaliteit hebben. De meeste TIA- en herseninfarctrecidieven treden op in de eerste 3 maanden.

Daarnaast ontbreekt onderzoek naar welke trombocytenaggregatieremmer als alternatief gegeven kan worden aan patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit. Er is geen onderzoek gevonden waarbij clopidogrel is vergeleken met acetylsalicylzuur + dipyridamol. Omdat in de niet gegenotypeerde populatie acetylsalicylzuur + dipyridamol een gelijkwaardig alternatief is voor clopidogrel en dipyridamol onafhankelijk werkt van het CYP2C19-metabolisme is dit de meest voor de hand liggende optie. Er ontbreekt onderzoek naar de vergelijking met een hogere dosering clopidogrel en daarmee is dit geen aan te bevelen alternatief. Acetylsalicylzuur lijkt minder effectief dan clopidogrel, met mogelijk meer recidieven, maar een lager bloedingsrisico. Ticagrelor is geen aanvaardbaar alternatief vanwege onzekerheid over de effectiviteit en veiligheid (ook op de lange termijn) en het niet geregistreerd is voor de indicatie TIA of herseninfarct (zie detail Ticagrelor na een TIA of herseninfarct).

Andere factoren die meespelen in de afweging omtrent de plaatsbepaling van farmacogenetisch onderzoek in de huisartsenpraktijk zijn hogere kosten (zowel voor het farmacogenetisch onderzoek als voor de alternatieve behandeling), minder gebruiksgemak en therapietrouw van de alternatieve combinatiebehandeling, een toename van de druk op de huisartsenzorg en (mogelijk onnodige) onrust bij patiënten.

Rekening houdend met bovenstaande factoren komt de werkgroep uit op een zwak negatieve aanbeveling voor farmacogenetisch onderzoek naar CYP2C19 in de huisartsenpraktijk bij patiënten die clopidogrel gebruiken als secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. De neuroloog bepaalt of farmacogenetisch onderzoek nodig is bij start van clopidogrel en bij een recidief TIA of herseninfarct onder clopidogrelgebruik. 

Van bewijs naar aanbeveling

Gewenste en ongewenste effecten

In PICO A hebben we de prognose vergeleken tussen patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (trage en intermediaire metaboliseerder) en patiënten met een normale of verhoogde CYP2C19-functionaliteit (normale of ultrasnelle metaboliseerder) die clopidogrel gebruikten als secundaire preventie na een TIA of herseninfarct. De resultaten wijzen erop dat de prognose slechter is bij een verminderde CYP2C19-functionaliteit wat betreft recidief herseninfarcten en cardiovasculaire gebeurtenissen, en mogelijk ook sterfte. In het aantal bloedingen is er waarschijnlijk niet of nauwelijks verschil. Daarbij is van belang te vermelden dat 16 van de 25 onderzoeken in Azië zijn uitgevoerd. De prevalentie van CYP2C19-genvariaties die leiden tot een verminderde functionaliteit ligt in de Aziatische populatie aanzienlijk hoger dan in de Nederlandse bevolking (60% vs. 27%). Subgroepanalyse laat echter vergelijkbare resultaten zien in Aziatische en Europese/Noord-Amerikaanse onderzoeken.

Op theoretische gronden wordt een sterkere verlaging van de effectiviteit van clopidogrel verwacht voor trage metaboliseerders dan voor intermediaire metaboliseerders van CYP2C19. Op basis van dit detail kunnen we daar echter geen uitspraak over doen.

In PICO B hebben we onderzocht of een alternatieve behandeling met trombocytenaggregatieremmers in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct tot een betere prognose leidt bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit. Er is enig onderzoek naar de vergelijking met acetylsalicylzuurmonotherapie, maar deze behandeling lijkt de prognose niet te verbeteren: mogelijk is er niet of nauwelijks verschil in het aantal cardiovasculaire gebeurtenissen en treden er meer recidief herseninfarcten op dan bij behandeling met clopidogrel. Het aantal bloedingen lijkt wel iets verlaagd.

In PICO C hebben we onderzocht of farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrelgebruikers, waarna de behandeling aan de hand van de uitslag kan worden aangepast, aan te bevelen is. We zijn onzeker, maar er lijkt een trend naar minder recidief herseninfarcten en minder cardiovasculaire gebeurtenissen (als samengestelde uitkomstmaat) als de behandeling wordt aangepast aan de hand van de uitslag van het farmacogenetisch onderzoek. We zijn onzeker over een verschil in optreden van myocardinfarct en intracerebrale bloeding. Over mortaliteit, perifeer arterieel vaatlijden en (overige) bloedingen kunnen we geen conclusie trekken omdat deze uitkomstmaten niet goed zijn gerapporteerd.

We zijn onzeker over een verschil in bijwerkingen. Alle trombocytenaggregatieremmers geven een verhoogd risico op (ernstige) bloedingen, waarbij ernstige, levensbedreigende bloedingen vaker voorkomen bij prasugrel en ticagrelor dan bij clopidogrel. Verder zijn veelvoorkomende bijwerkingen van trombocytenaggregatieremmers maag-darmklachten. Daarnaast geeft dipyridamol vaak (>10%) hoofdpijn en ticagrelor vaak (>10%) dyspneu (farmacotherapeutischkompas.nl, geraadpleegd op 21 januari 2025).

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs is laag tot zeer laag voor bijna alle uitkomstmaten. Alle uitkomstmaten van PICO B zijn afgewaardeerd voor een ernstig risico op bias doordat de blindering van patiënten en behandelaars niet duidelijk is, het onduidelijk is of patiënten daadwerkelijk de behandeling kregen die ze volgens het onderzoeksprotocol zouden moeten krijgen, en er grote uitval is. Ook is er sprake van indirect bewijs: de geïncludeerde interventiestudies hebben niet gekeken naar de alternatieve behandeling acetylsalicylzuur met dipyridamol terwijl dit de meest gebruikte alternatieve behandeling is voor clopidogrel in Nederland; het onderzoek vond plaats in de acute fase; het onderzoek is gedaan in de Chinese populatie waar de prevalentie van verminderde CYP2C19-functionaliteit aanzienlijk hoger ligt. Ten slotte is er afgewaardeerd voor (zeer) ernstige onnauwkeurigheid vanwege een klein aantal events.

Waarden en voorkeuren van patiënten

De werkgroep verwacht dat het voorkomen van een herseninfarct en andere cardiovasculaire aandoeningen, maar ook het voorkomen van ernstige bloedingen, het zwaarst wegen voor patiënten. Over alle uitkomsten is echter zeer veel onzekerheid.

Kosten

Een CYP2C19-bepaling kost ongeveer € 80. Deze kosten kunnen verschillen tussen laboratoria o.a. door verschil in bepalingen (NHG-Standpunt Farmacogenetisch onderzoek in de huisartspraktijk).  227    

De kosten voor clopidogrel bedragen € 2,70 per maand. De kosten voor acetylsalicylzuur € 1,50 per maand en voor dipyridamol € 22 euro per maand, exclusief apotheekkosten (Zorginstituut Nederland. Medicijnkosten.nl, geraadpleegd 8 augustus 2025).

Aanvaardbaarheid

Een alternatieve behandeling voor clopidogrel in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit is acetylsalicylzuur met dipyridamol (gelijkwaardig alternatief) of acetylsalicylzuurmonotherapie. De KNMP adviseert voor trage metaboliseerders een alternatief zoals acetylsalicylzuur met dipyridamol en voor intermediaire metaboliseerders zou daarnaast ook een dosisverhoging clopidogrel tot 150 mg per dag overwogen kunnen worden. Deze alternatieven zijn op zich aanvaardbaar voor patiënten en huisartsen. Ticagrelor is geen aanvaardbaar alternatief vanwege onzekerheid over de effectiviteit en veiligheid (ook op de lange termijn) en het niet geregistreerd is voor de indicatie TIA of herseninfarct (zie detail Ticagrelor na een TIA of herseninfarct). Prasugrel is gecontra-indiceerd bij een voorgeschiedenis van TIA en/of herseninfarct en is daarmee geen alternatief.

De NICE-richtlijn komt overeen met de NVN-richtlijn wat betreft het uitvoeren van farmacogenetisch onderzoek in de acute fase na een TIA of herseninfarct, bij start met clopidogrel. Er is nog geen aanbeveling voor patiënten die al op clopidogrel zijn ingesteld. Er wordt gesuggereerd om af te wachten hoe testen in de acute fase op grote schaal uitpakt en zo in een latere fase een uitspraak te kunnen doen over patiënten die reeds clopidogrel gebruiken.

Na een TIA of minor stroke is de kans op een recidief herseninfarct gedurende de eerste dagen tot maanden het hoogst: ongeveer 3% in de eerste twee dagen, 5 tot 10% in de eerste week, 11 tot 15% in de eerste maand, 18% in de eerste 3 maanden en 12 tot 18% gedurende het eerste jaar.  60     61     115     Het cumulatieve risico op een recidief beroerte binnen 5 jaar na de initiële beroerte bedraagt 16% en binnen 10 jaar na de initiële beroerte 24,5%.  228     De vraag is of de plaats van farmacogenetisch onderzoek in de acute fase en chronische fase vergelijkbaar is. Het feit dat patiënten al jarenlang clopidogrel gebruiken zonder dat er sprake is geweest van een recidief zou ook kunnen suggereren dat zij geen verminderde CYP2C19-functionaliteit hebben.

Hoewel farmacogenetisch onderzoek een weinig ingrijpend onderzoek is – het vindt plaats door analyse van bloed, speeksel of wangslijmvlies van de patiënt – schat de werkgroep in dat er variatie bestaat in hoe aanvaardbaar dit is voor patiënten in de chronische fase. Als zij een trage of intermediaire metaboliseerder blijken van CYP2C19 en als gevolg daarvan worden omgezet naar alternatieve trombocytenaggregatieremmers zoals acetylsalicylzuur met dipyridamol geeft dit een grotere kans op therapieontrouw: er is meer kans op bijwerkingen zoals hoofdpijn bij gebruik van acetylsalicylzuur met dipyridamol en het gebruiksgemak is minder (twee capsules dipyridamol en één tablet acetylsalicylzuur per dag versus één tablet clopidogrel per dag).

Haalbaarheid

Indien huisartsen alle patiënten die clopidogrel gebruiken als secundaire preventie na een TIA of herseninfarct moeten omzetten naar een alternatief zorgt dit voor extra werkbelasting. In 2023 gebruikten 464.550 patiënten clopidogrel (GIPdatabank.nl, geraadpleegd op 21 januari 2025). Het merendeel zal dit slikken voor de indicatie TIA of herseninfarct. In Nederland zijn ruim 4800 huisartsenpraktijken.  229     Dit zou neerkomen op bijna 100 clopidogrelgebruikers per praktijk waarvan het merendeel clopidogrel slikt voor de indicatie TIA of herseninfarct. Uiteindelijk moet je vrij veel patiënten testen terwijl maar 27% in de Nederlandse populatie een verminderde CYP2C19-functionaliteit heeft.

Huisartsen moeten een overzicht maken van patiënten die clopidogrel gebruiken vanwege een doorgemaakte TIA of herseninfarct en deze patiënten actief benaderen voor een voorlichtend gesprek. Vervolgens moet het onderzoek worden aangevraagd en de uitkomst worden besproken met de patiënt. Aan de hand van de uitslag moeten patiënten zo nodig worden overgezet op een alternatieve trombocytenaggregatieremmer. Dit gaat gepaard met veel extra werk: verslaglegging dossier, vastleggen contra-indicatie, voorschrijven van een nieuw recept, interactie met onderhoudsmedicatie nagaan en extra controles van de patiënt.

Daarnaast moet rekening gehouden worden met het feit dat farmacogenetisch onderzoek niet in elk laboratorium aangevraagd kan worden. In Nederland voeren 16 gespecialiseerde laboratoria farmacogenetisch onderzoek uit. De overige (huisartsen)laboratoria kunnen het onderzoek bij één van deze laboratoria aanvragen (NHG-Standpunt Farmacogenetisch onderzoek in de huisartspraktijk).  227    

In het kader van duurzaamheid spelen de volgende zaken mee: het gebruik van testmaterialen voor farmacogenetisch onderzoek, het versturen van de kits naar laboratoria en bij omzetting van clopidogrel naar een alternatieve trombocytenaggregatieremmer wordt de resterende clopidogrel weggegooid. 

Samenvatting van bewijs (Farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrel)
Uitgangsvraag
  • Is de effectiviteit van clopidogrel in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct bij patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (trage en intermediaire metaboliseerder) minder dan bij patiënten met normale of verhoogde CYP2C19-functionaliteit (normale of ultrasnelle metaboliseerder)? Zie PICO-tabel A.
  • Is clopidogrel of een alternatieve behandeling aan te bevelen in de secundaire preventie na een TIA of herseninfarct bij patiënten die trage of intermediaire metaboliseerder van CYP2C19 zijn? Zie PICO-tabel B.
  • Is farmacogenetisch onderzoek (waarna aanpassing van de medicatie bij trage of intermediaire metaboliseerders van CYP2C19) in vergelijking met geen farmacogenetisch onderzoek aan te bevelen bij patiënten in de huisartsenpraktijk die > 3 maanden geleden een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt en clopidogrel gebruiken? Zie PICO-tabel C.
PICO A: effectiviteit van clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit
PatiëntenPatiënten met in de voorgeschiedenis een TIA of herseninfarct die clopidogrel gebruiken
BlootstellingTrage of intermediaire metaboliseerder van CYP2C19
VergelijkingNormale of ultrasnelle metaboliseerder van CYP2C19
Uitkomstmaten

Cruciaal

  • Mortaliteit

  • Recidief TIA/herseninfarct

  • Myocardinfarct

  • Ernstige bloeding, met name:

    • Intracerebrale bloeding

    • Gastro-intestinale bloeding


Belangrijk

  • Perifeer arterieel vaatlijden

PICO B: alternatieve therapie voor clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit
PatiëntenPatiënten met in de voorgeschiedenis een TIA of herseninfarct die trage of intermediaire metaboliseerder van CYP2C19 zijn
InterventieAlternatieve behandeling (bij voorkeur acetylsalicylzuur + dipyridamol; eventueel acetylsalicylzuurmonotherapie of verhoogde dosering clopidogrel)
VergelijkingClopidogrel 75 mg/dag (+ evt duale therapie met acetylsalicylzuur max. 3 weken)
Uitkomstmaten

Cruciaal

  • Mortaliteit

  • Recidief TIA/herseninfarct

  • Myocardinfarct

  • Ernstige bloeding, met name:

    • Intracerebrale bloeding

    • Gastro-intestinale bloeding


Belangrijk

  • Perifeer arterieel vaatlijden

  • Overige bijwerkingen (hoofdpijn, gastro-intestinale klachten, niet-ernstige bloeding)

PICO C: farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrelgebruikers
PatiëntenPatiënten in de huisartsenpraktijk met in de voorgeschiedenis een TIA of herseninfarct (> 3 maanden geleden) die clopidogrel gebruiken
InterventieFarmacogenetisch onderzoek, waarna omzetten clopidogrel in acetylsalicylzuur+dipyridamol of acetylsalicylzuurmonotherapie bij trage of intermediaire metaboliseerders van CYP2C19 of dosisverhoging clopidogrel tot 150 mg/dag bij intermediaire metaboliseerders van CYP2C19
VergelijkingGeen farmacogenetisch onderzoek
Uitkomstmaten

Cruciaal

  • Mortaliteit

  • Recidief TIA/herseninfarct

  • Myocardinfarct

  • Ernstige bloeding, met name:

    • Intracerebrale bloeding

    • Gastro-intestinale bloeding


Belangrijk

  • Perifeer arterieel vaatlijden

  • Overige bijwerkingen (hoofdpijn, gastro-intestinale klachten, niet-ernstige bloeding)

De werkgroep heeft de volgende absolute verschillen als klinisch relevant vastgesteld:

  • Mortaliteit, recidief TIA/herseninfarct, myocardinfarct, ernstige bloeding: ≥ 10 per 1000 patiënten
  • Perifeer arterieel vaatlijden en overige bijwerkingen: ≥ 25 per 1000 patiënten

Achtergrond

Cytochroom-P450-enzymen (CYP-enzymen) spelen een rol bij het metaboliseren van clopidogrel in de lever. Clopidogrel zelf is niet werkzaam (prodrug), maar wordt door met name CYP2C19 omgezet in een werkzame metaboliet. Deze metaboliet zorgt voor trombocytenaggregatieremming. Een deel van de bevolking is minder goed in staat clopidogrel te metaboliseren naar de actieve vorm. Eén van de belangrijkste oorzaken hiervoor zijn genetische variaties in voornamelijk het CYP2C19-gen. Onder verminderde CYP2C19-functionaliteit verstaan we de trage en intermediaire metaboliseerders. Onder normale of verhoogde CYP2C19-functionaliteit vallen respectievelijk de normale metaboliseerders en de ultrasnelle metaboliseerders (NHG-Standpunt Farmacogenetisch onderzoek in de huisartspraktijk).  227    

Naast CYP2C19 spelen ook andere CYP-enzymen een rol in de omzetting van clopidogrel in de actieve metaboliet. Het is onduidelijk of bij verminderde CYP2C19-functionaliteit de metabole route via deze andere enzymen versterkt wordt.  230     Behalve genetische variaties kunnen ook andere factoren, zoals interacties met (es)omeprazol en co-morbiditeit als obesitas, diabetes en hypertensie, leiden tot een verminderde werking van clopidogrel.  231     232    

De prevalentie van CYP2C19-genvariaties die leiden tot een verminderde functionaliteit verschilt tussen patiënten met verschillende etnische achtergrond. Het percentage trage en intermediaire metaboliseerders onder patiënten met een TIA of herseninfarct in de totale Nederlandse bevolking (waarvan ongeveer 14% met een migratieachtergrond) wordt geschat op 27%. Daarvan is ongeveer 93% intermediaire metaboliseerder en 7% trage metaboliseerder.  233     Dit komt overeen met de frequenties gevonden in andere Europese landen.  234     Ter vergelijking: in patiënten in Aziatische landen ligt het percentage met verminderde CYP2C19-functionaliteit aanzienlijk hoger, namelijk rond 60%.  233    

Op basis van biologische argumenten bestaat het vermoeden dat bij patiënten die trage of intermediaire metaboliseerder zijn voor CYP2C19 clopidogrel minder werkzaam is (KNMP kennisbank. Zorginstituut Nederland, geraadpleegd op 28 januari 2025). De vraag is of dit resulteert in een verminderde klinische effectiviteit. Dit beschrijven we in dit detail onder PICO A.

In de acute fase wordt clopidogrel gestart door de neuroloog. In de richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN) wordt de overweging genoemd om farmacogenetisch onderzoek op CYP2C19 te verrichten bij patiënten met een niet-cardioembolische TIA of herseninfarct die starten met clopidogrel. Patiënten met verminderde functionaliteit van CYP2C19 kunnen vervolgens worden behandeld met de combinatie acetylsalicylzuur met dipyridamol. In geval van een intolerantie voor deze combinatie is acetylsalicylzuur te overwegen (NVN-Richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding). Ook de NICE-richtlijn beveelt aan om in de acute fase na een TIA of herseninfarct farmacogenetisch onderzoek te doen bij start met clopidogrel (NICE Guidance CYP2C19 genotype testing to guide clopidogrel use after ischaemic stroke or transient ischaemic attack).  235    

De KNMP adviseert voor trage metaboliseerders een alternatief zoals acetylsalicylzuur met dipyridamol. Voor intermediaire metaboliseerders kan ook een dosisverhoging clopidogrel tot 150 mg per dag overwogen worden. De ratio achter dosisverhoging is gebaseerd op extrapolatie van data van ex vivo metingen van trombocytenaggregatieremming en studies over genotypegeleide therapie bij percutane coronaire interventie (zie KNMP Kennisbank, geraadpleegd op 21 januari 2025).

Omdat de NVN-richtlijn adviseert farmacogenetisch onderzoek naar CYP2C19 te overwegen bij start van clopidogrel, kan dit betekenen dat bij een groot aantal patiënten met een TIA of herseninfarct, die later worden terugverwezen naar de huisarts, farmacogenetisch onderzoek al is verricht. De vraag rijst wat het beleid wordt bij de patiënten die geen farmacogenetisch onderzoek hebben gehad voor start van clopidogrel en vaak al jaren clopidogrel gebruiken. Het merendeel van deze patiënten zal inmiddels onder controle zijn van de huisarts. Het is de vraag of een alternatieve behandeling aan te bevelen is bij patiënten die trage of intermediaire metaboliseerder zijn voor CYP2C19 en of het aan te bevelen is om bij deze patiënten farmacogenetisch onderzoek te doen en, in geval van verminderde functionaliteit van CYP2C19, de behandeling aan te passen, zoals omzetten naar acetylsalicylzuur met dipyridamol of acetylsalicylzuurmonotherapie of de dosering clopidogrel te verhogen. Dit beschrijven we in dit detail onder PICO B en C.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews (SR’s) en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase in december 2024, met een update in november 2025.

Resultaten

Resultaat zoekactie

Uit de zoekresultaten selecteerden we de meest geschiktst SR: zo recent mogelijk, met de beste aansluiting bij de PICO en van voldoende kwaliteit. Het betrof een SR over de (kosten)effectiviteit van farmacogenetisch testen op clopidogrelresistentie na een herseninfarct of TIA.  236     Een aanvullende search na de zoekdatum van dit literatuuronderzoek leverde 1 aanvullend onderzoek bij PICO A op.  237     De update in november 2025 leverde nog 2 aanvullende onderzoeken op.  238     239    

Onderzoekskarakteristieken

Carroll, 2024: uitgebreide SR naar de (kosten)effectiviteit van farmacogenetisch onderzoek bij patiënten met een herseninfarct of TIA.  236     3 subvragen uit deze SR sluiten aan bij onze PICO’s:

Hebben trage of intermediaire metaboliseerders van CYP2C19, vergeleken met normale of ultrasnelle metaboliseerders van CYP2C19, een verhoogd risico op secundaire vasculaire gebeurtenissen als zij behandeld worden met clopidogrel? (komt overeen met PICO A)

Hebben patiënten met verminderde clopidogrelfunctionaliteit (trage of intermediaire metaboliseerders) een verlaagd risico op secundaire vasculaire gebeurtenissen als zij behandeld worden met alternatieve interventies vergeleken met behandeling met clopidogrel? (komt overeen met PICO B)

Hebben patiënten met een herseninfarct of TIA, die farmacogenetisch getest worden op clopidogrelresistentie en bij wie de behandeling is aangepast op basis van de uitslag, een verminderd risico op secundaire cardiovasculaire events (vergeleken met patiënten die niet getest worden)? (komt overeen met PICO C)

PICO A: effectiviteit van clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit

Carroll et al hebben voor deze vraag 25 onderzoeken geïncludeerd. Dit zijn 20 observationele onderzoeken en 5 RCT’s, met in totaal 7858 deelnemers, waarvan 3797 trage of intermediaire metaboliseerders en 3483 normale of ultrasnelle metaboliseerders; in 2 onderzoeken met 578 deelnemers is de verdeling van de genvariaties niet gerapporteerd. 16 onderzoeken zijn in Aziatische landen uitgevoerd (13 in China, 2 in Japan, 1 in Zuid-Korea), 4 in Europese en Noord-Amerikaanse landen met volgens de auteurs voornamelijk witte patiënten en 5 in een andere populatie. De follow-upduur van de onderzoeken varieerde van 90 dagen tot 5 jaar.

Daarnaast vonden we in de aanvullende search 1 patiënt-controle-onderzoek met 60 patiënten, uitgevoerd in Irak.  237     Bij de update van de search vonden we 2 prospectieve cohortonderzoeken: 1 met 2925 patiënten, uitgevoerd in Zuid-Korea  238     en 1 met 396 patiënten, van wie er 210 clopidogrel gebruikten, uitgevoerd in Japan.  239     Omdat de resultaten aansloten bij die uit de SR en de conclusie niet beïnvloedden, hebben we deze 3 onderzoeken niet apart beschreven.

PICO B: alternatieve therapie voor clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit

Carroll et al hebben voor deze vraag 7 trials geïncludeerd, waarover 23 publicaties zijn verschenen. 2 RCT’s vergeleken clopidogrelmonotherapie met acetylsalicylzuurmonotherapie gedurende 90 dagen of langer, waarbij gedurende de eerste 21 dagen,  240     of 30 dagen  241     in de clopidogrelgroep hiernaast ook acetylsalicylzuur werd gegeven. De andere 5 trials hebben we buiten beschouwing gelaten, omdat clopidogrel daarin werd vergeleken met ticagrelor (2 trials) of triflusal (1 trial), of omdat na 21 dagen beide groepen acetylsalicylzuurmonotherapie kregen (1 trial), of omdat de clopidogrelgroep combinatietherapie met acetylsalicylzuur kreeg gedurende de hele trial (1 trial).

  • Wang, 2016: subgroepanalyse van de CHANCE-RCT (China). In de CHANCE-RCT werden 5170 patiënten met een recent TIA of herseninfarct gerandomiseerd naar 2 groepen: de ene groep werd behandeld met een acetylsalicylzuur-oplaaddosis van 75-300 mg en vervolgens acetylsalicylzuur 75g/dag monotherapie; de andere groep werd behandeld met een oplaaddosis van 300 mg clopidogrel en 75-300 mg acetylsalicylzuur, vervolgens 21 dagen combinatietherapie van clopidogrel 75 mg/dag en acetylsalicylzuur 75 mg/dag en vanaf dag 22 clopidogrel 75 mg/dag monotherapie. Bij 2933 deelnemers werd het CYP2C19-genotype bepaald, waarschijnlijk na randomisatie. 1207 patiënten bleken normale metaboliseerders te zijn, 1726 trage of intermediaire metaboliseerders. Voor de analyses in de SR van Carroll is deze laatste groep gebruikt. 872 patiënten zaten in de acetylsalicylzuurgroep en 854 patiënten in de clopidogrelgroep (+ 21 dagen acetylsalicylzuur). De duur van de follow-up was 90 dagen.
  • Yi, 2018: subgroepanalyse van eerdere RCT (China). 570 patiënten met een recent herseninfarct werden gerandomiseerd naar 2 groepen: de ene groep werd behandeld met acetylsalicylzuurmonotherapie 200 mg/dag gedurende 30 dagen en 100 mg/dag vanaf dag 31; de andere groep werd behandeld met combinatietherapie van clopidogrel 75 mg/dag en acetylsalicylzuur 200 mg/dag gedurende 30 dagen en clopidogrel 75 mg/dag monotherapie vanaf dag 31. Bij de deelnemers werd het CYP2C19-genotype bepaald, waarbij niet beschreven is of dit voor of na randomisatie is gebeurd. 313 patiënten bleken normale metaboliseerders te zijn, 257 trage of intermediaire metaboliseerders. Voor de analyses in de SR van Carroll is deze laatste groep gebruikt. 129 patiënten zaten in de acetylsalicylzuurgroep en 128 in de clopidogrelgroep (+ 30 dagen acetylsalicylzuur). De duur van de follow-up was 5 jaar. In het onderzoek van Yi et al. werd alleen de gecombineerde uitkomstmaat herseninfarct, TIA, myocardinfarct en/of sterfte onderzocht. Daarom hebben we de resultaten van Wang et al. als uitgangspunt genomen.
PICO C: farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrelgebruikers

Carroll et al hebben voor deze vraag 2 interventiestudies gevonden.  242     243    

  • Lan, 2019: interventiestudie (China) onder 180 patiënten met een recent herseninfarct (<24 uur) die gegenotypeerd werden voor CYP2C19. De patiënten werden verdeeld (methode niet gerapporteerd) in 2 groepen van 90. Gedurende de eerste 21 dagen werden alle patiënten behandeld met clopidogrel (300 mg oplaaddosering gevolgd door 75 mg/dag) en acetylsalicylzuur 100 mg/dag. De ene groep werd vervolgens behandeld met clopidogrel 75 mg/dag. In de andere groep werden trage en intermediaire metaboliseerders behandeld met acetylsalicylzuur 100 mg/dag, en normale en ultrasnelle metaboliseerders met clopidogrel 75 mg/dag. Het onderzoek duurde 1 jaar. 155 patiënten voltooiden het onderzoek.
  • Xia, 2021: interventiestudie (China) onder 80 patiënten met een herseninfarct. De patiënten werden verdeeld (methode niet gerapporteerd) in 2 groepen van 40 patiënten. De ene groep werd behandeld met clopidogrel 75 mg/dag. De patiënten in de andere groep werden gegenotypeerd voor CYP2C19, waarna trage metaboliseerders behandeld werden met ticagrelor 90 mg tweemaal daags of acetylsalicylzuur 100 mg/dag, intermediaire metaboliseerders met clopidogrel 150 mg/dag en normale en ultrasnelle metaboliseerders met clopidogrel 75 mg/dag. Het onderzoek duurde 90 dagen. Het is niet gerapporteerd hoeveel patiënten het onderzoek voltooiden. Omdat in dit onderzoek de interventie minder goed overeenkomt (omdat ook ticagrelor een optie was voor trage metaboliseerders, waarbij niet duidelijk is hoeveel patiënten ticagrelor kregen en hoeveel acetylsalicylzuur) is dit onderzoek alleen als ondersteunend bewijs meegenomen.

Effectiviteit en bijwerkingen

PICO A: effectiviteit van clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit

Zie tabel Verminderde CYP2C19-functionaliteit vergeleken met normale of verhoogde CYP2C19-functionaliteit voor de samenvatting van de resultaten.
Op theoretische gronden wordt een sterkere verlaging van de effectiviteit van clopidogrel verwacht voor trage metaboliseerders dan voor intermediaire metaboliseerders van CYP2C19. Dit onderscheid is echter niet gemaakt in de systematische review van Carroll.

Subgroepanalyses lieten zien dat er enkele kleine verschillen waren tussen onderzoeken met verschillende karakteristieken (alleen onderzocht voor de samengestelde uitkomstmaat cardiovasculaire gebeurtenissen). De verschillen waren niet zodanig dat er een significante interactie was of dat dit de conclusie zou veranderen; bijvoorbeeld:

  • Etnische achtergrond: HR voor uitkomst cardiovasculaire gebeurtenissen was 1,80 (95% BI 1,50 tot 2,15) in de 16 onderzoeken uitgevoerd in Azië en 2,66 (95%-BI 1,68 tot 4,21) in de 4 onderzoeken uitgevoerd in Europa en Noord-Amerika.
  • Indexgebeurtenis: in onderzoeken waarin zowel patiënten met een herseninfarct als patiënten met een TIA waren geïncludeerd, was het verschil mogelijk minder sterk (HR 1,37, 95%-BI 1,04 tot 1,81) dan in onderzoeken waarin alleen patiënten met een herseninfarct waren geïncludeerd (HR 2,22, 95%-BI 1,82 tot 2,72).
  • Tijdsduur: HR 1,45 (95%-BI 1,06 tot 1,97) in onderzoeken met follow-upduur van 3 maanden, HR 1,97 (95%-BI 1,44 tot 2,69) in onderzoeken met follow-upduur van 1 tot 3 jaar, HR 2,13 (95%-BI 1,48 tot 3,09) in onderzoeken met follow-upduur van 3 tot 5 jaar.
PICO B: alternatieve therapie voor clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit

Zie tabel Acetylsalicylzuur vergeleken met clopidogrel voor de samenvatting van de resultaten. De vergelijking met acetylsalicylzuur plus dipyridamol of met een verhoogde dosering clopidogrel is niet gemaakt.

PICO C: farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrelgebruikers

Zie tabel Farmacogenetisch onderzoek met aanpassing van de behandeling vergeleken met geen aanpassing van de behandeling voor de samenvatting van de resultaten.

Conclusies

PICO A: effectiviteit van clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit

  • Recidief herseninfarct en cardiovasculaire gebeurtenissen treden vaker op onder clopidogrelgebruikers met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (kwaliteit van bewijs is hoog).
  • Mogelijk is er een hogere sterfte onder clopidogrelgebruikers met een verminderde CYP2C19-functionaliteit (kwaliteit van bewijs is laag).
  • Waarschijnlijk is er niet of nauwelijks verschil in het aantal bloedingen (kwaliteit van bewijs is redelijk) en mogelijk ook niet in het aantal ernstige bloedingen (kwaliteit van bewijs is laag).
  • We zijn onzeker over een verschil in het optreden van intracerebrale bloedingen en myocardinfarct (kwaliteit van bewijs is zeer laag).
  • Perifeer arterieel vaatlijden is niet onderzocht.
  • Vanwege gebrek aan onderzoek kunnen we geen uitspraak doen over verschillen tussen trage en intermediaire metaboliseerders binnen de groep patiënten met een verminderde CYP2C19-functionaliteit.

PICO B: alternatieve therapie voor clopidogrel bij verminderde CYP2C19-functionaliteit

Acetylsalicylzuurmonotherapie vergeleken met clopidogrel
  • Mogelijk treden er meer recidieven van herseninfarct op bij gebruik van acetylsalicylzuur dan bij gebruik van clopidogrel (kwaliteit van bewijs laag).
  • Mogelijk is er niet of nauwelijks verschil in het aantal cardiovasculaire gebeurtenissen (kwaliteit van bewijs is laag).
  • Mogelijk treden er minder bloedingen op bij gebruik van acetylsalicylzuur dan bij gebruik van clopidogrel (kwaliteit van bewijs is laag). We zijn onzeker over een verschil in ernstige bloedingen (kwaliteit van bewijs is zeer laag).
  • Sterfte, myocardinfarct, intracerebrale bloeding, perifeer arterieel vaatlijden en niet-ernstige bijwerkingen zijn niet bepaald.
Acetylsalicylzuur + dipyridamol vergeleken met clopidogrel

Deze vergelijking is niet onderzocht.

Verhoogde dosering clopidogrel vergeleken met normale dosering clopidogrel

Deze vergelijking is niet onderzocht.

PICO C: farmacogenetisch onderzoek bij clopidogrelgebruikers

  • We zijn onzeker, maar er lijkt een trend naar minder recidief herseninfarcten en minder cardiovasculaire gebeurtenissen (als samengestelde maat) als de behandeling wordt aangepast aan de hand van de uitslag van het farmacogenetisch onderzoek (kwaliteit van bewijs zeer laag).
  • We zijn onzeker over een verschil in optreden van myocardinfarct, intracerebrale bloeding en niet-ernstige (gastro-intestinale) bijwerkingen (kwaliteit van bewijs zeer laag).
  • Over mortaliteit, perifeer arterieel vaatlijden en (overige) bloedingen kunnen we geen conclusie trekken omdat deze niet of niet goed zijn gerapporteerd.
Orale anticoagulantia
  • Vitamine K-antagonisten of DOAC’s zijn geïndiceerd na een TIA of herseninfarct als gevolg van atriumfibrilleren of een andere cardiale emboliebron, in plaats van (een) trombocytenaggregatieremmer(s). Voor keuze en dosering, zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren.
  • Orale anticoagulantia worden, afhankelijk van de grootte van het infarct, direct of tot maximaal 14 dagen na het herseninfarct gestart. Bij een groot infarct verhoogt eerder starten waarschijnlijk het risico op hemorragische transformatie van het herseninfarct. In deze eerste periode gebruikt de patiënt tijdelijk een trombocytenaggregatieremmer.
Details
Vitamine K-antagonisten na TIA of herseninfarct

Bij circa 15 tot 25% van de patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt is dit het gevolg van een cardiale emboliebron, voornamelijk atriumfibrilleren.  38     Vitamine K-antagonisten zijn effectiever dan acetylsalicylzuur bij patiënten met atriumfibrilleren die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt in het voorkomen van een herseninfarct. In de European Atrial Fibrillation Trial (EAFT) bleek behandeling met vitamine K-antagonisten het herhalingsrisico met naar schatting 65% te reduceren ten opzichte van behandeling met placebo. De absolute risicoreductie (ARR) bedraagt 8%.  244     Uit een Cochrane-review (2 RCT’s, n = 1.371) blijkt dat behandeling met vitamine K-antagonisten versus behandeling met trombocytenaggregatieremmers bij patiënten met atriumfibrilleren die reeds een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt, leidt tot een significante reductie van de kans op het samengestelde eindpunt vasculaire sterfte, myocardinfarct, herseninfarct en systemische embolie (Peto OR 0,67; 95%-BI 0,50 tot 0,91) en de kans op een recidief herseninfarct (Peto OR 0,49; 95%-BI 0,33 tot 0,72). Dit gunstige effect werd deels tenietgedaan door een toename van ernstige, extracraniële bloedingscomplicaties (Peto OR 5,16; 95%-BI 2,08 tot 12,83). Er was geen significant verschil in het optreden van intracraniële bloedingen.  245     Volgens de huidige inzichten ligt de streefwaarde van de internationaal gestandaardiseerde protrombinetijdratio (International Normalized Ratio (INR)) tussen de 2,0 en 3,0.  246    

De vraag of vitamine K-antagonisten ook beter dan trombocytenaggregatieremmers tegen vasculaire complicaties beschermen bij patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt zonder cardiale emboliebron, is onderwerp van een recente meta-analyse (8 RCT’s, n = 5762). Behandeling met vitamine K-antagonisten bleek bij geen enkele antistollingsintensiteit effectiever dan behandeling met acetylsalicylzuur in het voorkomen van ischemische complicaties. Er was echter sprake van een significante toename van ernstige bloedingscomplicaties in de patiëntengroep die met vitamine K-antagonisten werd behandeld (INR 2,0-3,0: RR 1,93; 95%-BI 1,27 tot 2,94, INR 3,0-4,5: RR 9,02; 95%-BI 3,91 tot 20,8).  247    

Conclusie

Bij patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt en bij wie sprake is van een cardiale emboliebron, zoals (paroxismaal) atriumfibrilleren, biedt behandeling met vitamine K-antagonisten betere bescherming tegen vasculaire complicaties dan behandeling met acetylsalicylzuur.

Directwerkende orale anticoagulantia na TIA of herseninfarct

Achtergrond

Sinds 2012 is er een alternatief voor vitamine K-antagonisten beschikbaar: de zogeheten directwerkende orale anticoagulantia (DOAC’s, voorheen NOAC’s). Dabigatran (directe trombineremmer), edoxaban, rivaroxaban en apixaban (directe factor Xa-remmers) zijn in Europa geregistreerd voor de indicatie ‘preventie van beroerte en systemische embolie bij niet-valvulair atriumfibrilleren’. Het is de vraag hoe deze middelen zich verhouden tot de vitamine K-antagonisten bij patiënten met niet-valvulair atriumfibrilleren bij patiënten die eerder een TIA of herseninfarct doormaakten.
Deze tekst is gebaseerd op de NHG-Standaard Atriumfibrilleren.

Uitgangsvraag

Zijn DOAC’s vergeleken met vitamine K-antagonisten aan te bevelen bij patiënten van 65 jaar en ouder met niet-valvulair atriumfibrilleren die eerder een TIA of herseninfarct doormaakten?

Resultaten

De search leidde tot twee Cochrane-reviews over directe trombineremmers (dabigatran)  248     en factor Xa-remmers (apixaban, edoxaban, rivaroxaban)  249     en een netwerkmeta-analyse waarin onderzoeken naar orale antitrombotica ter preventie van herseninfarct bij patiënten met atriumfibrilleren van 65 jaar en ouder zijn geïncludeerd.  250     We gebruiken hier de resultaten van de netwerkmeta-analyse (n = 897.748), omdat daarin de bevindingen uit 25 RCT’s en de resultaten van 24 cohortonderzoeken zijn betrokken. De meeste daarvan vergeleken warfarine met een DOAC. Daarbij is vooral gekeken naar bewijs voor non-inferioriteit van de DOAC’s, waarbij een conservatieve non-inferioriteitsmarge van 10% wordt gehanteerd. Omdat in deze netwerkmeta-analyse geen subgroepanalyses werden gedaan naar de subgroep patiënten die een TIA of herseninfarct doormaakten, worden ook de resultaten van vooraf gedefinieerde subgroepanalyses van 3 gerandomiseerde non-inferiority trials beschreven.  251     252     253     In deze subgroepanalyses werd de effectiviteit en veiligheid van de DOAC’s ten opzichte van warfarine bij patiënten met een voorgeschiedenis van een TIA of herseninfarct onderzocht.

Kwaliteit van bewijs

De RCT’s waren van goede kwaliteit, maar kwaliteit van bewijs uit de RCT’s voor de verschillende uitkomstmaten is overwegend matig, soms laag. Er is afgewaardeerd omdat de onderzoeksgroepen niet geheel representatief zijn voor de patiëntenpopulatie met een indicatie voor antistolling in de huisartsenpraktijk; ze hadden gemiddeld minder comorbiditeit. Dit laatste is verdisconteerd door een terughoudender beleid te formuleren voor deze specifieke subgroepen. Daarnaast is soms afgewaardeerd voor onnauwkeurigheid (bijvoorbeeld door lage aantallen complicaties en daardoor brede betrouwbaarheidsintervallen). Er is niet afgewaardeerd vanwege het feit dat de meeste onderzoeken DOAC’s vergelijken met warfarine (en niet met de in Nederland verkrijgbare vitamine K-antagonisten acenocoumarol of marcoumar), omdat de mate van ontstolling bij vitamine K-antagonisten steeds gecontroleerd is met bepaling van de INR. Evenmin is afgewaardeerd voor het feit dat het meeste onderzoek verricht is in landen zonder trombosedienst, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de time in therapeutic range (TTR) in Nederland hoger is dan in andere landen of dat een hogere TTR bij gebruik van vitamine K-antagonisten de gelijkwaardige effectiviteit van DOAC’s doet verdwijnen.  254    

Effectiviteit

Uit de RCT’s blijkt dat DOAC’s niet inferieur zijn aan warfarine wat betreft het voorkómen van beroerte (hersenbloeding en herseninfarct) en systemische embolieën, evenals het voorkómen van sterfte aan alle oorzaken. Alleen voor rivaroxaban, apixaban en edoxaban kan inferioriteit niet geheel worden uitgesloten voor de uitkomstmaat herseninfarct. De cohortonderzoeken bevestigen deze resultaten in grote lijnen. Subgroepanalyses naar leeftijd laten geen grote verschillen in effectiviteit zien tussen de leeftijdsgroepen 65 tot 75 en 75 tot 85 jaar.

In de subgroepanalyses van drie gerandomiseerde non-inferiority trials bleken de effecten van de DOAC’s bij patiënten met een voorgeschiedenis van een TIA of herseninfarct consistent met de resultaten van de gehele onderzoekspopulatie. In deze onderzoeken werden echter geen patiënten geïncludeerd tijdens de eerste veertien dagen na een herseninfarct of de eerste zeven tot veertien dagen na een TIA. De meerderheid van de patiënten werd zelfs pas meer dan een jaar na de TIA of het herseninfarct geïncludeerd. Hierdoor is er geen uitspraak te doen over de veiligheid van de behandeling met DOAC’s gedurende de eerste weken na een TIA of herseninfarct. Verder is het opvallend dat het jaarlijks percentage recidief herseninfarcten in de patiëntengroep die met warfarine werd behandeld laag is (2,8 tot 3,0% per jaar) ten opzichte van eerdere onderzoeken, zoals het EAFT-onderzoek (4,0% per jaar).  244    

Veiligheid

Wat betreft het optreden van ernstige bloedingen zijn dabigatran, apixaban en edoxaban in de RCT’s niet inferieur aan warfarine; voor rivaroxaban kan dit niet worden uitgesloten. Intracraniële bloedingen komen in de RCT’s minder voor bij alle DOAC’s dan bij warfarine. De gegevens over het optreden van gastro-intestinale bloedingen en myocardinfarcten zijn minder duidelijk: de brede betrouwbaarheidsintervallen door lage aantallen leiden tot uiteenlopende resultaten tussen DOAC’s onderling. De gegevens uit de cohortonderzoeken over het optreden van bijwerkingen, voor zover beschikbaar, zijn hiermee overwegend in overeenstemming. Wel laten subgroepanalyses naar leeftijd verschillen zien: bij de oudste ouderen (75 tot 85 jaar) leiden DOAC’s in vergelijking met warfarine mogelijk vaker tot ernstige bloedingen, met name gastro-intestinale bloedingen. Intracraniële bloedingen deden zich overigens ook bij de oudste ouderen minder vaak voor bij gebruik van dabigatran, apixaban en edoxaban dan bij warfarine.

Conclusie

Het is vrij zeker dat DOAC’s even effectief zijn als vitamine K-antagonisten in het voorkomen van trombo-embolische gebeurtenissen en sterfte bij patiënten met atriumfibrilleren. Voor patiënten tot 75 jaar zonder veel comorbiditeit zijn er geen aanwijzingen voor het optreden van extra bijwerkingen bij gebruik van DOAC’s, terwijl de middelen leiden tot minder intracraniële bloedingen. Dit geldt waarschijnlijk ook voor patiënten die eerder een herseninfarct doormaakten. Uit cohortonderzoek blijkt dat voor patiënten van 75 jaar en ouder bij gebruik van dabigatran en rivaroxaban enige zorg gerechtvaardigd blijft over het vaker optreden van gastro-intestinale bloedingen.

Van bewijs naar aanbeveling

Voor de indicatie niet-valvulair atriumfibrilleren is de gelijkwaardige effectiviteit van DOAC’s ten opzichte van vitamine K-antagonisten voldoende aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen dat gebruik van DOAC’s gepaard gaat met meer bloedingen dan gebruik van vitamine K-antagonisten, hoewel dit niet geheel kan worden uitgesloten. Dit is het gevolg van de lage aantallen complicaties (en daardoor bredere betrouwbaarheidsintervallen) voor wat betreft een deel van de DOAC’s en sommige bloedingscategorieën. Ten slotte zijn er duidelijke aanwijzingen dat DOAC-gebruik gepaard gaat met minder intracraniële bloedingen. Enige zorg blijft gerechtvaardigd over eventuele extra gastro-intestinale bloedingen bij 75-plussers.
Praktisch voordeel van DOAC-gebruik is de vaste dosering: titreren door periodieke bloedafname en bepaling van de INR door de trombosedienst zijn niet nodig. Dit komt de patiëntvriendelijkheid en het gebruiksgemak ten goede, wat kan bijdragen aan een betere therapietrouw. Anderzijds kunnen INR-controles bij vitamine K-antagonisten bijdragen aan een betere therapietrouw. Daarnaast wordt onder- en overdosering door interacties met andere medicatie, veranderende farmacokinetiek (bijvoorbeeld door het stijgen van de leeftijd, of door optredende comorbiditeit (bijvoorbeeld infecties)) eerder gesignaleerd. De voorschrijvend arts kan de therapietrouw bij DOAC-gebruik minder goed monitoren. Hierbij is het ook van belang dat DOAC’s vaker dan vitamine K-antagonisten aanleiding geven tot gastro-intestinale bijwerkingen (misselijkheid en/ of diarree), waardoor patiënten soms stoppen met de medicatie. Uit de RCT’s bleek dat patiënten die DOAC’s gebruikten vaker stopten vanwege bijwerkingen dan degenen die warfarine gebruikten.  255    
Vergeleken met vitamine K-antagonisten lijken DOAC’s minder frequent interacties aan te gaan met andere geneesmiddelen. Een kanttekening hierbij is dat DOAC’s nog relatief kort op de markt zijn waardoor wellicht nog niet alle interacties in kaart zijn gebracht.

Een nadeel van DOAC’s is de hogere prijs in vergelijking met vitamine K-antagonisten, waarbij de exacte prijs onbekend is vanwege geheime prijsafspraken.

Dit verschil wordt slechts gedeeltelijk tenietgedaan door de (sterk uiteenlopende) kosten van de trombosedienst bij gebruik van vitamine K-antagonisten. Het is onduidelijk of er verschillen in effectiviteit en veiligheid tussen de verschillende DOAC’s zijn; op dit moment is er geen reden om een van de DOAC’s wel of niet aan te bevelen, zie de NHG-Standaard Atriumfibrilleren.

Op basis van de beschikbare gegevens over effectiviteit, veiligheid en gebruiksgemak zijn DOAC’s een gelijkwaardig alternatief voor vitamine K-antagonisten voor de meeste patiënten met de indicatie niet-valvulair atriumfibrilleren, en waarschijnlijk ook voor de subgroep patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt. Voor de contra-indicaties van de DOAC’s en richtlijnen voor het maken van een keuze tussen behandeling met vitamine K-antagonisten of de DOAC’s: zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren.

Aanbeveling

DOAC’s (voorheen NOAC’s) zijn een gelijkwaardig alternatief voor vitamine K-antagonisten voor patiënten met niet-valvulair atriumfibrilleren die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt. Voor de contra-indicaties van de DOAC’s en richtlijnen voor het maken van een keuze tussen behandeling met vitamine K-antagonisten of de DOAC’s, zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren.

Antihypertensiva
  • Zie voor streefwaarden en voorkeursmiddelen NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement .
  • Wees vooral bij ouderen alert op bijwerkingen en op interacties met eventuele comedicatie.
  • Zorg voor langzame verlaging van de bloeddruk naar de streefwaarde bij een onbehandelde hooggradige (≥ 70%) carotisstenose of -occlusie; controleer de bloeddruk regelmatig, bijvoorbeeld elke 2 weken.
Details
Bloeddrukbehandeling na TIA of herseninfarct

Behandeling met de ACE-remmer perindopril, eventueel in combinatie met het diureticum indapamide, reduceert het risico op een recidief beroerte na TIA, herseninfarct of hersenbloeding in de eerste 4 jaar met gemiddeld 28% (95%-BI 17 tot 38%) en het risico op het samengestelde eindpunt myocardinfarct, beroerte of vasculaire mortaliteit met 26% (95%-BI 16 tot 34%).  256     Uit het PROGRESS-onderzoek (n = 6105, gemiddelde follow-up 3,9 jaar) bleek dat het effect onafhankelijk was van de diagnose bij randomisatie en van de aanwezigheid van belangrijke risicofactoren. Een gunstig effect werd alleen gezien in de subgroep die met de combinatie perindopril en indapamide werd behandeld. De gemiddelde bloeddrukdaling in deze groep was ook groter dan in de groep die met monotherapie werd behandeld (12/5 mmHg versus 5/3 mmHg). Het gunstige effect was in dezelfde orde van grootte bij patiënten met een niet-verhoogde bloeddruk. Hierbij dient te worden aangetekend dat verhoogde bloeddruk werd gedefinieerd als een systolische bloeddruk (SBD) ≥ 160 mmHg of een diastolische bloeddruk (DBD) ≥ 90 mmHg. Meer dan een derde van de patiënten had echter bij randomisatie een SBD < 140 mmHg en een DBD < 90 mmHg, terwijl slechts een kwart van de patiënten een SBD ≥ 160 mmHg had en een vijfde een DBD ≥ 95 mmHg. Er waren geen aanwijzingen voor een toename van complicaties bij lagere bloeddrukwaarden.

Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat niet de absolute hoogte van de bloeddruk, maar vooral de mate van bloeddrukverlaging van belang is, waarbij de grootste absolute risicoreductie behaald wordt bij patiënten met de hoogste recidiefkans.

Een groot gerandomiseerd onderzoek (n = 20.332; gemiddelde follow-up 2,5 jaar) toonde geen effect van het toevoegen van telmisartan, een angiotensine-II-antagonist, aan de gebruikelijke bloeddrukbehandeling na een herseninfarct op de eindpunten recidief infarct, belangrijke cardiovasculaire gebeurtenissen of het ontstaan van diabetes mellitus type 2.  257     In een post-hocanalyse van dit onderzoek werd de relatie onderzocht tussen de gemiddelde systolische spreekkamerbloeddruk tijdens de follow-up van 2,5 jaar en het risico op een recidief beroerte. De secundaire uitkomstmaat was een combinatie van beroerte, myocardinfarct en mortaliteit door vasculaire oorzaak. Zowel de primaire als de secundaire uitkomstmaat werd het meest frequent behaald in de groep patiënten met een systolische bloeddruk (SBD) ≥ 150 mmHg, gevolgd door de groep met een SBD 140 tot 150 mmHg, < 120 mmHg, 120 tot 130 mmHg en 130 tot 140 mmHg. In de subgroep patiënten ouder dan 75 jaar werd de secundaire uitkomstmaat het meest frequent behaald in de groep patiënten met een SBD < 120 mmHg.  258     Deze resultaten komen niet overeen met de resultaten van het PROGRESS-onderzoek. Aangezien het secundaire analyses betreft, kunnen de resultaten slechts als hypothesevormend beschouwd worden en moeten de bevindingen eerst bevestigd worden in gerandomiseerd onderzoek alvorens de streefwaarden voor bloeddrukbehandeling aan te passen.

Een meta-analyse (10 RCT’s, n = 37.737), waarin onder andere bovenstaande onderzoeken zijn geïncludeerd, toont dat behandeling met antihypertensiva in de secundaire preventie na een beroerte tot een significante reductie leidt op de eindpunten recidief beroerte (OR 0,71; 95%-BI 0,59 tot 0,86) en cardiovasculaire gebeurtenissen (mortaliteit als gevolg van vasculaire oorzaak, recidief beroerte, myocardinfarct) (OR 0,69; 95%-BI 0,57 tot 0,85). Er was geen effect op de totale mortaliteit.  259     Inmiddels is van diuretica, ACE-remmers en angiotensine-II-antagonisten aangetoond dat ze effectief en veilig zijn bij patiënten die recent een beroerte hebben doorgemaakt. Voor calciumantagonisten en bètablokkers bestaan onvoldoende gegevens met betrekking tot de secundaire preventie na een beroerte.

Conclusie

Het is zinvol om alle patiënten na een TIA of herseninfarct te behandelen met een antihypertensivum, indien dit goed verdragen wordt. Het advies is om het stappenplan, zoals beschreven in de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement, te volgen.

Cholesterolverlagende medicatie

Zie voor streefwaarden, voorkeursmiddelen en stopcriteria NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement).

Details
Statines in de secundaire preventie na TIA of herseninfarct

In het Stroke Prevention by Aggressive Reduction in Cholesterol Levels (SPARCL-)onderzoek werd de effectiviteit en veiligheid onderzocht van behandeling met 80 mg atorvastatine per dag in vergelijking tot placebo bij patiënten die 1 tot 6 maanden voorafgaand aan de randomisatie een niet-invaliderende beroerte (rankinscore = 3) hadden doorgemaakt.  260     Het betreft een gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek (n = 4731, gemiddelde follow-up 4,9 jaar). Patiënten werden geïncludeerd indien zij een LDL-cholesterolwaarde tussen 2,6 en 4,9 mmol/l hadden en niet bekend waren met coronair vaatlijden. Patiënten met een cardiale emboliebron werden geëxcludeerd. In de atorvastatinegroep daalde het LDL-cholesterol met 45% (tot 1,6 mmol/l), in de placebogroep met 4% (tot 3,3 mmol/l). De primaire uitkomstmaat, fatale en niet-fatale beroerte, werd significant minder frequent bereikt in de atorvastatinegroep in vergelijking tot de placebogroep (11,2 versus 13,1%; p = 0,03). De absolute risicoreductie bedraagt 2,2% per 5 jaar, number needed to treat (NNT) 46 gedurende 5 jaar. Daarnaast was sprake van een significante reductie van belangrijke cardiovasculaire gebeurtenissen (beroerte, myocardinfarct of overlijden als gevolg van een cardiale oorzaak) (14,1 versus 17,2%; p = 0,002; NNT 29 gedurende 5 jaar). Er was geen verschil in de totale mortaliteit. Er traden significant vaker intracerebrale bloedingen op in de atorvastatinegroep in vergelijking tot de placebogroep (2,3 versus 1,4%; HR 1,66; 95%-BI 1,08 tot 2,55; NNH 111). De behandeling met de hoge dosering atorvastatine werd goed verdragen.

De optimale LDL-concentratie om een beroerte te voorkomen is niet bekend. In dit onderzoek werd 80 mg atorvastatine voorgeschreven, het is onbekend of een lagere dosis afdoende is.

In een secundaire analyse van de Heart Protection Study werd het effect van behandeling met simvastatine 40 mg/dag onderzocht in de subgroep patiënten die een beroerte hadden doorgemaakt en een totaal cholesterolwaarde > 3,5 mmol/l hadden (n = 3280, gemiddeld interval tussen event en inclusie 4,3 jaar). In deze studie bleek geen sprake van een reductie van het aantal beroertes ten tijde van behandeling met simvastatine. Wel was er sprake van een significante reductie van de kans op een vasculaire gebeurtenis: 24,7% in de statine- versus 29,8% in de placebogroep; p = 0,001.  261    

Een drietal meta-analyses, die voornamelijk op bovenstaande 2 onderzoeken zijn gebaseerd, tonen een geringe reductie van de kans op een beroerte bij patiënten die een beroerte hebben doorgemaakt (OR 0,88; 95%-BI 0,77 tot 1,00),  262     gepoold relatief risico 0,88 (95%-BI 0,78 tot 0,99);  263     RR 0,84 (95%-BI 0,71 tot 0,99).  264     Daarnaast was sprake van een overtuigendere reductie van de kans op een vasculaire gebeurtenis (beroerte, myocardinfarct en vasculaire mortaliteit) OR 0,74 (95%-BI 0,67 tot 0,82),  262     gepoold relatief risico 0,83 (95%-BI 0,76 tot 0,90)  263     en HR 0,80 (95%-BI 0,69 tot 0,92).  264    

In de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (2019) staat het advies te starten met simvastatine 40 mg/dag en een LDL-waarde van ≤ 2,5 mmol/l na te streven.

De Europese richtlijn voor cardiovasculair risicomanagement uit 2016 houdt echter bij zeer hoogrisicopatiënten met atherosclerotische cardiovasculaire aandoeningen (gedocumenteerd acuut myocardinfarct, coronair vaatlijden, aneurysma van de aorta, herseninfarct of TIA, perifeer arterieel vaatlijden óf significante stenosering/plaquevorming van de carotiden) een bovengrens voor het LDL-cholesterol van 1,8 mmol/l aan.  265     Bij de herziening van de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement zal ter sprake komen of deze aanbeveling wordt overgenomen.

Conclusie

Behandeling met een statine bij patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt leidt tot een reductie van de kans op een herseninfarct en andere cardiovasculaire gebeurtenissen. Voor het beleid (keuze statine, LDL-streefwaarde) wordt verwezen naar de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement.

Beleid na een herseninfarct als gevolg van arteriële dissectie

Patiënten met een herseninfarct als gevolg van arteriële dissectie worden gedurende 3-6 maanden met orale anticoagulantia of een trombocytenaggregatieremmer behandeld.

Details
Beleid na een herseninfarct als gevolg van arteriële dissectie

Een dissectie van de cervicale arteriën is in 1 tot 2,5% van de gevallen de oorzaak van een herseninfarct. Dit treedt vooral op bij jongvolwassenen. Als gevolg van de scheur in de vaatwand ontstaan stolsels die een emboliebron vormen. Daarnaast kan zwelling van de vaatwand leiden tot verkleining van de diameter van het lumen van het bloedvat en op deze manier aanleiding geven tot hemodynamische veranderingen.  266    

Er bestaat geen gerandomiseerd onderzoek naar de effectiviteit van behandeling ter preventie van (recidief) ischemie. In de praktijk worden patiënten met een dissectie over het algemeen met trombocytenaggregatieremmers of acetylsalicylzuur behandeld gedurende 2 tot 6 maanden, om (recidief) ischemie te voorkomen. In een Cochrane-review over 36 niet-gerandomiseerde onderzoeken (n = 1285) en een meer recente meta-analyse over 40 niet-gerandomiseerde onderzoeken (n = 1636) werd geen meerwaarde aangetoond van één van deze therapieën ten opzichte van elkaar.  267     268     Er zijn geen onderzoeken verricht naar de effectiviteit van antihypertensiva en cholesterolverlagende medicatie bij patiënten die een herseninfarct als gevolg van een dissectie van de a. carotis hebben doorgemaakt. Gezien de pathofysiologie van een dissectie bestaat er geen indicatie om deze patiënten routinematig met antihypertensiva en cholesterolverlagende medicatie te behandelen.

Na een intracerebrale bloedingNaar Samenvatting

Trombocytenaggregatieremmers

Trombocytenaggregatieremmers kunnen waarschijnlijk veilig gebruikt worden bij patiënten met een intracerebrale bloeding die optrad tijdens het gebruik van antitrombotische medicatie (trombocytenaggregatieremmers of orale anticoagulantia).

  • Waarschijnlijk leiden trombocytenaggregatieremmers niet tot een hoger risico op een recidief intracerebrale bloeding.
  • Overleg zo nodig met de neuroloog over de termijn waarop de trombocytenaggregatieremmer herstart kan worden.
Details
Waarom deze aanbeveling?

Er lijkt geen duidelijk toegenomen kans op schade te zijn na het herstarten van trombocytenaggregatieremmers na de acute fase van een intracerebrale bloeding (tijdens het gebruik van antitrombotische medicatie). Herstarten lijkt ook geen duidelijke voordelen te hebben, behalve mogelijk een kleinere kans op een herseninfarct. Deze onzekerheid is mogelijk het gevolg van een gebrek aan power door de relatief kleine patiëntenaantallen en de korte follow-upduur. Uit andere trials bleken trombocytenaggregatieremmers wel tot betere uitkomsten te leiden bij patiënten met ischemische hart- en vaatziekten in de voorgeschiedenis.
De beslissing om een trombocytenaggregatieremmer wel of niet te herstarten moet daarom zorgvuldig besproken worden met de patiënt en eventueel diens familie, rekening houdend met individuele patiëntenfactoren om in te schatten of de voordelen opwegen tegen de nadelen. Voor een patiënt met een hoger risico op ischemische hart- en vaatziekten (zoals bij instabiele angina pectoris) zal de afweging wellicht anders zijn dan voor een patiënt met een hoger bloedingsrisico. Deze afweging zal bij de patiënt met een intracerebrale bloeding primair worden gemaakt door de neuroloog, eventueel in samenspraak met de cardioloog, tijdens de ziekenhuisopname. De huisarts krijgt een rol als de patiënt op een later moment een indicatie voor een trombocytenaggregatieremmer krijgt. Overleg in dat geval zo nodig met de neuroloog en/of cardioloog. 

Van bewijs naar aanbeveling

Voor- en nadelen

Het herstarten van een trombocytenaggregatieremmer (in het gebruikte onderzoek mediaan 76 dagen na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen) leek niet of nauwelijks effect te hebben op het voorkómen van ischemische hart- en vaatziekten (mogelijk wel op het voorkómen van herseninfarcten), maar ook niet op het optreden van intracerebrale bloedingen, (andere) ernstige bloedingen en sterfte na drie jaar follow-up. Mogelijk geven trombocytenaggregatieremmers op de langere termijn meer bescherming tegen ischemische events, maar dat is op basis van het huidige onderzoek niet vast te stellen.

Kwaliteit van bewijs

Het bewijs is gebaseerd op 1 onderzoek uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk en is laag vanwege het risico op bias (met name doordat de deelnemers en behandelend artsen niet geblindeerd waren) en onnauwkeurigheid (door de kleine aantallen gebeurtenissen).

Waarden en voorkeuren van patiënten

De voor- en nadelen leken na 3 jaar vergelijkbaar, ongeacht het al dan niet herstarten van trombocytenaggregatieremmers, al is de kans op een herseninfarct mogelijk iets kleiner bij herstarten. Hoewel niet is onderzocht hoe de balans op de langere termijn is, is het aannemelijk dat trombocytenaggregatieremmers op de langere termijn bescherming geven tegen ischemische events, terwijl deze wat betreft bloedingen niet veel kwaad kunnen. Als dit wordt uitgelegd aan patiënten na een intracerebrale bloeding, zullen de meesten kiezen voor het starten met trombocytenaggregatieremmers, al zal dat mede afhangen van hun persoonlijke omstandigheden en risico-inschatting.

Kosten

De kosten van trombocytenaggregatieremmers zijn laag.

Aanvaardbaarheid

Zowel starten met als vermijden van trombocytenaggregatieremmers is aanvaardbaar voor (huis)artsen en patiënten.

Haalbaarheid

Geen bijzonderheden.

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Is (her)start van trombocytenaggregatieremmers aan te bevelen bij patiënten met een intracerebrale bloeding ten tijde van gebruik van trombocytenaggregatieremmers of orale anticoagulantia? Zie de PICO-tabel.

PICO-tabel

Patiënten

Patiënten met een intracerebrale bloeding ten tijde van gebruik van trombocytenaggregatieremmers of orale anticoagulantia

Interventie

Trombocytenaggregatieremmers

Vergelijking

Geen trombocytenaggregatieremmers of placebo

Uitkomstmaten (follow-upduur 3 maanden)

Cruciaal

recidief TIA/herseninfarct

overige ischemische hart- en vaatziekten

spontane intracerebrale bloeding

overige ernstige bloeding

mortaliteit

bijwerkingen

kwaliteit van leven

Achtergrond

Ongeveer 1 op de 3 volwassenen met een spontane intracerebrale bloeding gebruikt trombocytenaggregatieremmers of anticoagulantia vanwege eerdere hart- en vaatziekten of risicofactoren daarvoor.  269     Na een intracerebrale bloeding worden deze middelen direct gestopt vanwege het risico op groei van het hematoom. Of het aan te bevelen is deze middelen na de intracerebrale bloeding weer op te starten is onduidelijk. In theorie verhogen ze het risico op een recidief intracerebrale bloeding, maar verlagen ze het risico op een trombotisch event.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews en RCT’s uitgevoerd in PubMed in oktober 2021, met een update in februari 2022.

Resultaten

Resultaat zoekactie

De zoekvraag leverde 1 systematische review op naar het herstarten van trombocytenaggregatieremmers bij patiënten met een intracerebrale bloeding.  270     In deze review werd 1 RCT geïncludeerd: de RESTART-trial.  271     Een aanvullende search na de zoekdatum van de systematische review (juli 2021) leverde een recentere publicatie van de RESTART-trial met een langere follow-upduur op.  272     De update in februari 2022 leverde geen nieuwe RCT’s op.

Onderzoekskarakteristieken

RESTART: RCT uitgevoerd in 122 ziekenhuizen in het Verenigd Koninkrijk naar het herstarten van trombocytenaggregatieremmers bij patiënten met een intracerebrale bloeding ten tijde van het gebruik van antistolling (trombocytenaggregatieremmers en/of orale anticoagulantia).  271     Er werden 537 patiënten geïncludeerd met een intracerebrale bloeding, bij wie de patiënt (of naaste) en de behandelend arts twijfelden of er wel of niet gestart zou moeten worden met trombocytenaggregatieremmers. Ongeveer 25% van de patiënten had atriumfibrilleren en 88% had voorafgaand aan de hersenbloeding een ischemisch event (17% had beide). De patiënten werden gerandomiseerd naar het starten met (n = 268) of vermijden van (n = 269) trombocytenaggregatieremmers (oraal acetylsalicylzuur, dipyridamol, clopidogrel of een combinatie, dosering te bepalen door behandelend arts), mediaan 76 dagen na het optreden van de uitvalsverschijnselen. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 76 jaar en ongeveer een derde was vrouw. De patiënten en hun behandelende artsen waren niet geblindeerd. De onderzoeksmedewerkers en het team dat de uitkomsten beoordeelde waren wel geblindeerd. De patiënten werden in eerste instantie gevolgd gedurende mediaan 2 jaar. Daarna werd de trial met 1 jaar verlengd, tot mediaan 3 jaar follow-up.  272    

Effectiviteit en bijwerkingen

Zie tabel Starten versus niet starten met trombocytenaggregatieremmers voor de samenvatting van de resultaten.

Conclusies
  • Mogelijk leidt starten met trombocytenaggregatieremmers tot een kleinere kans op een herseninfarct (kwaliteit van bewijs laag).
  • Mogelijk is er niet of nauwelijks verschil in risico op ischemische hart- en vaatziekten, intracerebrale bloeding, ernstige bloeding en sterfte (kwaliteit van bewijs laag).
  • Overige bijwerkingen en kwaliteit van leven zijn niet onderzocht.
Orale anticoagulantia

De beslissing om orale anticoagulantia te hervatten of deze te vervangen door trombocytenaggregatieremmers wordt door de neuroloog en cardioloog genomen. Hierbij moeten de risico’s op een trombo-embolie en recidief intracerebrale bloeding tegen elkaar afgewogen worden. Overleg indien er op een later moment een indicatie voor orale anticoagulantia ontstaat, met de neuroloog.

Antihypertensiva

Details
Waarom deze aanbeveling?

Uit de literatuur wordt niet duidelijk of een intensieve bloeddrukbehandeling leidt tot een kleiner aantal recidief beroertes. Ook nadelige effecten van intensieve bloeddrukverlaging zoals valrisico, duizeligheid, cognitieve stoornissen en nierfunctiestoornissen zijn niet goed onderzocht. Hierdoor is een goede beoordeling van de balans tussen gewenste en ongewenste effecten niet mogelijk.

Over het algemeen zal de kans op bijwerkingen door een lage bloeddruk groter zijn bij een intensieve verlaging van de bloeddruk. Er zullen ook meerdere antihypertensiva geslikt moeten worden om dit te bewerkstelligen wat kan leiden tot verminderde therapietrouw. Het intensief verlagen van de bloeddruk neemt meer tijd in beslag en blijkt voor een deel van de patiënten niet haalbaar. Samen met eventuele extra consulten door bijwerkingen kan dit zorgen voor een grotere druk op de huisartsenzorg.

Bovenstaande overwegingen hebben geleid tot een zwakke aanbeveling tegen een intensieve bloeddrukbehandeling. Er is te weinig bewijs om voor de secundaire preventie na een intracerebrale bloeding een lagere bloeddruk streefwaarde aan te houden dan na een TIA of herseninfarct. Daarom besluit de werkgroep om voor bloeddrukbehandeling na een intracerebrale bloeding aan te sluiten bij de NHG-Standaard CVRM.

Van bewijs naar aanbeveling

Gewenste en ongewenste effecten

We zijn onzeker over een verschil in recidief beroertes, duizeligheid, cognitieve stoornissen en nierfunctiestoornissen tussen een intensieve en minder intensieve bloeddrukbehandeling bij patiënten met een doorgemaakte intracerebrale bloeding. Mortaliteit, recidief intracerebrale bloeding en overige hart- en vaatziekten (zoals myocardinfarct, hartfalen, nier- en oogschade) zijn niet onderzocht in deze populatie. Ook het risico op vallen is niet onderzocht, maar in het aantal botbreuken, dat we als proxy voor valfrequentie hebben gebruikt, lijkt er niet of nauwelijks verschil te zijn tussen een intensieve of een minder intensieve bloeddrukbehandeling.

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs was laag tot zeer laag. We hebben in alle gevallen afgewaardeerd voor (soms zeer ernstige) onnauwkeurigheid vanwege de kleine aantallen en daarnaast in sommige gevallen voor risico op bias, omdat het niet vooraf bepaalde uitkomsten betreft die niet gestandaardiseerd zijn bepaald.

Waarden en voorkeuren van patiënten

De werkgroep verwacht dat het voorkomen van een intracerebrale bloeding en andere hart- en vaatziekten zwaar weegt voor patiënten. Aan de andere kant kunnen ongewenste neveneffecten van een lage bloeddruk zoals duizeligheid en een verhoogd valrisico zorgen voor een negatieve invloed op de kwaliteit van leven. Hoe de patiënt deze afweging maakt zal individueel verschillen.

Kosten

Over het algemeen zijn meerdere antihypertensiva nodig om een intensieve bloeddrukverlaging te bereiken. De kosten voor antihypertensiva zijn laag: hooguit enkele euro’s per maand (Zorginstituut Nederland. Medicijnkosten.nl, geraadpleegd 18 februari 2025).

Aanvaardbaarheid

In de NHG-Standaard CVRM wordt het advies gegeven om bij kwetsbare ouderen te overwegen om voor de diastolische bloeddruk een streefwaarde > 70 mmHg te hanteren omdat uit observationeel onderzoek blijkt dat een lage diastolische bloeddruk geassocieerd is met een verhoogd mortaliteitsrisico. Bij patiënten die een intracerebrale bloeding hebben doorgemaakt is de optimale bloeddruk streefwaarde mogelijk ook afhankelijk van leeftijd en co-morbiditeit.

Verschillende factoren kunnen bijdragen aan een verminderde therapietrouw. Een intensieve verlaging van de bloeddruk kan gepaard gaan met bijwerkingen. Daarnaast zullen vaak meerdere antihypertensiva geslikt moeten worden om voldoende bloeddrukverlaging te bereiken: in de RCT van Kitagawa was het gemiddelde aantal antihypertensiva in de intensief behandelde groep 2,8 en in de minder intensief behandelde groep 1,6.  273     Desondanks bereikte een aanzienlijk aantal patiënten de streefwaarde niet. Dit kan demotiverend werken. Al zijn voor een aantal bloeddrukmiddelen combinatiepreparaten beschikbaar die eenmaal daags ingenomen worden.

Haalbaarheid

Het streven naar een intensieve verlaging van de bloeddruk kan leiden tot een grotere belasting voor de huisartsenzorg. Over het algemeen duurt het langer om de bloeddruk voldoende te verlagen, wat resulteert in meer controles door de huisarts of praktijkondersteuner. Bovendien kunnen bijwerkingen ook zorgen voor extra consulten. Ook werd in de intensief behandelde groep slechts in 32% van de patiënten een bloeddruk < 120/80 mmHg behaald (gemiddeld behaalde bloeddruk 127/75 mmHg). In de minder intensief behandelde groep lag dit percentage hoger. 62% haalde de streefwaarde (< 140/90 mmHg, of 130/80 mmHg bij patiënten met diabetes, chronische nierschade of doorgemaakt MI), met een gemiddelde behaalde waarde van 133/78).

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Is een intensieve bloeddrukbehandeling met een zo laag mogelijke, door de patiënt verdragen, systolische bloeddruk in vergelijking met een minder intensieve bloeddrukbehandeling (streefwaarde systolische bloeddruk < 140 mmHg bij patiënten < 70 jaar of < 150 mmHg bij patiënten ≥70 jaar) aan te bevelen aan patiënten die > 3 maanden geleden een intracerebrale bloeding hebben gehad? Zie de PICO-tabel.

PICO-tabel
PatiëntenPatiënten die > 3 maanden geleden een intracerebrale bloeding hebben doorgemaakt
InterventieIntensieve bloeddrukbehandeling met een zo laag mogelijke, door de patiënt verdragen, systolische bloeddruk
VergelijkingMinder intensieve bloeddrukbehandeling met een systolische bloeddruk streefwaarde < 140 mmHg bij patiënten < 70 jaar of < 150 mmHg bij patiënten ≥70 jaar 
Uitkomstmaten

Cruciaal

  • Mortaliteit

  • Recidief intracerebrale bloeding

  • Overige hart- en vaatziekten:

    • Herseninfarct/TIA

    • Myocardinfarct

    • Hartfalen

    • Chronische nierschade

    • Oogschade

  • Valfrequentie


Belangrijk

  • Overige bijwerkingen:

    • Duizeligheid

    • Cognitieve stoornissen

    • Nierfunctiestoornissen

De werkgroep heeft de volgende absolute verschillen als klinisch relevant vastgesteld:

  • Mortaliteit, recidief intracerebrale bloeding, overige hart- en vaatziekten: ≥ 10 per 1000 patiënten    
  • Bijwerkingen: ≥ 25 per 1000 patiënten    

Achtergrond

Patiënten met een doorgemaakte TIA, herseninfarct of intracerebrale bloeding hebben een verhoogd risico op een recidief of het ontstaan van andere hart- en vaatziekten. Verlagen van de bloeddruk is één van de modificeerbare risicofactoren die het recidief risico op hart- en vaatziekten kan verlagen. In de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (CVRM) geldt voor patiënten tot 70 jaar met in de voorgeschiedenis een TIA of herseninfarct een streefwaarde voor de systolische bloeddruk < 140 mmHg. Geadviseerd wordt om naar een lagere systolische bloeddruk < 130 mmHg te streven, indien de medicatie verdragen wordt. Voor personen boven de 70 jaar geldt een streef systolische bloeddruk < 150 mmHg. Bij vitale ouderen kan overwogen worden de systolische bloeddruk stapsgewijs verder te verlagen < 140 mmHg zolang er geen bijwerkingen optreden. Omdat uit observationele studies bij kwetsbare ouderen blijkt dat een lage diastolische bloeddruk geassocieerd is met een verhoogd mortaliteitsrisico wordt bij deze groep overwogen om de diastolische bloeddruk > 70 mmHg te houden, ongeacht de hoogte van de systolische bloeddruk (NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement).

Het is onduidelijk of deze bloeddruk streefwaarden ook gelden in de secundaire preventie na een intracerebrale bloeding. In de NHG-Standaard CVRM noch in de richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN) en internationale richtlijnen wordt beschreven wat de optimale bloeddruk streefwaarde moet zijn voor patiënten die een intracerebrale bloeding hebben doorgemaakt.

In de vorige versie van de standaard was het advies om in de secundaire preventie na een intracerebrale bloeding te streven naar een zo laag mogelijke, door de patiënt verdragen bloeddruk. Dit is veelal gebaseerd op observationeel onderzoek.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews (SR’s) en RCT’s uitgevoerd in Pubmed en Embase in december 2024, met een update in november 2025.

Resultaten

Resultaat zoekactie

Uit de zoekresultaten selecteerden we de geschiktste SR: zo recent mogelijk, met de beste aansluiting bij de PICO en van voldoende kwaliteit. Het betrof een SR over intensieve versus minder intensieve bloeddrukverlaging bij patiënten die een beroerte hebben gehad.  274     Een aanvullende search na de zoekdatum van dit literatuuronderzoek leverde geen aanvullende RCT’s op.

Onderzoekskarakteristieken

  • Hsu, 2023: SR waarin het verband tussen bloeddrukverlaging en vermindering van het risico op recidief beroerte werd onderzocht.  274     De SR includeerde 10 RCT’s, waarvan er 4 een lagere met een hogere streefwaarde voor bloeddrukbehandeling vergeleken. Van deze 4 RCT’s maakte er 1 onderscheid naar patiënten met een intracerebrale bloeding als primaire gebeurtenis, namelijk het RESPECT-onderzoek.  273    
  • Kitagawa, 2019: RCT (Japan) waarin intensieve bloeddrukbehandeling (streefwaarde < 120/80 mmHg) werd vergeleken met minder intensieve bloeddrukbehandeling (streefwaarde < 140/90 mmHg, of 130/80 mmHg bij patiënten met diabetes, chronische nierschade of doorgemaakt myocardinfarct). Het onderzoek includeerde patiënten die een beroerte (diverse subtypen) hadden doorgemaakt gedurende de afgelopen 3 jaar, maar minimaal 1 maand geleden. De mediane tijd van beroerte tot randomisatie was 4,6 maanden (interkwartielbereik 1,7-13 maanden).  273     Er werden 1280 patiënten gerandomiseerd (gemiddelde leeftijd 67,2 (SD 8,8), 30,6% vrouw), van wie er 189 een intracerebrale bloeding als primaire gebeurtenis hadden doorgemaakt. Tijdens de titratieperiode van maximaal 24 weken werden de patiënten elke 4 weken gecontroleerd en werd indien nodig de behandeling geïntensiveerd. De patiënten werden gemiddeld 3,9 (SD 1,5) jaar gevolgd. Het primaire eindpunt was recidief beroerte (herseninfarct of intracerebrale bloeding), en dit was ook de enige uitkomstmaat die was bepaald in de subgroep bij wie een intracerebrale bloeding de primaire gebeurtenis was.

Gedurende het onderzoek was de gemiddelde bloeddruk in de intensief behandelde groep 126,7/74,4 mmHg (95%-BI 125,9-127,2/73,8-75,0) met gebruik van gemiddeld 2,8 bloeddrukverlagende middelen; 32% van de deelnemers behaalde de intensieve streefwaarde. In de minder intensief behandelde groep was de gemiddelde bloeddruk gedurende het onderzoek 133,2/77,7 mmHg (95%-BI 132,5-133,8/77,1-78,4) met gebruik van gemiddeld 1,6 middelen; 61,7% van de deelnemers behaalde de minder intensieve streefwaarde.

Effectiviteit en bijwerkingen

Zie tabel Intensieve vergeleken met minder intensieve bloeddrukbehandeling voor de samenvatting van de resultaten.

Conclusies
  • We zijn onzeker over een verschil in recidief beroertes, duizeligheid, cognitieve stoornissen en nierfunctiestoornissen (kwaliteit van bewijs is zeer laag);
  • Valfrequentie is niet onderzocht. Mogelijk is er niet of nauwelijks verschil in het aantal botbreuken (proxy voor valrisico; kwaliteit van bewijs is laag);
  • Mortaliteit, recidief intracerebrale bloeding en overige hart- en vaatziekten zijn niet onderzocht in de groep patiënten met een doorgemaakte intracerebrale bloeding.
Cholesterolverlagende medicatie

Een intracerebrale bloeding is geen indicatie voor behandeling met een statine.

Details
Statines na een intracerebrale bloeding

Behandeling van patiënten die een TIA of herseninfarct hebben doorgemaakt met statines leidt tot een significante reductie van het risico op een recidief herseninfarct en andere vasculaire ziekten. In de Stroke Prevention by Aggressive Reduction in Cholesterol Levels (SPARCL)-studie bleek uit post-hocanalyses dat er sprake was van een toegenomen risico op een hersenbloeding bij behandeling met atorvastatine in het kader van secundaire preventie na een beroerte (2,3% in de atorvastatine- versus 1,4% in de placebogroep, HR 1,66; 95%-BI 1,0 tot 2,55).

Uit een secundaire analyse blijkt dat de patiënten die een intracerebrale bloeding hadden doorgemaakt (2% van de patiënten, n = 93) voorafgaand aan de inclusie het hoogste risico hierop hebben (HR 5,65; 95%-BI 2,82 tot 11,30). Daarnaast was er bij deze patiënten ook sprake van een toename van de kans op een recidief beroerte of ander cardiovasculaire gebeurtenis ten tijde van de behandeling met atorvastatine (HR 2,82; 95%-BI 0,89 tot 9,01). Er kon geen relatie worden aangetoond tussen de waarde van het totale cholesterol of LDL-cholesterol en de kans op een intracerebrale bloeding.  275    

In de subgroepanalyse van de Heart Protection Study over patiënten die een beroerte hadden doorgemaakt (n = 3280, gemiddeld interval tussen event en inclusie 4,3 jaar) bleek sprake van een niet-significante toename van het aantal patiënten dat een hersenbloeding doormaakte in de statinegroep.  261    

De bevinding dat behandeling met een statine na een beroerte in het kader van secundaire preventie tot een verhoogde kans op een intracerebrale bloeding leidt, wordt in 3 meta-analyses bevestigd: HR 1,73; 95%-BI 1,19 tot 2,50  260     263     en HR 1,72; 95%-BI 1,20 tot 2,46.  262     Uit berekeningen volgens een Markov-model bleek het risico op een hersenbloeding vooral verhoogd bij patiënten die eerder een lobaire bloeding hadden doorgemaakt. Bij deze patiënten leidde het toepassen van behandeling met een statine tot een stijging van het jaarlijkse risico op een intracerebrale bloeding van 14 naar 22% en een 2,2 jaar kortere levensduur. Bij een bloedingslokalisatie dieper in de hersenen (basale ganglia of thalamus) lijken de risico’s van behandeling met een statine minder groot.  276    

Onderzoek primair gericht op de effectiviteit en veiligheid van statines bij patiënten die een intracerebrale bloeding hebben doorgemaakt ontbreekt. De bewijskracht van bovenstaande onderzoeken is verminderd door het kleine aantal patiënten met een intracerebrale bloeding ten tijde van de inclusie. Daarnaast zijn de bevindingen gebaseerd op secundaire analyses en is de in het SPARCL-onderzoek onderzochte dosering atorvastatine 80 mg hoog. Het is onbekend of bij een lagere dosering ook sprake is van een toegenomen risico op intracerebrale bloedingen. Statines verminderen de trombocytenaggregatie en stimuleren de fibrinolyse, hetgeen de mogelijke toename van de kans op intracerebrale bloedingen kan verklaren.  277    

In 2 meta-analyses (31 RCT’s, n = 182.803 en 23 RCT’s, 19 observationele onderzoeken, n = 248.391) werd geen relatie gevonden tussen het gebruik van een statine in het kader van primaire of secundaire preventie van (cardio)vasculaire aandoeningen en het optreden van een intracerebrale bloeding.  278     279    

Conclusie

Er zijn aanwijzingen dat behandeling met een statine bij patiënten die een beroerte (vooral een intracerebrale bloeding) hebben doorgemaakt, gepaard gaat met een verhoogd risico op een intracerebrale bloeding. Bij patiënten die een herseninfarct of TIA hebben doorgemaakt, wegen de voordelen van behandeling met een statine op tegen de verhoogde kans op een hersenbloeding. Na een spontane intracerebrale bloeding, met name indien deze lobair gelokaliseerd is, is het onduidelijk of het positieve effect opweegt tegen de mogelijk toegenomen kans op een intracerebrale bloeding.

ControlesNaar Samenvatting

  • Maak afspraken met de patiënt en diens partner en/of mantelzorger over de frequentie en de wijze waarop periodieke controles plaatsvinden.
  • Zie voor aandachtspunten bij controles Aandachtspunten bij controles; wees ook na een minor stroke of TIA alert op beperkingen.
  • Wanneer de patiënt stabiel is en alle benodigde zorg is ingeschakeld, komt de nadruk bij de controles te liggen op het cardiovasculair risicomanagement:

Soms blijft een diagnose TIA onzeker, ook na aanvullend onderzoek. Besteed in dat geval bij vervolgconsulten aandacht aan het bestaan van recidiverende verschijnselen en blijf alert op een alternatieve oorzaak voor de klachten, bijvoorbeeld migraine (zie tabel h2). Overleg zo nodig met de neuroloog (ook over de noodzaak tot het continueren van de secundaire preventie).

Consultatie en verwijzingNaar Samenvatting

  • bij recidief uitvalsverschijnselen en complicaties (zoals epileptische insulten): neuroloog
  • bij beperkingen op het gebied van somatisch of maatschappelijk functioneren: specialist ouderengeneeskunde of revalidatiearts
  • bij (dreigende) contracturen of spasticiteit: revalidatiearts
  • bij (te verwachten) problemen met de re-integratie in het arbeidsproces: bedrijfsarts (of medisch adviseur van de particuliere verzekeraar bij zelfstandige ondernemers) en eventueel ergotherapeut of revalidatiearts
  • bij onduidelijkheid over het bestaan en de aard van cognitieve stoornissen en/of emotionele gedragsstoornissen: neuropsycholoog (in overleg met neuroloog en/of revalidatiearts)
  • bij cognitieve stoornissen, indien cognitieve revalidatie wordt overwogen: ergotherapeut, revalidatiearts of specialist ouderengeneeskunde
  • bij een kwetsbare oudere met complexe problematiek, bijvoorbeeld voor advies over het beleid bij gedragsproblematiek of over een indicatie tot somatische of psychogeriatrische opname: specialist ouderengeneeskunde
  • bij taal-, spraak- en/of slikproblemen: logopedist
  • bij ernstige vermoeidheid en problemen in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en/of werkhervatting: ergotherapeut
  • bij mobiliteitsproblemen: oefen- of fysiotherapeut
  • bij beperkingen in ADL en huishoudelijke verrichtingen en/of noodzaak tot aanpassingen en hulpmiddelen in de thuissituatie: ergotherapeut
  • bij problemen op het gebied van dagbesteding: sociaal wijkteam/WMO-consulent

Regionale zorgketen

  • Veel patiënten blijven na een beroerte afhankelijk van verschillende hulpverleners. Om optimale coördinatie van deze multidisciplinaire zorg te waarborgen, ligt in Nederland de zorg voor deze patiënten gedurende alle stadia van het ziekteproces vaak in handen van een regionale zorgketen (stroke service).
  • In deze keten werken verpleegkundigen, neurologen, fysio- of oefentherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten, diëtisten, psychologen, geriaters, specialisten ouderengeneeskunde, revalidatieartsen en apothekers samen. Deelname van de huisarts kan meerwaarde hebben.
  • Eenduidige afspraken over het behandeltraject, de samenwerking en de overdracht zijn belangrijke voorwaarden. Binnen de zorgketen moet duidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor welk deel van de zorg en voor welke gegevensaanlevering.
  • Voor de patiënt moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is bij problemen. Aandachtspunten zijn:
    • de benoeming van een zorgcoördinator
    • het opstellen van een zorgplan
  • Omdat de zorg voor de patiënt na ontslag uit ziekenhuis of revalidatie-instelling over het algemeen bij de huisarts ligt, kan het maken van afspraken met de huisarts meerwaarde hebben.
Details
Regionale zorgketen

Er zijn aanwijzingen dat implementatie van een zorgketen leidt tot kwaliteitswinst van de zorg voor de patiënt met een beroerte. Dit geldt voor een reductie van de gemiddelde opnameduur in een ziekenhuis, een verbetering van de gezondheidsuitkomsten en de kwaliteit van leven.  280     281     Er zijn geen recente cijfers beschikbaar over de effectiviteit van de regionale zorgketen in Nederland. In de verschillende landen wordt multidisciplinaire zorg voor patiënten met een beroerte op wisselende wijze vormgegeven. De onderzoeksgegevens zijn daarom niet extrapoleerbaar naar de Nederlandse situatie.  282    

Om de regionale zorgketen te kunnen sturen en verbeteren, is het belangrijk om gezamenlijke doelstellingen te formuleren en die ook te registreren. In Nederland waren er op 1 januari 2012 67 stroke services die deelnamen aan de stichting Kennisnetwerk CVA Nederland.  283     Doel van dit netwerk is waarborging en verdere verbetering van de zorg voor patiënten die een beroerte hebben doorgemaakt, onder meer door het opstellen van prestatie-indicatoren.  284    

Conclusie

In Nederland wordt de zorg voor patiënten met een beroerte in toenemende mate in zorgketens vormgegeven.
De regionale zorgketen is gericht op een goede samenwerking tussen alle disciplines die betrokken zijn bij de zorg voor een patiënt met een beroerte, in alle fases van het ziekteproces.

Referenties

  1. Easton JD, Saver JL, Albers GW, Alberts MJ, Chaturvedi S, Feldmann E, et al. Definition and evaluation of transient ischemic attack: a scientific statement for healthcare professionals from the American Heart Association/American Stroke Association Stroke Council
  2. Mendelson SJ, Prabhakaran S. Diagnosis and management of transient ischemic attack and acute ischemic stroke: a review. Jama 2021;325:1088–98.
  3. Sacco RL, Kasner SE, Broderick JP, Caplan LR, Connors JJ, Culebras A, et al. An updated definition of stroke for the 21st century: a statement for healthcare professionals from the American Heart Association/American Stroke Association. Stroke 2013;44:2064–89.
  4. Hartstichting. Hart-en vaatziekten in Nederland 2020 : cijfers over risicofactoren, hartinteventies, ziekte en sterfte. 2020.
  5. Magliano DJ, Chen L, Islam RM, Carstensen B, Gregg EW, Pavkov ME, et al. Trends in the incidence of diagnosed diabetes: a multicountry analysis of aggregate data from 22 million diagnoses in high-income and middle-income settings. Lancet Diabetes Endocrinol 2021;9:203–11.
  6. Hartenvaatcijfers. Jaarcijfers acuut herseninfarct 2018-2023. https://www.hartenvaatcijfers.nl/jaarcijfers/jaarcijfers-acuut-herseninfarct-2018-2022-efe3d, geraadpleegd april 2025.
  7. vzinfo. Volksgezondheid en Zorg (2025a). https://www.vzinfo.nl/beroerte/sterftecijfers, geraadpleegd april 2025.
  8. Vaartjes I, O'Flaherty M, Capewell S, Kappelle J, Bots M. Remarkable decline in ischemic stroke mortality is not matched by changes in incidence. Stroke 2013;44:591–7.
  9. vzinfo. Beroerte | Cijfers & Context | Trends | Volksgezondheidenzorg.info (2025b). https://www.vzinfo.nl/beroerte#node-verklaringen-voor-trends-0, geraadpleegd april 2025.
  10. Bos V, Kunst AE, Keij-Deerenberg IM, Garssen J, Mackenbach JP. Ethnic inequalities in age- and cause-specific mortality in The Netherlands. Int J Epidemiol 2004;33:1112–9.
  11. Reeves MJ, Bushnell CD, Howard G, Gargano JW, Duncan PW, Lynch G, et al. Sex differences in stroke: epidemiology, clinical presentation, medical care, and outcomes. Lancet Neurol 2008;7:915–26.
  12. RIVM. 30-dagen sterfte na acuut myocardinfarct of beroerte. 2011.
  13. Petrea RE, Beiser AS, Seshadri S, Kelly-Hayes M, Kase CS, Wolf PA. Gender differences in stroke incidence and poststroke disability in the Framingham heart study. Stroke 2009;40:1032–7.
  14. Lisabeth LD, Brown DL, Hughes R, Majersik JJ, Morgenstern LB. Acute stroke symptoms: comparing women and men. Stroke 2009;40:2031–6.
  15. Stuart-Shor EM, Wellenius GA, DelloIacono DM, Mittleman MA. Gender differences in presenting and prodromal stroke symptoms. Stroke 2009;40:1121–6.
  16. Persky RW, Turtzo LC, McCullough LD. Stroke in women: disparities and outcomes. Curr Cardiol Rep 2010;12:6–13.
  17. Dirks M, Niessen LW, Van Wijngaarden JD, Koudstaal PJ, Franke CL, Van Oostenbrugge RJ, et al. Promoting thrombolysis in acute ischemic stroke. Stroke 2011;42:1325–30.
  18. Rothwell PM, Coull AJ, Giles MF, Howard SC, Silver LE, Bull LM, et al. Change in stroke incidence, mortality, case-fatality, severity, and risk factors in Oxfordshire, UK from 1981 to 2004 (Oxford Vascular Study). Lancet 2004a;363:1925–33.
  19. Franke CL, Poos MJJC, Van Wieren S. Hoeveel zorg gebruiken patiënten met beroerte en wat zijn de kosten? Nationaal Kompas Volksgezondheid 2011b.
  20. Jones SP, Bray JE, Gibson JM, McClelland G, Miller C, Price CI, et al. Characteristics of patients who had a stroke not initially identified during emergency prehospital assessment: a systematic review. Emerg Med J 2021;38:387–93.
  21. Tsang BKT, Chen ASK, Paine M. Acute evaluation of the acute vestibular syndrome: differentiating posterior circulation stroke from acute peripheral vestibulopathies. Intern Med J 2017;47:1352–60.
  22. Venhovens J, Meulstee J, Verhagen WI. Acute vestibular syndrome: a critical review and diagnostic algorithm concerning the clinical differentiation of peripheral versus central aetiologies in the emergency department. J Neurol 2016;263:2151–7.
  23. Kerber KA, Brown DL, Lisabeth LD, Smith MA, Morgenstern LB. Stroke among patients with dizziness, vertigo, and imbalance in the emergency department: a population-based study. Stroke 2006;37:2484–7.
  24. Kim JS, Lee H. Vertigo due to posterior circulation stroke. Semin Neurol 2013;33:179–84.
  25. Hoyer C, Szabo K. Pitfalls in the diagnosis of posterior circulation stroke in the emergency setting. Front Neurol 2021;12:682827.
  26. Erkelens DC, Rutten FH, Wouters LT, Dolmans LS, De Groot E, Damoiseaux RA, et al. Accuracy of telephone triage in patients suspected of transient ischaemic attack or stroke: a cross-sectional study. BMC Fam Pract 2020;21:256.
  27. Dolmans LS, Rutten F, Bartelink MEL, Van Dijk EJ, Nederkoorn PJ, Kappelle J, et al. Serum biomarkers in patients suspected of transient ischaemic attack in primary care: a diagnostic accuracy study. BMJ Open 2019a;9:e031774.
  28. Amort M, Fluri F, Schäfer J, Weisskopf F, Katan M, Burow A, et al. Transient ischemic attack versus transient ischemic attack mimics: frequency, clinical characteristics and outcome. Cerebrovasc Dis 2011;32:57–64.
  29. Ferro JM, Falcão I, Rodrigues G, Canhão P, Melo TP, Oliveira V, et al. Diagnosis of transient ischemic attack by the nonneurologist. A validation study. Stroke 1996;27:2225–9.
  30. Koudstaal PJ, Van Gijn J, Staal A, Duivenvoorden HJ, Gerritsma JG, Kraaijeveld CL. Diagnosis of transient ischemic attacks: improvement of interobserver agreement by a check-list in ordinary language. Stroke 1986;17:723–8.
  31. Kraaijeveld CL, Van Gijn J, Schouten HJ, Staal A. Interobserver agreement for the diagnosis of transient ischemic attacks. Stroke 1984;15:723–5.
  32. Dolmans LS, Rutten FH. Praktische aanbevelingen voor de diagnostiek van een TIA. Huisarts Wet 2020;63.
  33. Howard G, Evans GW, Thomas JL, Ryu JE, Kahl FR, Crouse JR. Reevaluation of transient ischemic attacks as a risk factor for early mortality. Stroke 1991;22:582–5.
  34. Scheinberg P. Transient ischemic attacks: an update. J Neurol Sci 1991;101:133–40.
  35. Autret A, Pourcelot L, Saudeau D, Marchal C, Bertrand P, De Boisvilliers S. Stroke risk in patients with carotid stenosis. Lancet 1987;1:888–90.
  36. Behar S, Tanne D, Abinader E, Agmon J, Barzilai J, Friedman Y, et al. Cerebrovascular accident complicating acute myocardial infarction: incidence, clinical significance and short- and long-term mortality rates. The SPRINT Study Group. Am J Med 1991;91:45–50.
  37. Wolf PA, Abbott RD, Kannel WB. Atrial fibrillation as an independent risk factor for stroke: the Framingham Study. Stroke 1991;22:983–8.
  38. Marini C, De Santis F, Sacco S, Russo T, Olivieri L, Totaro R, et al. Contribution of atrial fibrillation to incidence and outcome of ischemic stroke: results from a population-based study. Stroke 2005;36:1115–9.
  39. Bogousslavsky J, Van Melle G, Regli F, Kappenberger L. Pathogenesis of anterior circulation stroke in patients with nonvalvular atrial fibrillation: the Lausanne Stroke Registry. Neurology 1990;40:1046–50.
  40. Miller VT, Rothrock JF, Pearce LA, Feinberg WM, Hart RG, Anderson DC. Ischemic stroke in patients with atrial fibrillation: effect of aspirin according to stroke mechanism. Stroke prevention in atrial fibrillation investigators. Neurology 1993;43:32–6.
  41. Adelborg K, Szépligeti SK, Holland-Bill L, Ehrenstein V, Horváth-Puhó E, Henderson VW, et al. Migraine and risk of cardiovascular diseases: Danish population based matched cohort study. BMJ 2018;360:k96.
  42. Mahmoud AN, Mentias A, Elgendy AY, Qazi A, Barakat AF, Saad M, et al. Migraine and the risk of cardiovascular and cerebrovascular events: a meta-analysis of 16 cohort studies including 1 152 407 subjects. BMJ Open 2018;8:e020498.
  43. Anonymous. Treatment for stroke? Lancet 1991;337:1129–31.
  44. Buikema H, Van Gilst WH. Fysiologische rol van endotheel. Hart bulletin 1992;23:215-20.
  45. Pulsinelli W. Pathophysiology of acute ischaemic stroke. Lancet 1992;339:533–6.
  46. Wise RJ, Bernardi S, Frackowiak RS, Legg NJ, Jones T. Serial observations on the pathophysiology of acute stroke. The transition from ischaemia to infarction as reflected in regional oxygen extraction. Brain 1983;106 (Pt 1):197–222.
  47. Rouvroije VJH, Raupp SFA, Sluzewski M. Plotselinge ernstige hoofdpijn niet altijd onschuldig. ‘Thunderclap headache’ door reversibele cerebrale vasoconstrictie. Ned Tijdschr Geneesk 2011;155:A3184.
  48. Treadwell SD, Thanvi B, Robinson TG. Stroke in pregnancy and the puerperium. Postgrad Med J 2008;84:238–45.
  49. Ariesen MJ, Claus SP, Rinkel GJ, Algra A. Risk factors for intracerebral hemorrhage in the general population: a systematic review. Stroke 2003;34:2060–5.
  50. Pozzi M, Roccatagliata D, Sterzi R. Drug abuse and intracranial hemorrhage. Neurol Sci 2008;29 Suppl 2:S269–70.
  51. Franke CL, Blokstra A. Beroerte: hoe zijn preventie en zorg georganiseerd? Nationaal Kompas Volksgezondheid 2011a.
  52. Langhorne P, Bernhardt J, Kwakkel G. Stroke rehabilitation. Lancet 2011;377:1693–702.
  53. Kwakkel G, Kollen B, Twisk J. Impact of time on improvement of outcome after stroke. Stroke 2006b;37:2348–53.
  54. Kwakkel G, Kollen BJ. Predicting activities after stroke: what is clinically relevant? Int J Stroke 2013;8:25–32.
  55. Van Straten A, Reitsma JB, Limburg M, Van den Bos GA, De Haan RJ. Impact of stroke type on survival and functional health. Cerebrovasc Dis 2001;12:27–33.
  56. Van Asch CJ, Luitse MJ, Rinkel GJ, Van der Tweel I, Algra A, Klijn CJ. Incidence, case fatality, and functional outcome of intracerebral haemorrhage over time, according to age, sex, and ethnic origin: a systematic review and meta-analysis. Lancet Neurol 2010;9:167–76.
  57. Appelros P, Nydevik I, Viitanen M. Poor outcome after first-ever stroke: predictors for death, dependency, and recurrent stroke within the first year. Stroke 2003;34:122–6.
  58. Eriksson SE, Olsson JE. Survival and recurrent strokes in patients with different subtypes of stroke: a fourteen-year follow-up study. Cerebrovasc Dis 2001;12:171–80.
  59. Warlow C. Secondary prevention of stroke. Lancet 1992;339:724–7.
  60. Giles MF, Rothwell PM. Risk of stroke early after transient ischaemic attack: a systematic review and meta-analysis. Lancet Neurol 2007;6:1063–72.
  61. Coull AJ, Lovett JK, Rothwell PM. Population based study of early risk of stroke after transient ischaemic attack or minor stroke: implications for public education and organisation of services. BMJ 2004;328:326.
  62. Kleindorfer D, Panagos P, Pancioli A, Khoury J, Kissela B, Woo D, et al. Incidence and short-term prognosis of transient ischemic attack in a population-based study. Stroke 2005;36:720–3.
  63. Gattellari M, Goumas C, Garden F, Worthington JM. Relative survival after transient ischaemic attack: results from the Program of Research Informing Stroke Management (PRISM) study. Stroke 2012;43:79–85.
  64. Van Cranenburgh B. Neurowetenschappen, een overzicht. Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom, 1998.
  65. Dickey L, Kagan A, Lindsay MP, Fang J, Rowland A, Black S. Incidence and profile of inpatient stroke-induced aphasia in Ontario, Canada. Arch Phys Med Rehabil 2010;91:196–202.
  66. El Hachioui H, Lingsma HF, Van de Sandt-Koenderman MW, Dippel DW, Koudstaal PJ, Visch-Brink EG. Long-term prognosis of aphasia after stroke. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2013;84:310–5.
  67. Vermeer SE, Koudstaal PJ, Oudkerk M, Hofman A, Breteler MM. Prevalence and risk factors of silent brain infarcts in the population-based Rotterdam Scan Study. Stroke 2002;33:21–5.
  68. Wade DT, Hewer RL, David RM, Enderby PM. Aphasia after stroke: natural history and associated deficits. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1986;49:11–6.
  69. Flamand-Roze C, Cauquil-Michon C, Denier C. Tools and early management of language and swallowing disorders in acute stroke patients. Curr Neurol Neurosci Rep 2012;12:34–41.
  70. Dumoulin C, Korner-Bitensky N, Tannenbaum C. Urinary incontinence after stroke: does rehabilitation make a difference? A systematic review of the effectiveness of behavioral therapy. Top Stroke Rehabil 2005;12:66–76.
  71. Harari D, Coshall C, Rudd AG, Wolfe CD. New-onset fecal incontinence after stroke: prevalence, natural history, risk factors, and impact. Stroke 2003;34:144–50.
  72. Carlsson GE, Möller A, Blomstrand C. Consequences of mild stroke in persons <75 years -- a 1-year follow-up. Cerebrovasc Dis 2003;16:383–8.
  73. Glader EL, Stegmayr B, Asplund K. Poststroke fatigue: a 2-year follow-up study of stroke patients in Sweden. Stroke 2002;33:1327–33.
  74. Van der Werf SP, Van den Broek HL, Anten HW, Bleijenberg G. Experience of severe fatigue long after stroke and its relation to depressive symptoms and disease characteristics. Eur Neurol 2001;45:28–33.
  75. McGeough E, Pollock A, Smith LN, Dennis M, Sharpe M, Lewis S, et al. Interventions for post-stroke fatigue. Cochrane Database Syst Rev 2009:CD007030.
  76. Zedlitz AM, Rietveld TC, Geurts AC, Fasotti L. Cognitive and graded activity training can alleviate persistent fatigue after stroke: a randomized, controlled trial. Stroke 2012;43:1046–51.
  77. Pendlebury ST, Rothwell PM. Prevalence, incidence, and factors associated with pre-stroke and post-stroke dementia: a systematic review and meta-analysis. Lancet Neurol 2009;8:1006–18.
  78. Madureira S, Guerreiro M, Ferro JM. Dementia and cognitive impairment three months after stroke. Eur J Neurol 2001;8:621–7.
  79. Jaillard A, Naegele B, Trabucco-Miguel S, LeBas JF, Hommel M. Hidden dysfunctioning in subacute stroke. Stroke 2009;40:2473–9.
  80. Tatemichi TK, Desmond DW, Stern Y, Paik M, Sano M, Bagiella E. Cognitive impairment after stroke: frequency, patterns, and relationship to functional abilities. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1994;57:202–7.
  81. Gottesman RF, Hillis AE. Predictors and assessment of cognitive dysfunction resulting from ischaemic stroke. Lancet Neurol 2010;9:895–905.
  82. Cicerone KD, Dahlberg C, Malec JF, Langenbahn DM, Felicetti T, Kneipp S, et al. Evidence-based cognitive rehabilitation: updated review of the literature from 1998 through 2002. Arch Phys Med Rehabil 2005;86:1681–92.
  83. Lincoln NB, Majid MJ, Weyman N. Cognitive rehabilitation for attention deficits following stroke. Cochrane Database Syst Rev 2000:CD002842.
  84. Nair RD, Lincoln NB. Cognitive rehabilitation for memory deficits following stroke. Cochrane Database Syst Rev 2007:CD002293.
  85. Herrmann N, Black SE, Lawrence J, Szekely C, Szalai JP. The Sunnybrook Stroke Study: a prospective study of depressive symptoms and functional outcome. Stroke 1998;29:618–24.
  86. Bhogal SK, Teasell R, Foley N, Speechley M. Lesion location and poststroke depression: systematic review of the methodological limitations in the literature. Stroke 2004;35:794–802.
  87. Paolucci S, Antonucci G, Pratesi L, Traballesi M, Grasso MG, Lubich S. Poststroke depression and its role in rehabilitation of inpatients. Arch Phys Med Rehabil 1999;80:985–90.
  88. Schmid AA, Kroenke K, Hendrie HC, Bakas T, Sutherland JM, Williams LS. Poststroke depression and treatment effects on functional outcomes. Neurology 2011;76:1000–5.
  89. Chemerinski E, Robinson RG, Kosier JT. Improved recovery in activities of daily living associated with remission of poststroke depression. Stroke 2001;32:113–7.
  90. Saxena SK, Ng TP, Koh G, Yong D, Fong NP. Is improvement in impaired cognition and depressive symptoms in post-stroke patients associated with recovery in activities of daily living? Acta Neurol Scand 2007;115:339–46.
  91. Hackett ML, Anderson CS, House A, Xia J. Interventions for treating depression after stroke. Cochrane Database Syst Rev 2008:CD003437.
  92. Van Heugten C, Rasquin S, Winkens I, Beusmans G, Verhey F. Checklist for cognitive and emotional consequences following stroke (CLCE-24): development, usability and quality of the self-report version. Clin Neurol Neurosurg 2007;109:257–62.
  93. Moran GM, Fletcher B, Feltham MG, Calvert M, Sackley C, Marshall T. Fatigue, psychological and cognitive impairment following transient ischaemic attack and minor stroke: a systematic review. Eur J Neurol 2014;21:1258–67.
  94. Turner GM, Calvert M, Feltham MG, Ryan R, Marshall T. Ongoing impairments following transient ischaemic attack: retrospective cohort study. Eur J Neurol 2016;23:1642–50.
  95. Van Rooij FG, Schaapsmeerders P, Maaijwee NA, Van Duijnhoven DA, De Leeuw FE, Kessels RP, et al. Persistent cognitive impairment after transient ischemic attack. Stroke 2014;45:2270–4.
  96. SUTC. Organised inpatient (stroke unit) care for stroke. Cochrane Database Syst Rev 2007:CD000197.
  97. Saposnik G, Kapral MK, Coutts SB, Fang J, Demchuk AM, Hill MD. Do all age groups benefit from organized inpatient stroke care? Stroke 2009;40:3321–7.
  98. Xian Y, Holloway RG, Chan PS, Noyes K, Shah MN, Ting HH, et al. Association between stroke center hospitalization for acute ischemic stroke and mortality. Jama 2011;305:373–80.
  99. O'rourke K, Walsh C. Impact of stroke units on mortality: a Bayesian analysis. Eur J Neurol 2010;17:247–51.
  100. Seenan P, Long M, Langhorne P. Stroke units in their natural habitat: systematic review of observational studies. Stroke 2007;38:1886–92.
  101. Langhorne P, Dennis MS. Stroke units: the next 10 years. Lancet 2004;363:834–5.
  102. Lees KR, Bluhmki E, Von Kummer R, Brott TG, Toni D, Grotta JC, et al. Time to treatment with intravenous alteplase and outcome in stroke: an updated pooled analysis of ECASS, ATLANTIS, NINDS, and EPITHET trials. Lancet 2010;375:1695–703.
  103. NVN. Herseninfarct en hersenbloeding (2025). https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/herseninfarct_en_hersenbloeding/startpagina_herseninfarct_-bloeding.html, geraadpleegd augustus 2025.
  104. NVN. Herseninfarct en hersenbloeding (2021). https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/herseninfarct_en_hersenbloeding/startpagina_herseninfarct_-bloeding.html.
  105. Broderick JP, Palesch YY, Demchuk AM, Yeatts SD, Khatri P, Hill MD, et al. Endovascular therapy after intravenous t-PA versus t-PA alone for stroke. N Engl J Med 2013;368:893–903.
  106. Ciccone A, Valvassori L, Nichelatti M, Sgoifo A, Ponzio M, Sterzi R, et al. Endovascular treatment for acute ischemic stroke. N Engl J Med 2013;368:904–13.
  107. Kidwell CS, Jahan R, Gornbein J, Alger JR, Nenov V, Ajani Z, et al. A trial of imaging selection and endovascular treatment for ischemic stroke. N Engl J Med 2013;368:914–23.
  108. Berkhemer OA, Fransen PS, Beumer D, Van den Berg LA, Lingsma HF, Yoo AJ, et al. A randomized trial of intraarterial treatment for acute ischemic stroke. N Engl J Med 2015;372:11–20.
  109. Campbell BCV, Ma H, Ringleb PA, Parsons MW, Churilov L, Bendszus M, et al. Extending thrombolysis to 4·5-9 h and wake-up stroke using perfusion imaging: a systematic review and meta-analysis of individual patient data. Lancet 2019;394:139–47.
  110. Goyal M, Menon BK, Van Zwam WH, Dippel DWJ, Mitchell PJ, Demchuk AM, et al. Endovascular thrombectomy after large-vessel ischaemic stroke: a meta-analysis of individual patient data from five randomised trials. The Lancet 2016;387:1723–31.
  111. Jovin TG, Chamorro A, Cobo E, De Miquel MA, Molina CA, Rovira A, et al. Thrombectomy within 8 hours after symptom onset in ischemic stroke. N Engl J Med 2015;372:2296–306.
  112. Saver JL, Goyal M, Van der Lugt A, Menon BK, Majoie CB, Dippel DW, et al. Time to treatment with endovascular thrombectomy and outcomes from ischemic stroke: a meta-analysis. JAMA 2016;316:1279–88.
  113. Jovin TG, Li C, Wu L, Wu C, Chen J, Jiang C, et al. Trial of thrombectomy 6 to 24 hours after stroke due to basilar-artery occlusion. N Engl J Med 2022;387:1373–84.
  114. Olthuis SGH, Pirson FAV, Pinckaers FME, Hinsenveld WH, Nieboer D, Ceulemans A, et al. Endovascular treatment versus no endovascular treatment after 6-24 h in patients with ischaemic stroke and collateral flow on CT angiography (MR CLEAN-LATE) in the Netherlands: a multicentre, open-label, blinded-endpoint, randomised, controlled, phase 3 trial. Lancet 2023;401:1371–80.
  115. Hankey GJ. Long-term outcome after ischaemic stroke/transient ischaemic attack. Cerebrovasc Dis 2003;16 Suppl 1:14–9.
  116. Rothwell PM, Giles MF, Chandratheva A, Marquardt L, Geraghty O, Redgrave JN, et al. Effect of urgent treatment of transient ischaemic attack and minor stroke on early recurrent stroke (EXPRESS study): a prospective population-based sequential comparison. Lancet 2007;370:1432–42.
  117. Verburg A, Stirbu-Wagner I, Wiersma T, Korevaar J. Secundaire preventie na een beroerte. Huisarts Wet 2013;12.
  118. Klijn CJ, Kappelle LJ, Tulleken CA, Van Gijn J. Symptomatic carotid artery occlusion. A reappraisal of hemodynamic factors. Stroke 1997;28:2084–93.
  119. Fluri F, Engelter S, Lyrer P. Extracranial-intracranial arterial bypass surgery for occlusive carotid artery disease. Cochrane Database Syst Rev 2010;2010:CD005953.
  120. Powers WJ, Clarke WR, Grubb RL, Jr., Videen TO, Adams HP, Jr., Derdeyn CP. Extracranial-intracranial bypass surgery for stroke prevention in hemodynamic cerebral ischemia: the Carotid Occlusion Surgery Study randomized trial. Jama 2011;306:1983–92.
  121. Kwakkel G, Wagenaar RC, Koelman TW, Lankhorst GJ, Koetsier JC. Effects of intensity of rehabilitation after stroke. A research synthesis. Stroke 1997;28:1550–6.
  122. Langhorne P, Wagenaar R, Partridge C. Physiotherapy after stroke: more is better? Physiother Res Int 1996;1:75–88.
  123. Craig JC, Williams GJ, Jones M, Codarini M, Macaskill P, Hayen A, et al. The accuracy of clinical symptoms and signs for the diagnosis of serious bacterial infection in young febrile children: prospective cohort study of 15 781 febrile illnesses. Bmj 2010;340:c1594.
  124. Kwakkel G. Impact of intensity of practice after stroke: issues for consideration. Disabil Rehabil 2006a;28:823–30.
  125. Kwakkel G, Van Peppen R, Wagenaar RC, Wood Dauphinee S, Richards C, Ashburn A, et al. Effects of augmented exercise therapy time after stroke: a meta-analysis. Stroke 2004;35:2529–39.
  126. Veerbeek JM, Koolstra M, Ket JC, Van Wegen EE, Kwakkel G. Effects of augmented exercise therapy on outcome of gait and gait-related activities in the first 6 months after stroke: a meta-analysis. Stroke 2011;42:3311–5.
  127. Langhorne P, Coupar F, Pollock A. Motor recovery after stroke: a systematic review. Lancet Neurol 2009;8:741–54.
  128. Legg L, Drummond A, Leonardi-Bee J, Gladman JR, Corr S, Donkervoort M, et al. Occupational therapy for patients with problems in personal activities of daily living after stroke: systematic review of randomised trials. BMJ 2007;335:922.
  129. Legg LA, Drummond AE, Langhorne P. Occupational therapy for patients with problems in activities of daily living after stroke. Cochrane Database Syst Rev 2006;2006:CD003585.
  130. Walker MF, Leonardi-Bee J, Bath P, Langhorne P, Dewey M, Corr S, et al. Individual patient data meta-analysis of randomized controlled trials of community occupational therapy for stroke patients. Stroke 2004;35:2226–32.
  131. Van de Port IG, Kwakkel G, Van Wijk I, Lindeman E. Susceptibility to deterioration of mobility long-term after stroke: a prospective cohort study. Stroke 2006;37:167–71.
  132. Brady MC, Kelly H, Godwin J, Enderby P. Speech and language therapy for aphasia following stroke. Cochrane Database Syst Rev 2012:CD000425.
  133. Robey RR. A meta-analysis of clinical outcomes in the treatment of aphasia. J Speech Lang Hear Res 1998;41:172–87.
  134. Mackenzie C, Lowit A. Behavioural intervention effects in dysarthria following stroke: communication effectiveness, intelligibility and dysarthria impact. Int J Lang Commun Disord 2007;42:131–53.
  135. Bowen A, Hesketh A, Patchick E, Young A, Davies L, Vail A, et al. Effectiveness of enhanced communication therapy in the first four months after stroke for aphasia and dysarthria: a randomised controlled trial. BMJ 2012;345:e4407.
  136. Carnaby G, Hankey GJ, Pizzi J. Behavioural intervention for dysphagia in acute stroke: a randomised controlled trial. Lancet Neurol 2006;5:31–7.
  137. Meyran D, Cassan P, Avau B, Singletary E, Zideman DA. Stroke recognition for first aid providers: a systematic review and meta-analysis. Cureus 2020;12:e11386.
  138. Exalto LG, Van Doorn S, Erkelens DCA, Smit K, Rutten FH, Kappelle LJ, et al. Call characteristics of patients suspected of transient ischemic attack (TIA) or stroke during out-of-hours service: a comparison between men and women. Front Neurol 2021;12:669090.
  139. Pickham D, Valdez A, Demeestere J, Lemmens R, Diaz L, Hopper S, et al. Prognostic Value of BEFAST vs. FAST to Identify Stroke in a Prehospital Setting. Prehosp Emerg Care 2019;23:195–200.
  140. Celesia GG, Brigell MG, Vaphiades MS. Hemianopic anosognosia. Neurology 1997;49:88–97.
  141. Oosterhuis HJGH. Klinische Neurologie. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
  142. Lebedeva ER, Gurary NM, Gilev DV, Christensen AF, Olesen J. Explicit diagnostic criteria for transient ischemic attacks to differentiate it from migraine with aura. Cephalalgia 2018;38:1463–70.
  143. Dolmans LS, Lebedeva ER, Veluponnar D, Van Dijk EJ, Nederkoorn PJ, Hoes AW, et al. Diagnostic accuracy of the explicit diagnostic criteria for transient ischemic attack: a validation study. Stroke 2019b;50:2080–5.
  144. Göbel CH, Karstedt SC, Münte TF, Göbel H, Wolfrum S, Lebedeva ER, et al. Explicit diagnostic criteria for transient ischemic attacks used in the emergency department are highly sensitive and specific. Cerebrovasc Dis 2021;50:62–7.
  145. Sandercock P. Recent developments in the diagnosis and management of patients with transient ischaemic attacks and minor ischaemic strokes. Q J Med 1991;78:101–12.
  146. Alblas CL, Beneder PR, Bulens C. Voorbijgaand geheugenverlies ('transient global amnesia'): aanwijzingen voor een syndroom van een cerebrale veneuze stase. Ned Tijdschr Geneesk 2006;150:1685-8.
  147. Bartsch T, Deuschl G. Transient global amnesia: functional anatomy and clinical implications. Lancet Neurol 2010;9:205–14.
  148. Erkelens CD, Snoek JW. What doctors should not forget about transient global amnesia. Eur J Gen Pract 2010;16:182–5.
  149. Thijs RD, Bloem BR, Van Dijk JG. Falls, faints, fits and funny turns. J Neurol 2009;256:155–67.
  150. Parry SW, Kenny RA. Drop attacks in older adults: systematic assessment has a high diagnostic yield. J Am Geriatr Soc 2005;53:74–8.
  151. Brantberg K, Ishiyama A, Baloh RW. Drop attacks secondary to superior canal dehiscence syndrome. Neurology 2005;64:2126–8.
  152. Barber PA, Zhang J, Demchuk AM, Hill MD, Buchan AM. Why are stroke patients excluded from TPA therapy? An analysis of patient eligibility. Neurology 2001;56:1015–20.
  153. Coutts SB, Modi J, Patel SK, Aram H, Demchuk AM, Goyal M, et al. What causes disability after transient ischemic attack and minor stroke?: Results from the CT and MRI in the Triage of TIA and minor Cerebrovascular Events to Identify High Risk Patients (CATCH) Study. Stroke 2012;43:3018–22.
  154. Anonymous. CAST: randomised placebo-controlled trial of early aspirin use in 20,000 patients with acute ischaemic stroke. CAST (Chinese Acute Stroke Trial) Collaborative Group. Lancet 1997a;349:1641–9.
  155. Anonymous. The International Stroke Trial (IST): a randomised trial of aspirin, subcutaneous heparin, both, or neither among 19435 patients with acute ischaemic stroke. International Stroke Trial Collaborative Group. Lancet 1997b;349:1569–81.
  156. Chen ZM, Sandercock P, Pan HC, Counsell C, Collins R, Liu LS, et al. Indications for early aspirin use in acute ischemic stroke : a combined analysis of 40 000 randomized patients from the chinese acute stroke trial and the international stroke trial. On behalf of the CAST and IST collaborative groups. Stroke 2000;31:1240–9.
  157. Anonymous. Collaborative meta-analysis of randomised trials of antiplatelet therapy for prevention of death, myocardial infarction, and stroke in high risk patients. BMJ 2002;324:71–86.
  158. Sandercock PA, Counsell C, Gubitz GJ, Tseng MC. Antiplatelet therapy for acute ischaemic stroke. Cochrane Database Syst Rev 2008:CD000029.
  159. Patrignani P, Filabozzi P, Patrono C. Selective cumulative inhibition of platelet thromboxane production by low-dose aspirin in healthy subjects. J Clin Invest 1982;69:1366–72.
  160. Galvin R, Geraghty C, Motterlini N, Dimitrov BD, Fahey T. Prognostic value of the ABCD² clinical prediction rule: a systematic review and meta-analysis. Fam Pract 2011;28:366–76.
  161. Johnston SC, Rothwell PM, Nguyen-Huynh MN, Giles MF, Elkins JS, Bernstein AL, et al. Validation and refinement of scores to predict very early stroke risk after transient ischaemic attack. Lancet 2007;369:283–92.
  162. Dippel DWJ. TIA: wel reden voor spoedopname. Ned Tijdschr Geneesk 2011;155:A3133.
  163. Giles MF, Rothwell PM. Systematic review and pooled analysis of published and unpublished validations of the ABCD and ABCD2 transient ischemic attack risk scores. Stroke 2010;41:667–73.
  164. Sanders LM, Srikanth VK, Blacker DJ, Jolley DJ, Cooper KA, Phan TG. Performance of the ABCD2 score for stroke risk post TIA: meta-analysis and probability modeling. Neurology 2012;79:971–80.
  165. Wind AW, Van der Werf G. Huisartsgeneeskunde voor ouderen (1): regie over complexe zorg vereist zorgplan. Huisarts Wet 2007:126–7.
  166. De Haan R, Limburg M, Schuling J, Broeshart J, Jonkers L, Van Zuylen P. Klinimetrische evaluatie van de Barthel Index. Ned Tijdschr Geneesk 1993;137:917-21.
  167. Huybrechts KF, Caro JJ. The Barthel Index and modified Rankin Scale as prognostic tools for long-term outcomes after stroke: a qualitative review of the literature. Curr Med Res Opin 2007;23:1627–36.
  168. Shi D, Chen X, Li Z. Diagnostic test accuracy of the Montreal Cognitive Assessment in the detection of post-stroke cognitive impairment under different stages and cutoffs: a systematic review and meta-analysis. Neurol Sci 2018;39:705–16.
  169. Lees R, Selvarajah J, Fenton C, Pendlebury ST, Langhorne P, Stott DJ, et al. Test accuracy of cognitive screening tests for diagnosis of dementia and multidomain cognitive impairment in stroke. Stroke 2014;45:3008–18.
  170. Chen X, Han Y, Zhou J, Ma M, Liu X. Diagnostic accuracy of cognitive screening tools under different neuropsychological definitions for poststroke cognitive impairment. Brain Behav 2020;10:e01671.
  171. Khaw J, Subramaniam P, Abd Aziz NA, Ali Raymond A, Wan Zaidi WA, Ghazali SE. Current update on the clinical utility of MMSE and MoCA for stroke patients in Asia: a systematic review. Int J Environ Res Public Health 2021;18.
  172. Offringa M, Newton R, Nevitt SJ, Vraka K. Prophylactic drug management for febrile seizures in children. Cochrane Database Syst Rev 2021;6:Cd003031.
  173. Kappelle LJ, Adams HP, Jr., Heffner ML, Torner JC, Gomez F, Biller J. Prognosis of young adults with ischemic stroke. A long-term follow-up study assessing recurrent vascular events and functional outcome in the Iowa Registry of Stroke in Young Adults. Stroke 1994;25:1360–5.
  174. Musolino R, La Spina P, Granata A, Gallitto G, Leggiadro N, Carerj S, et al. Ischaemic stroke in young people: a prospective and long-term follow-up study. Cerebrovasc Dis 2003;15:121–8.
  175. Neau JP, Ingrand P, Mouille-Brachet C, Rosier MP, Couderq C, Alvarez A, et al. Functional recovery and social outcome after cerebral infarction in young adults. Cerebrovasc Dis 1998;8:296–302.
  176. Vestling M, Tufvesson B, Iwarsson S. Indicators for return to work after stroke and the importance of work for subjective well-being and life satisfaction. J Rehabil Med 2003;35:127–31.
  177. CIAG. Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid. Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH) en Arbeidsparticipatie. Multidisciplinaire Richtlijn voor Beoordelen, Behandelen en Begeleiden. 2012.
  178. Saeki S, Ogata H, Okubo T, Takahashi K, Hoshuyama T. Return to work after stroke. A follow-up study. Stroke 1995;26:399–401.
  179. Treger I, Shames J, Giaquinto S, Ring H. Return to work in stroke patients. Disabil Rehabil 2007;29:1397–403.
  180. Visser-Meily A, Van Heugten C. Zorg voor de mantelzorg (2004). https://www.yumpu.com/nl/document/read/20139660/zorg-voor-de-mantelzorg-kennisnetwerk-cva-nl.
  181. Schure LM. Partners van CVA-patiënten: een onderzoek naar de gevolgen van een cerebrovasculair accident voor de partner van de patiënt [proefschrift]. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen; 1995.
  182. Berg A, Palomäki H, Lönnqvist J, Lehtihalmes M, Kaste M. Depression among caregivers of stroke survivors. Stroke 2005;36:639–43.
  183. Paul SL, Thrift AG, Donnan GA. Smoking as a crucial independent determinant of stroke. Tob Induc Dis 2004;2:67–80.
  184. Shinton R, Beevers G. Meta-analysis of relation between cigarette smoking and stroke. Bmj 1989;298:789–94.
  185. Wolf PA, D'Agostino RB, Kannel WB, Bonita R, Belanger AJ. Cigarette smoking as a risk factor for stroke. The Framingham Study. Jama 1988;259:1025–9.
  186. Myint PK, Welch AA, Bingham SA, Luben RN, Wareham NJ, Day NE, et al. Smoking predicts long-term mortality in stroke: The European Prospective Investigation into Cancer (EPIC)-Norfolk prospective population study. Prev Med 2006;42:128–31.
  187. Redfern J, McKevitt C, Dundas R, Rudd AG, Wolfe CD. Behavioral risk factor prevalence and lifestyle change after stroke: a prospective study. Stroke 2000;31:1877–81.
  188. Lee CD, Folsom AR, Blair SN. Physical activity and stroke risk: a meta-analysis. Stroke 2003;34:2475–81.
  189. Wendel-Vos GC, Schuit AJ, Feskens EJ, Boshuizen HC, Verschuren WM, Saris WH, et al. Physical activity and stroke. A meta-analysis of observational data. Int J Epidemiol 2004;33:787–98.
  190. Gordon NF, Gulanick M, Costa F, Fletcher G, Franklin BA, Roth EJ, et al. Physical activity and exercise recommendations for stroke survivors: an American Heart Association scientific statement from the Council on Clinical Cardiology, Subcommittee on Exercise, Cardiac Rehabilitation, and Prevention; the Council on Cardiovascular Nursing; the Council on Nutrition, Physical Activity, and Metabolism; and the Stroke Council. Circulation 2004;109:2031–41.
  191. Patra J, Taylor B, Irving H, Roerecke M, Baliunas D, Mohapatra S, et al. Alcohol consumption and the risk of morbidity and mortality for different stroke types--a systematic review and meta-analysis. BMC Public Health 2010;10:258.
  192. Strazzullo P, D'Elia L, Cairella G, Garbagnati F, Cappuccio FP, Scalfi L. Excess body weight and incidence of stroke: meta-analysis of prospective studies with 2 million participants. Stroke 2010;41:e418–26.
  193. Calabrò RS, Gervasi G, Bramanti P. Male sexual disorders following stroke: an overview. Int J Neurosci 2011;121:598–604.
  194. Korpelainen JT, Nieminen P, Myllylä VV. Sexual functioning among stroke patients and their spouses. Stroke 1999;30:715–9.
  195. Byrne RA, Rossello X, Coughlan JJ, Barbato E, Berry C, Chieffo A, et al. 2023 ESC Guidelines for the management of acute coronary syndromes. European Heart Journal 2023;44:3720–826.
  196. EMA. European Medicines Agency (2026). https://www.ema.europa.eu/en/homepage, geraadpleegd januari 2026.
  197. Ma X, Li D, Liu S, Chen Y, Zhong P. Efficacy and safety of ticagrelor versus aspirin and clopidogrel for stroke prevention in patients with vascular disease: a systematic review and meta-analysis. Eur Neurol 2023;86:229–41.
  198. Johnston SC, Amarenco P, Albers GW, Denison H, Easton JD, Evans SR, et al. Ticagrelor versus Aspirin in acute stroke or transient ischemic attack. N Engl J Med 2016;375:35–43.
  199. Wang Y, Chen W, Lin Y, Meng X, Chen G, Wang Z, et al. Ticagrelor plus aspirin versus clopidogrel plus aspirin for platelet reactivity in patients with minor stroke or transient ischaemic attack: open label, blinded endpoint, randomised controlled phase II trial. BMJ 2019;365:l2211.
  200. Wang Y, Meng X, Wang A, Xie X, Pan Y, Johnston SC, et al. Ticagrelor versus Clopidogrel in CYP2C19 loss-of-function carriers with stroke or TIA. N Engl J Med 2021;385:2520–30.
  201. Zeinhom MG, Aref HM, El-Khawas H, Roushdy TM, Shokri HM, Elbassiouny A. A pilot study of the ticagrelor role in ischemic stroke secondary prevention. Eur Neurol 2022;85:50–5.
  202. Ahmed SR, Nahas NE, Khalil MFE, Elbassiouny A, Almoataz MA, Omar TY, et al. TICA-CLOP STUDY: Ticagrelor versus Clopidogrel in acute moderate and moderate-to-severe ischemic stroke, a randomized controlled multi-center trial. CNS Drugs 2025;39:81–93.
  203. Zeinhom MG, Elbassiouny A, Mohamed AM, Ahmed SR. Ticagrelor versus Clopidogrel in acute large-vessel ischemic stroke: a randomized controlled single-blinded trial. CNS Drugs 2024;38:387–98.
  204. Sacco RL, Diener HC, Yusuf S, Cotton D, Ounpuu S, Lawton WA, et al. Aspirin and extended-release dipyridamole versus clopidogrel for recurrent stroke. N Engl J Med 2008;359:1238–51.
  205. Anonymous. A randomised, blinded, trial of clopidogrel versus aspirin in patients at risk of ischaemic events (CAPRIE). CAPRIE Steering Committee. Lancet 1996;348:1329–39.
  206. Benavente OR, Hart RG, McClure LA, Szychowski JM, Coffey CS, Pearce LA. Effects of clopidogrel added to aspirin in patients with recent lacunar stroke. N Engl J Med 2012;367:817–25.
  207. Bhatt DL, Fox KA, Hacke W, Berger PB, Black HR, Boden WE, et al. Clopidogrel and aspirin versus aspirin alone for the prevention of atherothrombotic events. N Engl J Med 2006;354:1706–17.
  208. Diener HC, Bogousslavsky J, Brass LM, Cimminiello C, Csiba L, Kaste M, et al. Aspirin and clopidogrel compared with clopidogrel alone after recent ischaemic stroke or transient ischaemic attack in high-risk patients (MATCH): randomised, double-blind, placebo-controlled trial. Lancet 2004;364:331–7.
  209. Sudlow CL, Mason G, Maurice JB, Wedderburn CJ, Hankey GJ. Thienopyridine derivatives versus aspirin for preventing stroke and other serious vascular events in high vascular risk patients. Cochrane Database Syst Rev 2009;2009:CD001246.
  210. Zuurbier S, Vermeer S, Hilkens P, Algra A, Roos Y. Secundaire preventie met clopidogrel na TIA of herseninfarct. Ned Tijdschr Geneesk 2013;157:A5836.
  211. ATC. Collaborative meta-analysis of randomised trials of antiplatelet therapy for prevention of death, myocardial infarction, and stroke in high risk patients. BMJ 2002;324:71–86.
  212. Johnson ES, Lanes SF, Wentworth CE, 3rd, Satterfield MH, Abebe BL, Dicker LW. A metaregression analysis of the dose-response effect of aspirin on stroke. Arch Intern Med 1999;159:1248–53.
  213. Van Gijn J, Algra A, Kappelle J, Koudstaal PJ, Van Latum A. A comparison of two doses of aspirin (30 mg vs. 283 mg a day) in patients after a transient ischemic attack or minor ischemic stroke. N Engl J Med 1991;325:1261–6.
  214. Algra A, Koudstaal PJ, Van Gijn J. Secundaire preventie na cerebrale ischemie: monotherapie met acetylsalicylzuur nog steeds de eerste keus? Ned Tijdschr Geneesk 1998;142:277.
  215. Kalmann R, Nieuwenhuis HK, De Groot PG, Van Gijn J, Sixma JJ. Effects of low doses of aspirin, 10 mg and 30 mg daily, on bleeding time, thromboxane production and 6-keto-PGF1 alpha excretion in healthy subjects. Thromb Res 1987;45:355–61.
  216. Halkes PH, Van Gijn J, Kappelle LJ, Koudstaal PJ, Algra A. Aspirin plus dipyridamole versus aspirin alone after cerebral ischaemia of arterial origin (ESPRIT): randomised controlled trial. Lancet 2006;367:1665–73.
  217. Thijs V, Lemmens R, Fieuws S. Network meta-analysis: simultaneous meta-analysis of common antiplatelet regimens after transient ischaemic attack or stroke. Eur Heart J 2008;29:1086–92.
  218. Halkes PH, Gray LJ, Bath PM, Diener HC, Guiraud-Chaumeil B, Yatsu FM, et al. Dipyridamole plus aspirin versus aspirin alone in secondary prevention after TIA or stroke: a meta-analysis by risk. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2008;79:1218–23.
  219. Verro P, Gorelick PB, Nguyen D. Aspirin plus dipyridamole versus aspirin for prevention of vascular events after stroke or TIA: a meta-analysis. Stroke 2008;39:1358–63.
  220. Diener HC, Cunha L, Forbes C, Sivenius J, Smets P, Lowenthal A. European Stroke Prevention Study. 2. Dipyridamole and acetylsalicylic acid in the secondary prevention of stroke. J Neurol Sci 1996;143:1–13.
  221. Heeg B, Damen J, Van Hout B. Oral antiplatelet therapy in secondary prevention of cardiovascular events: an assessment from the payer's perspective. Pharmacoeconomics 2007;25:1063–82.
  222. Claassens DMF, Vos GJA, Bergmeijer TO, Hermanides RS, Van 't Hof AWJ, Van der Harst P, et al. A genotype-guided strategy for oral P2Y(12) inhibitors in primary PCI. N Engl J Med 2019;381:1621–31.
  223. Cuisset T, Deharo P, Quilici J, Johnson TW, Deffarges S, Bassez C, et al. Benefit of switching dual antiplatelet therapy after acute coronary syndrome: the TOPIC (timing of platelet inhibition after acute coronary syndrome) randomized study. Eur Heart J 2017;38:3070–8.
  224. Gimbel M, Qaderdan K, Willemsen L, Hermanides R, Bergmeijer T, De Vrey E, et al. Clopidogrel versus ticagrelor or prasugrel in patients aged 70 years or older with non-ST-elevation acute coronary syndrome (POPular AGE): the randomised, open-label, non-inferiority trial. Lancet 2020;395:1374–81.
  225. Kim CJ, Park MW, Kim MC, Choo EH, Hwang BH, Lee KY, et al. Unguided de-escalation from ticagrelor to clopidogrel in stabilised patients with acute myocardial infarction undergoing percutaneous coronary intervention (TALOS-AMI): an investigator-initiated, open-label, multicentre, non-inferiority, randomised trial. Lancet 2021;398:1305–16.
  226. Zwart B, Claessen B, Damman P, Woudstra P, Vink MA, Balder JW, et al. 2023 European Society of Cardiology guidelines for the management of acute coronary syndromes : Statement of endorsement by the NVVC. Neth Heart J 2024;32:338–45.
  227. NHG. NHG-Standpunt Farmacogenetisch onderzoek in de huisartspraktijk. https://richtlijnen.nhg.org/medisch-inhoudelijke-nhg-standpunten/farmacogenetisch-onderzoek-de-huisartspraktijk, geraadpleegd op 21 januari 2025.
  228. Mohan KM, Crichton SL, Grieve AP, Rudd AG, Wolfe CD, Heuschmann PU. Frequency and predictors for the risk of stroke recurrence up to 10 years after stroke: the South London Stroke Register. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2009;80:1012–8.
  229. Bes J, Heins M, Van der Hout V, Baarda E, Knottnerus B, Hasselaar J, et al. Zorg door de huisarts (2024):[1–192 pp.].
  230. Van den Bogert S. Genotypering voorafgaand aan behandeling met clopidogrel? 2020;54(2):9–14.
  231. Feher G, Koltai K, Alkonyi B, Papp E, Keszthelyi Z, G K, et al. Clopidogrel resistance: role of body mass and concomitant medications. Int J Cardiol 2007;120(2):188–92.
  232. Gilard M, Arnaud B, Cornily JC, Le Gal G, Lacut K, Le Calvez G, et al. Influence of omeprazole on the antiplatelet action of clopidogrel associated with aspirin: the randomized, double-blind OCLA (Omeprazole CLopidogrel Aspirin) study. J Am Coll Cardiol 2008;51:256–60.
  233. Van den Heuvel L, Vermeer HJ, Kerkhoff H, Roozenbeek B, Zock E. The frequency of CYP2C19 loss-of-function variants in patients with non-cardioembolic ischemic stroke or transient ischemic attack in the Dutch population. Cerebrovasc Dis 2023;52:700–5.
  234. Swen JJ, van der Wouden CH, Manson LE, Abdullah-Koolmees H, Blagec K, Blagus T, et al. A 12-gene pharmacogenetic panel to prevent adverse drug reactions: an open-label, multicentre, controlled, cluster-randomised crossover implementation study. Lancet 2023;401:347–56.
  235. NICE. CYP2C19 genotype testing to guide clopidogrel use after ischaemic stroke or transient ischaemic attack. https://www.nice.org.uk/guidance/dg59/chapter/1-Recommendations, geraadpleegd op 21 januari 2025.
  236. Carroll J, Lopez Manzano C, Tomlinson E, Sadek A, Cooper C, Jones HE, et al. Clinical and cost-effectiveness of clopidogrel resistance genotype testing after ischaemic stroke or transient ischaemic attack: a systematic review and economic model. Health Technol Assess 2024;28:1–194.
  237. Jardaq HS, Y. Jamal M. The correlation between CYP2C19 polymorphisms and recurrent risk in patients with ischemic stroke treated with clopidogrel in Kurdistan region-Iraq. Iraqi Journal of Pharmaceutical Sciences 2022;31:251–9.
  238. Jung YH, Song TJ, Kim J, Park HK, Han SW, Kim YD, et al. Cytochrome P450 2C19 genotypes and clopidogrel in patients with ischemic stroke: a nonrandomized clinical trial. JAMA Netw Open 2025;8:e250398.
  239. Yoshimoto T, Hattori Y, Ishiyama H, Nakaoku Y, Ogata S, Abe S, et al. CYP2C19 polymorphism and clopidogrel efficacy in long-term outcomes of large-artery atherosclerotic stroke: the NCVC genome registry. JACC Asia 2025;5:1444–53.
  240. Wang Y, Zhao X, Lin J, Li H, Johnston SC, Lin Y, et al. Association between CYP2C19 loss-of-function allele status and efficacy of clopidogrel for risk reduction among patients with minor stroke or transient ischemic attack. Jama 2016;316:70–8.
  241. Yi X, Lin J, Zhou J, Wang Y, Huang R, Wang C. The secondary prevention of stroke according to cytochrome P450 2C19 genotype in patients with acute large-artery atherosclerosis stroke. Oncotarget 2018;9:17725–34.
  242. Lan H, Ying T, Xi-Hua S, Yi L. Anti-platelet therapy in mild cerebral infarction patients on the basis of CYP2C19 metabolizer status. Cell Transplant 2019;28:1039–44.
  243. Xia C, Zhang Z, He X, Liu J, Li X, Chang Q, et al. Correlation between CYP2C19 gene polymorphism and individualized medication in patients with ischemic stroke. Chin J Clin Pharmacol Therapeut 2021;26(3):933–73.
  244. Anonymous. Secondary prevention in non-rheumatic atrial fibrillation after transient ischaemic attack or minor stroke. EAFT (European Atrial Fibrillation Trial) Study Group. Lancet 1993;342:1255–62.
  245. Saxena R, Koudstaal P. Anticoagulants versus antiplatelet therapy for preventing stroke in patients with nonrheumatic atrial fibrillation and a history of stroke or transient ischemic attack. Cochrane Database Syst Rev 2004:CD000187.
  246. Anonymous. Optimal oral anticoagulant therapy in patients with nonrheumatic atrial fibrillation and recent cerebral ischemia. N Engl J Med 1995a;333:5–10.
  247. De Schryver EL, Algra A, Kappelle LJ, Van Gijn J, Koudstaal PJ. Vitamin K antagonists versus antiplatelet therapy after transient ischaemic attack or minor ischaemic stroke of presumed arterial origin. Cochrane Database Syst Rev 2012;2012:CD001342.
  248. Salazar CA, del Aguila D, Cordova EG. Direct thrombin inhibitors versus vitamin K antagonists for preventing cerebral or systemic embolism in people with non-valvular atrial fibrillation. Cochrane Database Syst Rev 2014;2014:CD009893.
  249. Bruins Slot KM, Berge E. Factor xa inhibitors versus vitamin k antagonists for preventing cerebral or systemic embolism in patients with atrial fibrillation. Cochrane Database of Syst Rev 2013:CD008980.
  250. Lin L, Lim WS, Zhou HJ, Khoo AL, Tan KT, Chew AP, et al. Clinical and safety outcomes of oral antithrombotics for stroke prevention in atrial fibrillation: a systematic review and network meta-analysis. J Am Med Dir Assoc 2015;16:1103.e1–19.
  251. Diener HC, Connolly SJ, Ezekowitz MD, Wallentin L, Reilly PA, Yang S, et al. Dabigatran compared with warfarin in patients with atrial fibrillation and previous transient ischaemic attack or stroke: a subgroup analysis of the RE-LY trial. Lancet Neurol 2010;9:1157–63.
  252. Easton JD, Lopes RD, Bahit MC, Wojdyla DM, Granger CB, Wallentin L, et al. Apixaban compared with warfarin in patients with atrial fibrillation and previous stroke or transient ischaemic attack: a subgroup analysis of the ARISTOTLE trial. Lancet Neurol 2012;11:503–11.
  253. Hankey GJ, Patel MR, Stevens SR, Becker RC, Breithardt G, Carolei A, et al. Rivaroxaban compared with warfarin in patients with atrial fibrillation and previous stroke or transient ischaemic attack: a subgroup analysis of ROCKET AF. Lancet Neurol 2012;11:315–22.
  254. Wallentin L, Yusuf S, Ezekowitz MD, Alings M, Flather M, Franzosi MG, et al. Efficacy and safety of dabigatran compared with warfarin at different levels of international normalised ratio control for stroke prevention in atrial fibrillation: an analysis of the RE-LY trial. Lancet 2010;376:975–83.
  255. Adam SS, McDuffie JR, Ortel TL, Williams JW, Jr. Comparative effectiveness of warfarin and new oral anticoagulants for the management of atrial fibrillation and venous thromboembolism: a systematic review. Ann Intern Med 2012;157:796–807.
  256. PCG. Randomised trial of a perindopril-based blood-pressure-lowering regimen among 6,105 individuals with previous stroke or transient ischaemic attack. Lancet 2001;358:1033–41.
  257. Yusuf S, Diener HC, Sacco RL, Cotton D, Ounpuu S, Lawton WA, et al. Telmisartan to prevent recurrent stroke and cardiovascular events. N Engl J Med 2008;359:1225–37.
  258. Ovbiagele B, Diener HC, Yusuf S, Martin RH, Cotton D, Vinisko R, et al. Level of systolic blood pressure within the normal range and risk of recurrent stroke. Jama 2011;306:2137–44.
  259. Lakhan SE, Sapko MT. Blood pressure lowering treatment for preventing stroke recurrence: a systematic review and meta-analysis. Int Arch Med 2009;2:30.
  260. Amarenco P, Bogousslavsky J, Callahan A, 3rd, Goldstein LB, Hennerici M, Rudolph AE, et al. High-dose atorvastatin after stroke or transient ischemic attack. N Engl J Med 2006;355:549–59.
  261. Collins R, Armitage J, Parish S, Sleight P, Peto R. Effects of cholesterol-lowering with simvastatin on stroke and other major vascular events in 20536 people with cerebrovascular disease or other high-risk conditions. Lancet 2004;363:757–67.
  262. Manktelow BN, Potter JF. Interventions in the management of serum lipids for preventing stroke recurrence. Cochrane Database Syst Rev 2009;2009:CD002091.
  263. Vergouwen MD, De Haan RJ, Vermeulen M, Roos YB. Statin treatment and the occurrence of hemorrhagic stroke in patients with a history of cerebrovascular disease. Stroke 2008;39:497–502.
  264. Amarenco P, Labreuche J. Lipid management in the prevention of stroke: review and updated meta-analysis of statins for stroke prevention. Lancet Neurol 2009;8:453–63.
  265. Piepoli MF, Hoes AW, Agewall S, Albus C, Brotons C, Catapano AL, et al. 2016 European Guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice: The Sixth Joint Task Force of the European Society of Cardiology and Other Societies on Cardiovascular Disease Prevention in Clinical Practice (constituted by representatives of 10 societies and by invited experts)Developed with the special contribution of the European Association for Cardiovascular Prevention & Rehabilitation (EACPR). Eur Heart J 2016;37:2315–81.
  266. Debette S, Leys D. Cervical-artery dissections: predisposing factors, diagnosis, and outcome. Lancet Neurol 2009;8:668–78.
  267. Kennedy F, Lanfranconi S, Hicks C, Reid J, Gompertz P, Price C, et al. Antiplatelets vs anticoagulation for dissection: CADISS nonrandomized arm and meta-analysis. Neurology 2012;79:686–9.
  268. Lyrer P, Engelter S. Antithrombotic drugs for carotid artery dissection. Cochrane Database Syst Rev 2010:CD000255.
  269. Béjot Y, Cordonnier C, Durier J, Aboa-Eboulé C, Rouaud O, Giroud M. Intracerebral haemorrhage profiles are changing: results from the Dijon population-based study. Brain 2013;136:658–64.
  270. Cheng B, Li J, Peng L, Wang Y, Sun L, He S, et al. Efficacy and safety of restarting antiplatelet therapy for patients with spontaneous intracranial haemorrhage: A systematic review and meta-analysis. J Clin Pharm Ther 2021;46:957–65.
  271. RESTART. Effects of antiplatelet therapy after stroke due to intracerebral haemorrhage (RESTART): a randomised, open-label trial. Lancet 2019;393:2613–23.
  272. Al-Shahi Salman R, Dennis MS, Sandercock PAG, Sudlow CLM, Wardlaw JM, Whiteley WN, et al. Effects of antiplatelet therapy after stroke caused by intracerebral hemorrhage: extended follow-up of the RESTART randomized clinical trial. JAMA Neurol 2021;78:1179–86.
  273. Kitagawa K, Yamamoto Y, Arima H, Maeda T, Sunami N, Kanzawa T, et al. Effect of standard vs intensive blood pressure control on the risk of recurrent stroke: a randomized clinical trial and meta-analysis. JAMA Neurol 2019;76:1309–18.
  274. Hsu C-Y, Saver JL, Ovbiagele B, Wu Y-L, Cheng C-Y, Lee M. Association between magnitude of differential blood pressure reduction and secondary stroke prevention: a meta-analysis and meta-regression. JAMA Neurology 2023;80:506–15.
  275. Goldstein LB, Amarenco P, Szarek M, Callahan A, 3rd, Hennerici M, Sillesen H, et al. Hemorrhagic stroke in the stroke prevention by aggressive reduction in cholesterol levels study. Neurology 2008;70:2364–70.
  276. Westover MB, Bianchi MT, Eckman MH, Greenberg SM. Statin use following intracerebral hemorrhage: a decision analysis. Arch Neurol 2011;68:573–9.
  277. Visseren F, Lansberg P, Erkelens D, Kastelein J. Statinen: mogelijk meer dan alleen verandering van de lipideconcentratie. Ned Tijdschr Geneesk 2000;144:316-21.
  278. Hackam DG, Woodward M, Newby LK, Bhatt DL, Shao M, Smith EE, et al. Statins and intracerebral hemorrhage: collaborative systematic review and meta-analysis. Circulation 2011;124:2233–42.
  279. McKinney JS, Kostis WJ. Statin therapy and the risk of intracerebral hemorrhage: a meta-analysis of 31 randomized controlled trials. Stroke 2012;43:2149–56.
  280. Huijsman R. Stroke service biedt betere zorg voor CVA-patiënten. Med Contact 2001;48:1765-8.
  281. Minkman MM, Schouten LM, Huijsman R, Van Splunteren PT. Integrated care for patients with a stroke in the Netherlands: results and experiences from a national Breakthrough Collaborative Improvement project. Int J Integr Care 2005;5:e14.
  282. Mitchell GK, Brown RM, Erikssen L, Tieman JJ. Multidisciplinary care planning in the primary care management of completed stroke: a systematic review. BMC Fam Pract 2008;9:44.
  283. CVA. Kennisnetwerk CVA NL. Deelname stroke services aan Kennisnetwerk CVA NL. 2013.
  284. Limburg M, Beusmans GHMI, Courlander J, Edelbroek M, Franke-Barendse B, Van Gorp E, et al. CVA-zorg in kaart gebracht. Med Contact 2010;65:404-6.
Tabellen, schema’s en afbeeldingen

Tabellen

Schema's