Overslaan en naar de inhoud gaan

Om deze website optimaal te laten functioneren, plaatsen wij functionele en analytische cookies. We gebruiken ook cookies van derden om video's te tonen. U kunt deze cookies uitschakelen in de cookie-instellingen.

Meer informatie

Om deze website zo optimaal mogelijk te laten functioneren plaatsen wij functionele en analytische cookies. We gebruiken ook cookies van derden om video's te tonen.

Cookie opties

Cookies die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de website.

Cookies die het algemene websitegebruik volgen om de website te optimaliseren.

Cookies die YouTube / Vimeo gebruikt om gerichte suggesties te doen en om advertenties in video's te plaatsen.

Home
NHG-Richtlijnen
  • Home
  • Handleiding NHG-Standaarden
  • Kennislacunes en huisartsgeneeskundig onderzoek
  • Installeer de webapp
  • Offline gebruik
  • Vervallen richtlijnen
  • Over NHG-richtlijnen
  • Contact

Breadcrumb

  1. Home
  2. Gastro-enteritis
‹ Terug naar nomale weergave
NHG-Standaard
KNR nummer
M115
Gepubliceerd
Gepubliceerd:
Laatste aanpassing:
Laatste aanpassing: februari 2026
Revision status
In herziening

Gastro-enteritis

NHG-werkgroep:
Bijland L, Gessel LHM van, Greving JP, Peppel-Mauritz FA van de, Tellegen E, Verburg-Oorthuizen AFE, Vries CJH de, Wolters RJ
samenvatting-richtlijnen-diagnostiek

Richtlijnen diagnostiek

samenvatting-anamnese

Anamnese

Vraag naar:

  • Klachten:
    • braken (frequentie), misselijkheid, buikpijn
    • ontlasting (frequentie, consistentie, bloed)
    • koorts, mate van ziek zijn
  • Overige symptomen voor risico op dehydratie:
    • vochtinname: globaal < de helft van de normale hoeveelheid
    • opvallende dorst
    • verminderde urineproductie (kinderen ≥ 12 uur niet geplast)
  • Verminderde afweer: comorbiditeit, immunosuppressiva
  • Gebruik van medicatie:
    • onderhoudsmedicatie
    • antibiotica (< 3 maanden geleden)
    • ORS en/of loperamide
  • Mogelijk verband met:
    • besmet voedsel of drinken
    • personen met braken en diarree in de omgeving
    • recent verblijf in de (sub)tropen
    • recente ziekenhuisopname
    • contact met (boerderij)dieren of zwemmen in open water
    • mannen die seks hebben met mannen (MSM)
  • Besmettingsgevaar:
    • werk in voedselbereiding, of in de gezondheidszorg
    • woon- en verblijfsomstandigheden (woonzorgcentrum, kinderdagverblijf)
samenvatting-lichamelijk-onderzoek

Lichamelijk onderzoek

  • Beoordeel de algemene toestand en mate van ziek-zijn: koorts, sufheid, verwardheid, (neiging tot) flauwvallen.
  • Onderzoek zo nodig het abdomen.
samenvatting-dehydratie-

Dehydratie

  • Bij kinderen: let op symptomen van dehydratie: capillaire refill-tijd ≥ 3 seconden, verminderde huidturgor, verhoogde ademhalingsfrequentie, droge slijmvliezen.
  • Bij volwassenen: beoordeel dehydratie aan de hand van de algemene toestand, en bepaal zo nodig ademhalingsfrequentie, pols en bloeddruk.
samenvatting-aanvullend-onderzoek

Aanvullend onderzoek

samenvatting-laboratoriumonderzoek

Laboratoriumonderzoek

  • Overweeg: (cito) bepaling van: creatinine, (eGFR), kalium en natrium
  • Overweeg bij diabetes mellitus: bepaling van glucose 
samenvatting-fecesonderzoek

Fecesonderzoek

Bacteriële verwekkers (zie figuur 1):

  • bij aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting.
  • bij ernstig verminderde afweer (zie Risicofactoren voor een ernstig beloop)

Parasitaire verwekkers (zie figuur 1): overweeg bij diarree ≥ 14 dagen.

samenvatting-evaluatie

Evaluatie

samenvatting-ongecompliceerde-gastro-enteritis-

Ongecompliceerde gastro-enteritis

Diarree, misselijkheid en/of braken zonder: ernstige ziekteverschijnselen, verhoogd risico op een ernstig beloop en/of (verhoogd risico op) dehydratie.

samenvatting-gastro-enteritis-met-een-verhoogd-risico-op-dehydratie-of-ernstige-dehydratie

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie of ernstige dehydratie

samenvatting-verhoogd-risico-op-dehydratie
Verhoogd risico op dehydratie

Waterdunne diarree (> 6 maal per dag) en/of aanhoudend braken zonder aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek, in combinatie met:

  • minimale vochtinname (< de helft van normaal) of opvallende dorst en/of
  • factoren die het risico op dehydratie verhogen, zoals leeftijd < 2 jaar, ouderen > 70 jaar, comorbiditeit of medicatie, aanhoudende hoge koorts, hoge omgevingstemperatuur
samenvatting-dehydratie-
Dehydratie

Waterdunne diarree (> 6 maal per dag) ≥ 3 dagen (bij kinderen < 2 jaar en ouderen >70 jaar ≥ 1 dag) en/of aanhoudend braken, in combinatie met:

  • minimale vochtinname (globaal < de helft van normaal) of opvallende dorst én
  • aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek

Een normale urineproductie, vochtige slijmvliezen en een goede algehele toestand pleiten tegen dehydratie.

samenvatting-ernstige-dehydratie
Ernstige dehydratie

Gastro-enteritis met dehydratie in combinatie met:

  • sufheid, verwardheid, verminderd bewustzijn en/of
  • diep en snel ademhalen, versnelde hartslag en/of
  • flauwvallen, verlaagde bloeddruk
samenvatting-gastro-enteritis-met-ernstige-ziekteverschijnselen-enof-een-verhoogd-risico-op-een-ernstig-beloop

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of een verhoogd risico op een ernstig beloop:

  • aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting en/of
  • ernstig verminderde afweer (zie Risicofactoren voor een ernstig beloop) 
samenvatting-richtlijnen-beleid

Richtlijnen beleid

samenvatting-voorlichting-en-advies

Voorlichting en advies

  • Het beloop is meestal ongecompliceerd; na 10 dagen is 90% klachtenvrij.
  • Drink meer dan normaal ook bij braken. Zet onverdunde flesvoeding of borstvoeding voort.
  • De patiënt kan eten wat goed valt en waar hij trek in heeft; bij buikkrampen kleine porties.
  • Beperk onverdunde vruchtensap, frisdrank, lightproducten.
  • Extra aandacht voor hygiëne.
  • Overweeg tijdelijke aanpassing van chronische medicatie, zie tabel h1.
samenvatting-medicamenteuze-behandeling

Medicamenteuze behandeling

samenvatting-ongecompliceerde-gastro-enteritis-

Ongecompliceerde gastro-enteritis

samenvatting-loperamide-
Loperamide

Overweeg loperamide (bij volwassenen en kinderen ≥ 8 jaar) in situaties waarin diarree om praktische redenen als te hinderlijk wordt ervaren (zie dosering).

samenvatting-gastro-enteritis-met-een-verhoogd-risico-op-dehydratie

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie

samenvatting-ors
ORS
  • Adviseer ORS (zie tabel h2).
  • Als ORS niet mogelijk is, geef dan water, verdunde appelsap of andere verdunde vruchtensappen.
samenvatting-anti-emetica
Anti-emetica
  • Overweeg bij kinderen > 3 maanden: eenmalig ondansetron (oraal 0,1 mg/kg, max 8 mg, offlabel) als aanvulling op ORS bij aanhoudend braken of herhaaldelijk braken direct na ORS-toediening (contra-indicaties: aangeboren lang QT-syndroom, hartaandoening, gebruik van QT-verlengende medicatie).
  • Wees terughoudend bij volwassenen (zie Anti-emetica bij volwassenen).
samenvatting-gastro-enteritis-met-ernstige-ziekteverschijnselen-enof-met-verhoogd-risico-op-een-ernstig-beloop

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of met verhoogd risico op een ernstig beloop

  • Overweeg bij volwassen patiënten met ernstige ziekteverschijnselen en/of ernstig verminderde afweer met onbekende verwekker: azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen.
  • Specifieke bacteriën en parasieten: zie tabel h4.
samenvatting-controles

Controles

  • Bij (verhoogd risico op) dehydratie:
    • Instrueer bij achteruitgang contact op te nemen (zie ook NHG-Standaard Kinderen met koorts).
    • Overweeg (telefonische) herbeoordeling bij verhoogd risico op dehydratie na ongeveer 4 uur.
    • Herbeoordeel (eventueel telefonisch) bij dehydratie na ongeveer 4 uur.
    • Bepaal bij dehydratie het verdere beleid aan de hand van de herbeoordeling. Bij duidelijke klinische verbetering kan de dosering van ORS verlaagd worden (conform bij verhoogd risico op dehydratie). Verwijs indien de klinische toestand niet duidelijk verbeterd is.
  • Bij ernstige ziekteverschijnselen of verhoogd risico op ernstig beloop:
    • Spreek controles af na 1 tot 3 dagen, afhankelijk van de leeftijd van de patiënt en de mate van ziek-zijn (zie ook NHG-Standaard Kinderen met koorts).
samenvatting-beleid-bij-aanhoudende-diarree

Beleid bij aanhoudende diarree

  • Blijf alert op andere oorzaken.
  • Bij klachtenduur > 7 dagen, overweeg tijdelijke lactose-intolerantie (zie NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid en coeliakie).
  • Bij klachtenduur ≥ 14 dagen: overweeg diagnostiek naar parasitaire verwekkers.
samenvatting-consultatie-en-verwijzing

Consultatie en verwijzing

Verwijs bij:

  • ernstige ziekteverschijnselen en/of verhoogd risico op een ernstig beloop: direct of bij onvoldoende verbetering bij behandeling met antibiotica
  • ernstige dehydratie
  • dehydratie:
    • bij kinderen < 3 maanden
    • wanneer patiënt of verzorger niet in staat is te zorgen voor rehydratie
    • onvoldoende verbetering na 4 uur rehydratie
  • diarree met hevig rectaal bloedverlies
  • gastro-enteritis veroorzaakt door Clostrioides difficile of Entamoeba histolytica
  • aanhoudende klachten en negatieve fecesdiagnostiek op parasieten: overweeg overleg met arts-microbioloog over aanvullende fecesonderzoek of verwijs
samenvatting-ggd

GGD

Zie Besmettingsgevaar voor een overzicht van meldingsplichtige infectieziekten.

volledige-tekst-belangrijkste-wijzigingen-

Belangrijkste wijzigingen

  • In deze standaard zijn de NHG-Standaard Acute diarree en de NHG-Behandelrichtlijn Misselijkheid en braken samengevoegd.
  • De termijn om bij aanhoudende diarree fecesdiagnostiek naar parasieten te overwegen is verlengd van 10 dagen naar 14 dagen.
  • Dientamoeba fragilis wordt niet meer als pathogeen beschouwd.
  • Er is meer aandacht voor tijdelijke aanpassing van chronische medicatie.
  • De praktische toepassing van ORS is verduidelijkt.
  • Het antibioticabeleid bij bacteriële verwekkers is geactualiseerd.
volledige-tekst-kernboodschappen

Kernboodschappen

  • Gastro-enteritis komt frequent voor en gaat meestal vanzelf over.
  • Fecesdiagnostiek naar bacteriële verwekkers is alleen geïndiceerd bij patiënten met ernstige ziekteverschijnselen of een verhoogd risico op een ernstig beloop.
  • Overweeg diagnostiek naar Clostridioides difficile na ziekenhuisopname en/of antibioticagebruik < 3 maanden geleden.
  • Kinderen < 2 jaar (vooral < 3 maanden) en ouderen (arbitrair > 70 jaar) hebben een verhoogd risico op dehydratie.
  • Behandeling met ORS is aangewezen bij (een verhoogd risico op) dehydratie.
  • Overweeg een eenmalige dosis ondansetron (offlabel) als aanvulling op ORS bij kinderen met (een verhoogd risico op) dehydratie, bij wie ORS-toediening bemoeilijkt is door het braken.
  • Wees terughoudend met het gebruik van anti-emetica bij volwassenen. 
volledige-tekst-inleiding

Inleiding

volledige-tekst-scope

Scope

Diagnostiek en beleid bij kinderen en volwassenen met (vermoedelijk) gastro-enteritis.

volledige-tekst-buiten-de-scope

Buiten de scope

  • Diagnostiek en beleid bij andere oorzaken van acute diarree, misselijkheid en braken dan gastro-enteritis.
  • Preventie van reizigersdiarree.
volledige-tekst-afstemming

Afstemming

Deze standaard sluit zoveel mogelijk aan bij de richtlijnen van de:

  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK), richtlijn Dehydratie bij kinderen 2023
  • Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB), richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree 2023
volledige-tekst-achtergronden

Achtergronden

volledige-tekst-begrippen

Begrippen

volledige-tekst-acute-diarree

Acute diarree

  • Plotseling optredende afwijking van het gebruikelijke defecatiepatroon, die < 14 dagen bestaat.
  • Frequentie en hoeveelheid van de ontlasting zijn toegenomen en de ontlasting bevat meer water dan gewoonlijk. 
volledige-tekst-gastro-enteritis

Gastro-enteritis

  • Ziektebeeld als gevolg van een ontsteking van het maagdarmkanaal, waarbij vrijwel altijd diarree optreedt. Dit kan gepaard gaan met misselijkheid en braken.
  • De ontsteking wordt veroorzaakt door een micro-organisme (bacterie, virus, parasiet) of een microbieel toxine. 
volledige-tekst-dehydratie

Dehydratie

  • Vermindering van de hoeveelheid lichaamsvocht, meestal uitgedrukt in procentuele afname van het lichaamsgewicht.
  • In de huisartsenpraktijk wordt de mate van dehydratie ingeschat op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek.

Zie ook: Detail nr. 1 Dehydratie

volledige-tekst-epidemiologie

Epidemiologie

  • De incidentie van vermoedelijke gastro-enteritis (ICPC-code D73) in de huisartsenpraktijk wordt geschat op 12 per 1000 patiënten per jaar.
  • In de leeftijdscategorie 0 – 4 jaar is de incidentie van vermoedelijke gastro-enteritis (ICPC-code D73) verreweg het hoogst en is het een van de meest voorkomende aandoeningen waarvoor contact wordt gezocht met de huisarts.
  • Vooral kinderen < 2 jaar hebben een hoger risico op dehydratie (ICPC-code T11). Bij ouderen loopt dit risico geleidelijk op met het stijgen van de leeftijd. 

Zie ook: Detail nr. 2 Epidemiologie

volledige-tekst-pathofysiologie

Pathofysiologie

Zie ook: Detail nr. 3 Pathofysiologie

volledige-tekst-misselijkheid-en-braken

Misselijkheid en braken

Misselijkheid en braken kunnen via verschillende wegen worden opgewekt. Bij een gastro-enteritis worden receptoren (serotonine (5-HT3), dopamine) geprikkeld vanuit vagale afferente zenuwbanen in het maag-darmkanaal. 

volledige-tekst-diarree

Diarree

Diarree is het gevolg van actieve secretie van water en elektrolyten en/of ontstekingsvocht door de darmmucosa en/of van verminderd resorberend oppervlak van darmmucosa (bij virale infecties).

volledige-tekst-dehydratie

Dehydratie

  • De volgende symptomen kunnen wijzen op een verhoogd risico op dehydratie: frequente waterdunne diarree (globaal > 6 maal per dag) gedurende minstens 3 dagen (bij kinderen < 2 jaar of ouderen > 70 jaar minstens 1 dag) en/of aanhoudend braken (braken gaat maar door, meerdere keren per uur), koorts, minimale vochtinname, verminderde urineproductie en opvallende dorst.
  • Een hoge omgevingstemperatuur verhoogt het risico op dehydratie.
  • Symptomen van ernstige dehydratie zijn sufheid, verwardheid, verlaagd bewustzijn, versnelde hartslag, flauwvallen, verlaagde bloeddruk.
  • Complicaties van ernstige dehydratie zijn:
    • verslechtering van de nierfunctie
    • elektrolytstoornissen (verhoogd risico bij gebruik van bepaalde medicatie, bijvoorbeeld RAS-remmers)
    • intoxicatie door medicatie
  • Bij de behandeling van dehydratie wordt gebruikgemaakt van oral rehydration solution (ORS). De behandeling is gebaseerd op gekoppelde opname van natrium en glucose door de darmmucosa. Water volgt passief de osmotische gradiënt, die door het transcellulaire transport van deze stoffen ontstaat. Bij ernstige diarree blijft de gekoppelde opname van natrium en glucose door de darmmucosa bestaan.
volledige-tekst-etiologie

Etiologie

Mogelijke besmettingsbronnen zijn: onvoldoende hygiëne, voedsel, (boerderij)dieren, open zwemwater.

Zie ook: Detail nr. 4 Etiologie

volledige-tekst-virale-verwekkers

Virale verwekkers

De meest voorkomende virale verwekkers zijn:

  • Norovirus
    • De incidentie is het hoogst bij volwassenen.
    • Een infectie met het norovirus kan (door de hoge besmettelijkheid) leiden tot uitbraken, bijvoorbeeld in een woonzorgcentrum.
  • Rotavirus
    • De incidentie is het hoogst bij jonge kinderen en ouderen.
    • Een infectie gaat dikwijls gepaard met frequent braken gedurende de eerste dagen.
    • Bijkomende diarree kan relatief lang aanhouden door darmwandschade met afname van de resorptie als gevolg.
    • Sinds januari 2024 is het rotavirusvaccin onderdeel van het Rijksvaccinatieprogramma (vaccinatie rond leeftijd 6-9 weken en 3 maanden).
  • Adenovirus (bepaalde typen)
    • De incidentie is het hoogst bij kinderen.
    • De symptomen zijn vergelijkbaar met die van een rotavirusinfectie.

Zie ook: Detail nr. 5 Virale verwekkers

volledige-tekst-bacterile-verwekkers

Bacteriële verwekkers

  • De meest voorkomende bacteriële verwekkers in Nederland zijn Campylobacter-soorten (met name Campylobacter. jejuni).
  • Minder frequent voorkomende verwekkers zijn:
    • Salmonella-soorten
    • Shigella-soorten: een verblijf in de (sub)tropen is de belangrijkste risicofactor voor een infectie. Mannen die seks hebben met mannen vormen een risicogroep.
    • Yersinia-soorten
    • Enterohemorragische E. coli (EHEC), ook wel shiga-toxineproducerende E. coli (STEC) genoemd. Een infectie kan gepaard gaan met hemorrhagische colitis. Een zeldzame complicatie is het levensbedreigende hemolytisch-uremisch syndroom (HUS), waarbij hemolytische anemie, trombocytopenie en acute nierinsufficiëntie optreden.
  • De meest voorkomende verwekkers van reizigersdiarree zijn:
    • enterotoxische E. coli (ETEC) en enteroaggregatieve E. coli (EAEC): de symptomen zijn doorgaans van korte duur tijdens een reis.
  • Toxine-producerende verwekkers:
    • Clostridioides difficile (eerder Clostridium difficile genoemd): belangrijkste risicofactoren zijn antibioticagebruik (< 3 maanden geleden) en ziekenhuisopname.
    • Staphylococcus aureus, Clostridioides perfringens en Bacillus cereus: de klachten, vooral misselijkheid en braken, beginnen binnen enkele uren na het eten van besmet voedsel en zijn over het algemeen binnen 24 uur verdwenen.
    • EHEC/STEC en Shigella (zie hierboven)

Zie ook: Detail nr. 6 Bacteriële verwekkers

volledige-tekst-parasitaire-verwekkers

Parasitaire verwekkers

Parasitaire verwekkers kunnen langdurige diarree veroorzaken (arbitrair ≥ 14 dagen).

  • Giardia lamblia:
    • de meest frequent voorkomende parasitaire verwekker in Nederland, vooral bij kinderen en hun ouders/verzorgers
  • Cryptosporidium:
    • Komt voor in oppervlakte- of zwembadwater en bij (boerderij)dieren in Nederland.
    • De klachten zijn in principe zelflimiterend, maar kunnen 2-3 weken aanhouden. Bij kinderen < 10 jaar en patiënten met ernstig verminderde afweer kan het klinische beeld heftiger zijn en kunnen de klachten persisteren.
  • Entamoeba histolytica:
    • Een verblijf in de (sub)tropen of het Middellandse Zeegebied is de belangrijkste risicofactor voor een infectie.
    • Kan in zeldzame gevallen bloederige diarree (amoebedysenterie) of een invasieve infectie (abcessen) veroorzaken.
  • Dientamoeba fragilis en blastocystis-soorten:
    • Deze parasieten worden niet meer als pathogeen beschouwd; asymptomatisch dragerschap komt algemeen voor in de bevolking.
  • Wormen:
    • Wormen zijn bijna nooit de oorzaak van diarree, misselijkheid of braken (zie NHG-Behandelrichtlijn Worminfecties).

Zie ook: Detail nr. 7 Parasitaire verwekkers

volledige-tekst-beloop

Beloop

  • Gastro-enteritis duurt meestal niet langer dan 4 - 7 dagen; na 10 dagen is 90% klachtenvrij.
  • Bij een ziekteduur ≤ 7 dagen vindt men in het algemeen vooral virale en bacteriële verwekkers, bij een langere ziekteduur (arbitrair ≥ 14 dagen) vaker parasitaire verwekkers.
  • Aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting kan wijzen op een bacteriële verwekker met een ernstiger beloop van de ziekte (onder meer door beschadiging van het darmslijmvlies ten gevolge van een invasieve infectie). 

Zie ook: Detail nr. 8 Beloop

volledige-tekst-risicofactoren-voor-een-ernstig-beloop

Risicofactoren voor een ernstig beloop

Het risico op een ernstiger beloop van een infectie kan verhoogd zijn bij een ernstig verminderde afweer, bijvoorbeeld op basis van:

  • comorbiditeit (zoals actieve leukemie, gemetastaseerde maligniteit)
  • gebruik van immunosuppressiva (zoals biologicals, hoge dosis glucocorticoïden, methotrexaat)

Zie voor gedetailleerde informatie over risicogroepen met ernstige, klinisch relevante immuunsuppressie het detail Risicofactoren voor een ernstiger beloop (tabel d1).

volledige-tekst-risicofactoren-voor-dehydratie

Risicofactoren voor dehydratie

Het risico op dehydratie is verhoogd bij:

  • leeftijd < 2 jaar (met name < 3 maanden)
  • leeftijd > 70 jaar (arbitrair, met het stijgen van de leeftijd neemt het risico toe)
  • comorbiditeit, zoals hartfalen, verminderde nierfunctie, diabetes mellitus
  • gebruik van medicatie, zoals diuretica 
volledige-tekst-richtlijnen-diagnostiek

Richtlijnen diagnostiek

volledige-tekst-spoed

Spoed

  • Gebruik bij twijfel over de klinische stabiliteit van de patiënt de ABCDE-systematiek.  
  • Raadpleeg als de patiënt ABCDE-instabiel is de paragraaf Shock in de NHG-Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties 
volledige-tekst-anamnese

Anamnese

Vraag naar:

  • Klachten (duur en beloop):
    • braken (frequentie)
    • misselijkheid
    • ontlasting (frequentie, consistentie, bloedbijmenging)
    • buikpijn;
    • koorts (hoe hoog)
    • mate van ziek-zijn (ADL-activiteiten, eetlust, alertheid, verwardheid, neiging tot flauwvallen)
  • Overige symptomen met risico op dehydratie:
    • vochtinname: globaal minder dan de helft van de normale hoeveelheid
    • opvallende dorst (kan afwezig zijn bij ouderen)
    • verminderde urineproductie (kinderen ≥ 12 uur (globaal) niet geplast)
  • Verminderde afweer op basis van:
    • comorbiditeit
    • immunosuppressiva
  • Gebruik van medicatie:
    • onderhoudsmedicatie (met het oog op zo nodig stoppen, aanpassing van dosering of andere maatregelen, zie tabel h1)
    • bijwerkingen, overdosering, misbruik
    • antibiotica < 3 maanden geleden (verhoogd risico op Clostridioides difficile);
    • ORS
    • loperamide
  • Mogelijk verband met:
    • besmet voedsel of drinken
    • andere personen met braken en diarree in de omgeving
    • recent verblijf in de (sub)tropen (verhoogd risico op o.a. Shigella, Entamoebe hystolitica)
    • recente ziekenhuisopname (verhoogd risico op Clostridioides difficile)
    • contact met (boerderij)dieren of zwemmen in open water (verhoogd risico op o.a. Cryptosporidium)
    • mannen die seks hebben met mannen (verhoogd risico op Shigella)
  • Besmettingsgevaar:
    • werken waar voedsel bereid wordt of binnen de gezondheidszorg
    • woon- en verblijfsomstandigheden (bijvoorbeeld woonzorgcentrum, kinderdagverblijf of andere instelling met meerdere gevallen van gastro-enteritis)
volledige-tekst-lichamelijk-onderzoek

Lichamelijk onderzoek

Verricht zonodig lichamelijk onderzoek op geleide van de anamnese en de mate van ziek-zijn van de patiënt.

volledige-tekst-algemeen

Algemeen

  • Beoordeel de algemene toestand en mate van ziek-zijn, waaronder koorts, sufheid, verwardheid, (neiging tot) flauwvallen.
  • Onderzoek zo nodig het abdomen. 
volledige-tekst-dehydratie-

Dehydratie

Kinderen:

  • Let op symptomen van dehydratie:
    • capillaire refill-tijd (≥ 3 seconden)
    • verminderde huidturgor
    • verhoogde ademhalingsfrequentie (diep, snel ademhalen)
    • droge slijmvliezen

De kans op dehydratie neemt toe naarmate meer symptomen aanwezig zijn.

  • Symptomen, waarvan de afzonderlijke voorspellende waarde voor dehydratie niet duidelijk is, zijn: diepliggende ogen, koude extremiteiten, zwakke pols, afwezigheid van tranen, tachycardie, ingezonken fontanel.
  • Zie voor normaalwaarden de Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties.

Volwassenen:

  • Bij volwassenen hebben bovengenoemde symptomen waarschijnlijk onvoldoende voorspellende waarde voor het vaststellen van dehydratie.
  • Beoordeel dehydratie aan de hand van de algemene toestand, en bepaal zo nodig ademhalingsfrequentie, pols en bloeddruk. 

Zie ook: Detail nr. 9 Dehydratie

volledige-tekst-aanvullend-onderzoek

Aanvullend onderzoek

volledige-tekst-laboratoriumonderzoek

Laboratoriumonderzoek

  • Overweeg, als het risico op elektrolytstoornissen hoog wordt ingeschat op basis van klachtenduur, leeftijd, comorbiditeit en medicatiegebruik, (cito)bepaling van: creatinine (eGFR), kalium en natrium (zie ook NHG-Standaard Chronische nierschade).
  • Overweeg bij diabetes mellitus: bepaling van glucose (zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2)

Zie ook: Detail nr. 10 Laboratoriumonderzoek

volledige-tekst-fecesonderzoek

Fecesonderzoek

Zie ook: Detail nr. 11 Fecesonderzoek

volledige-tekst-algemeen
Algemeen
  • Wees terughoudend met het aanvragen van fecesonderzoek, omdat de uitslag zelden consequenties voor het beleid heeft. Zie voor de beperkte indicaties Onderzoek naar bacteriële verwekkers en Onderzoek naar parasitaire verwekkers, (zie ook figuur 1):
    • Het doel van fecesonderzoek bij deze beperkte indicaties is het gericht kunnen geven van antibiotica.
  • Verricht geen onderzoek naar virussen, omdat het geen gevolgen heeft voor het beleid.
  • Ga bij het aanvragen van fecesonderzoek na welk micro-organisme de verwekker kan zijn (op basis van klinisch beeld, bezoek aan het buitenland, antibioticagebruik, ziekenhuisopname) en stem de aanvraag daarop af. De meeste laboratoria beschikken over multiplex-PCR, waarmee naar meerdere verwekkers tegelijk kan worden gezocht.
  • Noteer relevante achtergrondinformatie (klinisch beeld, verblijf in het buitenland, antibioticagebruik) op het laboratoriumaanvraagformulier (zie Onderzoek naar bacteriële verwekkers en Onderzoek naar parasitaire verwekkers).
  • Het resistentiepatroon van een eventueel gevonden bacterie kan niet worden bepaald met PCR. Om die reden kan bij een positieve uitslag alsnog een feceskweek nodig zijn. Deze kan worden uitgevoerd met de reeds aangeleverde feces.
volledige-tekst-onderzoek-naar-bacterile-verwekkers
Onderzoek naar bacteriële verwekkers

Indicaties zijn:

  • aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting. De mate van ziek-zijn is een inschatting op basis van het klinische beeld.
  • een ernstig verminderde afweer (eventueel in overleg met de behandelend specialist)

Verricht bij deze patiënten diagnostiek naar: Campylobacter en Salmonella

Overweeg bij de twee bovenstaande indicaties aanvullend specifieke diagnostiek naar:

  • Shigella: na verblijf in de (sub)tropen of mannen die seks hebben met mannen
  • Yersinia: bij aanhoudende buikpijn en/of diarree in combinatie met gewrichtsklachten
  • EHEC/STEC: bij bloederige diarree
  • Clostridioides difficile: na ziekenhuisopname of antibioticagebruik (< 3 maanden geleden)
volledige-tekst-onderzoek-naar-parasitaire-verwekkers
Onderzoek naar parasitaire verwekkers

Overweeg onderzoek naar parasitaire verwekkers bij diarree ≥ 14 dagen.

Verricht diagnostiek naar: Giardia lamblia

Overweeg aanvullend specifieke diagnostiek naar:

  • Cryptosporidium: bij kinderen (vooral < 10 jaar) of patiënten met ernstig verminderde afweer
  • Entamoeba histolytica: na verblijf in de (sub)tropen

Verricht geen onderzoek naar: Dientamoeba fragilis of Blastocystis 

Figuur 1. Stroomdiagram fecesonderzoek bij gastro-enteritis
 
volledige-tekst-evaluatie

Evaluatie

Bepaal de werkdiagnose aan de hand van de klachten, mate van ziek-zijn, aanwijzingen voor (ernstige) dehydratie en risicofactoren voor een ernstig beloop.

volledige-tekst-ongecompliceerde-gastro-enteritis-

Ongecompliceerde gastro-enteritis

  • Diarree en/of misselijkheid, eventueel in combinatie met braken, waarbij geen sprake is van:
    • ernstige ziekteverschijnselen
    • een verhoogd risico op een ernstig beloop
    • (verhoogd risico op) dehydratie
volledige-tekst-gastro-enteritis-met-een-verhoogd-risico-op-dehydratie-of-ernstige-dehydratie

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie of ernstige dehydratie

volledige-tekst-verhoogd-risico-op-dehydratie
Verhoogd risico op dehydratie
  • Waterdunne, frequente diarree (globaal > 6 maal per dag) en/of aanhoudend braken zonder aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek, in combinatie met één of meer van de volgende factoren:
    • minimale vochtinname (globaal < dan de helft van normaal) of opvallende dorst
    • factoren die het risico op dehydratie verhogen, zoals leeftijd < 2 jaar, ouderen > 70 jaar (arbitrair), comorbiditeit of medicatie (zie Risicofactoren voor dehydratie), aanhoudende hoge koorts, hoge omgevingstemperatuur
volledige-tekst-dehydratie-
Dehydratie
  • Waterdunne, frequente diarree (globaal > 6 maal per dag) gedurende minstens 3 dagen (bij kinderen < 2 jaar en ouderen > 70 jaar minstens 1 dag) en/of aanhoudend braken in combinatie met:
    • minimale vochtinname (globaal minder dan de helft van normaal) of opvallende dorst (kan afwezig zijn bij ouderen) én aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek (zie Lichamelijk onderzoek)
  • Een normale urineproductie, vochtige slijmvliezen en een goede algehele toestand pleiten tegen dehydratie.
volledige-tekst-ernstige-dehydratie
Ernstige dehydratie
  • Gastro-enteritis met dehydratie met daarbij één of meer van de volgende symptomen:
    • sufheid, verwardheid, verminderd bewustzijn
    • diep en snel ademhalen, versnelde hartslag
    • flauwvallen, verlaagde bloeddruk 
volledige-tekst-gastro-enteritis-met-ernstige-ziekteverschijnselen-enof-een-verhoogd-risico-op-een-ernstig-beloop

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of een verhoogd risico op een ernstig beloop

  • Gastro-enteritis met aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting. De mate van ziek-zijn is een inschatting op basis van het klinische beeld.
  • Gastro-enteritis bij ernstig verminderde afweer (zie Risicofactoren voor een ernstig beloop). 
volledige-tekst-differentiaaldiagnose

Differentiaaldiagnose

Overweeg andere oorzaken van acute diarree en braken, zeker bij een ernstig zieke indruk en/of bij aanhoudende of hevige buikpijn. 

Zie ook: Detail nr. 12 Differentiaaldiagnose

volledige-tekst-diarree
Diarree

Andere oorzaken van acute diarree kunnen o.a. zijn:

  • kortgeleden gestarte medicatie (bijwerking, intoxicatie of misbruik)
  • appendicitis, diverticulitis/inflammatoire darmziekte/proctitis, prikkelbaredarmsyndroom, voedselovergevoeligheid of coeliakie (zie NHG-Standaarden Diverticulitis, Prikkelbaredarmsyndroom, Voedselovergevoeligheid en coeliakie, Rectaal bloedverlies, Het soa-consult)
  • obstipatie met paradoxale diarree (zie NHG-Standaard Obstipatie)
  • luchtweginfecties bij kinderen (zie NHG-Standaard Acuut hoesten)
  • lactose-intolerantie (primair of secundair) (zie NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid en coeliakie)
  • overmatig gebruik van suikers of kunstmatige zoetstoffen (bijvoorbeeld appelsap of light-producten)
volledige-tekst-misselijkheid-en-braken
Misselijkheid en braken

Andere oorzaken van misselijkheid en braken kunnen o.a. zijn:

  • maagklachten (zie NHG-Standaard Maagklachten)
  • appendicitis, pancreatitis, cholecystolithiasis, ileus
  • draaiduizeligheid (zie NHG-Standaard Duizeligheid)
  • zwangerschap (zie NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode)
  • diabetische ketoacidose (zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2)
  • medicatie (bijwerkingen, intoxicatie)
  • alcoholgebruik (zie NHG-Standaard Problematisch alcoholgebruik)
volledige-tekst-richtlijnen-beleid

Richtlijnen beleid

  • Bepaal het beleid op basis van de werkdiagnose.
  • Bij ongecompliceerde gastro-enteritis volstaan doorgaans voorlichting en advies en eventueel loperamide (bij leeftijd > 8 jaar).
  • Bij gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie en/of ernstige ziekteverschijnselen of risico op een ernstig beloop, is er naast voorlichting en advies op indicatie ook een plek voor behandeling met ORS, anti-emetica en/of antibiotica.
volledige-tekst-voorlichting-en-advies

Voorlichting en advies

volledige-tekst-algemeen

Algemeen

  • Leg uit dat:
    • het merendeel van de gastro-enteritis veroorzaakt wordt door een virus en vanzelf overgaat
    • het natuurlijke beloop meestal gunstig is, na 10 dagen 90% van de patiënten klachtenvrij is, het gemiddeld na 4 -7 dagen over is
  • Bij angst of bezorgdheid zonder aanwijzingen voor een verhoogd risico op dehydratie en/of verhoogd risico op een ernstig beloop is uitleg het belangrijkste doel.
  • Voor voorlichting bij kinderen met koorts, zie de NHG-Standaard Kinderen met koorts.
  • Instrueer de ouders/verzorgers van kinderen om contact op te nemen bij minder dan de helft van normaal drinken en/of ≥ 12 uur niet geplast of geen natte luier.  
  • Leg uit bij vragen over de noodzaak van fecesdiagnostiek en/of antibiotica zonder dat hier een indicatie voor is dat:
    • fecesonderzoek meestal niet nodig is, omdat gastro-enteritis over het algemeen vanzelf overgaat en de uitslag geen consequenties heeft voor de behandeling
    • antibiotica geen toegevoegde waarde hebben omdat gastro-enteritis bij gezonde individuen meestal een gunstig beloop heeft
    • antibiotica bijwerkingen kunnen geven
    • antibiotica bij sommige infecties (bijvoorbeeld Salmonella) dragerschap in de hand werken
volledige-tekst-dieet

Dieet

  • De patiënt kan eten waar hij trek in heeft en wat goed valt.
  • Opname van voldoende calorieën verbetert het welbevinden; de darm is zelfs bij heftige waterdunne diarree in staat de helft van de aangeboden calorieën op te nemen.
  • Bij braken en/of buikkrampen is het raadzaam kleine porties te eten.
  • Meer dan normaal drinken is noodzakelijk. Adviseer om vaak en in kleine beetjes te drinken. Frequent extra drinken geven kan arbeidsintensief zijn.
  • Ook bij braken wordt een belangrijk deel van het toegediende vocht geabsorbeerd.
  • Zet eventuele borst- of flesvoeding voort; er is geen reden om deze te verdunnen.
  • Adviseer inname van onverdunde vruchtensappen, frisdranken en lightproducten te beperken. Overmatig gebruik of beperkte opname in de darm kan osmotische diarree veroorzaken, vooral op de peuterleeftijd.

Zie ook: Detail nr. 13 Dieet

volledige-tekst-hygine

Hygiëne

  • Was de handen goed na toiletgebruik, voor het (bereiden van) eten en na de verzorging van kinderen met gastro-enteritis.
  • Reinig bekers, speelgoed, bestek en keukengerei regelmatig.
  • Verwissel luiers zo vaak mogelijk.
  • Houd toilet en aanrecht extra goed schoon.
  • Laat de patiënt als dat mogelijk is, een eigen toilet gebruiken.
volledige-tekst-besmettingsgevaar

Besmettingsgevaar

  • Adviseer in ieder geval om personen die werkzaam zijn in de levensmiddelen- en horecasector of die beroepsmatig anderen behandelen, verzorgen of verplegen, contact met voedsel en drinken in de werksituatie te vermijden en de leidinggevende of bedrijfsarts te raadplegen voor eventueel aanpassen van de werkzaamheden.
  • Het beleid bij patiënten met een verhoogd besmettingsgevaar is sterk afhankelijk van de aard van hun werk- of verblijfssituatie.
  • Uniforme richtlijnen voor de te nemen maatregelen zijn niet voorhanden.
  • Zie detail.

Zie ook: Detail nr. 14 Besmettingsgevaar

volledige-tekst-chronische-medicatie

Chronische medicatie

  • Bij braken < 4 uur na medicatie-inname of bij waterdunne diarree is er een kans op onvolledige absorptie van medicatie waardoor een te lage medicatiespiegel kan ontstaan.
  • Ook kan bij aanhoudend braken en/of diarree als gevolg van dehydratie en nierfunctiestoornissen, een te hoge medicatiespiegel ontstaan.
  • Bij koorts, braken, diarree en/of (een verhoogd risico op) dehydratie kan tijdelijke aanpassing van medicatie nodig zijn afhankelijk van het klinisch beeld (o.a. de ernst en duur van de klachten, mate van ziek-zijn) en patiëntkenmerken (leeftijd, comorbiditeit, kwetsbaarheid). Hervat de medicatie zodra de patiënt hersteld is. Zie tabel h1.
  • Overleg zo nodig met de behandelend specialist en/of apotheker. 
Tabel h1. Aanpassing medicatie bij koorts, braken, diarree en/of (een verhoogd risico op) dehydratie 
Hervat de medicatie zodra de patiënt hersteld is.
Bij koorts, braken, diarree:
Metformine Tijdelijk staken vanwege risico op lactaatacidose, zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2
SGLT2-remmers  Tijdelijk staken vanwege risico op euglykemische ketoacidose, zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2
SU-derivaten*  Overweeg glimepiride en tolbutamide tijdelijk te staken vanwege kans op hypoglykemie (gliclazide alleen staken als naast dehydratie de koolhydraatintake sterk verminderd is), zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 
Insuline* Overweeg snelwerkende insuline tijdelijk te staken bij geen/zeer weinig intake vanwege risico op hypoglykemie. Staak (middel)langwerkende insuline niet, ook niet als de patiënt minder voedsel inneemt, overweeg wel doseringsaanpassing afhankelijk van de gemeten glucosewaarden,  zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2
Orale anticoagulantia*  Dosisaanpassing kan nodig zijn bij een verminderde nierfunctie, vooral van DOAC’s omdat daarbij geen INR-controle plaatsvindt, zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren
Digoxine* Risico op digoxine-intoxicatie. Bepaal medicatiespiegels of overleg met de behandeld specialist, zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren

Lithium* 

 

Risico op lithiumintoxicatie. Overleg laagdrempelig met de behandeld specialist, zie NHG-Standpunt Herhalen specialistische medicatie
SSRI’s* (bij ouderen > 70 jaar) Risico op hyponatriëmie. Bepaal het natriumgehalte. Zie NHG-Standaard Depressie
Anti-epileptica*  Risico op verminderde absorptie. Overleg laagdrempelig met de behandelend specialist.
Orale anticonceptie*  Risico op verminderde absorptie. Volg het beleid bij vergeten anticonceptie. Zie NHG-Standaard Anticonceptie
Bij kwetsbare patiënten of patiënten met comorbiditeit (zoals hartfalen, chronische nierschade) met (een verhoogd risico op) dehydratie: 
RAS-remmers/ aldosteronantagonisten* Overweeg tijdelijk te halveren vanwege risico op acute nierinsufficiëntie en elektrolytstoornissen. Zie NHG-Standaard Hartfalen 
Diuretica* Overweeg tijdelijk te staken (overweeg bij hartfalen lisdiuretica te halveren) vanwege risico op acute nierinsufficiëntie en elektrolytstoornissen. Zie NHG-Standaard Hartfalen
Overige antihypertensiva*  Overweeg tijdelijk te halveren of staken vanwege het risico op hypotensie. 
NSAID’s Staken (indien mogelijk definitief) vanwege risico op acute nierinsufficiëntie en elektrolytstoornissen. Zie NHG-Standaard Chronische nierschade
*In de overweging spelen mee het klinisch beeld (o.a. ernst en duur van klachten, mate van ziek-zijn) en patiëntkenmerken (leeftijd, comorbiditeit, kwetsbaarheid). 

Zie ook: Detail nr. 15 Chronische medicatie

volledige-tekst-thuisarts
Thuisarts

Verwijs naar de informatie op thuisarts.nl. De informatie op Thuisarts is gebaseerd op deze NHG-Standaard.

volledige-tekst-medicamenteuze-behandeling

Medicamenteuze behandeling

volledige-tekst-ongecompliceerde-gastro-enteritis-

Ongecompliceerde gastro-enteritis

volledige-tekst-loperamide
Loperamide
  • Overweeg loperamide in situaties waarin diarree om praktische redenen als te hinderlijk wordt ervaren.
  • Loperamide verkort waarschijnlijk enigszins de duur en frequentie van de diarree.
  • Schrijf aan kinderen < 8 jaar geen loperamide voor, vanwege de kans op obstipatie en (sub)ileus, en op centrale bijwerkingen zoals lethargie.

Absolute contra-indicaties voor loperamide:

  • leeftijd < 3 jaar
  • koorts en bloederige diarree
  • aanhoudende diarree na het gebruik van een breedspectrumantibioticum
  • verlengde QT-tijd

Zie ook: Detail nr. 16 Loperamide

volledige-tekst-dosering
Dosering

Volwassenen:

  • start met loperamide 2 tabletten à 2 mg
  • vervolgens 2 mg na elke dunne ontlasting (max. 16 mg/dag)
  • stop zodra de ontlasting vaster wordt of er meer dan 12 uur geen ontlasting meer is geweest

Kinderen van 8-18 jaar:

  • start met loperamide 2 mg
  • vervolgens 2 mg na elke dunne ontlasting, max. 0,3 mg/kg/dag met een maximum van 16 mg per dag
  • stop zodra de ontlasting vaster wordt of er meer dan 12 uur geen ontlasting meer is geweest
volledige-tekst-andere-diarreeremmende-middelen
Andere diarreeremmende middelen

We bevelen adsorbentia, zoals geactiveerde kool en adstringentia niet aan.

Zie ook: Detail nr. 17 Andere diarreeremmende middelen

volledige-tekst-probiotica
Probiotica

We bevelen probiotica niet aan.

Zie ook: Detail nr. 18 Probiotica

volledige-tekst-gastro-enteritis-met-een-verhoogd-risico-op-dehydratie

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie

volledige-tekst-oral-rehydration-solution-ors
Oral rehydration solution (ORS)
  • Schrijf ORS voor bij (verhoogd risico op) dehydratie.
  • ORS zijn veilig en effectief in het herstellen van de vochtbalans, maar bekorten de duur van braken en/of diarree niet.
  • Bij een verhoogd risico op dehydratie is het doel om de verliezen aan water en elektrolyten te compenseren, zolang de patiënt braakt of waterdunne ontlasting heeft.
  • Bij dehydratie is het doel om binnen ongeveer 4 uur rehydratie te bereiken en vervolgens verliezen aan water en elektrolyten te compenseren, zolang de patiënt braakt en/of waterdunne ontlasting heeft. 

Zie ook: Detail nr. 19 Oral rehydration solution (ORS)

volledige-tekst-dosering
Dosering

Bij verhoogd risico op dehydratie:

  • Adviseer ORS zolang de ontlasting waterdun is en/of de patiënt braakt (zie tabel h2).
  • Geef bij kinderen < 6 maanden ORS naast borst- of kunstvoeding.
  • Stop de ORS als het braken is gestopt en de ontlasting niet meer waterdun is.

Bij dehydratie: geef kinderen en volwassenen ORS 10 - 25 ml/kg per uur gedurende 4 uur (zie tabel h2). 

Tabel h2. Dosering ORS voor kinderen en volwassen bij (verhoogd risico op) dehydratie 

 

 

Verhoogd risico op dehydratie

 

Dehydratie

 

 

 

Na elke keer braken 

 

Na elke waterdunne ontlasting

 

Binnen 4 uur tijd

 

 

 

 

Gewicht:

2 ml/kg/keer

 

< 6 jaar: 10 ml/kg/keer

> 6 jaar: tot 300 ml/keer

 

 

10-25 ml/kg/uur 

Per keer:

Per keer:

In 4 uur:

 

4-6 kg

 

10 ml

50 ml

*

6-8 kg

 

20 ml

70 ml

600 ml 

8-10 kg

 

20 ml

100 ml

800 ml 

10-12 kg

 

20 ml

120 ml

1 liter

12-16 kg

 

30 ml

150 ml

1 liter

16-20 kg

 

40 ml

200 ml

1,5 liter

20-25 kg

 

50 ml

250 ml

1,5 liter

25-50 kg

 

100 ml

300 ml

2 liter

50-75 kg

 

150 ml

300 ml

2 liter

> 75 kg 

 

200 ml

300 ml

2 liter

* Jonge kinderen (< 3 maanden) met een vermoeden van dehydratie is een indicatie voor consultatie of verwijzing naar de kinderarts.

volledige-tekst-praktische-toepassing
Praktische toepassing
  • ORS moet apart worden ingenomen; vermeng de oplossing niet met voedsel of met andere dranken.
  • Leg de verzorger uit dat om de paar minuten een klein slokje ORS geven, zo nodig met een lepeltje of een speen, gemakkelijker geaccepteerd wordt en minder aanleiding geeft tot braken dan grote hoeveelheden in één keer.
  • Een gedehydreerde patiënt is dorstig en drinkt waarschijnlijk goed.
  • Braken is geen reden om niet te beginnen met ORS; het vocht wordt zeer snel opgenomen en de patiënt neemt netto altijd meer op dan hij uitbraakt. 
volledige-tekst-algemene-adviezen
Algemene adviezen
  • Beoordeel of patiënt en verzorger thuisbehandeling aankunnen: rehydratie is een nauwkeurige en intensieve bezigheid. Verwijs de patiënt indien rehydratie in de thuissituatie niet haalbaar lijkt.
  • Geef aan dat de instructies over de bereidingswijze op de verpakking goed moeten worden opgevolgd.
  • Ontraad het zelf maken van ORS uit glucose, zout en water omdat dit tot fouten in de samenstelling kan leiden waardoor het gebruik schadelijk kan zijn.
  • Geef aan dat de patiënt naast ORS naar behoefte voedsel en andere dranken kan nemen.
volledige-tekst-alternatieve-dranken-voor-ors
Alternatieve dranken voor ORS
  • We bevelen aan kinderen met een gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie altijd eerst met ORS te rehydreren, omdat verdunde appelsap of andere alternatieve dranken geen bewezen gelijkwaardig alternatief zijn voor ORS.
  • Als rehydratie met ORS niet mogelijk is of herhaaldelijk wordt geweigerd, maak dan gebruik van water, appelsap (verdund met water, bijvoorbeeld 1:1), of andere verdunde vruchtensappen. 

Zie ook: Detail nr. 20 Alternatieve dranken voor ORS

volledige-tekst-anti-emetica-bij-kinderen
Anti-emetica bij kinderen

Wij raden andere anti-emetica dan ondansetron bij de behandeling van misselijkheid en braken af bij kinderen vanwege het gebrek aan bewijs voor de effectiviteit en vanwege de bijwerkingen, die vooral op jonge leeftijd voorkomen.

Zie ook: Detail nr. 21 Anti-emetica bij kinderen

volledige-tekst-ondansetron
Ondansetron
  • Overweeg een eenmalige dosis ondansetron (offlabel) als aanvulling op ORS, alleen in geval van:
    • (een verhoogd risico op) dehydratie én
    • bemoeilijkte behandeling met ORS door aanhoudend braken of herhaaldelijk braken direct na ORS-toediening

 

  • Bespreek de voor- en nadelen van het toevoegen van ondansetron aan ORS-rehydratie:
    • Waarschijnlijk verlaagt een eenmalige dosis ondansetron ten opzichte van placebo, de kans op een ziekenhuisopname binnen 8 uur bij brakende kinderen met een veronderstelde gastro-enteritis. Daarnaast resulteert ondansetron mogelijk in een grotere kans op stoppen met braken binnen 8 uur.
    • De bijwerkingen zijn bij eenmalig doseren beperkt en mild van aard.
    • Het gebruik is offlabel.
    • Benadruk dat rehydratie het primaire doel is van de behandeling met ondansetron en niet zozeer het stoppen van het braken zelf.
    • Benadruk dat een zo goed mogelijke toediening van ORS essentieel blijft voor de succeskans van rehydratie.
Dosering
  • Geef eenmalig ondansetron oraal 0,1 mg/kg lichaamsgewicht, maximaal 8 mg (niet bij kinderen < 3 maanden).
  • Contra-indicaties: aangeboren lang QT-syndroom, hartaandoening, gebruik van andere (middel)hoog QT-verlengende medicatie.
volledige-tekst-andere-anti-emetica
Andere anti-emetica

Wij raden andere anti-emetica dan ondansetron bij de behandeling van misselijkheid en braken af bij kinderen vanwege het gebrek aan bewijs voor de effectiviteit en vanwege de bijwerkingen, die vooral op jonge leeftijd voorkomen.

volledige-tekst-anti-emetica-bij-volwassenen
Anti-emetica bij volwassenen
  • Wees terughoudend met anti-emetica bij volwassenen als behandeling van braken bij ongecompliceerde gastro-enteritis.
  • Bespreek dat de effectiviteit van deze middelen niet vaststaat en dat de behandeling gepaard kan gaan met mogelijke bijwerkingen.
  • Overweeg alleen in uitzonderlijke gevallen behandeling met een anti-emeticum (bijvoorbeeld bij noodzaak tot reizen, bij verhoogd risico op dehydratie).
  • Maak een keuze uit metoclopramide of domperidon op basis van de comorbiditeit, comedicatie, contra-indicaties en mogelijke bijwerkingen (zie tabel h3).
  • Houd de duur van de behandeling zo kort mogelijk.
  • Ondansetron: we bevelen ondansetron bij volwassenen niet aan. 
Tabel h3. Anti-emetica bij volwassen 

Middel

Dosering

Aangepaste dosering

 

Veel voorkomende bijwerkingen

 

Contra-indicaties

Interacties

 

Rijvaardigheid

Metoclopramide
tablet of zetpil

 

10 mg 1-3 dd max. 5 dagen

eGFR 10-50: 5 mg 1-3 dd
eGFR < 10: 2,5 mg 1-3 dd

1e keus bij zwangerschap 

 

Extrapiramidale stoornissen 1
Slaperigheid
Diarree

Verlengde QT-tijd
Ziekte van Parkinson


 

Dopaminerge parkinsonmiddelen en prolactineremmers

Bij combinatie met SSRI's neemt het risico op extrapiramidale verschijnselen toe

 

Niet rijden t/m 24 uur na inname

Domperidon 
(smelt)tablet

 

10 mg 1-3 dd max. 5 dagen

Verlaagde eGFR: nvt

 

1e keus bij lactatie

 

Droge mond

Verlengde QT-tijd
Elektrolytstoornissen 2
Onderliggende hartaandoening
Bradycardie
Ernstige levercirrose

 

Andere (middel)hoog QT-verlengende medicatie vanwege een verhoogd risico op hartritmestoornissen

Geen invloed

1 vooral bij jongvolwassenen en hoge doseringen
2 hypokaliëmie, hyperkaliëmie, hypomagnesiëmie

Zie ook: Detail nr. 22 Anti-emetica bij volwassenen

volledige-tekst-gastro-enteritis-met-ernstige-ziekteverschijnselen-enof-met-verhoogd-risico-op-een-ernstig-beloop

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of met verhoogd risico op een ernstig beloop

volledige-tekst-antibiotica
Antibiotica
  • Overweeg antibiotica alleen bij ernstige ziekteverschijnselen (aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting) of bij patiënten met een verhoogd risico op een ernstig beloop van de infectie (zie Evaluatie), tenzij er reden is om de patiënt te verwijzen, vanwege de mate van ziek-zijn:
    • Geef de antibiotica in aanvulling op (eventuele) behandeling met ORS.
    • Geef bij een onbekende verwekker, eventueel na overleg met de arts-microbioloog of internist-infectioloog, azitromycine (zie tabel h4).
    • Geef indien de verwekker bekend is gericht antibiotica op geleide van de uitslag van het fecesonderzoek en de resistentiebepaling, eventueel na overleg met de arts-microbioloog of internist-infectioloog (zie tabel h4). 
Tabel h4. Antibiotica bij gastro-enteritis 

Geen behandeling, tenzij ernstige ziekteverschijnselen of verhoogd risico op ernstig beloop

Verwekker

Bijzonderheden

Keuze antibioticum* 

Contra-indicaties/interacties

Onbekend

 

  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen

Azitromycine:

Contra-indicatie: verlengde QT-tijd 

Interactie: QT-verlengende medicatie

Bacteriën 

 

 

Ciprofloxacine:

Contra-indicatie: verlengde QT-tijd

Interactie: (middel)hoog QT-verlengende medicatie, calciumzouten

Campylobacter 

 
  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen

Ciprofloxacine ontraden in 2e en 3e trimester zwangerschap  

Salmonella 

 
  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen
  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 5 dagen #
  • Bij patiënt met verminderde afweer of endovasculair kunstmateriaal: behandelduur 14 dagen

(eGFR < 30: 500 mg 1 dd gedurende 5 dagen)

 

Shigella 

.

 

 

  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen
  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 5 dagen #
  • Bij patiënt met verminderde afweer: behandelduur 7 dagen 

(eGFR < 30: 500 mg 1dd gedurende 5 dagen)

 

 

 

 

Yersinia 

Ook behandelindicatie bij complicaties zoals gewrichtsklachten of erythema nodosum  

  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 5 dagen

(eGFR < 30: 500 mg 1 dd gedurende 5 dagen)

 

EHEC/STEC

Antibiotica en diarreeremmende middelen zijn gecontra-indiceerd. 

 

 

 

ETEC

 
  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 3 dagen #

(eGFR < 30: 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen)

 

Clostridioides difficile

Consulteer of verwijs voor het beleid.

 

 

Parasieten

 

 

 

Giardia lamblia

 

Symptoomloos dragerschap komt veel voor en hoeft niet behandeld te worden

Bij persisteren klachten na behandeling overleg met arts-microbioloog

Metronidazol 500 mg 3 dd gedurende 5 dagen

Kinderen 1 maand-18 jaar:

  • oraal 50 mg/kg per dag in 1 dosis, gedurende 3 dagen, max. 2000 mg/dag

Contra-indicatie: verlengde QT-tijd

Interactie: vitamine K-antagonisten (toename stollingstijd)

Metronidazol niet combineren met alcohol (t/m 72 uur na inname) 

Entamoeba histolytica 

Consulteer of verwijs voor behandeling (ook bij dragerschap)

 

 

Cryptosporidium

Antibiotica zijn niet effectief

 

 

Gebaseerd op de Richtlijn antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree van de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB)

* Alleen doseringen voor volwassenen. Voor kinderen, zie het Kinderformularium 

# indien bij kweek aangetoonde gevoeligheid

Zie ook: Detail nr. 23 Antibiotica

volledige-tekst-controles

Controles

volledige-tekst-bij-ongecompliceerde-gastro-enteritis

Bij ongecompliceerde gastro-enteritis

Controle niet nodig.

volledige-tekst-bij-verhoogd-risico-op-dehydratie

Bij (verhoogd risico op) dehydratie

  • Instrueer bij achteruitgang contact op te nemen (zie ook NHG-Standaard Kinderen met koorts).
  • Overweeg (telefonische) herbeoordeling bij verhoogd risico op dehydratie na ongeveer 4 uur.
  • Herbeoordeel (eventueel telefonisch) bij dehydratie na ongeveer 4 uur.
  • Bepaal bij dehydratie het verdere beleid aan de hand van de herbeoordeling. Bij duidelijke klinische verbetering kan de dosering van ORS verlaagd worden, zie bij Verhoogd risico op dehydratie. Verwijs indien de klinische toestand niet duidelijk verbeterd is.
volledige-tekst-bij-ernstige-ziekteverschijnselen-of-verhoogd-risico-op-ernstig-beloop

Bij ernstige ziekteverschijnselen of verhoogd risico op ernstig beloop

Spreek controles af na 1 tot 3 dagen, afhankelijk van de leeftijd van de patiënt en de mate van ziek-zijn (zie ook NHG-Standaard Kinderen met Koorts).

volledige-tekst-beleid-bij-aanhoudende-diarree

Beleid bij aanhoudende diarree

  • Blijf alert op een andere oorzaak voor de klachten (zie Evaluatie).
  • Diarree die > 7 dagen aanhoudt of herhaaldelijk optreedt, kan het gevolg zijn van een tijdelijke (secundaire) lactose-intolerantie na een gastro-enteritis:
    • kenmerkend hiervoor is dat er een duidelijke relatie is tussen de klachten en inname van melkproducten
    • zie voor het beleid bij een tijdelijke lactose-intolerantie de NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid en coeliakie
  • Overweeg diagnostiek naar parasieten bij onvoldoende verbetering van de klachten na 14 dagen (zie figuur 1)
  • Behandeling van parasieten:
    • in geval van Giardia lamblia: behandel met metronidazol. Zie tabel h4
    • in geval van Entamoeba histolytica: consulteer of verwijs naar de internist voor behandeling

Zie ook: Detail nr. 24 Beleid bij aanhoudende diarree

volledige-tekst-consultatie-en-verwijzing

Consultatie en verwijzing

Indicaties voor consultatie of verwijzing naar een internist of kinderarts zijn:

  • ernstige ziekteverschijnselen en/of verhoogd risico op een ernstig beloop (direct, afhankelijk van de mate van ziek-zijn of bij onvoldoende verbetering bij behandeling met antibiotica)
  • ernstige dehydratie
  • dehydratie:
    • bij kinderen < 3 maanden met dehydratie
    • wanneer patiënt of verzorger niet in staat is te zorgen voor rehydratie
    • bij een rehydratiepoging: indien de klinische toestand na ongeveer 4 uur rehydratie niet duidelijk verbeterd is
  • diarree met hevig rectaal bloedverlies
  • gastro-enteritis met Clostrioides difficile of Entamoeba histolytica als verwekkers
  • aanhoudende klachten en negatieve fecesdiagnostiek op parasieten (en geen aanwijzingen voor een andere oorzaak): overweeg overleg met de arts-microbioloog over aanvullend fecesonderzoek of verwijs
volledige-tekst-ggd

GGD

Voor een overzicht van meldingsplichtige infectieziekten zie detail Besmettingsgevaar.

Referenties

  1. Thielman NM, Guerrant RL. Clinical practice. Acute infectious diarrhea. N Engl J Med 2004;350:38–47.
  2. De Wit NJ, Witteman BJM. Diarree. Huisarts Wet 2002:478–82.
  3. De Wit MA, Kortbeek LM, Koopmans MP, De Jager CJ, Wannet WJ, Bartelds AI, et al. A comparison of gastroenteritis in a general practice-based study and a community-based study. Epidemiol Infect 2001d;127:389–97.
  4. Weghorst AAH, Bonvanie IJ, Holtman GA, De Boer MR, Berger MY. Course of uncomplicated acute gastroenteritis in children presenting to out-of-hours primary care. BMC Prim Care 2022;23:125.
  5. Rijntjes AG. Acute diarree in de huisartspraktijk. Een onderzoek naar anamnese en microbiële oorzaken [Proefschrift]. Maastricht: Rijksuniversiteit Limburg; 1987.
  6. Jameson J, Fauci A, Kasper D, Hauser S, Longo D, Loscalzo J. Harrison’s principles of internal medicine (2018); 1.
  7. SWAB. Richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree. 2023.
  8. Pautas E, Siguret V, Kim TM, Chaïbi P, Golmard JL, Gouronnec A, et al. Anemia in the elderly: usefulness of an easy and comprehensive laboratory screen. Ann Biol Clin (Paris) 2012;70:643–7.
  9. Van Hommerig J, Overbeek L. Cijfers over ziekten op jaarbasis - hoe gezond is Nederland? (2025). https://www.nivel.nl/nl/resultaten-van-onderzoek/cijfers-ziekten-op-jaarbasis, geraadpleegd januari 2025.
  10. RIVM. Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands. 2023.
  11. Famenet. Gastrointestinal infection (D73) (2025). https://famenet.nl/gastrointestinal-infection-pdf/, geraadpleegd januari 2025.
  12. Kist-van Holthe JE, Van der Heijden AJ. Dehydratie ten gevolge van gastro-enteritis bij kinderen. Ned Tijdschr Geneesk 1999;143:193–6.
  13. Guarino A, Albano F, Ashkenazi S, Gendrel D, Hoekstra JH, Shamir R, et al. European Society for Paediatric Gastroenterology, Hepatology, and Nutrition/European Society for Paediatric Infectious Diseases evidence-based guidelines for the management of acute gastroenteritis in children in Europe: executive summary. J Pediatr Gastroenterol Nutr 2008;46:619–21.
  14. Holt PR. Diarrhea and malabsorption in the elderly. Gastroenterol Clin North Am 2001;30:427–44.
  15. Bruijnesteijn van Coppenraet LE, Dullaert-de Boer M, Ruijs GJ, Van der Reijden WA, Van der Zanden AG, Weel JF, et al. Case-control comparison of bacterial and protozoan microorganisms associated with gastroenteritis: application of molecular detection. Clin Microbiol Infect 2015;21:592.e9–19.
  16. De Wit MA, Koopmans MP, Kortbeek LM, Van Leeuwen NJ, Vinjé J, Van Duynhoven YT. Etiology of gastroenteritis in sentinel general practices in the Netherlands. Clin Infect Dis 2001b;33:280–8.
  17. Wolters P, Holtman GA, Weghorst AAH, Knoester M, Berger MY. Rotavirus and illness severity in children presenting with acute gastroenteritis at the primary care out-of-hours service. Eur J Gen Pract 2021;27:346–53.
  18. RIVM. Rotavirusvaccinatie (2025a). https://rijksvaccinatieprogramma.nl/vaccinaties/rotavirus, geraadpleegd maart 2025.
  19. RIVM. Jaarrapportage Surveillance van enterale infecties en zoönosen. 2022.
  20. LCI. LCI-richtlijn Shigellose (2025a). https://lci.rivm.nl/richtlijnen/shigellose, geraadpleegd januari 2025.
  21. LCI. LCI-richtlijn Clostridioides difficile (2025b). https://lci.rivm.nl/richtlijnen/clostridioides-difficile, geraadpleegd januari 2025.
  22. Van Prehn J, Chernova VO, Vendrik KEW, Kuijper EJ. Clostridiodes difficile-infecties in de eerste lijn. Ned Tijdschr Geneeskd 2023;167.
  23. Hensgens MP, Dekkers OM, Demeulemeester A, Buiting AG, Bloembergen P, Van Benthem BH, et al. Diarrhoea in general practice: when should a Clostridium difficile infection be considered? Results of a nested case-control study. Clin Microbiol Infect 2014;20:O1067–74.
  24. Hoogkamp-Korstanje JA. Voeding en gezondheid – infecties door voedsel. Ned Tijdschr Geneesk 2003;147:590–4.
  25. LCI. LCI-richtlijn Cryptosporidiose (2025c). https://lci.rivm.nl/richtlijnen/cryptosporidiose, geraadpleegd maart 2025.
  26. NVMM. Richtlijn Laboratoriumdiagnostiek van intestinale parasieten (2019). https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/lab-diagnostiek_van_intestinale_parasieten/startpagina.html.
  27. Longo DL, Kasper DL, Jameson JL, Fauci AS, Hauser SL, Loscalzo J. Harrison’s principles of internal medicine. New York: McGraw-Hill, 2012.
  28. CDC. Cyclosporiasis. 2023.
  29. De Wit MA, Koopmans MP, Kortbeek LM, Van Leeuwen NJ, Bartelds AI, Van Duynhoven YT. Gastroenteritis in sentinel general practices, The Netherlands. Emerg Infect Dis 2001a;7:82–91.
  30. Holtkamp G, Kranenberg J, Blaker M, Ott A, Leeuwen L-V, MY BY. Dientamoeba fragilis colonization is not associated with gastrointestinal symptoms in children at primary care level. Family Practice 2017;34:25–9.
  31. Banik GR, Barratt JL, Marriott D, Harkness J, Ellis JT, Stark D. A case-controlled study of Dientamoeba fragilis infections in children. Parasitology 2011;138:819–23.
  32. Finkelstein JA, Schwartz JS, Torrey S, Fleisher GR. Common clinical features as predictors of bacterial diarrhea in infants. Am J Emerg Med 1989;7:469–73.
  33. Opstelten W, Bijlsma JW, Gelinck LB, Hielkema CM, Verheij TJ, Van Eden W. Verminderde immuniteit: risicogroepen en gevolgen voor de huisartspraktijk. Ned Tijdschr Geneeskd 2016;160:A9752.
  34. NVK. Richtlijn Dehydratie bij kinderen (2023). https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/dehydratie_bij_kinderen/startpagina_-_dehydratie_bij_kinderen.html.
  35. Hooper L, Abdelhamid A, Attreed NJ, Campbell WW, Channell AM, Chassagne P, et al. Clinical symptoms, signs and tests for identification of impending and current water-loss dehydration in older people. Cochrane Database Syst Rev 2015;2015:CD009647.
  36. Steiner MJ, DeWalt DA, Byerley JS. Is this child dehydrated? Jama 2004;291:2746–54.
  37. Falszewska A, Szajewska H, Dziechciarz P. Diagnostic accuracy of three clinical dehydration scales: a systematic review. Arch Dis Child 2018;103:383–8.
  38. Kenney WL, Chiu P. Influence of age on thirst and fluid intake. Med Sci Sports Exerc 2001;33:1524–32.
  39. Van de Lisdonk EH, Van den Bosch WJHM, Lagro-Janssen ALM. Ziekten in de huisartspraktijk. 5th ed. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2008.
  40. Frese T, Klauss S, Herrmann K, Sandholzer H. Nausea and vomiting as the reasons for encounter in general practice. J Clin Med Res 2011;3:23–9.
  41. Nielen MMJ, Spronk I, Davids R, Zwaanswijk M, Verheij RA, J.C. K. Incidentie en prevalentie van gezondheidsproblemen in de Nederlandse huisartsenpraktijk in 2012. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn [Laatst gewijzigd op 17-12-2013]. http://www.nivel.nl/incidentie-en-prevalentiecijfers-in-de-huisartsenpraktijk (2013).
  42. Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartspraktijk. Bussum: Uitgeverij Coutinho, 1998.
  43. Molla AM, Sarker SA, Hossain M, Molla A, Greenough WB, 3rd. Rice-powder electrolyte solution as oral-therapy in diarrhoea due to Vibrio cholerae and Escherichia coli. Lancet 1982;1:1317–9.
  44. Brown KH, Gastañaduy AS, Saavedra JM, Lembcke J, Rivas D, Robertson AD, et al. Effect of continued oral feeding on clinical and nutritional outcomes of acute diarrhea in children. J Pediatr 1988;112:191–200.
  45. Brown KH, Peerson JM, Fontaine O. Use of nonhuman milks in the dietary management of young children with acute diarrhea: a meta-analysis of clinical trials. Pediatrics 1994;93:17–27.
  46. Guandalini S, Dincer AP. Nutritional management in diarrhoeal disease. Baillieres Clin Gastroenterol 1998;12:697–717.
  47. Sullivan PB. Nutritional management of acute diarrhea. Nutrition 1998;14:758–62.
  48. Rees L, Brook CG. Gradual reintroduction of full-strength milk after acute gastroenteritis in children. Lancet 1979;1:770–1.
  49. Dugdale A, Lovell S, Gibbs V, Ball D. Refeeding after acute gastroenteritis: a controlled study. Arch Dis Child 1982;57:76–8.
  50. Isolauri E, Vesikari T, Saha P, Viander M. Milk versus no milk in rapid refeeding after acute gastroenteritis. J Pediatr Gastroenterol Nutr 1986;5:254–61.
  51. Gottlieb T, Heather CS. Diarrhoea in adults (acute). BMJ Clin Evid 2011;2011.
  52. Li ST, Grossman DC, Cummings P. Loperamide therapy for acute diarrhea in children: systematic review and meta-analysis. PLoS Med 2007;4:e98.
  53. Fletcher P, Steffen R, DuPont H. Nutzen/risiko-abwägung bei der aufhebung der verschreibungspflicht von Loperamid. Arzneimittelforschung 1995;45:608–13.
  54. Dudink J, Mearin LM, Sukhai RN. Ileus na gebruik van loperamide bij een kind met acute diarree. Ned Tijdschr Geneesk 2003;147:670–2.
  55. Taminiau JA, Van Caillie-Bertrand M, Douwes AC, Felius A, Schulpen TW. De behandeling van acute gastro-enteritits bij kinderen. Ned Tijdschr Geneesk 1989;133:964–7.
  56. BCFI. Adsorbentia en adstringentia. 2014.
  57. Collinson S, Deans A, Padua-Zamora A, Gregorio GV, Li C, Dans LF, et al. Probiotics for treating acute infectious diarrhoea. Cochrane Database Syst Rev 2020;12:CD003048.
  58. Mourey F, Sureja V, Kheni D, Shah P, Parikh D, Upadhyay U, et al. A multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled trial of saccharomyces boulardii in infants and children with acute diarrhea. Pediatr Infect Dis J 2020;39:e347–e51.
  59. Ghosh A, Sundaram B, Bhattacharya P, Mohanty N, Dheivamani N, Mane S, et al. Effect of saccharomyces boulardii CNCM-I 3799 and bacillus subtilis CU-1 on acute watery diarrhea: a randomized double-blind placebo-controlled study in Indian children. Pediatr Gastroenterol Hepatol Nutr 2021;24:423–31.
  60. Chen K, Jin S, Ma Y, Cai L, Xu P, Nie Y, et al. Adjudicative efficacy of Bifidobacterium animalis subsp. lactis BLa80 in treating acute diarrhea in children: a randomized, double-blinded, placebo-controlled study. Eur J Clin Nutr 2024a;78:501–8.
  61. Chen K, Zeng K, Jin S, Ma Y, Cai L, Xu P, et al. Lacticaseibacillus rhamnosus LRa05 in the treatment of acute diarrhea in children: a randomized controlled trial. Front Nutr 2024b;11:1479186.
  62. Majeed M, Nagabhushanam K, Arumugam S, Chadalavada N, Seepana J, Annamalai T, et al. Probiotic Weizmannia coagulans MTCC 5856 as adjunct therapy in children's acute diarrhea-a randomized, double-blind, placebo-controlled study. Front Pediatr 2024;11:1338126.
  63. Avery ME, Snyder JD. Oral therapy for acute diarrhea. The underused simple solution. N Engl J Med 1990;323:891–4.
  64. King CK, Glass R, Bresee JS, Duggan C. Managing acute gastroenteritis among children: oral rehydration, maintenance, and nutritional therapy. MMWR Recomm Rep 2003;52:1–16.
  65. Urbain D, Belaiche J, De Vos M, Fiasse R, Hiele M, Huijghebaert S, et al. Treatment of acute diarrhoea: update of guidelines based on a critical interuniversity assessment of medications and current practices. Acta Gastroenterol Belg 2003;66:218–26.
  66. Sentongo TA. The use of oral rehydration solutions in children and adults. Curr Gastroenterol Rep 2004;6:307–13.
  67. Hahn S, Kim Y, Garner P. Reduced osmolarity oral rehydration solution for treating dehydration due to diarrhoea in children: systematic review. Bmj 2001;323:81–5.
  68. Fontaine O, editor Actualités sur les solutions de sels de réhydratation par voie orale dans le traitement des diarrhées de l'enfant 2003.
  69. Fontaine O, Gore SM, Pierce NF. Rice-based oral rehydration solution for treating diarrhoea. Cochrane Database Syst Rev 2000:CD001264.
  70. Fonseca BK, Holdgate A, Craig JC. Enteral vs intravenous rehydration therapy for children with gastroenteritis: a meta-analysis of randomized controlled trials. Arch Pediatr Adolesc Med 2004;158:483–90.
  71. Bellemare S, Hartling L, Wiebe N, Russell K, Craig WR, McConnell D, et al. Oral rehydration versus intravenous therapy for treating dehydration due to gastroenteritis in children: a meta-analysis of randomised controlled trials. BMC Med 2004;2:11.
  72. De Bruyn G. Diarrhoea in adults (acute). Clinical evidence (2006):[1031–48 pp.].
  73. Freedman SB, Willan AR, Boutis K, Schuh S. Effect of Dilute Apple Juice and Preferred Fluids vs Electrolyte Maintenance Solution on Treatment Failure Among Children With Mild Gastroenteritis: A Randomized Clinical Trial. JAMA. 2016 May 10;315(18):1966-74. doi: 10.1001/jama.2016.5352. PMID: 27131100.
  74. Fugetto F, Filice E, Biagi C, Pierantoni L, Gori D, Lanari M. Single-dose of ondansetron for vomiting in children and adolescents with acute gastroenteritis-an updated systematic review and meta-analysis. Eur J Pediatr 2020;179:1007–16.
  75. Niño-Serna LF, Acosta-Reyes J, Veroniki AA, Florez ID. Antiemetics in children with acute gastroenteritis: a meta-analysis. Pediatrics 2020;145.
  76. Qazi K, BinSalleeh HM, Shah UH, AlGhamedi N, Tamim H, Mubasher M, et al. Effectiveness of granisetron in controlling pediatric gastroenteritis-related vomiting after discharge from the ED. Am J Emerg Med 2014;32:1046–50.
  77. Bonvanie IJ, Weghorst AA, Holtman GA, Russchen HA, Fickweiler F, Verkade HJ, et al. Oral ondansetron for paediatric gastroenteritis in primary care: a randomised controlled trial. Br J Gen Pract 2021;71:e728–e35.
  78. Ramsook C, Sahagun-Carreon I, Kozinetz CA, Moro-Sutherland D. A randomized clinical trial comparing oral ondansetron with placebo in children with vomiting from acute gastroenteritis. Ann Emerg Med 2002;39:397–403.
  79. Yilmaz HL, Yildizdas RD, Sertdemir Y. Clinical trial: oral ondansetron for reducing vomiting secondary to acute gastroenteritis in children--a double-blind randomized study. Aliment Pharmacol Ther 2010;31:82–91.
  80. NICE. Management of vomiting in children and young people with gastroenteritis: ondansetron. 2014.
  81. Trivedi S, Schiltz B, Kanipakam R, Bos JM, Ackerman MJ, Ouellette Y. Effect of ondansetron on QT interval in patients cared for in the PICU. Pediatr Crit Care Med 2016;17:e317–23.
  82. Moermond CTA, Montforts MHMM, Roex EWM, Venhuis B, .J. Medicijnresten en waterkwaliteit: een update. RIVM, 12-10-2020; 2020.
  83. Furyk JS, Meek RA, Egerton-Warburton D. Drugs for the treatment of nausea and vomiting in adults in the emergency department setting. Cochrane Database Syst Rev 2015;2015:CD010106.
  84. Silverman RA, House SL, Meltzer AC, Hahn B, Lovato LM, Avarello J, et al. Bimodal release ondansetron for acute gastroenteritis among adolescents and adults: a randomized clinical trial. JAMA Netw Open 2019;2:e1914988.
  • Contact
  • Gebruikersvoorwaarden
  • Juridische status van richtlijnen
  • Disclaimer
  • Privacy- en cookiebeleid
  • Naar NHG.org
  • Vacatures

NHG-Richtlijnen

Richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van veelvoorkomende aandoeningen in de huisartsenpraktijk