NHG-Standaard

Gastro-enteritis

NHG-werkgroep:
Bijland L, Gessel LHM van, Greving JP, Peppel-Mauritz FA van de, Tellegen E, Verburg-Oorthuizen AFE, Vries CJH de, Wolters RJ

Richtlijnen diagnostiek

Naar Volledige tekst ›

Anamnese

Naar Volledige tekst ›

Vraag naar:

  • Klachten:
    • braken (frequentie), misselijkheid, buikpijn
    • ontlasting (frequentie, consistentie, bloed)
    • koorts, mate van ziek zijn
  • Overige symptomen voor risico op dehydratie:
    • vochtinname: globaal < de helft van de normale hoeveelheid
    • opvallende dorst
    • verminderde urineproductie (kinderen ≥ 12 uur niet geplast)
  • Verminderde afweer: comorbiditeit, immunosuppressiva
  • Gebruik van medicatie:
    • onderhoudsmedicatie
    • antibiotica (< 3 maanden geleden)
    • ORS en/of loperamide
  • Mogelijk verband met:
    • besmet voedsel of drinken
    • personen met braken en diarree in de omgeving
    • recent verblijf in de (sub)tropen
    • recente ziekenhuisopname
    • contact met (boerderij)dieren of zwemmen in open water
    • mannen die seks hebben met mannen (MSM)
  • Besmettingsgevaar:
    • werk in voedselbereiding, of in de gezondheidszorg
    • woon- en verblijfsomstandigheden (woonzorgcentrum, kinderdagverblijf)

Lichamelijk onderzoek

Naar Volledige tekst ›
  • Beoordeel de algemene toestand en mate van ziek-zijn: koorts, sufheid, verwardheid, (neiging tot) flauwvallen.
  • Onderzoek zo nodig het abdomen.

Dehydratie

Naar Volledige tekst ›
  • Bij kinderen: let op symptomen van dehydratie: capillaire refill-tijd ≥ 3 seconden, verminderde huidturgor, verhoogde ademhalingsfrequentie, droge slijmvliezen.
  • Bij volwassenen: beoordeel dehydratie aan de hand van de algemene toestand, en bepaal zo nodig ademhalingsfrequentie, pols en bloeddruk.

Aanvullend onderzoek

Naar Volledige tekst ›

Laboratoriumonderzoek

Naar Volledige tekst ›
  • Overweeg: (cito) bepaling van: creatinine, (eGFR), kalium en natrium
  • Overweeg bij diabetes mellitus: bepaling van glucose 

Fecesonderzoek

Naar Volledige tekst ›

Bacteriële verwekkers (zie figuur 1):

Parasitaire verwekkers (zie figuur 1): overweeg bij diarree ≥ 14 dagen.

Ongecompliceerde gastro-enteritis

Naar Volledige tekst ›

Diarree, misselijkheid en/of braken zonder: ernstige ziekteverschijnselen, verhoogd risico op een ernstig beloop en/of (verhoogd risico op) dehydratie.

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie of ernstige dehydratie

Naar Volledige tekst ›
Verhoogd risico op dehydratie
Naar Volledige tekst ›

Waterdunne diarree (> 6 maal per dag) en/of aanhoudend braken zonder aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek, in combinatie met:

  • minimale vochtinname (< de helft van normaal) of opvallende dorst en/of
  • factoren die het risico op dehydratie verhogen, zoals leeftijd < 2 jaar, ouderen > 70 jaar, comorbiditeit of medicatie, aanhoudende hoge koorts, hoge omgevingstemperatuur
Dehydratie
Naar Volledige tekst ›

Waterdunne diarree (> 6 maal per dag) ≥ 3 dagen (bij kinderen < 2 jaar en ouderen >70 jaar ≥ 1 dag) en/of aanhoudend braken, in combinatie met:

  • minimale vochtinname (globaal < de helft van normaal) of opvallende dorst én
  • aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek

Een normale urineproductie, vochtige slijmvliezen en een goede algehele toestand pleiten tegen dehydratie.

Ernstige dehydratie
Naar Volledige tekst ›

Gastro-enteritis met dehydratie in combinatie met:

  • sufheid, verwardheid, verminderd bewustzijn en/of
  • diep en snel ademhalen, versnelde hartslag en/of
  • flauwvallen, verlaagde bloeddruk

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of een verhoogd risico op een ernstig beloop:

Naar Volledige tekst ›

Richtlijnen beleid

Naar Volledige tekst ›

Voorlichting en advies

Naar Volledige tekst ›
  • Het beloop is meestal ongecompliceerd; na 10 dagen is 90% klachtenvrij.
  • Drink meer dan normaal ook bij braken. Zet onverdunde flesvoeding of borstvoeding voort.
  • De patiënt kan eten wat goed valt en waar hij trek in heeft; bij buikkrampen kleine porties.
  • Beperk onverdunde vruchtensap, frisdrank, lightproducten.
  • Extra aandacht voor hygiëne.
  • Overweeg tijdelijke aanpassing van chronische medicatie, zie tabel h1.

Medicamenteuze behandeling

Naar Volledige tekst ›

Ongecompliceerde gastro-enteritis

Naar Volledige tekst ›
Loperamide
Naar Volledige tekst ›

Overweeg loperamide (bij volwassenen en kinderen ≥ 8 jaar) in situaties waarin diarree om praktische redenen als te hinderlijk wordt ervaren (zie dosering).

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie

Naar Volledige tekst ›
ORS
Naar Volledige tekst ›
  • Adviseer ORS (zie tabel h2).
  • Als ORS niet mogelijk is, geef dan water, verdunde appelsap of andere verdunde vruchtensappen.
Anti-emetica
Naar Volledige tekst ›
  • Overweeg bij kinderen > 3 maanden: eenmalig ondansetron (oraal 0,1 mg/kg, max 8 mg, offlabel) als aanvulling op ORS bij aanhoudend braken of herhaaldelijk braken direct na ORS-toediening (contra-indicaties: aangeboren lang QT-syndroom, hartaandoening, gebruik van QT-verlengende medicatie).
  • Wees terughoudend bij volwassenen (zie Anti-emetica bij volwassenen).

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of met verhoogd risico op een ernstig beloop

Naar Volledige tekst ›
  • Overweeg bij volwassen patiënten met ernstige ziekteverschijnselen en/of ernstig verminderde afweer met onbekende verwekker: azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen.
  • Specifieke bacteriën en parasieten: zie tabel h4.

Controles

Naar Volledige tekst ›
  • Bij (verhoogd risico op) dehydratie:
    • Instrueer bij achteruitgang contact op te nemen (zie ook NHG-Standaard Kinderen met koorts).
    • Overweeg (telefonische) herbeoordeling bij verhoogd risico op dehydratie na ongeveer 4 uur.
    • Herbeoordeel (eventueel telefonisch) bij dehydratie na ongeveer 4 uur.
    • Bepaal bij dehydratie het verdere beleid aan de hand van de herbeoordeling. Bij duidelijke klinische verbetering kan de dosering van ORS verlaagd worden (conform bij verhoogd risico op dehydratie). Verwijs indien de klinische toestand niet duidelijk verbeterd is.
  • Bij ernstige ziekteverschijnselen of verhoogd risico op ernstig beloop:

Beleid bij aanhoudende diarree

Naar Volledige tekst ›

Consultatie en verwijzing

Naar Volledige tekst ›

Verwijs bij:

  • ernstige ziekteverschijnselen en/of verhoogd risico op een ernstig beloop: direct of bij onvoldoende verbetering bij behandeling met antibiotica
  • ernstige dehydratie
  • dehydratie:
    • bij kinderen < 3 maanden
    • wanneer patiënt of verzorger niet in staat is te zorgen voor rehydratie
    • onvoldoende verbetering na 4 uur rehydratie
  • diarree met hevig rectaal bloedverlies
  • gastro-enteritis veroorzaakt door Clostrioides difficile of Entamoeba histolytica
  • aanhoudende klachten en negatieve fecesdiagnostiek op parasieten: overweeg overleg met arts-microbioloog over aanvullende fecesonderzoek of verwijs

GGD

Naar Volledige tekst ›

Zie Besmettingsgevaar voor een overzicht van meldingsplichtige infectieziekten.

Belangrijkste wijzigingen

Naar Samenvatting ›
  • In deze standaard zijn de NHG-Standaard Acute diarree en de NHG-Behandelrichtlijn Misselijkheid en braken samengevoegd.
  • De termijn om bij aanhoudende diarree fecesdiagnostiek naar parasieten te overwegen is verlengd van 10 dagen naar 14 dagen.
  • Dientamoeba fragilis wordt niet meer als pathogeen beschouwd.
  • Er is meer aandacht voor tijdelijke aanpassing van chronische medicatie.
  • De praktische toepassing van ORS is verduidelijkt.
  • Het antibioticabeleid bij bacteriële verwekkers is geactualiseerd.

Kernboodschappen

Naar Samenvatting ›
  • Gastro-enteritis komt frequent voor en gaat meestal vanzelf over.
  • Fecesdiagnostiek naar bacteriële verwekkers is alleen geïndiceerd bij patiënten met ernstige ziekteverschijnselen of een verhoogd risico op een ernstig beloop.
  • Overweeg diagnostiek naar Clostridioides difficile na ziekenhuisopname en/of antibioticagebruik < 3 maanden geleden.
  • Kinderen < 2 jaar (vooral < 3 maanden) en ouderen (arbitrair > 70 jaar) hebben een verhoogd risico op dehydratie.
  • Behandeling met ORS is aangewezen bij (een verhoogd risico op) dehydratie.
  • Overweeg een eenmalige dosis ondansetron (offlabel) als aanvulling op ORS bij kinderen met (een verhoogd risico op) dehydratie, bij wie ORS-toediening bemoeilijkt is door het braken.
  • Wees terughoudend met het gebruik van anti-emetica bij volwassenen. 

Inleiding

Naar Samenvatting ›

Scope

Naar Samenvatting ›

Diagnostiek en beleid bij kinderen en volwassenen met (vermoedelijk) gastro-enteritis.

Buiten de scope

Naar Samenvatting ›
  • Diagnostiek en beleid bij andere oorzaken van acute diarree, misselijkheid en braken dan gastro-enteritis.
  • Preventie van reizigersdiarree.

Afstemming

Naar Samenvatting ›

Deze standaard sluit zoveel mogelijk aan bij de richtlijnen van de:

Achtergronden

Naar Samenvatting ›

Acute diarree

Naar Samenvatting ›
  • Plotseling optredende afwijking van het gebruikelijke defecatiepatroon, die < 14 dagen bestaat.
  • Frequentie en hoeveelheid van de ontlasting zijn toegenomen en de ontlasting bevat meer water dan gewoonlijk. 

Gastro-enteritis

Naar Samenvatting ›
  • Ziektebeeld als gevolg van een ontsteking van het maagdarmkanaal, waarbij vrijwel altijd diarree optreedt. Dit kan gepaard gaan met misselijkheid en braken.
  • De ontsteking wordt veroorzaakt door een micro-organisme (bacterie, virus, parasiet) of een microbieel toxine. 

Dehydratie

Naar Samenvatting ›
  • Vermindering van de hoeveelheid lichaamsvocht, meestal uitgedrukt in procentuele afname van het lichaamsgewicht.
  • In de huisartsenpraktijk wordt de mate van dehydratie ingeschat op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek.
Details
Begrippen

Symptoom en ziektebeeld

De benamingen voor het symptoom acute diarree en het ziektebeeld (acute) gastro-enteritis worden in de literatuur door elkaar gebruikt.

Acute diarree

De definitie van acute diarree omvat de drie hoofdkenmerken van diarree: toename van de frequentie, het volume en de waterhoudendheid. Deze definitie geldt voor alle leeftijden. Door de brede omschrijving is deze definitie goed hanteerbaar in de huisartsenpraktijk.

De frequentie is het enige gegeven dat exact en objectief vastgesteld kan worden door de patiënt en/of diens verzorgers. Als ondergrens voor de dagelijkse defecatiefrequentie voor de diagnose diarree wordt vaak drie genoemd, rekening houdend met de frequentie die voor een bepaald persoon normaal is. 1   Zuigelingen kunnen na vrijwel elke voeding een defecatie hebben zonder dat er dan sprake is van acute diarree. 2   Voor de hoeveelheid en mate van waterhoudendheid (waterdun-brijig-gevormd) is de huisarts aangewezen op de beschrijving van de patiënt of de verzorgers.

Episode gastro-enteritis

Een episode van virale of bacteriële gastro-enteritis duurt meestal niet langer dan 4-7 dagen. Diarree veroorzaakt door parasieten duurt veelal langer dan 10 dagen. 3  4   Diarree die langer aanhoudt dan 14 dagen of recidiveert wordt meestal chronisch genoemd, maar dit is een arbitraire grens. 5  1  6   Het wordt ook wel aanhoudende diarree genoemd. 7  

Dehydratie

Dehydratie is een vermindering van de totale hoeveelheid lichaamsvocht 8   (zie ook details Elektrolytstoornissen bij diarree en braken en Dehydratie).

Epidemiologie

Naar Samenvatting ›
  • De incidentie van vermoedelijke gastro-enteritis (ICPC-code D73) in de huisartsenpraktijk wordt geschat op 12 per 1000 patiënten per jaar.
  • In de leeftijdscategorie 0 – 4 jaar is de incidentie van vermoedelijke gastro-enteritis (ICPC-code D73) verreweg het hoogst en is het een van de meest voorkomende aandoeningen waarvoor contact wordt gezocht met de huisarts.
  • Vooral kinderen < 2 jaar hebben een hoger risico op dehydratie (ICPC-code T11). Bij ouderen loopt dit risico geleidelijk op met het stijgen van de leeftijd. 
Details
Epidemiologie

Diarree en braken

De hier genoemde gegevens zijn afkomstig van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn 2024. 9   Deze zijn berekend uit de gegevens van 426 huisartsenpraktijken met ruim 1,9 miljoen ingeschreven patiënten. De selectie van huisartsenpraktijken is gebaseerd op de kwaliteit van hun registratie van ICPC-codes en wordt representatief geacht voor de Nederlandse bevolking. De incidentie van diarree (ICPC-code D11) en braken (ICPC-code D10) in de huisartsenpraktijk waren in 2024 respectievelijk 16 en 7 per 1000 patiënten.

Acute gastro-enteritis

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) maakt jaarlijks schattingen van de ziektelast van voedselgerelateerde infecties, die veelal gepaard gaan met diarree. In 2023 werd het totale aantal voedselgerelateerde infecties in de Nederlandse bevolking geschat op 4,9 miljoen. Het aantal mensen dat de huisarts consulteerde werd geschat op ongeveer 5%. 10  

De incidentie van veronderstelde gastro-intestinale infectie (ICPC-code D73) in de huisartsenpraktijk werd in 2024 geschat op 12 per 1000 patiënten. Vooral in de leeftijdscategorie 0-4 jaar was de incidentie hoog (0 -1 jaar: 91 per 1000 patiënten per jaar, 2-4 jaar: 44 per 1000 patiënten per jaar). Na luchtweginfecties, otitis media, koorts, impetigo en hoesten, is veronderstelde gastro-intestinale infectie (ICPC-code D73) één van de meest voorkomende aandoeningen waarvoor ouders van jonge kinderen (0-4 jaar) de huisarts consulteren. 11   Boven de leeftijd van 4 jaar neemt de incidentie sterk af met de leeftijd. Bij ouderen neemt de incidentie weer toe. Bij 75- tot 84-jarigen is de incidentie 11 per 1000 patiënten en > 85 jaar 20 per 1000 patiënten per jaar. De geschatte incidentie van infectieuze diarree (ICPC-code D70) was 1,3 per 1000 patiënten in 2024. 9  

Dehydratie

Vooral jonge kinderen hebben een groter risico op dehydratie (ICPC-code T11). De incidentie was in 2024 bij 0- tot 1-jarigen 7,7 per 1000 patiënten per jaar, bij 2- tot 4-jarigen 2,3 per 1000 patiënten. Bij ouderen loopt de incidentie geleidelijk op. Bij 65- tot 74-jarigen was de incidentie 0,5 per 1000 patiënten, bij 75- tot 84-jarigen 0,8 per 1000 patiënten en bij ouderen > 85 jaar 2,0 per 1000 patiënten. 9  

Morbiditeit en mortaliteit

In een Nederlandse huisartsenregistratiedatabase leidde ongeveer 5% van de episodes met een veronderstelde gastro-enteritis (ICPC D73) tot een verwijzing naar de tweede lijn, met name jonge kinderen (0-4 jaar) en ouderen (>75 jaar) (Morbidity in primary care).11  
In 2023 werden naar schatting 22.000 patiënten opgenomen in het ziekenhuis, waarbij de meest voorkomende verwekkers norovirus, rotavirus, Campylobacter en Salmonella non-typhi waren. 10   Sterfte komt vooral voor bij ouderen en loopt op met de leeftijd. In 2023 bedroeg de sterfte in Nederland aan infecties aan het maag-darmkanaal in totaal 667 patiënten (0,4% van de totale sterfte), op basis van sterftecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. In de leeftijdscategorie 70-74 jaar stierven 4 per 100.000 personen aan een infectie van het maag-darmkanaal, 75-79 jaar 9 per 100.000, 80-84 jaar 23 per 100.000 per jaar en 85-89 jaar 62 per 100.000 per jaar. 

Pathofysiologie

Naar Samenvatting ›
Details
Elektrolytstoornissen bij diarree en braken

Dagelijks passeert zo’n 9 liter vocht het maag-darmkanaal: 2 liter door intake, 7 liter door secretie. Daarvan wordt 98% geresorbeerd. Het vochtverlies door defecatie bedraagt normaliter slechts 100-200 ml.

Diarree kan door toegenomen vochtverlies leiden tot dehydratie, hypovolemie en elektrolytstoornissen. Als het vochtverlies groot is, kan het leiden tot hypernatriëmie. Daarnaast kunnen juist hypokaliëmie en hyponatriëmie ontstaan door kalium- en natriumverlies via de ontlasting. Metabole acidose kan optreden door verlies van bicarbonaat uit de gal-, pancreas- en darmsappen. Anderzijds kan ook braken leiden tot metabole alkalose via het verlies van maagzuur, dat een hoge H+-concentratie heeft.

Soms ontstaat bij gastro-enteritis juist hyperkaliëmie. Het risico hierop is verhoogd bij:

  • patiënten met een verminderde nierfunctie, hartfalen, hoge leeftijd en diabetes mellitus;
  • patiënten die geneesmiddelen gebruiken die hyperkaliëmie bevorderen, zoals RAS-remmers, aldosteronantagonisten, kaliumsparende diuretica (waaronder spironolacton), NSAID’s;
  • patiënten bij wie ten gevolge van de dehydratie hypovolemie is ontstaan met een afgenomen glomerulaire filtratiesnelheid (GFR < 30 ml/min), wat leidt tot secundair hyperaldosteronisme. Hierdoor kan in het distale nefron minder natrium worden uitgewisseld tegen kalium en ontstaat er een hyperkaliëmie. 8  6  

Hypo- en hyperkaliëmie zijn levensbedreigende toestanden met onbehandeld een hoge mortaliteit. Symptomen van hypokaliëmie zijn: spierzwakte, kramp, myalgie, paresthesieën, afname van peesreflexen, hartritmestoornissen (ECG-afwijkingen) en nierfalen. Symptomen van hyperkaliëmie zijn: sufheid, spierzwakte, dyspneu en hypotensie (< 90 mmHg).

Conclusie

Diarree bij gastro-enteritis kan, vooral bij forse of aanhoudende diarree, leiden tot dehydratie, hypovolemie, hyper- of hyponatriëmie, metabole acidose of alkalose en hypo- of hyperkaliëmie. De kans op hyperkaliëmie is verhoogd bij ouderen, patiënten met verminderde nierfunctie en patiënten die kaliumsparende medicatie gebruiken.

Risicogroepen voor dehydratie

Jonge kinderen (met name < 2 jaar) zijn het meest gevoelig voor dehydratie. Bij ouderen loopt het risico geleidelijk op met de leeftijd. 
Zuigelingen ( < 3 maanden) raken eerder gedehydreerd dan oudere kinderen en volwassenen, omdat bij hen het extracellulaire volume 45% van het lichaamsgewicht bedraagt, tweemaal zoveel als bij volwassenen, en ook sneller uitwisselbaar is zodat een toegenomen vochtverlies daarin snelle veranderingen teweegbrengt. 12   Een zuigeling heeft bovendien een relatief groot lichaamsoppervlak ten opzichte van het lichaamsgewicht en verliest daardoor meer vocht via de huid dan een volwassene. Tenslotte is bij zuigelingen het concentratievermogen van de nier tijdens ondervulling nog beperkt, wat bijdraagt aan de dehydratie. 13  
Het verhoogde risico bij ouderen wordt veroorzaakt door diverse factoren. Ouderen hebben een verminderd dorstgevoel, gebruiken dikwijls antihypertensiva zoals diuretica of hebben een verminderde nierfunctie. Daarnaast wordt dehydratie minder snel onderkend – door eenzaamheid of dissimulatie, of uit schaamte voor eventuele incontinentie. 14  

Afkappunten

De gekozen afkappunten voor de duur en frequentie van diarree en braken en de aangegeven leeftijdsgrenzen voor ouderen berusten op consensus binnen de werkgroep. 

Misselijkheid en braken

Naar Samenvatting ›

Misselijkheid en braken kunnen via verschillende wegen worden opgewekt. Bij een gastro-enteritis worden receptoren (serotonine (5-HT3), dopamine) geprikkeld vanuit vagale afferente zenuwbanen in het maag-darmkanaal. 

Diarree

Naar Samenvatting ›

Diarree is het gevolg van actieve secretie van water en elektrolyten en/of ontstekingsvocht door de darmmucosa en/of van verminderd resorberend oppervlak van darmmucosa (bij virale infecties).

Dehydratie

Naar Samenvatting ›
  • De volgende symptomen kunnen wijzen op een verhoogd risico op dehydratie: frequente waterdunne diarree (globaal > 6 maal per dag) gedurende minstens 3 dagen (bij kinderen < 2 jaar of ouderen > 70 jaar minstens 1 dag) en/of aanhoudend braken (braken gaat maar door, meerdere keren per uur), koorts, minimale vochtinname, verminderde urineproductie en opvallende dorst.
  • Een hoge omgevingstemperatuur verhoogt het risico op dehydratie.
  • Symptomen van ernstige dehydratie zijn sufheid, verwardheid, verlaagd bewustzijn, versnelde hartslag, flauwvallen, verlaagde bloeddruk.
  • Complicaties van ernstige dehydratie zijn:
    • verslechtering van de nierfunctie
    • elektrolytstoornissen (verhoogd risico bij gebruik van bepaalde medicatie, bijvoorbeeld RAS-remmers)
    • intoxicatie door medicatie
  • Bij de behandeling van dehydratie wordt gebruikgemaakt van oral rehydration solution (ORS). De behandeling is gebaseerd op gekoppelde opname van natrium en glucose door de darmmucosa. Water volgt passief de osmotische gradiënt, die door het transcellulaire transport van deze stoffen ontstaat. Bij ernstige diarree blijft de gekoppelde opname van natrium en glucose door de darmmucosa bestaan.

Etiologie

Naar Samenvatting ›

Mogelijke besmettingsbronnen zijn: onvoldoende hygiëne, voedsel, (boerderij)dieren, open zwemwater.

Details
Etiologie

Verwekkers van gastro-enteritis 

Verwekkers algemene bevolking

Volgens jaarlijkse globale schattingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is het norovirus de meest voorkomende ziekteverwekker van voedselgerelateerde infecties in de Nederlandse bevolking. Daarnaast komen voedselvergiftigingen door toxinen van bacteriën (met name Staphylococcus aureus, Clostridium perfringens) eveneens frequent voor. 10  

Verwekkers huisartsenpraktijk

Op basis van de jaarlijkse globale schattingen van voedselgerelateerde infecties van het RIVM consulteren patiënten de huisarts het meest frequent met norovirusinfecties en Campylobacter-infecties. Salmonella-infecties komen veel minder frequent voor. Volgens de schattingen zijn Giardia lamblia en Cryptosporidium frequent voorkomende parasitaire infecties, waarbij de geschatte aantallen van Cryptosporidium-infecties jaarlijks variëren. 10  

In een Nederlands case-controleonderzoek (1515 cases /1195 controles, volwassenen en kinderen) werd fecesdiagnostiek naar bacteriën en parasieten op aanvraag door huisartsen bij patiënten met klachten van gastro-enteritis vergeleken met controles zonder klachten. Campylobacter-soorten werden het meest frequent gevonden, bij 10% van de patiënten met klachten. Bacteriesoorten die minder frequent voorkwamen waren Salmonella-soorten (2%), Clostridium difficile (4%), Shigella/ Enteroinvasieve E.coli (EIEC) (1%), Shiga-toxineproducerende E. coli (STEC) (1%), Yersina enterocolytica (0,1%). Van de geteste parasieten werd Giardia lamblia bij 6% van de patiënten met klachten aangetoond, Cryptosporidium bij 3%, Entamoeba histolytica werd niet gevonden. Bij 36% van de fecesmonsters van patiënten met klachten, werd er een verwekker gevonden, na exclusie van de positieve tests van de als niet pathogeen beschouwde Dientamoebe fragilis. In de controlegroep was dit 19%. 15  

Bij kinderen spelen met name virussen een rol, zoals het rotavirus en norovirussen. Bij kinderen onder de 1 jaar die op consult kwamen vanwege acute diarree werd in 21% van de gevallen het rotavirus aangetoond en in 15% het norovirus. Bij kinderen van 1-4 jaar was dit 15%, respectievelijk 9%. 16   Op een Nederlandse huisartsenpost bleek bij kinderen tussen de 6 maanden en 6 jaar het rotavirus de meest voorkomende verwekker van gastro-enteritis. 17  

Virale verwekkers

Naar Samenvatting ›

De meest voorkomende virale verwekkers zijn:

  • Norovirus
    • De incidentie is het hoogst bij volwassenen.
    • Een infectie met het norovirus kan (door de hoge besmettelijkheid) leiden tot uitbraken, bijvoorbeeld in een woonzorgcentrum.
  • Rotavirus
    • De incidentie is het hoogst bij jonge kinderen en ouderen.
    • Een infectie gaat dikwijls gepaard met frequent braken gedurende de eerste dagen.
    • Bijkomende diarree kan relatief lang aanhouden door darmwandschade met afname van de resorptie als gevolg.
    • Sinds januari 2024 is het rotavirusvaccin onderdeel van het Rijksvaccinatieprogramma (vaccinatie rond leeftijd 6-9 weken en 3 maanden).
  • Adenovirus (bepaalde typen)
    • De incidentie is het hoogst bij kinderen.
    • De symptomen zijn vergelijkbaar met die van een rotavirusinfectie.
Details
Virale verwekkers

Rotavirussen kunnen leiden tot gastro-enteritis met plotselinge waterige diarree, koorts, braken en dehydratie. Norovirussen kunnen misselijkheid, braken, hoofdpijn, buikpijn, diarree en lichte koorts veroorzaken (zie de LCI-richtlijn Rotavirus en de LCI-richtlijn Norovirus). Bij een norovirus- of rotavirusinfectie is er geen bloed- of slijmbijmenging in de feces. De infectie duurt gemiddeld twee dagen bij volwassenen met een goede gezondheid, maar soms aanzienlijk langer bij kinderen en ouderen. De enterale adenovirustypen 40 en 41 veroorzaken vooral bij kinderen een op een rotavirusinfectie lijkend beeld met diarree, meestal gecombineerd met braken en koorts (zie de LCI-richtlijn Adenovirusinfecties).

Rotavirusvaccinatie

In 2024 is de rotavirusvaccinatie opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) voor kinderen geboren vanaf 1 januari 2024. Het vaccin (orale druppelvloeistof) wordt rond de leeftijd van 6-9 weken en 3 maanden gegeven (Rotavirusvaccinatie | Rijksvaccinatieprogramma.nl). 18  

Het vaccin wordt over het algemeen goed verdragen. Het heeft een mild bijwerkingspatroon. De meest voorkomende bijwerking is enkele dagen dunnere ontlasting. Dit komt voor bij 1 op de 10 tot 100 gevaccineerden. Bijwerkingen kunnen in de eerste twee weken na de toediening optreden, meestal gebeurt dit binnen 8 dagen na de toediening. Als zeer zeldzame bijwerking wordt een darminvaginatie beschreven. Als dit optreedt, gebeurt dat meestal in de eerste week na vaccinatie Rotavirusvaccinatie | Rijksvaccinatieprogramma.nl.

Bacteriële verwekkers

Naar Samenvatting ›
  • De meest voorkomende bacteriële verwekkers in Nederland zijn Campylobacter-soorten (met name Campylobacter. jejuni).
  • Minder frequent voorkomende verwekkers zijn:
    • Salmonella-soorten
    • Shigella-soorten: een verblijf in de (sub)tropen is de belangrijkste risicofactor voor een infectie. Mannen die seks hebben met mannen vormen een risicogroep.
    • Yersinia-soorten
    • Enterohemorragische E. coli (EHEC), ook wel shiga-toxineproducerende E. coli (STEC) genoemd. Een infectie kan gepaard gaan met hemorrhagische colitis. Een zeldzame complicatie is het levensbedreigende hemolytisch-uremisch syndroom (HUS), waarbij hemolytische anemie, trombocytopenie en acute nierinsufficiëntie optreden.
  • De meest voorkomende verwekkers van reizigersdiarree zijn:
    • enterotoxische E. coli (ETEC) en enteroaggregatieve E. coli (EAEC): de symptomen zijn doorgaans van korte duur tijdens een reis.
  • Toxine-producerende verwekkers:
    • Clostridioides difficile (eerder Clostridium difficile genoemd): belangrijkste risicofactoren zijn antibioticagebruik (< 3 maanden geleden) en ziekenhuisopname.
    • Staphylococcus aureus, Clostridioides perfringens en Bacillus cereus: de klachten, vooral misselijkheid en braken, beginnen binnen enkele uren na het eten van besmet voedsel en zijn over het algemeen binnen 24 uur verdwenen.
    • EHEC/STEC en Shigella (zie hierboven)
Details
Bacteriële verwekkers

Shigella

Er zijn vier Shigella-soorten die klachten bij de mens kunnen veroorzaken: S. sonnei, S. flexneri, S. boydii en S. dysenteriae. In Nederland worden S. sonnei en S. flexneri het vaakst aangetoond. De infectie begint met waterige diarree, vaak met bloed- en slijmbijmenging, mogelijk met koorts en buikkrampen. De symptomen kunnen variëren van mild tot ernstig; een infectie kan ook asymptomatisch verlopen. De gebruikelijke transmissieroute van Shigella is feco-oraal. Dit gebeurt direct van persoon op persoon of indirect via besmet voedsel of water (zelden in Nederland). Mensen zijn het enige natuurlijke reservoir van Shigella. Het is één van de meest besmettelijke darmbacteriën. Een Shigella-infectie is een meldingsplichtige ziekte (zie Meldingsplicht).

Globaal 60% van de Shigella-infecties wordt opgelopen in het buitenland. Naast reizigers vormen mannen die seks hebben met mannen (MSM) een risicogroep voor het oplopen van een Shigella-infectie. In 2022 betrof 20% van de infecties de groep MSM. In de groep patiënten, die een infectie opliepen in Nederland was het percentage MSM met 41% hoger dan de groep patiënten met een reisgerelateerde infectie (7%). 19  
Met name in shigella-isolaten van feces van MSM wordt regelmatig antibioticaresistentie waargenomen. Het gaat veelal om resistentie tegen ciprofloxacine en/of azitromycine. Sinds 2020 is er in Europa en het Verenigd Koninkrijk al diverse keren melding gemaakt van een zogenaamde extensieve resistentie (XDR) tegen S. sonnei, waarvoor nauwelijks behandelopties zijn (LCI-richtlijn Shigellose). 20   In de huisartsenpraktijk zal dit zelden voorkomen en kan op geleide van de kweekuitslag behandeld worden conform de adviezen voor antibiotische behandeling, die zijn gebaseerd op de SWAB-richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree. 7  

Escherichia coli-soorten

Escherichia coli wordt gevonden in de darmen van mensen en (warmbloedige) dieren, en is over het algemeen een onschadelijke bacterie. Bepaalde serotypes kunnen bij de mens enteritis veroorzaken. Op basis van het klinisch beeld, de epidemiologische karakteristieken en virulentiefactoren wordt de diarree veroorzakende E. coli ingedeeld in zes verschillende groepen: enteropathogene (EPEC), entero-invasieve (EIEC), enterotoxigene (ETEC), enteroaggregatieve (EAEC of EAggEC), diffuus-adhererende (DAEC) en enterohemorragische (EHEC/STEC).
De overdracht van ETEC, EHEC/STEC, EIEC en EAEC vindt voornamelijk plaats via besmet water of voedsel (met vee als reservoir). Overdracht van EPEC (en soms van EHEC/STEC) vindt plaats van persoon op persoon (met de mens als reservoir).
In het algemeen infecties zijn met E. coli zelfbeperkend. EPEC en EAEC kunnen ook aanhoudende diarree geven. ETEC en de EAEC worden vaak gezien als veroorzakers van reizigersdiarree.

EHEC/STEC

EHEC behoort tot de groep shiga-toxineproducerende E. coli (STEC). Binnen E. coli kan nog verder onderscheid gemaakt worden door middel van O- en H-serotypering (de meest ziekmakende STEC-soorten zijn onder andere O157:H7 en O104:H4). STEC kunnen bij de mens hemorragische colitis veroorzaken (en worden daarom EHEC genoemd). De incubatietijd van dit type infectie is 3-4 dagen (range 1-12 dagen). Een infectie met EHEC/STEC kan asymptomatisch verlopen, beperkt zijn tot milde diarree, maar ook hemorragische colitis veroorzaken. Karakteristiek is het plotseling optreden van heftige buikkrampen, soms braken, vaak zonder koorts. De aanvankelijk waterige diarree wordt na 1-3 dagen bloederig. De meeste patiënten herstellen binnen 10 dagen. Bij een klein deel van de gevallen (ongeveer 20 per jaar) kan de infectie zich ontwikkelen tot een levensbedreigende aandoening, zoals het hemolytisch uremisch syndroom (HUS), met de trias hemolytische anemie, trombocytopenie en acute nierinsufficiëntie door het EHEC-toxine in de bloedbaan dat nierschade veroorzaakt. Het HUS kan zich 14 dagen na de gastro-enteritis nog ontwikkelen, vooral bij kinderen < 5 jaar en ouderen ≥60 jaar. Bloedonderzoek toont een hemolytische anemie, milde tot ernstige trombocytopenie en acuut nierfalen. Klinisch kan een HUS gepaard gaan met bleekheid, algehele zwakte, verhoogde bloedingsneiging (bloedingen van neus en slijmvliezen), oligurie en toenemend oedeem. 6   Antibiotische behandeling van STEC en het ontstaan van HUS zijn geassocieerd. 7   Preventie van besmetting met EHEC/STEC via de voeding berust op basale hygiëne en voldoende verhitting bij de bereiding van voedsel.

Clostridioides difficile

Clostridioides difficile (C. difficile, voorheen Clostridium difficile genoemd) is een anaerobe, sporenvormende bacteriesoort die de belangrijkste oorzaak is van antibioticageassocieerde diarree. Besmetting kan leiden tot asymptomatisch dragerschap, maar ook tot ziekte. De klinische symptomen variëren van milde, kortdurende en spontaan herstellende diarree tot ernstige en levensbedreigende colitis, veroorzaakt door toxineproducerende C. difficile-stammen (LCI-richtlijn Clostridioides difficile). 21  
In 2005 werden uitbraken in Nederland waargenomen door een nieuw virulent type. In de afgelopen jaren werden er nog slechts sporadisch uitbraken waargenomen, meestal door andere minder virulente typen. 22  
Belangrijkste risicofactoren voor een C. difficile-infectie in de huisartsenpraktijk zijn recent (< 3 maanden) antibioticagebruik of ziekenhuisopname. Globaal een kwart tot een derde van de patiënten met een C. difficile-infectie heeft deze risicofactoren niet. 22   Volgens de LCI-richtlijn Clostridioides difficile hebben de volgende patiënten een verhoogd risico op een ernstig beloop: patiënten met een hoge leeftijd, een verminderde afweer, ziekenhuisopname voor diarree of een ernstige onderliggende ziekte.
Hensgens et al (2014) hebben onderzocht hoe vaak een C. difficile-infectie in de Nederlandse huisartsenpraktijk voorkomt. Alle fecesmonsters van patiënten ≥ 2 jaar, aangevraagd door huisartsen bij drie laboratoria, werden getest op de aanwezigheid van C. difficile. Van de 12.714 fecesmonsters bleken 194 monsters positief voor C. difficile-toxine (1,5%). Antibioticagebruik was de belangrijkste voorspellende factor (OR 6,9; 95%BI: 4,0 – 11,9). 23  

Klinische verschijnselen van voedselvergiftiging

Bij een voedselvergiftiging ontstaat een beeld van gastro-enteritis door toxinen van bacteriën (o.a. Staphylococcus aureus, Clostridium perfringens en Bacillus cereus). De symptomen, waaronder hoofdpijn, misselijkheid, braken, buikkrampen en diarree, treden meestal binnen zes uur na de maaltijd op. 24  1   Soms is er sprake van koorts. De klachten duren meestal slechts 1-2 dagen. Een verband tussen vocht- of voedselgebruik en voedselvergiftiging wordt waarschijnlijk als er meerdere soortgelijke ziektegevallen zijn na een gezamenlijke maaltijd, of in dezelfde woongemeenschap na consumptie van bepaald voedsel. Dit geldt vooral als er aanwijzingen zijn voor gebrekkige hygiëne of onvoldoende verhitting van het voedsel. Verhitting maakt echter niet alle toxinen onschadelijk. 

Reizigersdiarree

De belangrijkste risicofactor voor het oplopen van gastro-enteritis is de reisbestemming, met name Zuid- en Midden-Amerika, Afrika, het Midden-Oosten en Azië. Veruit de meest voorkomende bacteriële verwekkers van reizigersdiarree tijdens de reis lijken de enterotoxische E. coli (ETEC) en enteroaggregatieve E. coli (EAEC) te zijn. Deze infecties geven doorgaans kortdurend klachten. In Zuidoost Azië lijken Campylobacter-species verantwoordelijk te zijn voor 15 -30% van het totaal aantal gevallen van diarree bij reizigers. Virale infecties met het norovirus lijken ook frequent voor te komen.

Recente Nederlandse data over de meest voorkomende verwekkers van aanhoudende klachten van gastro-enteritis bij teruggekeerde reizigers zijn niet beschikbaar. Er moet rekening gehouden worden met een andere verdeling van verwekkers dan tijdens de reis, omdat de veel voorkomende infecties tijdens de reis doorgaans kortdurend klachten geven. Op grond van Nederlandse gegevens voor 2019 is het aannemelijk dat het aandeel van reisgerelateerde infecties met Campylobacter en Salmonella aanzienlijk is. Wanneer er een behandelindicatie is voor gastro-enteritis opgelopen in het buitenland, is het beleid conform het beleid bij niet-reizigers. 7  

Adviezen over antibiotische behandeling voor reizigers tijdens het reizen vallen buiten de scope van deze standaard. De keuze is afhankelijk van lokale epidemiologie en resistentiepatronen.

Parasitaire verwekkers

Naar Samenvatting ›

Parasitaire verwekkers kunnen langdurige diarree veroorzaken (arbitrair ≥ 14 dagen).

  • Giardia lamblia:
    • de meest frequent voorkomende parasitaire verwekker in Nederland, vooral bij kinderen en hun ouders/verzorgers
  • Cryptosporidium:
    • Komt voor in oppervlakte- of zwembadwater en bij (boerderij)dieren in Nederland.
    • De klachten zijn in principe zelflimiterend, maar kunnen 2-3 weken aanhouden. Bij kinderen < 10 jaar en patiënten met ernstig verminderde afweer kan het klinische beeld heftiger zijn en kunnen de klachten persisteren.
  • Entamoeba histolytica:
    • Een verblijf in de (sub)tropen of het Middellandse Zeegebied is de belangrijkste risicofactor voor een infectie.
    • Kan in zeldzame gevallen bloederige diarree (amoebedysenterie) of een invasieve infectie (abcessen) veroorzaken.
  • Dientamoeba fragilis en blastocystis-soorten:
    • Deze parasieten worden niet meer als pathogeen beschouwd; asymptomatisch dragerschap komt algemeen voor in de bevolking.
  • Wormen:
Details
Parasitaire verwekkers

Gastro-enteritis door parasieten wordt in de huisartsenpraktijk relatief vaak gevonden, vooral bij patiënten met diarree die langer aanhoudt. 3   Potentieel pathogene parasieten zijn onder andere Giardia lamblia, Cryptosporidium, Entamoeba histolytica, Cystoisospora belli, Cyclospora cayetanensis7  

Giardia lamblia

Een infectie met Giardia lamblia wordt opgelopen wanneer de cysten via de mond worden opgenomen. Klachten kunnen variëren van asymptomatisch dragerschap tot langer durende klachten van diarree, gepaard gaande met veel gasvorming, misselijkheid, buikkrampen en vettige stinkende ontlasting. Zie de LCI-richtlijn Giardiasis.

Cryptosporidium

De meeste infecties met Cryptosporidium in Nederland komen voor bij kinderen < 10 jaar. 25   Cryptosporidium-infecties kunnen worden opgelopen via de fecaal-orale route: via direct contact tussen mens en boerderijdieren, directe overdracht van mens op mens, maar ook indirect door fecaal besmet drinkwater, oppervlaktewater, zwembadwater of via besmet voedsel. Infectie met Cryptosporidium kan gastro-enteritis veroorzaken die in principe zelflimiterend is. De diarree kan variëren van zeer intens en waterdun tot matig en intermitterend en gaat vaak gepaard met darmkrampen. Bij immuuncompetente personen verdwijnen de klachten meestal na 2-3 weken, maar kunnen ook langer aanhouden. Bij patiënten met verminderde afweer kunnen de klachten lang aanhouden en heftiger verlopen (LCI-richtlijn Cryptosporidiose).

Entamoeba histolytica 

Entamoebe histolytica is endemisch in de tropen en subtropen, en infecteert jaarlijks wereldwijd naar schatting 50 miljoen mensen. De amoeben kunnen zich ontwikkelen tot een invasieve vorm die de mucosa en submucosa van de dikke darm beschadigen, waarbij kleine bloedende laesies ontstaan. Zo ontstaat ‘amoebendysenterie’, met als belangrijkste kenmerk bloed bij de ontlasting. Bij een invasieve infectie kan een leverabces ontstaan. De meeste infecties zijn symptoomloos. Entamoeba histolytica-infecties worden zelden gezien in Nederland maar kunnen zonder therapie in een enkel geval ernstig verlopen. 26  

Cystoisospora belli 

Cystoisospora belli (voorheen bekend als Isospora belli) kunnen ook een oorzaak zijn van intestinale klachten. Infectie vindt plaats via consumptie van oöcysten; dit komt vooral voor in de (sub)tropen. De klachten kunnen plotseling ontstaan met koorts, buikpijn en waterige diarree, en kunnen weken tot maanden aanhouden. Infecties bij patiënten met verminderde afweer zijn vaak niet zelfbeperkend en lijken op een infectie met Cryptosporidium27  

Cyclospora cayetanensis

Cyclospora cayetanensis worden voornamelijk overgebracht door besmet voedsel of water, en komen wereldwijd voor, met name voor in Midden- en Zuid-Amerika en Azië. In Nederland zijn het vooral reizigers die zich met klachten presenteren. Infecties gaan voornamelijk gepaard met waterige diarree. Verder komen misselijkheid, buikkrampen en verminderde eetlust voor. De infectie kan een paar dagen tot langer dan een maand aanhouden. 28  

Wormen, die ook tot de parasieten behoren, zijn vrijwel nooit de oorzaak van gastro-enteritis. 26  

Dientamoeba fragilis 

In twee Nederlandse eerstelijnsonderzoeken varieerde de prevalentie van Dientamoeba fragilis in de feces bij patiënten met klachten van diarree tussen de 10-26%. 29   15   Het verschil heeft waarschijnlijk te maken met de gebruikte detectietechniek: een hoger percentage positieve testen bij gebruik van PCR dan bij kweek. De levenscyclus van deze parasiet is nog niet geheel duidelijk, de overdracht gebeurd waarschijnlijk feco-oraal.

In een Nederlands case-controleonderzoek (1515 cases, 1195 controles, volwassenen en kinderen) werd fecesdiagnostiek aangevraagd door huisartsen bij patiënten met klachten van gastro-enteritis vergeleken met controles zonder klachten. In de patiëntengroep maakte 93 % melding van diarree en was buikpijn de op een na meest vermelde klacht (70%). Feces werd met een PCR-panel onderzocht op de in Nederlands meest frequent voorkomende darmpathogenen. D. fragilis werd bij 390/1515 (26%) patiënten aangetoond en bij 446/1195 (37%) van de controlepatiënten (p < 0,001). 15  
In een Nederlands cross-sectioneelonderzoek werd de associatie tussen D. fragilis-kolonisatie en gastro-intestinale klachten (buikpijn en diarree) bij kinderen in de huisartsenpraktijk onderzocht. Er werden 107 kinderen geïncludeerd, de gemiddelde leeftijd was 9 jaar. Kolonisatie was niet vaker aanwezig bij cases vergeleken met controles (n = 44 in iedere groep, OR = 1,02; 95%-BI = 0.28-3.65. 30  

In een klein Australisch patiëntcontroleonderzoek (n = 41) naar het klinische beeld van D. fragilis, uitgevoerd in de tweede lijn, werden kinderen met een aangetoonde D. fragilis-infectie geïncludeerd (n = 41). Als controlegroep fungeerde een groep kinderen met gastro-intestinale klachten zonder aangetoonde D. fragilis. De gepresenteerde klachten waren diarree, buikpijn, brijige ontlasting en braken. Diarree was het enige symptoom dat bij een D. fragilis-infectie significant vaker voorkwam dan in de controlegroep (71% versus 34%). 31  
Naar de effectiviteit van behandeling van D. fragilis is geen goed prospectief dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek gedaan. 7  

Concluderend is de pathogeniciteit van D. fragilis onduidelijk. Op basis van beperkt onderzoek in de eerste lijn lijkt er geen associatie te zijn tussen D. fragilis en klachten van diarree en buikpijn.

Blastocystis 

Blastocystis-soorten (voorheen Blastocystis hominis) worden frequent aangetroffen bij fecesonderzoek. Asymptomatisch dragerschap komt veel voor. Men veronderstelt dat de overdracht feco-oraal verloopt. Er is onvoldoende bewijslast voor de pathogeniciteit van Blastocystis-soorten. Evenmin bestaat er consensus of en hoe er behandeld zou moeten worden. 7  

Beloop

Naar Samenvatting ›
  • Gastro-enteritis duurt meestal niet langer dan 4 - 7 dagen; na 10 dagen is 90% klachtenvrij.
  • Bij een ziekteduur ≤ 7 dagen vindt men in het algemeen vooral virale en bacteriële verwekkers, bij een langere ziekteduur (arbitrair ≥ 14 dagen) vaker parasitaire verwekkers.
  • Aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting kan wijzen op een bacteriële verwekker met een ernstiger beloop van de ziekte (onder meer door beschadiging van het darmslijmvlies ten gevolge van een invasieve infectie). 
Details
Aanwijzingen voor een bacteriële verwekker

In een patiëntcontroleonderzoek uitgevoerd in de huisartsenpraktijk (857 patiënten die de huisartsen consulteerden vanwege acute diarree en 574 controlepersonen) is gekeken naar de relatie tussen de klachten, bevindingen en de verwekker. 16  

Bij 38% van de patiënten werd een pathogeen in de ontlasting gevonden (versus 9,8% in de controlegroep). Bij patiënten met koorts werden Salmonella, Campylobacter en het rotavirus significant vaker gevonden dan bij patiënten zonder koorts. Bij patiënten met bloed in de ontlasting was een infectie met Campylobacter significant vaker de oorzaak van de klachten. Bij patiënten met buikkrampen werd Salmonella vaker gevonden, Campylobacter relatief vaak en het rotavirus minder vaak. Braken was geassocieerd met het rotavirus en norovirus. Als patiënten vaker dan zesmaal per dag diarree hadden, werd vaker een pathogeen gevonden, met name Campylobacter.

In een onderzoek bij kinderen jonger dan 1 jaar op een eerstehulpafdeling in Philadelphia (n = 1035) bleken vooral kinderen met een combinatie van koorts (> 38°C) en bloed in de ontlasting, of met bloed in de ontlasting en tienmaal of vaker ontlasting per 24 uur, een grote kans te hebben op een positieve feceskweek op bacteriën. 32  

Risicofactoren voor een ernstiger beloop

Er zijn meerdere factoren die het vermogen tot afweer tegen infecties bepalen. Naast aangeboren (bijvoorbeeld agammaglobulinemie) en verworven afweerstoornissen spelen medicatie (bijvoorbeeld sommige biologicals, een hoge dosering glucocorticoïden of agranulocytose bij anti-epileptica), ziekte (bijvoorbeeld leukemie, hiv-infectie met CD4-T-lymfocyten < 500/mm3) en leeftijd (< 3 maanden of > 75 jaar) een rol. 33  

In de SWAB-richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree (2023) voor de tweede lijn wordt een verhoogd risico op complicaties (en indicatie voor behandeling met antibiotica) beschreven bij patiënten met verminderde afweer en patiënten met endovasculair kunstmateriaal (zoals een aortabroekprothese of cardiale kunstklep), met name bij Salmonella-infecties. Dit advies is gebaseerd op expert-opinion.

Op basis van consensus in de werkgroep is het advies om bovengenoemde factoren en onderstaande tabel als handvat te gebruiken om een inschatting te maken van het risico op een ernstiger beloop. Hoewel het beloop doorgaans ongecompliceerd is en antibiotica niet nodig zijn, kan bij aanhoudende klachten of ernstig ziek zijn antibiotica bij deze patiënten aangewezen zijn. 

Tabel d1. Condities van immunosuppressie gerubriceerd naar klinische relevantie5

ernst immunosuppressie

consequenties voor de praktijk*

 

condities zonder klinisch relevante immunosuppressie

 
  • hiv-infectie met CD4-T-lymfocyten > 500/mm3
  • multiple sclerose, wanneer daarvoor geen immunosuppressieve of immuunmodulerende middelen worden gebruikt en wanneer er geen relaps is
  • auto-immuunziekte, zoals SLE, IBD en reumatoïde artritis, wanneer daarvoor geen immunosuppresieve of immunomodulerende middelen worden gebruikt
  • wanneer ontvangst van beenmergtransplantaat > 2 jaar geleden is en patiënt geen immunosuppressieve therapie of 'graft-versus-host' -reactie heeft
  • wanneer laatste chemotherapie > 3 maanden geleden is en de maligniteit in remissie is
  • gebruik van glucocorticoïden, wanneer:
    • dagelijks prednisolon < 7,5 mg of equivalent
    • langdurig om de dag gebruik van kortwerkende preparaten
    • onderhoudsdosering in fysiologische dosis
    • per inhalator toegediend
    • op huid, in oren of ogen aangebracht
    • geïnjecteerd in gewricht, slijmbeurs of pees
    • een maand verstreken is sinds dagelijkse toediening van prednisolon > 7,5 mg of equivalent gedurende 2 weken;
    • bij gebruik van dagelijks of om de dag prednisolon > 7,5 mg of equivalent gedurende < 2 weken wordt wachttijd van 2 weken aangehouden voordat een verzwakt levend vaccin wordt toegediend
  • lokaal aangebrachte immuunsuppresiva, zoals pimecrolimus en tacrolimus
  • diagnostisch
    • biochemische (CRP), hematologische (leukocytentelling en differentiatie) en immunologische infectieparameters (antistoffen) zijn bruikbaar zonder aanpassing van referentiewaarden
  • therapeutisch
    • geen reden om af te wijken van gebruikelijke indicaties voor antimicrobiële behandeling of aanpassing van middel of duur van behandeling
  • preventief
    • indicatie voor jaarlijkse influenzavaccinatie
    • toediening van levende vaccins niet gecontra-indiceerd
    • indien mogelijk, vaccinaties tijdens behandelvrije perioden
 
Condities met beperkte, klinisch relevante immunosuppressie 
  • al dan niet adequaat behandelde hiv-infectie
  • onbehandelde hiv-infectie met CD4-T-lymfocyten ≥ 200/mm3
  • multiple sclerose:
    • tot 6 weken na relaps
    • tijdens immunosuppressieve behandeling tot en met een maand na stoppen van deze behandeling
  • andere chronische morbiditeit, zoals:
    • chronische nierziekte†
    • chronische leverziekte, zoals hepatitis C-infectie
    • diabetes mellitus type 1 of 2, ongeacht aard van behandeling
  • complementdeficiëntie
  • gebruik van glucocorticoïden, wanneer dagelijks prednisolon 7,5-20 mg of equivalent
  • diagnostisch
    • biochemische CRP, hematologische (leukocytentelling en differentiatie) en immunologische infectieparameters (antistoffen) zijn bruikbaar zonder aanpassing van referentiewaarden
  • therapeutisch
    • mogelijk reden om antibiotica sneller voor te schrijven en langduriger te geven
  • preventief
    • indicatie voor jaarlijkse influenzavaccinatie met (in Nederland gebruikelijk) geïnactiveerd virus
    • toediening van levende vaccins kan gecontra-indiceerd zijn§
 
Condities met potentieel ernstige, klinisch relevante immunosuppressie 
  • onbehandelde hiv-infectie met CD4-T-lymfocyten < 200/mm3
  • aandoening niet gerelateerd aan hiv-infectie, zoals:  
    • actieve leukemie of lymfoom
    • gemetastaseerde maligniteit
    • aplastische anemie
    • 'graft-versus-host'-reactie
    • congenitale immuundeficiëntie
    • al dan niet functionele asplenie
  • na ontvangst van transplantaat, wanneer:
    • < 2 jaar geleden beenmerg of solide orgaan is ontvangen en/of
    • patiënt nog steeds immunosuppressieve medicatie gebruikt
  • gebruik van de volgende medicatie:
    • glucocorticoïden (dagelijks prednisolon > 2mg/kg of equivalent, of dagelijks prednisolon > 20 mg of equivalent bij gewicht > 10 kg gedurende ≥ 2 weken)
    • alkylerende middelen, zoals cyclofosfamide
    • antimetabolieten, zoals azathioprine
    • transplantatiegerelateerde systemisch toegediende middelen, zoals cyclosporine, tacrolimus en sirolimus
    • oncologische chemotherapeutische middelenǁ
    • methotrexaat
    • biologicals, zoals TNF-α-blokkers
  • diagnostisch
    • koorts en - vooral bij chemotherapie - leukocytose kunnen ontbreken bij infectie
    • CRP-bepaling betrouwbaar, behalve bij gebruik van tocilizumab
    • antistofvorming kan verstoord zijn
  • therapeutisch
    • overleg bij vermoeden van infectie laagdrempelig met tweede lijn over noodzaak, soort en toedieningswijze van antibiotica
    • bij al dan niet functionele asplenie dient patiënt over antibiotica (amoxicilline/clavulaanzuur) te beschikken om binnen 1 uur na aanvang van koorts in te nemen
  • preventief
    • indicatie voor jaarlijkse influenzavaccinatie met (in Nederland gebruikelijk) geïnactiveerd virus en - in ieder geval bij al dan niet functionele asplenie - voor pneumokokkenvaccinatie
    • toediening van levende vaccins is in principe gecontra-indiceerd §
    • bij al dan niet functionele asplenie is antibiotische profylaxe geïndiceerd na iedere bijtwond, ongeacht plaats en diepte
 
SLE = systemische lupus erythematodes; IBD = inflammatoire darmziekten
 * De consequenties voor de praktijk worden niet alleen bepaald door de genoemde condities, maar ook door andere factoren zoals leeftijd, zwangerschap en medicatie, bijvoorbeeld anti-epileptica en carbimazol
 † Geschatte glomerulaire filtratiesnelheid: < 30 ml/min per 1,73 m3
 ‡ Zie hiervoor ziektespecifieke richtlijnen, zoals de NHG-Standaarden
 § Zie voor een gedetailleerd overzicht de CDC health information for internationaal travel(
 ǁ Tamoxifen wordt niet gerekend tot de oncologische chemotherapeutische middelen
 

De tabel is opgenomen met toestemming van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Risicofactoren voor een ernstig beloop

Naar Samenvatting ›

Het risico op een ernstiger beloop van een infectie kan verhoogd zijn bij een ernstig verminderde afweer, bijvoorbeeld op basis van:

  • comorbiditeit (zoals actieve leukemie, gemetastaseerde maligniteit)
  • gebruik van immunosuppressiva (zoals biologicals, hoge dosis glucocorticoïden, methotrexaat)

Zie voor gedetailleerde informatie over risicogroepen met ernstige, klinisch relevante immuunsuppressie het detail Risicofactoren voor een ernstiger beloop (tabel d1).

Risicofactoren voor dehydratie

Naar Samenvatting ›

Het risico op dehydratie is verhoogd bij:

  • leeftijd < 2 jaar (met name < 3 maanden)
  • leeftijd > 70 jaar (arbitrair, met het stijgen van de leeftijd neemt het risico toe)
  • comorbiditeit, zoals hartfalen, verminderde nierfunctie, diabetes mellitus
  • gebruik van medicatie, zoals diuretica 

Richtlijnen diagnostiek

Naar Samenvatting ›

Spoed

Naar Samenvatting ›

Anamnese

Naar Samenvatting ›

Vraag naar:

  • Klachten (duur en beloop):
    • braken (frequentie)
    • misselijkheid
    • ontlasting (frequentie, consistentie, bloedbijmenging)
    • buikpijn;
    • koorts (hoe hoog)
    • mate van ziek-zijn (ADL-activiteiten, eetlust, alertheid, verwardheid, neiging tot flauwvallen)
  • Overige symptomen met risico op dehydratie:
    • vochtinname: globaal minder dan de helft van de normale hoeveelheid
    • opvallende dorst (kan afwezig zijn bij ouderen)
    • verminderde urineproductie (kinderen ≥ 12 uur (globaal) niet geplast)
  • Verminderde afweer op basis van:
    • comorbiditeit
    • immunosuppressiva
  • Gebruik van medicatie:
    • onderhoudsmedicatie (met het oog op zo nodig stoppen, aanpassing van dosering of andere maatregelen, zie tabel h1)
    • bijwerkingen, overdosering, misbruik
    • antibiotica < 3 maanden geleden (verhoogd risico op Clostridioides difficile);
    • ORS
    • loperamide
  • Mogelijk verband met:
    • besmet voedsel of drinken
    • andere personen met braken en diarree in de omgeving
    • recent verblijf in de (sub)tropen (verhoogd risico op o.a. Shigella, Entamoebe hystolitica)
    • recente ziekenhuisopname (verhoogd risico op Clostridioides difficile)
    • contact met (boerderij)dieren of zwemmen in open water (verhoogd risico op o.a. Cryptosporidium)
    • mannen die seks hebben met mannen (verhoogd risico op Shigella)
  • Besmettingsgevaar:
    • werken waar voedsel bereid wordt of binnen de gezondheidszorg
    • woon- en verblijfsomstandigheden (bijvoorbeeld woonzorgcentrum, kinderdagverblijf of andere instelling met meerdere gevallen van gastro-enteritis)

Lichamelijk onderzoek

Naar Samenvatting ›

Verricht zonodig lichamelijk onderzoek op geleide van de anamnese en de mate van ziek-zijn van de patiënt.

Algemeen

Naar Samenvatting ›
  • Beoordeel de algemene toestand en mate van ziek-zijn, waaronder koorts, sufheid, verwardheid, (neiging tot) flauwvallen.
  • Onderzoek zo nodig het abdomen. 

Dehydratie

Naar Samenvatting ›

Kinderen:

  • Let op symptomen van dehydratie:
    • capillaire refill-tijd (≥ 3 seconden)
    • verminderde huidturgor
    • verhoogde ademhalingsfrequentie (diep, snel ademhalen)
    • droge slijmvliezen

De kans op dehydratie neemt toe naarmate meer symptomen aanwezig zijn.

Volwassenen:

  • Bij volwassenen hebben bovengenoemde symptomen waarschijnlijk onvoldoende voorspellende waarde voor het vaststellen van dehydratie.
  • Beoordeel dehydratie aan de hand van de algemene toestand, en bepaal zo nodig ademhalingsfrequentie, pols en bloeddruk. 
Details
Dehydratie

Achtergrond

Dehydratie is een klinische diagnose, gebaseerd op een combinatie van gegevens uit de anamnese en het lichamelijk onderzoek. Er is geen consensus over het percentage acuut verlies van lichaamsgewicht, c.q. lichaamsvocht, waarbij sprake is van dehydratie. In de Clinical Dehydration Scale (CDS), een veelgebruikte score in de tweede lijn, wordt aan de mate dehydratie wel een bepaald gewichtsverlies gekoppeld: 3-6% gewichtsverlies duidt op milde dehydratie en ≥ 6% op matig ernstige dehydratie (NVK-richtlijn Dehydratie bij kinderen). 34   Omdat het lichaamsgewicht voorafgaand aan de ziekte-episode meestal niet exact bekend is, wordt het percentage gewichtsverlies in de standaard niet gehanteerd. Bij ouderen wordt in de literatuur ook serumosmolaliteit gebruikt als parameter om dehydratie vast te stellen. 35  

Kinderen
Symptomen

Een systematische review van 13 onderzoeken (n = 1,246) beschrijft de voorspellende waarde van anamnese en lichamelijk onderzoek voor het vaststellen van dehydratie bij kinderen tussen 1 maand en 5 jaar oud die werden onderzocht op een eerste hulp of in het ziekenhuis. Alleen onderzoeken die dehydratie vaststelden met behulp van het percentage verlies van lichaamsgewicht werden geïncludeerd. 36  

  • Anamnese: drie onderzoeken (n = 398; Verenigde Staten, Australië) evalueerden de voorspellende waarde van de anamnese bij vaststellen van 5% dehydratie. Geen enkele klacht of symptoom bleek een belangrijke voorspeller te zijn. Uit twee onderzoeken bleek dat een normale urineproductie de kans op dehydratie vermindert (n = 225; LR 0,27; 95%-BI 0,14-0,51; respectievelijk n = 71; LR 0,16; 95%-BI 0,01-2,53).
  • Lichamelijk onderzoek: zeven onderzoeken (n = 705; Verenigde Staten, Egypte, Kenia, Australië) evalueerden de voorspellende waarde van aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek. De belangrijkste parameters voor het voorspellen van 5% dehydratie waren verlengde capillaire refill-tijd (n=478; likelihood ratio (LR) 4,1; 95%-BI 1,7-9,8), verminderde huidturgor (n = 602; LR 2,5; 95%-BI 1,5-4,2), abnormaal ademhalingspatroon (snel, diep ademhalen) (n = 581; LR 2,0; 95%-BI, 1,5-2,7) en daarnaast een ‘slechte’ algemene indruk (n = 398; LR 1,9; 95%-BI 1,0-3,8) en droge slijmvliezen (n = 533; LR 1,7; 95%-BI 1,1-2,6), zie tabel d2. De mate van overeenstemming in het vaststellen van de aan/afwezigheid van dergelijke parameters tussen de clinici was echter slechts matig. Overige afzonderlijke parameters bleken niet voorspellend voor het vaststellen of uitsluiten van 5% dehydratie: diepliggende ogen, koude extremiteiten, zwakke pols, afwezigheid van tranen, tachycardie en ingezonken fontanel. 
Tabel d2. Testkarakteristieken bij lichamelijk onderzoek van kinderen ter opsporing van 5% dehydratie 36  
bevindingaantal kinderenLR aanwezig (95%-BI)LR afwezig (95%-BI)Sensitiviteit (95%-BI)Specificiteit (95%-BI)
verlengde capillaire refill*

478

4,1 (1,7-9,8)0,57 (0,39-0,82)0,60 (0,29-0,91)0,85 (0,72-0,98)
verminderde huidturgor

602

2,5 (1,5-4,2)0,66 (0,57-0,75)0,58 (0,40-0,75)0,76 (0,59-0,93)
abnormaal ademhalingspatroon

581

2,0 (1,5-2,7)0,76 (0,62-0,88)0,43 (0,31-0,55)0,79 (0,72-0,86)
'slechte' algemene indruk

398

1,9 (1,0-3,8)0,46 (0,34-0,61)0,80 (0,57-1,04)0,45 (0-1,00)
droge slijmvliezen

533

1,7 (1,1-2,6)0,41 (0,21-0,79)0,86 (0,80-0,92)0,44 (0,13-0,74)

*de capillaire refill-tijd is perifeer getest. In de ABCDE-systematiek heeft het meten van de capillaire refill op het sternum de voorkeur. Een capilliare refill-tijd van ≥ 3 seconden wordt als afwijkend beschouwd (zie voor normaalwaarden: Behandelrichtlijn Geneesmiddelen en zuurstof spoedeisende-situaties).

Klinische dehydratieschalen

Omdat combinaties van klachten en symptomen vaak een betere voorspellende waarde hebben dan afzonderlijke symptomen, zijn er in de afgelopen decennia diverse klinische dehydratieschalen bij jonge kinderen ontwikkeld. 37   In de NVK-richtlijn Dehydratie bij kinderen is een zwakke aanbeveling gegeven voor het gebruik van de Clinical Dehydration Scale (CDS). De CDS bestaat uit de beoordeling van 4 kenmerken: algemene indruk, ogen, slijmvliezen en tranen. Bij de interpretatie moeten ook andere klinische aanwijzingen worden meegenomen, zoals oligo- of anurie, recent gewichtsverlies, afwijkende vitale parameters (hartfrequentie, ademfrequentie, capillaire refill-tijd) en abnormale huidturgor. De CDS is ontwikkeld en gevalideerd bij 137 kinderen met gastro-enteritis op de spoedeisende hulp. Het is onduidelijk of deze score meerwaarde heeft in de huisartsenpraktijk, vanwege gebrek aan onderzoek in de eerste lijn.

Conclusie

We zijn onzeker over de diagnostische waarde van anamnestische gegevens voor het inschatten van het risico op en de ernst van dehydratie bij kinderen, vanwege gebrek aan bewijs van voldoende kwaliteit. Een normale urineproductie lijkt de kans op dehydratie te verkleinen.

Van de parameters uit lichamelijk onderzoek hebben waarschijnlijk de volgende kenmerken de beste voorspellende waarde voor het vaststellen van dehydratie bij kinderen:

  • capillaire refill ≥ 3 seconden
  • verminderde huidturgor
  • abnormaal ademhalingspatroon (diep, snel ademhalen)
  • ‘slechte’ algemene indruk
  • droge slijmvliezen

De kans op (ernstige) dehydratie neemt waarschijnlijk toe naarmate meer van deze kernmerken aanwezig zijn.

Er is geen bewijs dat dehydratie risicoscores, zoals de Clinical Dehydration Scale, van toegevoegde waarde zijn in de huisartsenpraktijk.

Alle bovengenoemde onderzoeken zijn uitgevoerd bij kinderen op de spoedeisende hulp of in het ziekenhuis. In de huisartsenpraktijk is de voorafkans op dehydratie bij gastro-enteritis laag. Dit betekent dat de toegevoegde waarde van individuele kenmerken beperkt is. Hanteer de capillaire refill als belangrijkste criterium voor (ernstige) dehydratie, met de andere kenmerken als aanvullende overwegingen.

Ouderen

In een Cochrane review werden diagnostische criteria voor het vaststellen van dehydratie bij ouderen onderzocht. 35   Deze review includeerde 24 onderzoeken (n=3,412) en evalueerde 36 verschillende kenmerken, symptomen en eenvoudige tests voor het vaststellen van dehydratie bij thuiswonende ouderen of ouderen in een ziekenhuis, verzorgings- of verpleeghuis. De review gebruikte serum osmolaliteit ≥ 295 mOsm/kg als afkappunt voor (een verhoogd risico op) dehydratie. Geen van de geëvalueerde kenmerken of symptomen bleken voorspellende waarde te hebben voor dehydratie. 35   Omdat ouderen minder dorstgevoel hebben, is dorst geen betrouwbare parameter voor het vaststellen van dehydratie. 38  

Er werd geen onderzoek naar een risicoscore voor het vaststellen van dehydratie voor ouderen gevonden.

Conclusie

We zijn onzeker over de voorspellende waarde van individuele parameters uit anamnese en lichamelijk onderzoek voor het vaststellen van dehydratie bij ouderen.

Op basis van consensus binnen de werkgroep worden, naast een inschatting van de vochtbalans, de volgende factoren risico verhogend beschouwd: hogere leeftijd, comorbiditeit (zoals hartfalen, nierinsufficiëntie, diabetes mellitus), medicatiegebruik (zoals diuretica) en kwetsbaarheid. Aanwijzingen voor ernstige dehydratie kunnen zijn: sufheid, verwardheid, neiging tot flauwvallen, hypotensie en tachycardie. 

Aanvullend onderzoek

Naar Samenvatting ›

Laboratoriumonderzoek

Naar Samenvatting ›
Details
Laboratoriumonderzoek

Precieze criteria zijn moeilijk te formuleren en de indicatie wordt dan ook overgelaten aan de inschatting van huisarts. In de praktijk zal dit echter weinig voorkomen en zal de huisarts veelal op basis van het klinisch beeld naar de tweede lijn verwijzen. 

Fecesonderzoek

Naar Samenvatting ›
Details
Fecesonderzoek

Algemeen

Met de polymerasekettingreactie (PCR), een nucleïnezuuramplificatietest (NAAT), wordt bepaald of in een fecesmonster DNA-materiaal van één of meer specifieke micro-organismen te detecteren is. PCR heeft verschillende voordelen boven conventionele diagnostiek (feceskweek of triple feces test (TFT)): de testeigenschappen zijn beter (hogere sensitiviteit en specificiteit), de uitslag is sneller beschikbaar en het fecesmonster hoeft niet gepreserveerd te worden. 26   Met een PCR-test kan echter geen resistentiepatroon worden bepaald. Daarnaast is voor de interpretatie van PCR-diagnostiek klinische informatie van belang. 15  

In de meeste laboratoria wordt tegenwoordig gewerkt met moleculaire voorscreening, wat inhoudt dat in een fecesmonster eerst naar de aanwezigheid van DNA van bacteriën of parasieten wordt gekeken met behulp van PCR. Als de voorscreening positief is, probeert men de betreffende bacterie in een kweek aan te tonen en wordt een resistentiepatroon bepaald.

In geval van een parasiet kan voor eventueel aanvullend microscopisch onderzoek, de feces, bij voorkeur op twee verschillende dagen, zo vers mogelijk worden ingestuurd of wordt de triple feces test (TFT) gebruikt. Bij de TFT worden drie monsters ontlasting verzameld, die niet vers hoeven te blijven en per post verzonden kunnen worden.

De meeste laboratoria gebruiken multiplex PCR-tests, waarbij het niet mogelijk is om op slechts één verwekker te testen. Het PCR-pakket omvat veelal de volgende bacteriële verwekkers: Salmonella, Campylobacter, Shigella, Yersinia en STEC/EHEC, maar dit kan per regio verschillen en in de loop van de tijd ook veranderen. Bij een positieve PCR-test op Clostrioides difficile wordt aanvullend een toxinetest gedaan, indien beschikbaar, om C. difficile-dragerschap te onderscheiden van een infectie. 22  7  

Wat de parasitaire verwekkers betreft, wordt meestal gescreend op de endemische protozoa Giardia lamblia en Cryptosporidium. Ook Entamoeba histolytica kan in dit pakket opgenomen zijn. 26  

De kosten van de verschillende PCR-diagnostiekpakketten zijn afhankelijk van NZA-tarieven en afspraken tussen laboratoria en ziektekostenverzekeraars. De kosten per pakket zoals vermeld op websites van verschillende laboratoria varieerden in 2025 van ongeveer 85 tot 300 euro.

De aanbevelingen over de indicaties voor aanvullend onderzoek naar bacteriële en parasitaire verwekkers zijn gebaseerd op consensus binnen de werkgroep.

Bacteriële verwekkers

Voor de patiënt heeft de uitslag van fecesonderzoek zelden consequenties, omdat de klachten doorgaans vanzelf, zonder antibiotica, genezen. De indicaties voor fecesdiagnostiek zijn gebaseerd op de groepen patiënten waarbij behandeling met antibiotica is aangewezen, op grond van ernst van de ziekteverschijnselen of een verhoogde kans op een ernstig beloop.

De aanbevelingen omtrent het fecesonderzoek naar bacteriële verwekkers zijn gebaseerd op de incidentie en de kans op een specifieke verwekker als oorzaak op basis van factoren zoals bezoek aan de (sub)tropen en recent antibioticagebruik. Zie ook Bacteriële verwekkers.

Parasitaire verwekkers

De werkgroep adviseert om bij diarree, die ≥ 14 dagen aanhoudt, onderzoek te overwegen naar een parasitaire verwekker. Voorheen was deze termijn (arbitrair) > 10 dagen. Overwegingen voor verlenging van deze termijn zijn: de mediane klachtenduur van diarree veroorzaakt door Giardia (de meest voorkomende parasiet in de huisartsenpraktijk) bedraagt 13 dagen. 3   Verder gaan de klachten bij een infectie doorgaans zonder medicamenteuze behandeling over en zijn de kosten van fecesdiagnostiek (anno 2025) aanzienlijk.

Het aanbevolen fecesonderzoek naar Giardia lamblia is gebaseerd op frequentie van voorkomen van deze parasiet en de beschikbaarheid van een effectieve behandeling. Zie ook Parasitaire verwekkers.

Infecties met Cryptosporidium zijn bij immunocompetente patiënten zelflimiterend en er is geen gerichte behandeling voorhanden. Met name bij patiënten met ernstig verminderde afweer kunnen deze parasieten langerdurende diarreeklachten geven of een heftiger ziektebeeld. Bij kinderen < 10 jaar komt de infectie het meest frequent voor en kan bij aanhoudende klachten van diarree een verklaring gewenst zijn, zodat kan worden afgezien van verwijzing en/of verdere diagnostiek.

Entamoeba histolytica-infecties zijn endemisch in de (sub)tropen. Ze worden zelden gezien in Nederland maar kunnen zonder therapie in een enkel geval ernstig verlopen.

De werkgroep meent dat het onvoldoende is aangetoond dat Dientamoebe fragilis pathogeen is en derhalve niet als verwekker van diarree moet worden beschouwd. Dit sluit aan bij het NVK-werkboek Maag-darminfecties. In de NVK-richtlijn Functionele buikpijn (2021) is het advies bij chronische buikpijn en diarree alleen diagnostiek naar Giardia lamblia te overwegen, zie ook de NHG-Standaard Buikpijn bij kinderen (2012, in herziening). Er is eveneens onvoldoende bewijslast voor de pathogeniciteit van Blastocytis-soorten.

Bij aanhoudende klachten en negatieve fecesdiagnostiek op parasieten (en geen aanwijzingen voor een andere oorzaak) kan overleg met de arts-microbioloog zinvol zijn over aanvullende fecesdiagnostiek naar bijvoorbeeld Clostrioides difficile of Cystoisospora belli en Cycloisospora cayetanensis na verblijf in de (sub)tropen. 

Algemeen
Naar Samenvatting ›
  • Wees terughoudend met het aanvragen van fecesonderzoek, omdat de uitslag zelden consequenties voor het beleid heeft. Zie voor de beperkte indicaties Onderzoek naar bacteriële verwekkers en Onderzoek naar parasitaire verwekkers, (zie ook figuur 1):
    • Het doel van fecesonderzoek bij deze beperkte indicaties is het gericht kunnen geven van antibiotica.
  • Verricht geen onderzoek naar virussen, omdat het geen gevolgen heeft voor het beleid.
  • Ga bij het aanvragen van fecesonderzoek na welk micro-organisme de verwekker kan zijn (op basis van klinisch beeld, bezoek aan het buitenland, antibioticagebruik, ziekenhuisopname) en stem de aanvraag daarop af. De meeste laboratoria beschikken over multiplex-PCR, waarmee naar meerdere verwekkers tegelijk kan worden gezocht.
  • Noteer relevante achtergrondinformatie (klinisch beeld, verblijf in het buitenland, antibioticagebruik) op het laboratoriumaanvraagformulier (zie Onderzoek naar bacteriële verwekkers en Onderzoek naar parasitaire verwekkers).
  • Het resistentiepatroon van een eventueel gevonden bacterie kan niet worden bepaald met PCR. Om die reden kan bij een positieve uitslag alsnog een feceskweek nodig zijn. Deze kan worden uitgevoerd met de reeds aangeleverde feces.
Onderzoek naar bacteriële verwekkers
Naar Samenvatting ›

Indicaties zijn:

  • aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting. De mate van ziek-zijn is een inschatting op basis van het klinische beeld.
  • een ernstig verminderde afweer (eventueel in overleg met de behandelend specialist)

Verricht bij deze patiënten diagnostiek naar: Campylobacter en Salmonella

Overweeg bij de twee bovenstaande indicaties aanvullend specifieke diagnostiek naar:

  • Shigella: na verblijf in de (sub)tropen of mannen die seks hebben met mannen
  • Yersinia: bij aanhoudende buikpijn en/of diarree in combinatie met gewrichtsklachten
  • EHEC/STEC: bij bloederige diarree
  • Clostridioides difficile: na ziekenhuisopname of antibioticagebruik (< 3 maanden geleden)
Onderzoek naar parasitaire verwekkers
Naar Samenvatting ›

Overweeg onderzoek naar parasitaire verwekkers bij diarree ≥ 14 dagen.

Verricht diagnostiek naar: Giardia lamblia

Overweeg aanvullend specifieke diagnostiek naar:

  • Cryptosporidium: bij kinderen (vooral < 10 jaar) of patiënten met ernstig verminderde afweer
  • Entamoeba histolytica: na verblijf in de (sub)tropen

Verricht geen onderzoek naar: Dientamoeba fragilis of Blastocystis 

Figuur 1. Stroomdiagram fecesonderzoek bij gastro-enteritis
 

Evaluatie

Naar Samenvatting ›

Bepaal de werkdiagnose aan de hand van de klachten, mate van ziek-zijn, aanwijzingen voor (ernstige) dehydratie en risicofactoren voor een ernstig beloop.

Ongecompliceerde gastro-enteritis

Naar Samenvatting ›
  • Diarree en/of misselijkheid, eventueel in combinatie met braken, waarbij geen sprake is van:
    • ernstige ziekteverschijnselen
    • een verhoogd risico op een ernstig beloop
    • (verhoogd risico op) dehydratie

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie of ernstige dehydratie

Naar Samenvatting ›
Verhoogd risico op dehydratie
Naar Samenvatting ›
  • Waterdunne, frequente diarree (globaal > 6 maal per dag) en/of aanhoudend braken zonder aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek, in combinatie met één of meer van de volgende factoren:
    • minimale vochtinname (globaal < dan de helft van normaal) of opvallende dorst
    • factoren die het risico op dehydratie verhogen, zoals leeftijd < 2 jaar, ouderen > 70 jaar (arbitrair), comorbiditeit of medicatie (zie Risicofactoren voor dehydratie), aanhoudende hoge koorts, hoge omgevingstemperatuur
Dehydratie
Naar Samenvatting ›
  • Waterdunne, frequente diarree (globaal > 6 maal per dag) gedurende minstens 3 dagen (bij kinderen < 2 jaar en ouderen > 70 jaar minstens 1 dag) en/of aanhoudend braken in combinatie met:
    • minimale vochtinname (globaal minder dan de helft van normaal) of opvallende dorst (kan afwezig zijn bij ouderen) én aanwijzingen voor dehydratie bij lichamelijk onderzoek (zie Lichamelijk onderzoek)
  • Een normale urineproductie, vochtige slijmvliezen en een goede algehele toestand pleiten tegen dehydratie.
Ernstige dehydratie
Naar Samenvatting ›
  • Gastro-enteritis met dehydratie met daarbij één of meer van de volgende symptomen:
    • sufheid, verwardheid, verminderd bewustzijn
    • diep en snel ademhalen, versnelde hartslag
    • flauwvallen, verlaagde bloeddruk 

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of een verhoogd risico op een ernstig beloop

Naar Samenvatting ›
  • Gastro-enteritis met aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting. De mate van ziek-zijn is een inschatting op basis van het klinische beeld.
  • Gastro-enteritis bij ernstig verminderde afweer (zie Risicofactoren voor een ernstig beloop). 

Differentiaaldiagnose

Naar Samenvatting ›

Overweeg andere oorzaken van acute diarree en braken, zeker bij een ernstig zieke indruk en/of bij aanhoudende of hevige buikpijn. 

Details
Differentiaaldiagnose

Diarree

Er zijn geen cijfers over de incidentie van acute diarree door niet-infectieuze oorzaken. Naar schatting heeft acute diarree in maximaal 1,5% van de gevallen een niet-infectieuze oorzaak. Bij jonge kinderen moet de huisarts bedacht zijn op infecties in het keel-, neus- en oorgebied (adenovirus), meningitis, lactose-intolerantie, koemelkeiwitallergie en invaginatie.
Afhankelijk van de klachten en leeftijd betrekt de huisarts aandoeningen zoals appendicitis, inflammatoire darmziekten, diverticulitis, paradoxale diarree ten gevolge van obstipatie en tumoren, prikkelbaredarmsyndroom en geneesmiddelgebruik in de diagnostische overwegingen. 39  14  
Veel geneesmiddelen kunnen de oorzaak zijn van acute diarree. Het kan gaan om bijwerkingen, intoxicatie of misbruik. De meest gebruikte geneesmiddelen waarbij diarree kan optreden zijn: antibiotica, laxantia, digoxine, colchicine, metformine, bètablokkers, NSAID’s, cytostatica en magnesiumzouten. Men dient ook te denken aan zelfmedicatie, kruiden of suikervervangers zoals sorbitol en xylitol in snoep of frisdrank. Sommige geneesmiddelen, zoals diuretica, immunosuppressiva en corticosteroïden, kunnen het beloop van acute diarree verergeren.

Misselijkheid en braken 

De differentiaaldiagnose is opgesteld aan de hand van prevalentie cijfers uit onderzoeken in de eerste lijn. 40  41  42  

Diarree
Naar Samenvatting ›

Andere oorzaken van acute diarree kunnen o.a. zijn:

Misselijkheid en braken
Naar Samenvatting ›

Andere oorzaken van misselijkheid en braken kunnen o.a. zijn:

Richtlijnen beleid

Naar Samenvatting ›
  • Bepaal het beleid op basis van de werkdiagnose.
  • Bij ongecompliceerde gastro-enteritis volstaan doorgaans voorlichting en advies en eventueel loperamide (bij leeftijd > 8 jaar).
  • Bij gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie en/of ernstige ziekteverschijnselen of risico op een ernstig beloop, is er naast voorlichting en advies op indicatie ook een plek voor behandeling met ORS, anti-emetica en/of antibiotica.

Voorlichting en advies

Naar Samenvatting ›

Algemeen

Naar Samenvatting ›
  • Leg uit dat:
    • het merendeel van de gastro-enteritis veroorzaakt wordt door een virus en vanzelf overgaat
    • het natuurlijke beloop meestal gunstig is, na 10 dagen 90% van de patiënten klachtenvrij is, het gemiddeld na 4 -7 dagen over is
  • Bij angst of bezorgdheid zonder aanwijzingen voor een verhoogd risico op dehydratie en/of verhoogd risico op een ernstig beloop is uitleg het belangrijkste doel.
  • Voor voorlichting bij kinderen met koorts, zie de NHG-Standaard Kinderen met koorts.
  • Instrueer de ouders/verzorgers van kinderen om contact op te nemen bij minder dan de helft van normaal drinken en/of ≥ 12 uur niet geplast of geen natte luier.  
  • Leg uit bij vragen over de noodzaak van fecesdiagnostiek en/of antibiotica zonder dat hier een indicatie voor is dat:
    • fecesonderzoek meestal niet nodig is, omdat gastro-enteritis over het algemeen vanzelf overgaat en de uitslag geen consequenties heeft voor de behandeling
    • antibiotica geen toegevoegde waarde hebben omdat gastro-enteritis bij gezonde individuen meestal een gunstig beloop heeft
    • antibiotica bijwerkingen kunnen geven
    • antibiotica bij sommige infecties (bijvoorbeeld Salmonella) dragerschap in de hand werken

Dieet

Naar Samenvatting ›
  • De patiënt kan eten waar hij trek in heeft en wat goed valt.
  • Opname van voldoende calorieën verbetert het welbevinden; de darm is zelfs bij heftige waterdunne diarree in staat de helft van de aangeboden calorieën op te nemen.
  • Bij braken en/of buikkrampen is het raadzaam kleine porties te eten.
  • Meer dan normaal drinken is noodzakelijk. Adviseer om vaak en in kleine beetjes te drinken. Frequent extra drinken geven kan arbeidsintensief zijn.
  • Ook bij braken wordt een belangrijk deel van het toegediende vocht geabsorbeerd.
  • Zet eventuele borst- of flesvoeding voort; er is geen reden om deze te verdunnen.
  • Adviseer inname van onverdunde vruchtensappen, frisdranken en lightproducten te beperken. Overmatig gebruik of beperkte opname in de darm kan osmotische diarree veroorzaken, vooral op de peuterleeftijd.
Details
Dieet

Van geen enkel dieet is de effectiviteit bij diarree in onderzoek aangetoond. Tijdens een episode van diarree blijft de resorptie van voedingsstoffen grotendeels intact. Bij virusinfecties wordt 55% van de calorieën geresorbeerd, bij bacteriële infecties zelfs 80%. 43  
Snelle re-introductie van voeding (ook melkproducten) is mogelijk en zelfs gewenst. 44  45  46  47   Het leidt tot minder gewichtsverlies en sneller herstel, 48  49  50   zonder toename van complicaties. Borstvoeding moet worden voortgezet en flesvoeding moet onverdund worden gegeven, liefst in frequente, kleine hoeveelheden zodra een eventueel aanwezige dehydratie is hersteld (na 3-4 uur) (ESPHGAN-richtlijn 13   en de NVK-richtlijn Dehydratie bij kinderen. 34  

Hygiëne

Naar Samenvatting ›
  • Was de handen goed na toiletgebruik, voor het (bereiden van) eten en na de verzorging van kinderen met gastro-enteritis.
  • Reinig bekers, speelgoed, bestek en keukengerei regelmatig.
  • Verwissel luiers zo vaak mogelijk.
  • Houd toilet en aanrecht extra goed schoon.
  • Laat de patiënt als dat mogelijk is, een eigen toilet gebruiken.

Besmettingsgevaar

Naar Samenvatting ›
  • Adviseer in ieder geval om personen die werkzaam zijn in de levensmiddelen- en horecasector of die beroepsmatig anderen behandelen, verzorgen of verplegen, contact met voedsel en drinken in de werksituatie te vermijden en de leidinggevende of bedrijfsarts te raadplegen voor eventueel aanpassen van de werkzaamheden.
  • Het beleid bij patiënten met een verhoogd besmettingsgevaar is sterk afhankelijk van de aard van hun werk- of verblijfssituatie.
  • Uniforme richtlijnen voor de te nemen maatregelen zijn niet voorhanden.
  • Zie detail.
Details
Besmettingsgevaar

Wering van werk, school, kinderdagverblijf of consultatiebureau

In de onderstaande LCI-richtlijnen staan adviezen over wering van werk, school, kinderdagverblijf of consultatiebureau bij een gastro-enteritis met een vermoedelijke of bekende verwekker.

Rotavirus | LCI-richtlijn
Norovirus | LCI-richtlijn
Campylobacteriose | LCI-richtlijn
Salmonellose | LCI-richtlijn
Clostridioides difficile | LCI-richtlijn
Cryptosporidiose | LCI-richtlijn
Giardiasis | LCI-richtlijn
Bij een (zelden voorkomende) infectie met Shigella gelden aanvullende adviezen over diagnostiek en behandeling. Shigellose | LCI-richtlijn

Bij (vermoeden van) een gastro-enteritis veroorzaakt door het rotavirus, norovirus, Campylobacter, Salmonella, Clostridioides, Cryptosporidiose en Giardia gelden de algemene adviezen om bij ziek zijn thuis te blijven en om hygiënemaatregelen toe te passen. Wering van school en kinderdagverblijf indien het kind niet ziek is, is doorgaans niet zinvol omdat overdracht mogelijk al heeft plaatsgevonden of gezien de beperkte ernst van de infectie. Voor wering van werk wordt aan de patiënt geadviseerd contact op te nemen met de leidinggevende of bedrijfsarts.

Meldingsplicht

De volgende ziekten die gepaard kunnen gaan met braken en diarree moeten anno maart 2025 bij de GGD worden gemeld binnen een werkdag nadat ze zijn vastgesteld in het laboratorium. Zie meldingsplicht infectieziekten uit groep B2

  • Botulisme
  • Buiktyfus
  • Cholera
  • Hepatitis A
  • STEC/ enterohemorragische E.coli-infectie
  • Shigellose
  • Listeriose
  • Paratyfus A, B en C
  • Voedselinfectie (Bij ≥ 2 patiënten en als een onderlinge relatie erop wijst dat voedsel de bron kan zijn. De onderlinge relatie kan blijken uit een opvallende overeenkomst in klinisch beeld, tijdstip of verwekker.)

De meldingsplicht is opgenomen in de Wet publieke gezondheid. De condities waaronder gemeld moet worden, zijn te vinden via Meldingplicht infectieziekten en de betreffende LCI-richtlijnen.
Bij een meldingsplichtige ziekte van groep B2 dienen het laboratorium en de arts een melding te doen aan de GGD. De GGD meldt anoniem conform de Wet publieke gezondheid en levert gegevens voor de landelijke surveillance van meldingsplichtige ziekten.
Als er zich in een instelling meerdere gevallen voordoen van gastro-enteritis, kan er sprake zijn van meldingsplicht op basis van artikel 26 Wet publieke gezondheid.  

Chronische medicatie

Naar Samenvatting ›
  • Bij braken < 4 uur na medicatie-inname of bij waterdunne diarree is er een kans op onvolledige absorptie van medicatie waardoor een te lage medicatiespiegel kan ontstaan.
  • Ook kan bij aanhoudend braken en/of diarree als gevolg van dehydratie en nierfunctiestoornissen, een te hoge medicatiespiegel ontstaan.
  • Bij koorts, braken, diarree en/of (een verhoogd risico op) dehydratie kan tijdelijke aanpassing van medicatie nodig zijn afhankelijk van het klinisch beeld (o.a. de ernst en duur van de klachten, mate van ziek-zijn) en patiëntkenmerken (leeftijd, comorbiditeit, kwetsbaarheid). Hervat de medicatie zodra de patiënt hersteld is. Zie tabel h1.
  • Overleg zo nodig met de behandelend specialist en/of apotheker. 
Tabel h1. Aanpassing medicatie bij koorts, braken, diarree en/of (een verhoogd risico op) dehydratie 
Hervat de medicatie zodra de patiënt hersteld is.
Bij koorts, braken, diarree:
Metformine Tijdelijk staken vanwege risico op lactaatacidose, zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2
SGLT2-remmers  Tijdelijk staken vanwege risico op euglykemische ketoacidose, zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2
SU-derivaten*  Overweeg glimepiride en tolbutamide tijdelijk te staken vanwege kans op hypoglykemie (gliclazide alleen staken als naast dehydratie de koolhydraatintake sterk verminderd is), zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 
Insuline* Overweeg snelwerkende insuline tijdelijk te staken bij geen/zeer weinig intake vanwege risico op hypoglykemie. Staak (middel)langwerkende insuline niet, ook niet als de patiënt minder voedsel inneemt, overweeg wel doseringsaanpassing afhankelijk van de gemeten glucosewaarden,  zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2
Orale anticoagulantia*  Dosisaanpassing kan nodig zijn bij een verminderde nierfunctie, vooral van DOAC’s omdat daarbij geen INR-controle plaatsvindt, zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren
Digoxine* Risico op digoxine-intoxicatie. Bepaal medicatiespiegels of overleg met de behandeld specialist, zie NHG-Standaard Atriumfibrilleren

Lithium* 

 

Risico op lithiumintoxicatie. Overleg laagdrempelig met de behandeld specialist, zie NHG-Standpunt Herhalen specialistische medicatie
SSRI’s* (bij ouderen > 70 jaar) Risico op hyponatriëmie. Bepaal het natriumgehalte. Zie NHG-Standaard Depressie
Anti-epileptica*  Risico op verminderde absorptie. Overleg laagdrempelig met de behandelend specialist.
Orale anticonceptie*  Risico op verminderde absorptie. Volg het beleid bij vergeten anticonceptie. Zie NHG-Standaard Anticonceptie
Bij kwetsbare patiënten of patiënten met comorbiditeit (zoals hartfalen, chronische nierschade) met (een verhoogd risico op) dehydratie: 
RAS-remmers/ aldosteronantagonisten* Overweeg tijdelijk te halveren vanwege risico op acute nierinsufficiëntie en elektrolytstoornissen. Zie NHG-Standaard Hartfalen 
Diuretica* Overweeg tijdelijk te staken (overweeg bij hartfalen lisdiuretica te halveren) vanwege risico op acute nierinsufficiëntie en elektrolytstoornissen. Zie NHG-Standaard Hartfalen
Overige antihypertensiva*  Overweeg tijdelijk te halveren of staken vanwege het risico op hypotensie. 
NSAID’s Staken (indien mogelijk definitief) vanwege risico op acute nierinsufficiëntie en elektrolytstoornissen. Zie NHG-Standaard Chronische nierschade
*In de overweging spelen mee het klinisch beeld (o.a. ernst en duur van klachten, mate van ziek-zijn) en patiëntkenmerken (leeftijd, comorbiditeit, kwetsbaarheid). 
Details
Chronische medicatie

In tabel h1 is medicatie opgenomen waarbij extra alertheid is geboden. Deze lijst is niet uitputtend. Overweeg tijdelijke aanpassing van de dosering of aanvullende maatregelen opgeleide van het klinisch beeld en patiëntkenmerken als leeftijd, kwetsbaarheid en comorbiditeit (zoals hartfalen of chronische nierschade). 
Voor het merendeel van de medicatie uit tabel h1 geldt dat de inschatting om de dosering tijdelijk aan te passen gebaseerd is op het klinisch beeld, namelijk bij (een verhoogd risico op) dehydratie. Bij sommige medicatie zal aanvullend laboratoriumonderzoek nodig zijn om het beleid te bepalen. Metformine en SGLT2-remmers moeten laagdrempelig gestaakt worden bij koorts, braken, diarree en/of (een verhoogd risico op) dehydratie (zie NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2). Medicatie kan herstart worden zodra de patiënt is hersteld. 

Thuisarts
Naar Samenvatting ›

Verwijs naar de informatie op thuisarts.nl. De informatie op Thuisarts is gebaseerd op deze NHG-Standaard.

Medicamenteuze behandeling

Naar Samenvatting ›

Ongecompliceerde gastro-enteritis

Naar Samenvatting ›
Loperamide
Naar Samenvatting ›
  • Overweeg loperamide in situaties waarin diarree om praktische redenen als te hinderlijk wordt ervaren.
  • Loperamide verkort waarschijnlijk enigszins de duur en frequentie van de diarree.
  • Schrijf aan kinderen < 8 jaar geen loperamide voor, vanwege de kans op obstipatie en (sub)ileus, en op centrale bijwerkingen zoals lethargie.

Absolute contra-indicaties voor loperamide:

  • leeftijd < 3 jaar
  • koorts en bloederige diarree
  • aanhoudende diarree na het gebruik van een breedspectrumantibioticum
  • verlengde QT-tijd
Details
Loperamide

Samenvatting van het bewijs

Volwassenen

In een systematisch literatuuronderzoek werden 2 RCT’s gevonden (n = 409 en n = 261) over de behandeling van volwassenen met acute diarree. Beide onderzoeken hadden 4 onderzoeksgroepen en vergeleken loperamidehydrochloride met placebo en met twee doseringen van loperamideoxide (1 mg en 2 mg). Beide RCT’s lieten zien dat loperamidehydrochloride de duur van de diarree waarschijnlijk enigszins verkortte vergeleken met placebo (eerste RCT: mediane duur 27 versus 45,25 uur; tweede RCT: 17,5 versus 37 uur. Er werd geen verschil gevonden tussen loperamidehydrochloride en loperamideoxide (1 mg of 2 mg). Als bijwerkingen werden vooral gastro-intestinale klachten gemeld, zoals obstipatie. 51  
Contra-indicaties: situaties waarin remming van de peristaltiek is gecontra-indiceerd, zoals subileus, (toxisch) megacolon en bepaalde vergiftigingen. Verder niet gebruiken bij acute dysenterie gekenmerkt door bloed in de ontlasting en koorts, bij pseudomembraneuze colitis ten gevolge van antibiotica, bij bacteriële enterocolitis veroorzaakt door invasieve organismen, zoals Salmonella, Shigella en Campylobacter, bij ernstige actieve colitis vanwege een verhoogd risico op toxisch megacolon, en bij infectie met EHEC/STEC vanwege een verhoogd risico op hemolytisch-uremisch syndroom (HUS).
Voorzichtigheid is geboden bij leverfunctiestoornis vanwege het risico op centrale bijwerkingen door een verminderd 'first pass'-effect (KNMP Kennisbank). Kortdurend gebruik tijdens de zwangerschap is waarschijnlijk veilig (Bijwerkingencentrum Lareb).

Kinderen

In een systematisch literatuuronderzoek werden de effectiviteit en bijwerkingen van loperamide bij kinderen jonger dan 12 jaar met acute diarree (n = 1788) vergeleken met die van placebo. De groep met loperamide had na 24 uur minder vaak diarree (prevalentieratio 0,66; 95%-BI 0,57-0,78) en de gemiddelde diarreeduur was 0,8 dag korter (95%-BI 0,7-0,9). Patiënten met loperamide hadden in de eerste 24 uur minder vaak ontlasting (0,84; 95%-BI 0,77-0,92) dan patiënten met placebo. Bij 8 van de 927 kinderen met loperamide (0,9%; 95%-BI 0,4-1,7) werden ernstige bijwerkingen gezien (ileus, lethargie, overlijden), in de placebogroep traden geen bijwerkingen op. Ernstige bijwerkingen kwamen met name voor bij kinderen jonger dan 3 jaar. 52  
Ook in verschillende andere onderzoeken en in casuïstische mededelingen zijn bij kinderen tot 8 jaar ernstige bijwerkingen gemeld van loperamide: ileus, opgezette buik, voortdurend braken en lethargie. 53  54  55  
Contra-indicaties: vanwege het risico op ernstige bijwerkingen, waaronder centrale bijwerkingen en paralytische ileus, is volgens het NKFK gebruik van loperamide bij kinderen jonger dan 3 jaar gecontra-indiceerd en dient men terughoudend te zijn bij kinderen tussen 3 en 8 jaar (uitsluitend op medisch voorschrift en onder medisch toezicht) (KNMP Kennisbank).

Conclusie

Loperamide verkort waarschijnlijk enigszins de duur en frequentie van acute diarree. Met name bij jonge kinderen (< 8 jaar) kunnen echter ernstige bijwerkingen optreden.

Dosering
Naar Samenvatting ›

Volwassenen:

  • start met loperamide 2 tabletten à 2 mg
  • vervolgens 2 mg na elke dunne ontlasting (max. 16 mg/dag)
  • stop zodra de ontlasting vaster wordt of er meer dan 12 uur geen ontlasting meer is geweest

Kinderen van 8-18 jaar:

  • start met loperamide 2 mg
  • vervolgens 2 mg na elke dunne ontlasting, max. 0,3 mg/kg/dag met een maximum van 16 mg per dag
  • stop zodra de ontlasting vaster wordt of er meer dan 12 uur geen ontlasting meer is geweest
Andere diarreeremmende middelen
Naar Samenvatting ›

We bevelen adsorbentia, zoals geactiveerde kool en adstringentia niet aan.

Details
Andere diarreeremmende middelen

Er is nauwelijks tot geen evidence over het gebruik van adsorbentia zoals geactiveerde kool (carbo adsorbens) bij de behandeling van acute diarree in de huisartsenpraktijk. De waarde van deze middelen is dan ook onvoldoende aangetoond.

Van tannalbumine, een verbinding van looizuur en albumine, en tasectan met als hoofdbestanddeel gelatinetannaat oftewel tanninezuur (looizuur) is de waarde ter behandeling van acute diarree eveneens onvoldoende aangetoond. Tasectan is niet geregistreerd als geneesmiddel, wel als medisch hulpmiddel. Ongewenste effecten zijn niet bekend, maar van looizuur zelf is een aantal bijwerkingen bekend, waaronder misselijkheid, braken, ongunstige beïnvloeding van de absorptie en hepatotoxiciteit. 56  

Conclusie

Er is gebrek aan bewijs voor de effecten en bijwerkingen van adsorbentia en looizuurbevattende middelen.

Probiotica
Naar Samenvatting ›

We bevelen probiotica niet aan.

Details
Waarom deze aanbeveling?

Probiotica verminderen de kans op ziekenhuisopname waarschijnlijk niet bij patiënten met acute gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk. Het is onzeker of gebruik van probiotica de duur van de diarree bekort vanwege een zeer lage kwaliteit van het bewijs. Er lijkt geen verschil in effect te zijn tussen de verschillende probioticastammen. Daarnaast is er weinig bekend over de langetermijneffecten en bijwerkingen. Andere nadelen van probiotica zijn de kosten en het feit dat aan sommige probiotica suikers of zoetstoffen zijn toegevoegd. We bevelen probiotica om deze redenen niet aan als behandeling bij patiënten met acute gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk. 

Van bewijs naar aanbeveling

Gewenste en ongewenste effecten

Diarree geeft een verhoogd risico op dehydratie. Dit kan, in het geval van ernstige dehydratie, leiden tot een ziekenhuisopname. Probiotica verlagen het aantal ziekenhuisopnames waarschijnlijk niet. Het is onzeker of het gebruik van probiotica invloed heeft op de duur van de diarree. Hoewel de langetermijneffecten en mogelijke bijwerkingen nog onvoldoende zijn onderzocht zijn, wordt het gebruik van probiotica over het algemeen als veilig beschouwd. Een ander nadeel is dat aan probiotica soms minder gezonde hulpstoffen (zoals suikers of zoetstoffen) zijn toegevoegd.

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs voor de uitkomstmaten ziekenhuisopname en bijwerkingen was redelijk vanwege respectievelijk ernstige onnauwkeurigheid en ernstig risico op bias (onvoldoende blindering van de deelnemers en onderzoekers, onduidelijk of de toewijzing goed verborgen was tijdens het randomisatieproces). De kwaliteit van bewijs voor de uitkomstmaat duur van de diarree was zeer laag door ernstige risico op bias, ernstige onnauwkeurigheid en ernstige inconsistentie. De heterogeniteit tussen studies zal onder andere verklaard kunnen worden door verschil in gebruikte definities van ‘acute diarree’ en de ‘duur van de diarree’.

Waarden en voorkeuren

Een deel van de patiënten zou probiotica wel willen proberen, maar vaak hebben zij beperkte kennis over de werking en eigenschappen ervan. De werkgroep verwacht dat de meeste patiënten geen probiotica willen, omdat het mogelijk niet of nauwelijks effect heeft op het beloop van de diarree en vanwege de extra kosten (probiotica worden niet vergoed).

Kosten

De kosten van probiotica variëren per merk (10-35 euro per 1 à 2 maanden).

Aanvaardbaarheid

De werkgroep acht het aanvaardbaar dat patiënten bereid zijn om kortdurend probiotica te nemen als dit de duur van de diarree bekort, de ernst vermindert en niet of nauwelijks bijwerkingen geeft.

Haalbaarheid

Probiotica zijn vrij verkrijgbaar bij drogist, apotheek, supermarkt en online. 

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Zijn probiotica aan te bevelen bij patiënten met acute gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk? Zie de PICO-tabel.

PICO-tabel
PatiëntenPatiënten met acute gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk  
InterventieProbiotica (in NL verkrijgbaar)
VergelijkingGeen probiotica, placebo
Uitkomstmaten

Cruciaal

Ziekenhuisopname / SEH bezoek

Belangrijk

  • Duur van de diarree

  • Ernst van de diarree

  • Bijwerkingen

 

De NHG-werkgroep heeft op basis van informele consensus de volgende grenzen voor klinisch relevante verschillen vastgesteld:

  • Ziekenhuisopname (gemiddeld 5%): absolute daling > 1%
  • Duur van de diarree: 1 dag korter
  • Ernst van de diarree: 2 punten verschil op een visueel analoge schaal van 0 tot 10
  • (Ernstige) bijwerkingen: risico ratio > 1,25
Achtergrond

Probiotica zijn levende microbiotische voedingssupplementen die kunnen zorgen voor verbetering van de darmmicrobiota. Probiotica zouden mogelijk de duur van de diarree kunnen bekorten maar de bewijskracht is gering. Ook zijn er veel verschillende probiotica op de markt en is onvoldoende duidelijk welke specifieke probiotica een positief effect hebben. Tot nu toe werden probiotica niet aangeraden voor de behandeling van acute diarree. We hebben een nieuwe zoekactie verricht om te zien of er nieuw bewijs is voor de effectiviteit van probiotica bij patiënten met acute gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews (SR’s) en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase in november 2023, met een update in februari 2025.

Resultaten
Resultaat zoekactie

Uit de zoekresultaten selecteerden we de geschiktste SR: zo recent mogelijk, met de beste aansluiting op de PICO en van voldoende kwaliteit. Het betrof een cochranereview over probiotica voor de behandeling van acute diarree. 57   Een aanvullende search na de zoekdatum van dit literatuuronderzoek leverde 2 aanvullende RCT’s op. 58  59   Tijdens de update van de literatuurzoekactie in februari 2025 vonden we 3 aanvullende RCT’s. 60  61  62   Omdat de resultaten van de aanvullende onderzoeken in lijn zijn met eerdere onderzoeksresultaten en geen invloed hebben op de sterkte en richting van de aanbeveling, worden ze hier verder niet beschreven.

Onderzoekskarakteristieken
  • Collinson 2020. Deze cochranereview includeerde 82 RCT’s die een specifieke probiotica vergeleken met placebo of geen probiotica bij patiënten met acute infectieuze diarree (n = 12.127; merendeel kinderen (97%), merendeel niet gedehydreerd). 11 RCT’s includeerden poliklinische patiënten dan wel patiënten vanuit de thuissituatie (n=1.107; VS, Canada, India, Indonesië, Argentinië, Turkije, Oekraïne, Italië, Duitsland en Denemarken). 4 RCT’s includeerden patiënten op de spoedeisende hulp (n=1.943). De meest gebruikte probiotica waren lactobacillen en bifidobacteriën. Er bestond veel variatie in de definitie ‘acute diarree’ en het afkappunt voor ‘duur van de diarree’ tussen de studies.
  • Mourey 2020. RCT waarin kinderen met acute diarree werden gerandomiseerd naar: probiotica (S. boulardii + zink + ORS) of placebo (+ zink + ORS) (n=112, India, 4 poliklinieken; gemiddelde leeftijd 1 jaar; 54% jongens; ≥ 3 dunne ontlasting in de afgelopen 24 uur). De follow-upduur was 2 maanden.
  • Ghosh 2021. RCT waarin kinderen met acute diarree werden gerandomiseerd naar: probiotica (Saccharomyces boulardii CNCM-I 3799 en Bacillus subtilis CU-1 + zink + ORS) of placebo (+ zink + ORS) (n=180; India; poliklinieken van 6 ziekenhuizen; gemiddelde leeftijd 2 jaar; 61% jongens; diarreeduur < 72 uur). De follow-upduur was 3 maanden.
Effectiviteit en bijwerkingen

Zie SoF-tabel Probiotica vs placebo of geen probiotica voor de samenvatting van de resultaten. In de Cochranereview zijn diverse subgroep analyses uitgevoerd. Subgroepanalyse op basis van probiotische stam liet geen verschil zien in de uitkomstmaat duur van de diarree tussen stammen. Ook was er geen verschil in uitkomst ten aanzien van de duur van diarree tussen opgenomen patiënten versus poliklinische patiënten en patiënten die vanuit de thuissituatie geïncludeerd werden. 

Conclusies
  • Er is waarschijnlijk niet of nauwelijks verschil in het aantal ziekenhuisopnames en bijwerkingen (kwaliteit van bewijs: redelijk).
  • We zijn onzeker of probiotica de duur van de diarree verkort (kwaliteit van bewijs: zeer laag).
  • We weten niet of probiotica de ernst van de diarree vermindert, omdat het niet is gerapporteerd in de geïncludeerde onderzoeken.

Gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie

Naar Samenvatting ›
Oral rehydration solution (ORS)
Naar Samenvatting ›
  • Schrijf ORS voor bij (verhoogd risico op) dehydratie.
  • ORS zijn veilig en effectief in het herstellen van de vochtbalans, maar bekorten de duur van braken en/of diarree niet.
  • Bij een verhoogd risico op dehydratie is het doel om de verliezen aan water en elektrolyten te compenseren, zolang de patiënt braakt of waterdunne ontlasting heeft.
  • Bij dehydratie is het doel om binnen ongeveer 4 uur rehydratie te bereiken en vervolgens verliezen aan water en elektrolyten te compenseren, zolang de patiënt braakt en/of waterdunne ontlasting heeft. 
Details
ORS

Samenstelling van ORS

De WHO adviseerde in 1975 gebruik van een standaard ORS-oplossing met een natriumgehalte van 90 mmol/l, een glucosegehalte van 111 mmol/l en een osmolariteit van 311 mosmol/l. 63   Deze standaardsamenstelling bleek veilig en effectief in de behandeling van dehydratie bij volwassenen en kinderen en bleek ook preventief goed werkzaam om het verloren gegane volume aan te vullen. 63  64  65  66   Een Cochrane-review uit 2001 met 15 RCT’s (n = 2397) wees uit dat ORS met een lagere osmolariteit voordelen heeft bij kinderen met acute diarree niet veroorzaakt door Vibrio cholerae. 67   Bij kinderen ouder dan 1 maand en merendeels jonger dan 3 jaar, opgenomen in het ziekenhuis met tekenen van dehydratie, werd ORS met een osmolariteit van 250 mosmol/l vergeleken met een ORS van 311 mosmol/l (de standaard ORS-oplossing conform de normen van de WHO). In de groep die hypo-osmolaire ORS kreeg, was er minder noodzaak tot intraveneuze behandeling (OR 0,61; 95%-BI 0,47-0,81), minder diarree en minder braken. Er was geen verschil in het optreden van hyponatriëmie. Om die reden adviseert de WHO sinds juli 2001 een standaard ORS-oplossing met een natriumgehalte van 75 mmol/l, een glucosegehalte van 75 mmol/l, en een osmolariteit van 245 mosmol/l. 68   Dit advies geldt zowel voor volwassenen als voor kinderen.

ORS gebaseerd op rijstwater, dat stoffen bevat die de versnelde darmpassage remmen, heeft geen voordelen bij kinderen met diarree die niet is veroorzaakt door Vibrio cholerae. 69  

Conclusie

ORS in de gangbare dosering (een natriumgehalte van 60-90 mmol/l en een glucosegehalte van 75-111 mmol/l) is veilig en effectief in de behandeling van dehydratie bij volwassenen en kinderen en is ook preventief goed werkzaam om het verloren gegane volume aan te vullen.

Effectiviteit en veiligheid van behandeling met ORS bij dehydratie

Behandeling met ORS bij gedehydreerde kinderen met gastro-enteritis (in de leeftijd van 3 maanden tot 2-3 jaar) op de eerste hulp of in het ziekenhuis faalde in 3,6% (95%-BI 1,4-5,8) van de gevallen, dat wil zeggen dat intraveneuze rehydratie nodig was. Bij orale rehydratie traden minder bijwerkingen op vergeleken met intraveneuze rehydratie in de zin van sterfte en insulten; ook was de duur van het verblijf in het ziekenhuis korter. 70  71   Het beleid dat in verschillende tweedelijns richtlijnen wordt aanbevolen komt hiermee overeen: orale rehydratie heeft indien mogelijk de voorkeur bij milde tot matige dehydratie. 13  

Er werden geen RCT’s of systematische reviews gevonden over de effectiviteit van ORS bij volwassenen met acute diarree in hoog-inkomenlanden. 72  

De NVK-richtlijn Dehydratie bij kinderen beschrijft als mogelijke risicofactoren voor het falen van thuisbehandeling: jonge leeftijd (< 6 maanden), persisterende forse verliezen, kwetsbare thuissituatie.

Conclusie

Behandeling met ORS is bij dehydratie een ten minste even snelle en veilige manier van rehydreren als rehydratie via intraveneuze behandeling bij milde tot matige dehydratie.

Dosering van ORS

Voor de doseringen van ORS is aangesloten bij de KNMP Kennisbank, het Kinderformularium en de NVK-richtlijn Dehydratie bij kinderen. 34  

Dosering
Naar Samenvatting ›

Bij verhoogd risico op dehydratie:

  • Adviseer ORS zolang de ontlasting waterdun is en/of de patiënt braakt (zie tabel h2).
  • Geef bij kinderen < 6 maanden ORS naast borst- of kunstvoeding.
  • Stop de ORS als het braken is gestopt en de ontlasting niet meer waterdun is.

Bij dehydratie: geef kinderen en volwassenen ORS 10 - 25 ml/kg per uur gedurende 4 uur (zie tabel h2). 

Tabel h2. Dosering ORS voor kinderen en volwassen bij (verhoogd risico op) dehydratie 

 

 

Verhoogd risico op dehydratie

 

Dehydratie

 

 

 

Na elke keer braken 

 

Na elke waterdunne ontlasting

 

Binnen 4 uur tijd

 

 

 

 

Gewicht:

2 ml/kg/keer

 

< 6 jaar: 10 ml/kg/keer

> 6 jaar: tot 300 ml/keer

 

 

10-25 ml/kg/uur 

Per keer:

Per keer:

In 4 uur:

 

4-6 kg

 

10 ml

50 ml

*

6-8 kg

 

20 ml

70 ml

600 ml 

8-10 kg

 

20 ml

100 ml

800 ml 

10-12 kg

 

20 ml

120 ml

1 liter

12-16 kg

 

30 ml

150 ml

1 liter

16-20 kg

 

40 ml

200 ml

1,5 liter

20-25 kg

 

50 ml

250 ml

1,5 liter

25-50 kg

 

100 ml

300 ml

2 liter

50-75 kg

 

150 ml

300 ml

2 liter

> 75 kg 

 

200 ml

300 ml

2 liter

* Jonge kinderen (< 3 maanden) met een vermoeden van dehydratie is een indicatie voor consultatie of verwijzing naar de kinderarts.

Praktische toepassing
Naar Samenvatting ›
  • ORS moet apart worden ingenomen; vermeng de oplossing niet met voedsel of met andere dranken.
  • Leg de verzorger uit dat om de paar minuten een klein slokje ORS geven, zo nodig met een lepeltje of een speen, gemakkelijker geaccepteerd wordt en minder aanleiding geeft tot braken dan grote hoeveelheden in één keer.
  • Een gedehydreerde patiënt is dorstig en drinkt waarschijnlijk goed.
  • Braken is geen reden om niet te beginnen met ORS; het vocht wordt zeer snel opgenomen en de patiënt neemt netto altijd meer op dan hij uitbraakt. 
Algemene adviezen
Naar Samenvatting ›
  • Beoordeel of patiënt en verzorger thuisbehandeling aankunnen: rehydratie is een nauwkeurige en intensieve bezigheid. Verwijs de patiënt indien rehydratie in de thuissituatie niet haalbaar lijkt.
  • Geef aan dat de instructies over de bereidingswijze op de verpakking goed moeten worden opgevolgd.
  • Ontraad het zelf maken van ORS uit glucose, zout en water omdat dit tot fouten in de samenstelling kan leiden waardoor het gebruik schadelijk kan zijn.
  • Geef aan dat de patiënt naast ORS naar behoefte voedsel en andere dranken kan nemen.
Alternatieve dranken voor ORS
Naar Samenvatting ›
  • We bevelen aan kinderen met een gastro-enteritis met (een verhoogd risico op) dehydratie altijd eerst met ORS te rehydreren, omdat verdunde appelsap of andere alternatieve dranken geen bewezen gelijkwaardig alternatief zijn voor ORS.
  • Als rehydratie met ORS niet mogelijk is of herhaaldelijk wordt geweigerd, maak dan gebruik van water, appelsap (verdund met water, bijvoorbeeld 1:1), of andere verdunde vruchtensappen. 
Details
Waarom deze aanbeveling?

We zijn onzeker over de effectiviteit van alternatieven voor ORS bij kinderen met dehydratie of met een verhoogd risico op dehydratie als gevolg van een acute gastro-enteritis. De werkgroep adviseert daarom om kinderen met een acute gastro-enteritis met dehydratie of een verhoogd risico op dehydratie altijd eerst met ORS te rehydreren. Verdunde appelsap of andere alternatieve dranken zijn geen bewezen gelijkwaardig alternatief voor ORS. 

Van bewijs naar aanbeveling

Gewenste en ongewenste effecten

We zijn onzeker over of er goede alternatieven voor ORS zijn bij kinderen met acute gastro-enteritis en dehydratie of een verhoogd risico op dehydratie.

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van het bewijs is zeer laag, vanwege ernstige risico op bias, ernstige indirectheid en zeer ernstige onnauwkeurigheid.

Waarden en voorkeuren

Bij dehydratie of een verhoogd risico op dehydratie verwacht de werkgroep dat sommige ouders de voorkeur geven aan rehydratie met ORS, terwijl anderen alternatieve dranken naar keuze verkiezen. De smaak van deze dranken zal kinderen waarschijnlijk meer aanspreken.

Kosten

ORS kost circa € 0,40-€ 0,80 per sachet. Hiermee ontlopen de kosten tussen alternatieve dranken en ORS elkaar niet noemenswaardig.

Aanvaardbaarheid

De toediening van ORS of een alternatieve drank om de paar minuten in kleine slokjes is arbeidsintensief en kan lastig zijn voor ouders. Vanwege de smaak wordt verdunde appelsap of een andere alternatieve drank waarschijnlijk beter geaccepteerd dan ORS.

Haalbaarheid

Zowel ORS als verdunde appelsap of andere alternatieve dranken zijn vrij verkrijgbaar. ORS is verkrijgbaar in diverse smaken. Er worden geen problemen met betrekking tot de haalbaarheid verwacht. 

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Zijn er alternatieve dranken aan te bevelen ter vervanging van orale rehydration solution (ORS) voor de behandeling van kinderen met acute gastro-enteritis en (een verhoogd risico op) dehydratie in de huisartsenpraktijk? Zie de PICO-tabel.

PICO-tabel
PatiëntenKinderen met acute gastro-enteritis en (een verhoogd risico op) dehydratie in de huisartsenpraktijk
InterventieAlternatieve dranken (verdund appelsap, andere [verdunde] vruchtensappen, sportdrank, frisdrank of bouillon)
VergelijkingOrale rehydration solution (ORS)
Uitkomstmaten

Cruciaal

  • Ziekenhuisopname / SEH-bezoek

  • Intraveneuze rehydratie

 

De NHG-werkgroep heeft op basis van informele consensus de volgende grens voor een klinisch relevant verschil vastgesteld: Ziekenhuisopname / SEH-bezoek / intraveneuze dehydratie (gemiddeld 5%): absolute daling > 1%.

Achtergrond

Gastro-enteritis kan bij kinderen leiden tot dehydratie en ziekenhuisopname. Bij (een verhoogd risico op) dehydratie bij het kind is ORS geïndiceerd. Weigering van ORS, onduidelijkheid over de wijze van gebruik en het feit dat ouders ORS vaak niet in huis hebben, kan de adequate inname bij kinderen in de weg staan. De vraag is of er alternatieven voor ORS zijn voor kinderen met acute gastro-enteritis met dehydratie of een verhoogd risico op dehydratie.

Methoden

In december 2023 is een literatuurzoekactie naar systematische reviews en gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT’s) uitgevoerd in PubMed en Embase. Om geen recente onderzoeken te missen werd de zoekactie in februari 2025 herhaald.

Resultaten
Resultaat zoekactie

De zoekactie leverde 1 RCT op bij kinderen met gastro-enteritis en geen of slechts geringe dehydratie. 73   De update van de zoekactie in februari 2025 leverde geen aanvullende RCT’s op.

Onderzoekskarakteristieken

Freedman et al. (2016): ‘non-inferiority’ RCT waarin kinderen (6 maanden - 6 jaar) met gastro-enteritis met geen of slechts geringe dehydratie (Clinical Dehydration Scale score < 5 en een normale capillaire refill) op de spoedeisende hulpafdeling werden gerandomiseerd over 2 groepen: drinken van verdunde appelsap (water: appelsap = 1:1) en eventueel andere voorkeursdranken of drinken van alleen ORS met appelsmaak (n = 647; Canada; gemiddelde leeftijd 28 maanden; 51% jongens; mediane aantal diarree-episodes in afgelopen 24 uur: 3; mediane aantal braakepisodes in afgelopen 24 uur: 5; 68% had geen tekenen van dehydratie). Alle kinderen ontvingen in totaal 2 liter van hun toegewezen vloeistof. Op de SEH kregen ze elke 2-5 minuten 5 ml vloeistof. De instructie voor thuis was: 10 ml/kg vloeistof na elke waterdunne ontlasting. De follow-upperiode was 7 dagen. 73  

Effectiviteit en bijwerkingen

Zie SoF-tabel Alternatieve dranken vs ORS voor de samenvatting van de resultaten. 

Conclusies

We zijn onzeker of verdund appelsap en eventueel andere dranken een vergelijkbaar effectief alternatief voor ORS zijn bij kinderen met acute gastro-enteritis met dehydratie of een verhoogd risico op dehydratie (kwaliteit van bewijs: zeer laag).

Samenstelling van alternatieve dranken

Uit het overzicht van de samenstelling van een aantal dranken en vloeistoffen in tabel d3 blijkt dat appelsap, cola, sportdrank, jus d’orange en kippenbouillon verschillen van ORS. 66   

Tabel d3. Samenstelling van ORS in vergelijking met ‘alternatieve’ dranken 66   

Oplossing

Koolhydraten

Natrium

Kalium

Osmolariteit

WHO-standaard ORS (1975)

111 mmol/l

90 mmol/l

20 mmol/l

311 mosmol/l

WHO hypo-osmolair ORS (2002)

75 mmol/l

75 mmol/l

20 mmol/l

245 mosmol/l

Appelsap

120 mmol/l

< 1 mmol/l

44 mmol/l

730 mosmol/l

Cola

50-150 mmol/l

1,6 mmol/l

< 1 mmol/l

550-750 mosmol/l

Sportdrank

45 mmol/l

23,5 mmol/l

< 1 mmol/l

330 mosmol/l

Jus d’orange

120 mmol/l

< 1 mmol/l

50 mmol/l

Kippenbouillon

250 mmol/l

8 mmol/l

500 mosmol/l

Anti-emetica bij kinderen
Naar Samenvatting ›

Wij raden andere anti-emetica dan ondansetron bij de behandeling van misselijkheid en braken af bij kinderen vanwege het gebrek aan bewijs voor de effectiviteit en vanwege de bijwerkingen, die vooral op jonge leeftijd voorkomen.

Details
Waarom deze aanbeveling?

Gewenste en ongewenste effecten

Ondansetron
  • Waarschijnlijk verlaagt een eenmalige dosis ondansetron ten opzichte van placebo de kans op een ziekenhuisopname binnen 8 uur bij brakende kinderen met een gastro-enteritis. Daarnaast resulteert ondansetron mogelijk in een grotere kans op stoppen met braken binnen 8 uur.
  • We zijn onzeker over het aanvullende effect van meerdere doses ondansetron.
  • Mogelijke bijwerkingen van een eenmalige dosis ondansetron lijken op basis van de geïncludeerde onderzoeken beperkt, maar grote onderzoeken hierover ontbreken. De voornaamste gerapporteerde, dosisafhankelijke bijwerkingen zijn hoofdpijn en obstipatie. In de KNMP Kennisbank zijn ook zeldzame ernstige bijwerkingen beschreven zoals convulsies en hartritmestoornissen.
  • Daarnaast zijn er aanwijzingen dat ondansetron diarree mogelijk verergert, maar de resultaten hierover zijn tegenstrijdig. Als zeldzame ernstige bijwerking wordt een dosisafhankelijke QT-tijd verlenging beschreven (met risico op ventrikeltachycardie). Dit kan voorkomen bij kinderen met een verhoogd risico hierop door hartfalen, bradycardie, aangeboren lang-QT-intervalsyndroom of gebruik van andere QT-verlengende medicatie. 80  81  
Granisetron

We zijn onzeker over de effectiviteit van granisetron. Daarnaast is granisetron oraal in Nederland alleen beschikbaar in tabletten van 1 mg. Bij een doseringsadvies van 40 microgram/kg, pas geschikt voor een kind van 25 kg. Voor kinderen met een lager gewicht zal een tablet gedeeld moeten worden. Dit heeft niet de voorkeur vanwege de onnauwkeurigheid en het risico op overdosering.

Antihistaminica

We zijn onzeker over de effectiviteit van antihistaminica, vanwege gebrek aan onderzoek.

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs is redelijk. Er is afgewaardeerd voor ernstige onnauwkeurigheid.

Waarden en voorkeuren

De werkgroep is van mening dat voor de meerderheid van de (ouders van) patiënten de voordelen opwegen tegen de nadelen bij een éénmalige dosis ondansetron. Voor de (kleine) groep patiënten met risicofactoren op ernstige bijwerkingen (QT-tijd verlenging en ritmestoornissen bij kinderen met hartfalen, bradycardie, aangeboren lang-QT-intervalsyndroom of gebruik van andere QT-verlengende medicatie) zal deze afweging echter juist anders uitvallen. De werkgroep verwacht dat de voordelen dan niet opwegen tegen de nadelen.

Kosten

  • Ondansetron 0,8 mg/ml stroop is alleen beschikbaar in een 50 ml verpakking (ca. € 53). Bij een eenmalige dosis van doorgaans 1-10 ml valt deze toedieningsvorm duurder uit dan als (smelt)tablet. De kosten voor een spoedeisende hulpbezoek en ziekenhuisopname zijn nog veel hoger.
  • In tabletvorm is ondansetron beschikbaar in 4 mg tabletten (circa € 0,33 per stuk) en in 4 mg smelttabletten (ruim € 3 per stuk). Deze tabletten zijn niet deelbaar en komen daarom alleen in aanmerking voor kinderen met een gewicht > 40 kg (dosering 0,1 mg/kg). De kosten zijn exclusief apotheekkosten (Zorginstituut Nederland. Medicijnkosten.nl, geraadpleegd maart 2024).

Aanvaardbaarheid

De werkgroep is van mening dat een eenmalige dosis ondansetron (naast ORS) bij brakende kinderen met dehydratie of een verhoogd risico op dehydratie zonder risicofactoren voor ernstige bijwerkingen voor de meeste ouders acceptabel is. Ondansetron is in Nederland niet geregistreerd voor misselijkheid en braken door gastro-enteritis bij kinderen. Het gebruik is dus off-label. Er is echter momenteel geen geschikt alternatief voor kinderen met een gastro-enteritis.

Haalbaarheid

De behandeling met ondansetron is, met name in de tweede lijn, al een regelmatig toegepaste behandeling. Toediening van dit middel is op de huisartsenpost haalbaar gebleken. 77   Ondansetron (tabletten/stroop) heeft waarschijnlijk geen risico voor organismen in het oppervlaktewater. 82  

Van bewijs naar aanbeveling

Er is waarschijnlijk een beperkt effect van het toevoegen van een eenmalige dosis ondansetron aan de behandeling met ORS op het voorkomen van ziekenhuisopname bij kinderen met een veronderstelde gastro-enteritis. We zijn onzeker over het aanvullende effect van meerdere doses ondansetron. Volgens de werkgroep is nog niet geheel duidelijk of het mogelijke positieve effect op ziekenhuisopnames in de geïncludeerde onderzoeken komt door de toediening van ondansetron of door een adequatere uitvoering van ORS-rehydratie in een klinische setting. De bijwerkingen van een eenmalige dosis ondansetron zijn waarschijnlijk beperkt, maar er zijn enkele belangrijke contra-indicaties. Daarnaast is het gebruik off-label.

De werkgroep is van mening dat ondansetron mogelijk meerwaarde heeft bij kinderen met gastro-enteritis met dehydratie of een verhoogd risico op dehydratie, bij wie op klinische gronden nog onvoldoende reden is voor directe verwijzing. De werkgroep geeft een zwakke aanbeveling voor het gebruik van een eenmalig dosis ondansetron bij deze groep, omdat wordt ingeschat dat dit waarschijnlijk ziekenhuisopnames voorkomt.

Samenvatting van bewijs
Uitgangsvraag

Is een anti-emeticum aan te bevelen bij de behandeling van misselijkheid en braken door gastro-enteritis bij kinderen > 3 maanden in de huisartsenpraktijk?

PICO-tabel
PatiëntenKinderen > 3 maanden die braken als gevolg van een acute gastro-enteritis 
InterventieAnti-emetica (5HT3-antagonisten of antihistaminica) oraal, eenmalig of herhaald
Vergelijking

Placebo

Geen behandeling of gebruikelijke zorg (ORS)

Uitkomstmaten

Cruciaal

  • Ziekenhuisopname/SEH bezoek

  • Ernstige bijwerkingen

Belangrijk

  • Ernst van braken (frequentie en afname)

  • Ernst van diarree

  • Duur van de klachten (dehydratie, misselijkheid, braken, diarree)

 

De NHG-werkgroep heeft op basis van informele consensus de volgende grenzen voor klinisch relevante verschillen vastgesteld:

  • ziekenhuisopname (gemiddeld 15%): absolute daling > 5%
  • ernstige bijwerkingen: risico ratio > 1,25
  • braken: absolute daling > 10%
  • duur van de klachten: 1 dag korter

Achtergrond

Acute gastro-enteritis met braken en diarree komt veel voor bij kinderen en kan lijden tot (ernstige) dehydratie, met name bij baby’s en jonge kinderen. Onderzoek in de tweede lijn laat zien dat 5HT3-antagonisten (zoals ondansetron en granisetron) mogelijk een veilige behandeling zijn voor kinderen met acute gastro-enteritis en (veelvuldig) braken. 74   Door blokkering van 5HT3-receptoren in het maag-darmkanaal en het centrale en perifere zenuwstelsel onderdrukken deze middelen de braakreflex. Daarnaast worden in de literatuur antihistaminica (onder andere meclozine, cinnarizine en (chloor)cyclizine) als mogelijk veilige alternatieve anti-emetica beschreven. Een aantal is hiervoor ook in Nederland geregistreerd. Het is onduidelijk of het gebruik hiervan ook effectief is bij kinderen met acute gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk.

Dopamine-antagonisten ontraden

Dopamine-antagonisten (metoclopramide, domperidon) worden ook beschreven in de literatuur voor misselijkheid en braken door een gastro-enteritis. Deze middelen worden (in Nederland) ontraden bij kinderen vanwege potentieel ernstige bijwerkingen. Metoclopramide passeert de bloed-hersenbarrière en geeft daarmee een verhoogd risico op extrapiramidale verschijnselen bij kinderen. Het gebruik wordt daarom in de thuissetting afgeraden. Domperidon geeft bij kinderen gemakkelijk centrale bijwerkingen. Daarnaast worden bij gebruik van domperidon, specifiek bij dehydratie, ernstige dystonie beschreven.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews (SR’s) en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase in november 2021, met een update in december 2023. Om geen recente onderzoeken te missen werd de zoekactie in februari 2025 herhaald.

Resultaten
Resultaat zoekactie

Uit de zoekresultaten selecteerden we de meest geschikte SR: zo recent mogelijk, met de beste aansluiting op de PICO en van voldoende kwaliteit. De systematische review includeerde placebogecontroleerde RCT’s die de effectiviteit van ondansetron bij kinderen met acute gastro-enteritis onderzochten. 74   Daarnaast vonden we een netwerk meta-analyse over anti-emetica bij kinderen met acute gastro-enteritis. 75   Naast de RCT’s die geïncludeerd zijn in de SR van Fugetto, voldeed nog 1 aanvullende RCT over granisetron uit deze netwerk meta-analyse aan onze inclusiecriteria. 76   Een aanvullende search na de zoekdatum van de netwerk meta-analyse (december 2018) tot februari 2025 leverde 1 RCT op. 77   We vonden geen RCT’s naar de effectiviteit en veiligheid van antihistaminica (metoclozine, cyclizine) voor de behandeling van misselijkheid en braken bij kinderen met gastro-enteritis.

Onderzoekskarakteristieken
  • Fugetto 2020. Deze SR includeerde 13 RCT's waarin kinderen met een veronderstelde gastro-enteritis die braakten (variërend van niet tot matig gedehydreerd) werden gerandomiseerd naar ondansetron oraal (9 onderzoeken, n = 1864] of intraveneus (4 onderzoeken, n = 270); 0,15-0,3 mg/kg; eenmalige dosis in 11 onderzoeken) of placebo (n = 2134; VS, Europa, Azië, Venezuela; leeftijd variërend van 3 maanden tot 16 jaar; mediane aantal braak episodes in afgelopen 24 uur variërend van 4 tot 10 episodes; 99% kreeg rehydratie met ORS. De meeste onderzoeken vonden plaats op de spoedeisende hulp (11); 2 vonden plaats op een kinderafdeling. Follow-upduur was 8-48 uren. 74  
  • Bonvanie 2021. Pragmatische RCT waarin op de huisartsenpost kinderen met een veronderstelde gastro-enteritis die braakten, met een verhoogd risico op dehydratie, werden gerandomiseerd naar gebruikelijke zorg (ORS) of eenmalig ondansetronsiroop (0,1 mg/kg) plus gebruikelijke zorg (n = 175; Nederland; 3 huisartsenposten; gemiddeld 1,5 jaar (variërend van 6 maanden tot 6 jaar); 88% vrouw, mediane duur symptomen: 2 dagen; gemiddeld aantal keren braken in afgelopen 24 uur: 5,0). De follow-upduur was 7 dagen. 77  
  • Qazi 2014. RCT waarin kinderen (6 maanden–8 jaar) met een veronderstelde gastro-enteritis (< 7 dagen) en milde tot matige uitdroging en onvoldoende respons op ORS, werden gerandomiseerd naar granisetronsiroop (1 dd 40 microg/kg voor 2 dagen) of placebo (n = 165; Saudi-Arabië; spoedeisende hulp; gemiddeld 2,4 jaar; 44% vrouw, gemiddelde duur symptomen: 4,3 dagen; gemiddeld aantal keren braken in afgelopen 24 uur: 7,3). De follow-upduur was 5 dagen. 76  1  
Effectiviteit en bijwerkingen
Ondansetron

Zie de tabel voor de samenvatting van de resultaten uit de Cochrane-review van Fugetto et al. 74   en tabel voor de samenvatting van de RCT van Bonvanie et al. 77   De resultaten konden niet gepoold worden, omdat de uitkomstmaten niet op dezelfde wijze gedefinieerd zijn. De conclusie over de effectiviteit van een eenmalig dosis ondansetron is gebaseerd op de 11 onderzoeken op de spoedeisendehulpafdelingen, omdat het onderzoek op de Nederlandse huisartsenpost van zeer lage kwaliteit is. Wel laat het onderzoek zien dat toediening van ondansetron op de huisartsenpost haalbaar lijkt.
Het NHG heeft een subgroepanalyse gedaan voor orale versus intraveneuze toediening van ondansetron. Orale toediening lijkt iets minder effectief in het stoppen met braken binnen 8 uur in vergelijking met intraveneuze toediening, maar het effect is nog steeds aanzienlijk (zie Totstandkoming). Het percentage kinderen dat stopt met braken bij oraal toegediende ondansetron, steeg van 66% naar 82% (RR 1,26, 95%-BI 1,10-1,46). We zijn onzeker over het additionele effect van meerdere doses orale ondansetron (elke 8 uur), vanwege wisselende resultaten op het stoppen met braken na 24 uur in de 2 RCT’s die dit onderzochten. In beide onderzoeken werd het grootste effect op stoppen met braken gezien na 1 gift ondansetron gezien. 78  79  
Bijwerkingen van (eenmalig) ondansetron lijken op basis van de geïncludeerde onderzoeken beperkt. Veel voorkomende bijwerkingen zijn hoofdpijn en obstipatie. Zeldzame ernstige bijwerkingen zijn convulsies en hartritmestoornissen (o.a. verlenging QT-interval) (KNMP Kennisbank, geraadpleegd maart 2024). Er zijn aanwijzingen dat ondansetron diarree mogelijk verergert, maar de resultaten hierover zijn tegenstrijdig. 80  74  

Granisetron

We zijn onzeker, maar mogelijk is er niet of nauwelijks verschil in ziekenhuisopnames of stoppen met braken tussen granisetron en placebo. De kwaliteit van bewijs is zeer laag, vanwege ernstige risico op bias en zeer ernstige risico op onnauwkeurigheid. 76  1  

Antihistaminica

We vonden geen RCT’s naar de effectiviteit en veiligheid van antihistaminica (meclozine, cyclizine) voor de behandeling van misselijkheid en braken bij kinderen met veronderstelde gastro-enteritis. 

Conclusies
Ondansetron
  • De conclusies zijn ontleend aan onderzoeken op de spoedeisendehulpafdelingen, omdat het onderzoek op de Nederlandse huisartsenpost van zeer lage kwaliteit is en daarom weinig aan het wetenschappelijke bewijs toevoegt.
  • Een eenmalige dosis ondansetron verlaagt waarschijnlijk de kans op ziekenhuisopname binnen 8 uur ten opzichte van placebo bij brakende kinderen met een veronderstelde gastro-enteritis (kwaliteit van bewijs: redelijk).
  • Een eenmalige dosis ondansetron resulteert mogelijk in een grotere kans op stoppen met braken binnen 8 uur ten opzichte van placebo (kwaliteit van bewijs: laag).
  • Er is waarschijnlijk niet of nauwelijks verschil in bijwerkingen (kwaliteit van bewijs: redelijk). We zijn onzeker over het effect van ondansetron op diarree, vanwege tegenstrijdige resultaten. In de KNMP Kennisbank zijn hoofdpijn en obstipatie als veelvoorkomende bijwerkingen beschreven. Ook zijn daarin zeldzame ernstige bijwerkingen beschreven zoals convulsies en hartritmestoornissen.
  • We zijn onzeker over het aanvullende effect van meerdere doses ondansetron.
Granisetron

We zijn onzeker, maar mogelijk is er niet of nauwelijks verschil in kans op ziekenhuisopnames en de kans op stoppen met braken binnen 24 uur (kwaliteit van bewijs: zeer laag).

Antihistaminica

We zijn onzeker over de effectiviteit en veiligheid van antihistaminica (meclozine, cyclizine) voor de behandeling van misselijkheid en braken bij kinderen met veronderstelde gastro-enteritis, vanwege gebrek aan onderzoek.

Ondansetron
Naar Samenvatting ›
  • Overweeg een eenmalige dosis ondansetron (offlabel) als aanvulling op ORS, alleen in geval van:
    • (een verhoogd risico op) dehydratie én
    • bemoeilijkte behandeling met ORS door aanhoudend braken of herhaaldelijk braken direct na ORS-toediening

 

  • Bespreek de voor- en nadelen van het toevoegen van ondansetron aan ORS-rehydratie:
    • Waarschijnlijk verlaagt een eenmalige dosis ondansetron ten opzichte van placebo, de kans op een ziekenhuisopname binnen 8 uur bij brakende kinderen met een veronderstelde gastro-enteritis. Daarnaast resulteert ondansetron mogelijk in een grotere kans op stoppen met braken binnen 8 uur.
    • De bijwerkingen zijn bij eenmalig doseren beperkt en mild van aard.
    • Het gebruik is offlabel.
    • Benadruk dat rehydratie het primaire doel is van de behandeling met ondansetron en niet zozeer het stoppen van het braken zelf.
    • Benadruk dat een zo goed mogelijke toediening van ORS essentieel blijft voor de succeskans van rehydratie.
Dosering
  • Geef eenmalig ondansetron oraal 0,1 mg/kg lichaamsgewicht, maximaal 8 mg (niet bij kinderen < 3 maanden).
  • Contra-indicaties: aangeboren lang QT-syndroom, hartaandoening, gebruik van andere (middel)hoog QT-verlengende medicatie.
Andere anti-emetica
Naar Samenvatting ›

Wij raden andere anti-emetica dan ondansetron bij de behandeling van misselijkheid en braken af bij kinderen vanwege het gebrek aan bewijs voor de effectiviteit en vanwege de bijwerkingen, die vooral op jonge leeftijd voorkomen.

Anti-emetica bij volwassenen
Naar Samenvatting ›
  • Wees terughoudend met anti-emetica bij volwassenen als behandeling van braken bij ongecompliceerde gastro-enteritis.
  • Bespreek dat de effectiviteit van deze middelen niet vaststaat en dat de behandeling gepaard kan gaan met mogelijke bijwerkingen.
  • Overweeg alleen in uitzonderlijke gevallen behandeling met een anti-emeticum (bijvoorbeeld bij noodzaak tot reizen, bij verhoogd risico op dehydratie).
  • Maak een keuze uit metoclopramide of domperidon op basis van de comorbiditeit, comedicatie, contra-indicaties en mogelijke bijwerkingen (zie tabel h3).
  • Houd de duur van de behandeling zo kort mogelijk.
  • Ondansetron: we bevelen ondansetron bij volwassenen niet aan. 
Tabel h3. Anti-emetica bij volwassen 

Middel

Dosering

Aangepaste dosering

 

Veel voorkomende bijwerkingen

 

Contra-indicaties

Interacties

 

Rijvaardigheid

Metoclopramide
tablet of zetpil

 

10 mg 1-3 dd max. 5 dagen

eGFR 10-50: 5 mg 1-3 dd
eGFR < 10: 2,5 mg 1-3 dd

1e keus bij zwangerschap 

 

Extrapiramidale stoornissen 1
Slaperigheid
Diarree

Verlengde QT-tijd
Ziekte van Parkinson


 

Dopaminerge parkinsonmiddelen en prolactineremmers

Bij combinatie met SSRI's neemt het risico op extrapiramidale verschijnselen toe

 

Niet rijden t/m 24 uur na inname

Domperidon 
(smelt)tablet

 

10 mg 1-3 dd max. 5 dagen

Verlaagde eGFR: nvt

 

1e keus bij lactatie

 

Droge mond

Verlengde QT-tijd
Elektrolytstoornissen 2
Onderliggende hartaandoening
Bradycardie
Ernstige levercirrose

 

Andere (middel)hoog QT-verlengende medicatie vanwege een verhoogd risico op hartritmestoornissen

Geen invloed

1 vooral bij jongvolwassenen en hoge doseringen
2 hypokaliëmie, hyperkaliëmie, hypomagnesiëmie

Details
Waarom deze aanbeveling?

Bij een gastro-enteritis moet de nadruk bij de behandeling liggen op voldoende vochttoediening en zo nodig behandeling met ORS. Het gebruik van ondansetron wordt niet aanbevolen vanwege de onduidelijkheid over de effectiviteit. Bovendien is ondansetron niet geregistreerd voor de indicatie misselijkheid en braken bij gastro-enteritis en is het daarnaast duurder dan een dopamine-antagonist.

Van bewijs naar aanbeveling

Gewenste en ongewenste effecten

  • We zijn onzeker over een verschil in behandelsucces, ziekenhuisopname of ernst van de diarree tussen oraal toegediende ondansetron en placebo (kwaliteit van bewijs: zeer laag).
  • We zijn onzeker, maar mogelijk geeft eenmalig ondansetron meer bijwerkingen zoals obstipatie en hoofdpijn (kwaliteit van bewijs: zeer laag). Veel voorkomende bijwerkingen uit andere bronnen zijn hoofdpijn, obstipatie en opvliegers. Ook zijn er zeldzame ernstige bijwerkingen beschreven.
  • Vanwege het gebrek aan onderzoek, zijn we onzeker over het effect van herhaalde toediening van ondansetron en over mogelijke verschillen in effectiviteit tussen oraal toegediend ondansetron, dopamine-antagonisten en placebo.

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs is zeer laag. Er is afgewaardeerd voor ernstige risico op bias, zeer ernstige onnauwkeurigheid en ernstig indirect bewijs voor de cruciale uitkomstmaat ziekenhuisopname bij ondansetron.

Waarden en voorkeuren

De werkgroep verwacht dat de meeste patiënten geen ondansetron willen proberen, omdat de middelen niet of nauwelijks effect hebben op het beloop van de misselijkheid bij gastro-enteritis maar wel potentieel ernstige bijwerkingen kunnen geven.

Kosten

Ondansetron is verkrijgbaar als 4 mg tablet (circa € 0,33 per stuk) en als 8 mg tablet (circa € 0,43 per stuk). Daarnaast is ondansetron beschikbaar als smelttablet. De kosten voor een smelttablet liggen aanzienlijk hoger. Een smelttablet 4 mg kost ruim € 3 per stuk en een smelttablet 8 mg kost bijna € 5 per stuk.

Aanvaardbaarheid

Ondansetron is gecontra-indiceerd bij een verlengde QT-tijd, cardiale comorbiditeit (zoals ischemische hartziekte, hartfalen, hartritmestoornissen) en elektrolytstoornissen.

Hoewel ondansetron vergelijkbaar is met domperidon wat betreft contra-indicaties en interacties, is ondansetron minder aanvaardbaar dan metoclopramide of domperidon omdat het niet is geregistreerd voor de indicatie misselijkheid en braken bij gastro-enteritis. Het gebruik is off label.

Haalbaarheid

Er worden geen haalbaarheidsproblemen verwacht. 

Samenvatting van bewijs (Ondansetron)
Uitgangsvraag

Is een 5HT3-antagonist aan te bevelen bij de behandeling van misselijkheid en braken door gastro-enteritis bij volwassenen in de huisartsenpraktijk?

PICO-tabel
PatiëntenVolwassenen die braken als gevolg van acute gastro-enteritis
Interventie5HT3-antagonisten oraal, eenmalig of herhaald
Vergelijking

Placebo

Geen behandeling of gebruikelijke zorg (ORS, dopamine-antagonisten)

Uitkomstmaten

Cruciaal

  • Ziekenhuisopname/SEH bezoek

  • Ernstige bijwerkingen

Belangrijk

  • Ernst van braken (frequentie en afname)

  • Ernst van diarree

  • Duur van de klachten (dehydratie, misselijkheid, braken, diarree)

 

De NHG-werkgroep heeft op basis van informele consensus de volgende grenzen voor klinisch relevante verschillen vastgesteld:

  • ziekenhuisopname (gemiddeld 5%): absolute daling > 1%
  • ernstige bijwerkingen: risico ratio > 1,25
  • braken: absolute daling > 10%
  • ernst diarree/misselijkheidsklachten: 20 mm verschil op een visueel analoge schaal (VAS) van 0 tot 100 mm
  • duur van de klachten: 1 dag korter

Achtergrond

Sinds een paar jaar is een eenmalige dosering ondansetron (5HT3-antagonist) te overwegen bij kinderen met (een verhoogd risico op) dehydratie die braken als gevolg van een gastro-enteritis (offlabel). Ondansetron is alleen in te zetten als aanvulling op ORS in geval van (een verhoogd risico op) dehydratie als kinderen erg vaak braken en dit rehydratie met ORS bemoeilijkt. Ondansetron toegevoegd aan ORS-rehydratie verlaagt mogelijk het risico op een ziekenhuisopname en persisterend braken binnen acht uur na toediening. Het is onduidelijk of het gebruik van ondansetron ook effectief is bij volwassenen met acute gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk.

Methoden

Er is een systematische literatuurzoekactie naar systematische reviews (SR’s) en RCT’s uitgevoerd in PubMed en Embase in december 2023, met een update in februari 2025.

Resultaten
Resultaat zoekactie

Uit de zoekresultaten selecteerden we de meest geschikte SR: zo recent mogelijk, met de beste aansluiting op de PICO en van voldoende kwaliteit. Het betrof een Cochranereview over anti-emetica bij volwassen met misselijkheid op een spoedeisende hulp afdeling. 83   In deze review werden vier RCT’s over ondansetron geïncludeerd, maar ze onderzochten alleen intraveneus toegediende ondansetron. Een aanvullende search na de zoekdatum van deze review (januari 2014) tot februari 2025 leverde 1 RCT op. 84  

Onderzoekskarakteristieken
  • Furyk 2015. Cochranereview met 4 RCT’s waarin volwassenen die misselijk waren (diverse oorzaken) werden gerandomiseerd naar eenmalig ondansetron 4 mg intraveneus, een ander intraveneus toegediend anti-emeticum (metoclopramide, prochlorperazine, promethazine) of placebo (n = 613; VS, Australië; SEH; mediane leeftijd variërend van 32 tot 42 jaar; merendeel vrouw).
  • Silverman 2019. RCT waarin patiënten (> 12 jaar) met veronderstelde gastro-enteritis werden gerandomiseerd naar eenmalig ondansetron (tablet 24 mg, waarvan 6 mg onmiddellijke afgifte en 18 mg gereguleerde afgifte) of placebo (n = 330; VS; SEH; gemiddelde leeftijd 29 jaar (8% jonger dan 18 jaar); 61% vrouw). Patiënten met ≥ 2 keer braken in de 4 uur voor aankomst op de SEH en < 3 dagen braken kwamen in aanmerking voor deelname aan het onderzoek. De follow-upduur was 1 dag. 84  
Effectiviteit en bijwerkingen

Zie de SoF-tabel Eénmalig oraal ondansetron vs placebo voor de samenvatting van de resultaten. Het effect van herhaalde toedieningen van ondansetron is niet onderzocht. Bovendien hebben we geen onderzoek gevonden waarin orale ondansetron werd vergeleken met een dopamine-antagonist. Uit de Cochranereview bleek dat er niet of nauwelijks verschil is in afname van de ernst van de misselijkheid 30 minuten na toediening van ondansetron intraveneus ten opzichte van placebo of een ander intraveneus toegediend anti-emeticum. Het effect van intraveneus toegediende ondansetron op ziekenhuis- of SEH-opnames is onzeker, omdat de onderzoeksresultaten tegenstrijdig zijn en er grote onnauwkeurigheid in de resultaten is. 83  
Bijwerkingen van (eenmalig) ondansetron lijken op basis van de geïncludeerde onderzoeken beperkt. Veel voorkomende bijwerkingen zijn hoofdpijn, obstipatie en opvliegers. Zeldzame ernstige bijwerkingen zijn convulsies, myocardischemie, hartritmestoornissen, serotoninesyndroom en ernstige bulleuze huidreacties (o.a. stevens-johnsonsyndroom en toxische epidermale necrolyse) (KNMP Kennisbank, geraadpleegd maart 2024).

Conclusies
  • We zijn onzeker over een verschil in behandelsucces, ziekenhuisopname of mate van de diarree tussen oraal toegediend ondansetron en placebo (kwaliteit van bewijs: zeer laag).
  • We zijn onzeker over het effect van herhaalde toediening van ondansetron en over mogelijke verschillen in effectiviteit tussen oraal toegediend ondansetron en dopamine-antagonisten, vanwege een gebrek aan onderzoek.
  • We zijn onzeker, maar mogelijk geeft ondansetron meer bijwerkingen zoals obstipatie en hoofdpijn (kwaliteit van bewijs: zeer laag). Uit andere bronnen komen dezelfde veel voorkomende bijwerkingen naar voren. Ook zijn er zeldzame ernstige bijwerkingen beschreven.
Samenvatting van bewijs (Dopamine-antagonisten)
Dopamine-antagonisten bij volwassenen

Dopamine-antagonisten (metoclopramide, domperidon) worden voorgeschreven bij een gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk, maar het is niet duidelijk hoe effectief deze middelen zijn in het tegengaan van misselijkheid en braken. Er is alleen onderzoek gedaan naar intraveneus toegediend metoclopramide bij volwassen met misselijkheid en braken op de spoedeisende hulp. Metoclopramide (intraveneus) lijkt niet of nauwelijks effectiever dan placebo in het verminderen van braken. 83  84   Bij gebruik van metoclopramide of domperidon kunnen wel potentieel ernstige bijwerkingen optreden.

Veel voorkomende bijwerkingen van metoclopramide zijn slaperigheid, extrapiramidale stoornissen (vooral bij jongvolwassenen en hoge doseringen) en diarree. Zeldzame ernstige bijwerkingen zijn convulsies, maligne antipsychoticasyndroom en suïcidale gedachten.

Een veel voorkomende bijwerking van domperidon is een droge mond. Zeldzame ernstige bijwerkingen zijn hartritmestoornissen (gebruik van domperidon is geassocieerd met een verhoogd risico op ernstige ventriculaire aritmieën en plotselinge hartdood, met name bij doseringen hoger dan 30 mg per dag en bij patiënten ouder dan 60 jaar).

Aanbeveling

Gezien het gebrek aan bewijs voor de effectiviteit voor dopamine-antagonisten en het risico op potentieel ernstige bijwerkingen, geeft de werkgroep een zwakke aanbeveling tegen het gebruik van deze middelen. Overweeg alleen in uitzonderlijke gevallen behandeling met een dopamine-antagonist. Maak een keuze uit metoclopramide of domperidon op basis van comorbiditeit, comedicatie, contra-indicaties en mogelijke bijwerkingen.

Gastro-enteritis met ernstige ziekteverschijnselen en/of met verhoogd risico op een ernstig beloop

Naar Samenvatting ›
Antibiotica
Naar Samenvatting ›
  • Overweeg antibiotica alleen bij ernstige ziekteverschijnselen (aanhoudende, hoge koorts in combinatie met frequente waterdunne diarree en/of bloed bij de ontlasting) of bij patiënten met een verhoogd risico op een ernstig beloop van de infectie (zie Evaluatie), tenzij er reden is om de patiënt te verwijzen, vanwege de mate van ziek-zijn:
    • Geef de antibiotica in aanvulling op (eventuele) behandeling met ORS.
    • Geef bij een onbekende verwekker, eventueel na overleg met de arts-microbioloog of internist-infectioloog, azitromycine (zie tabel h4).
    • Geef indien de verwekker bekend is gericht antibiotica op geleide van de uitslag van het fecesonderzoek en de resistentiebepaling, eventueel na overleg met de arts-microbioloog of internist-infectioloog (zie tabel h4). 
Tabel h4. Antibiotica bij gastro-enteritis 

Geen behandeling, tenzij ernstige ziekteverschijnselen of verhoogd risico op ernstig beloop

Verwekker

Bijzonderheden

Keuze antibioticum* 

Contra-indicaties/interacties

Onbekend

 

  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen

Azitromycine:

Contra-indicatie: verlengde QT-tijd 

Interactie: QT-verlengende medicatie

Bacteriën 

 

 

Ciprofloxacine:

Contra-indicatie: verlengde QT-tijd

Interactie: (middel)hoog QT-verlengende medicatie, calciumzouten

Campylobacter 

 
  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen

Ciprofloxacine ontraden in 2e en 3e trimester zwangerschap  

Salmonella 

 
  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen
  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 5 dagen #
  • Bij patiënt met verminderde afweer of endovasculair kunstmateriaal: behandelduur 14 dagen

(eGFR < 30: 500 mg 1 dd gedurende 5 dagen)

 

Shigella 

.

 

 

  • Azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen
  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 5 dagen #
  • Bij patiënt met verminderde afweer: behandelduur 7 dagen 

(eGFR < 30: 500 mg 1dd gedurende 5 dagen)

 

 

 

 

Yersinia 

Ook behandelindicatie bij complicaties zoals gewrichtsklachten of erythema nodosum  

  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 5 dagen

(eGFR < 30: 500 mg 1 dd gedurende 5 dagen)

 

EHEC/STEC

Antibiotica en diarreeremmende middelen zijn gecontra-indiceerd. 

 

 

 

ETEC

 
  • Ciprofloxacine 500 mg 2 dd gedurende 3 dagen #

(eGFR < 30: 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen)

 

Clostridioides difficile

Consulteer of verwijs voor het beleid.

 

 

Parasieten

 

 

 

Giardia lamblia

 

Symptoomloos dragerschap komt veel voor en hoeft niet behandeld te worden

Bij persisteren klachten na behandeling overleg met arts-microbioloog

Metronidazol 500 mg 3 dd gedurende 5 dagen

Kinderen 1 maand-18 jaar:

  • oraal 50 mg/kg per dag in 1 dosis, gedurende 3 dagen, max. 2000 mg/dag

Contra-indicatie: verlengde QT-tijd

Interactie: vitamine K-antagonisten (toename stollingstijd)

Metronidazol niet combineren met alcohol (t/m 72 uur na inname) 

Entamoeba histolytica 

Consulteer of verwijs voor behandeling (ook bij dragerschap)

 

 

Cryptosporidium

Antibiotica zijn niet effectief

 

 

Gebaseerd op de Richtlijn antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree van de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB)

* Alleen doseringen voor volwassenen. Voor kinderen, zie het Kinderformularium 

# indien bij kweek aangetoonde gevoeligheid

Details
Antibiotica

Het advies om als empirische behandeling alleen bij ernstige verschijnselen of bij patiënten met een verhoogd risico op een ernstig beloop van de infectie azitromycine 500 mg 1 dd gedurende 3 dagen te overwegen is gebaseerd op de SWAB-richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree. 7  
Hierbij is een afweging gemaakt tussen het potentieel gunstige effect van antibiotica op de duur en ernst van de symptomen van infectieuze diarree en de ontwikkeling van resistentie. Ook de behandeladviezen bij bekende verwekkers sluiten aan bij de SWAB-richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree, 2023.

Voor het beleid bij een Clostridioides difficile-infectie vindt de werkgroep consultatie van een internist of arts-microbioloog of verwijzing aangewezen.

Bij ongecompliceerde gastro-enteritis

Naar Samenvatting ›

Controle niet nodig.

Bij (verhoogd risico op) dehydratie

Naar Samenvatting ›
  • Instrueer bij achteruitgang contact op te nemen (zie ook NHG-Standaard Kinderen met koorts).
  • Overweeg (telefonische) herbeoordeling bij verhoogd risico op dehydratie na ongeveer 4 uur.
  • Herbeoordeel (eventueel telefonisch) bij dehydratie na ongeveer 4 uur.
  • Bepaal bij dehydratie het verdere beleid aan de hand van de herbeoordeling. Bij duidelijke klinische verbetering kan de dosering van ORS verlaagd worden, zie bij Verhoogd risico op dehydratie. Verwijs indien de klinische toestand niet duidelijk verbeterd is.

Bij ernstige ziekteverschijnselen of verhoogd risico op ernstig beloop

Naar Samenvatting ›

Spreek controles af na 1 tot 3 dagen, afhankelijk van de leeftijd van de patiënt en de mate van ziek-zijn (zie ook NHG-Standaard Kinderen met Koorts).

Beleid bij aanhoudende diarree

Naar Samenvatting ›
  • Blijf alert op een andere oorzaak voor de klachten (zie Evaluatie).
  • Diarree die > 7 dagen aanhoudt of herhaaldelijk optreedt, kan het gevolg zijn van een tijdelijke (secundaire) lactose-intolerantie na een gastro-enteritis:
  • Overweeg diagnostiek naar parasieten bij onvoldoende verbetering van de klachten na 14 dagen (zie figuur 1)
  • Behandeling van parasieten:
    • in geval van Giardia lamblia: behandel met metronidazol. Zie tabel h4
    • in geval van Entamoeba histolytica: consulteer of verwijs naar de internist voor behandeling
Details
Behandeling van parasieten

De adviezen betreffende de infecties door parasieten zijn gebaseerd op de SWAB-richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree. 7   De kinderdoseringen zijn overgenomen uit het Kinderformularium.

Voor de behandeling van een infectie met Entamoeba histolytica vindt de werkgroep consultatie of verwijzing aangewezen. De huisarts ziet zelden een Entamoeba histolytica-infectie. Gezien het potentieel ernstige beloop en eventuele noodzaak tot nabehandeling met paromomycine (niet geregistreerd in Nederland, alleen verkrijgbaar met een artsenverklaring) of clioquinol (risico op neurotoxische bijwerkingen).

Consultatie en verwijzing

Naar Samenvatting ›

Indicaties voor consultatie of verwijzing naar een internist of kinderarts zijn:

  • ernstige ziekteverschijnselen en/of verhoogd risico op een ernstig beloop (direct, afhankelijk van de mate van ziek-zijn of bij onvoldoende verbetering bij behandeling met antibiotica)
  • ernstige dehydratie
  • dehydratie:
    • bij kinderen < 3 maanden met dehydratie
    • wanneer patiënt of verzorger niet in staat is te zorgen voor rehydratie
    • bij een rehydratiepoging: indien de klinische toestand na ongeveer 4 uur rehydratie niet duidelijk verbeterd is
  • diarree met hevig rectaal bloedverlies
  • gastro-enteritis met Clostrioides difficile of Entamoeba histolytica als verwekkers
  • aanhoudende klachten en negatieve fecesdiagnostiek op parasieten (en geen aanwijzingen voor een andere oorzaak): overweeg overleg met de arts-microbioloog over aanvullend fecesonderzoek of verwijs

GGD

Naar Samenvatting ›

Voor een overzicht van meldingsplichtige infectieziekten zie detail Besmettingsgevaar.

Referenties

  1. Thielman NM, Guerrant RL. Clinical practice. Acute infectious diarrhea. N Engl J Med 2004;350:38–47.
  2. De Wit NJ, Witteman BJM. Diarree. Huisarts Wet 2002:478–82.
  3. De Wit MA, Kortbeek LM, Koopmans MP, De Jager CJ, Wannet WJ, Bartelds AI, et al. A comparison of gastroenteritis in a general practice-based study and a community-based study. Epidemiol Infect 2001d;127:389–97.
  4. Weghorst AAH, Bonvanie IJ, Holtman GA, De Boer MR, Berger MY. Course of uncomplicated acute gastroenteritis in children presenting to out-of-hours primary care. BMC Prim Care 2022;23:125.
  5. Rijntjes AG. Acute diarree in de huisartspraktijk. Een onderzoek naar anamnese en microbiële oorzaken [Proefschrift]. Maastricht: Rijksuniversiteit Limburg; 1987.
  6. Jameson J, Fauci A, Kasper D, Hauser S, Longo D, Loscalzo J. Harrison’s principles of internal medicine (2018); 1.
  7. SWAB. Richtlijn Antimicrobiële therapie voor acute infectieuze diarree. 2023.
  8. Pautas E, Siguret V, Kim TM, Chaïbi P, Golmard JL, Gouronnec A, et al. Anemia in the elderly: usefulness of an easy and comprehensive laboratory screen. Ann Biol Clin (Paris) 2012;70:643–7.
  9. Van Hommerig J, Overbeek L. Cijfers over ziekten op jaarbasis - hoe gezond is Nederland? (2025). https://www.nivel.nl/nl/resultaten-van-onderzoek/cijfers-ziekten-op-jaarbasis, geraadpleegd januari 2025.
  10. RIVM. Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands. 2023.
  11. Famenet. Gastrointestinal infection (D73) (2025). https://famenet.nl/gastrointestinal-infection-pdf/, geraadpleegd januari 2025.
  12. Kist-van Holthe JE, Van der Heijden AJ. Dehydratie ten gevolge van gastro-enteritis bij kinderen. Ned Tijdschr Geneesk 1999;143:193–6.
  13. Guarino A, Albano F, Ashkenazi S, Gendrel D, Hoekstra JH, Shamir R, et al. European Society for Paediatric Gastroenterology, Hepatology, and Nutrition/European Society for Paediatric Infectious Diseases evidence-based guidelines for the management of acute gastroenteritis in children in Europe: executive summary. J Pediatr Gastroenterol Nutr 2008;46:619–21.
  14. Holt PR. Diarrhea and malabsorption in the elderly. Gastroenterol Clin North Am 2001;30:427–44.
  15. Bruijnesteijn van Coppenraet LE, Dullaert-de Boer M, Ruijs GJ, Van der Reijden WA, Van der Zanden AG, Weel JF, et al. Case-control comparison of bacterial and protozoan microorganisms associated with gastroenteritis: application of molecular detection. Clin Microbiol Infect 2015;21:592.e9–19.
  16. De Wit MA, Koopmans MP, Kortbeek LM, Van Leeuwen NJ, Vinjé J, Van Duynhoven YT. Etiology of gastroenteritis in sentinel general practices in the Netherlands. Clin Infect Dis 2001b;33:280–8.
  17. Wolters P, Holtman GA, Weghorst AAH, Knoester M, Berger MY. Rotavirus and illness severity in children presenting with acute gastroenteritis at the primary care out-of-hours service. Eur J Gen Pract 2021;27:346–53.
  18. RIVM. Rotavirusvaccinatie (2025a). https://rijksvaccinatieprogramma.nl/vaccinaties/rotavirus, geraadpleegd maart 2025.
  19. RIVM. Jaarrapportage Surveillance van enterale infecties en zoönosen. 2022.
  20. LCI. LCI-richtlijn Shigellose (2025a). https://lci.rivm.nl/richtlijnen/shigellose, geraadpleegd januari 2025.
  21. LCI. LCI-richtlijn Clostridioides difficile (2025b). https://lci.rivm.nl/richtlijnen/clostridioides-difficile, geraadpleegd januari 2025.
  22. Van Prehn J, Chernova VO, Vendrik KEW, Kuijper EJ. Clostridiodes difficile-infecties in de eerste lijn. Ned Tijdschr Geneeskd 2023;167.
  23. Hensgens MP, Dekkers OM, Demeulemeester A, Buiting AG, Bloembergen P, Van Benthem BH, et al. Diarrhoea in general practice: when should a Clostridium difficile infection be considered? Results of a nested case-control study. Clin Microbiol Infect 2014;20:O1067–74.
  24. Hoogkamp-Korstanje JA. Voeding en gezondheid – infecties door voedsel. Ned Tijdschr Geneesk 2003;147:590–4.
  25. LCI. LCI-richtlijn Cryptosporidiose (2025c). https://lci.rivm.nl/richtlijnen/cryptosporidiose, geraadpleegd maart 2025.
  26. NVMM. Richtlijn Laboratoriumdiagnostiek van intestinale parasieten (2019). https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/lab-diagnostiek_van_intestinale_parasieten/startpagina.html.
  27. Longo DL, Kasper DL, Jameson JL, Fauci AS, Hauser SL, Loscalzo J. Harrison’s principles of internal medicine. New York: McGraw-Hill, 2012.
  28. CDC. Cyclosporiasis. 2023.
  29. De Wit MA, Koopmans MP, Kortbeek LM, Van Leeuwen NJ, Bartelds AI, Van Duynhoven YT. Gastroenteritis in sentinel general practices, The Netherlands. Emerg Infect Dis 2001a;7:82–91.
  30. Holtkamp G, Kranenberg J, Blaker M, Ott A, Leeuwen L-V, MY BY. Dientamoeba fragilis colonization is not associated with gastrointestinal symptoms in children at primary care level. Family Practice 2017;34:25–9.
  31. Banik GR, Barratt JL, Marriott D, Harkness J, Ellis JT, Stark D. A case-controlled study of Dientamoeba fragilis infections in children. Parasitology 2011;138:819–23.
  32. Finkelstein JA, Schwartz JS, Torrey S, Fleisher GR. Common clinical features as predictors of bacterial diarrhea in infants. Am J Emerg Med 1989;7:469–73.
  33. Opstelten W, Bijlsma JW, Gelinck LB, Hielkema CM, Verheij TJ, Van Eden W. Verminderde immuniteit: risicogroepen en gevolgen voor de huisartspraktijk. Ned Tijdschr Geneeskd 2016;160:A9752.
  34. NVK. Richtlijn Dehydratie bij kinderen (2023). https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/dehydratie_bij_kinderen/startpagina_-_dehydratie_bij_kinderen.html.
  35. Hooper L, Abdelhamid A, Attreed NJ, Campbell WW, Channell AM, Chassagne P, et al. Clinical symptoms, signs and tests for identification of impending and current water-loss dehydration in older people. Cochrane Database Syst Rev 2015;2015:CD009647.
  36. Steiner MJ, DeWalt DA, Byerley JS. Is this child dehydrated? Jama 2004;291:2746–54.
  37. Falszewska A, Szajewska H, Dziechciarz P. Diagnostic accuracy of three clinical dehydration scales: a systematic review. Arch Dis Child 2018;103:383–8.
  38. Kenney WL, Chiu P. Influence of age on thirst and fluid intake. Med Sci Sports Exerc 2001;33:1524–32.
  39. Van de Lisdonk EH, Van den Bosch WJHM, Lagro-Janssen ALM. Ziekten in de huisartspraktijk. 5th ed. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2008.
  40. Frese T, Klauss S, Herrmann K, Sandholzer H. Nausea and vomiting as the reasons for encounter in general practice. J Clin Med Res 2011;3:23–9.
  41. Nielen MMJ, Spronk I, Davids R, Zwaanswijk M, Verheij RA, J.C. K. Incidentie en prevalentie van gezondheidsproblemen in de Nederlandse huisartsenpraktijk in 2012. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn [Laatst gewijzigd op 17-12-2013]. http://www.nivel.nl/incidentie-en-prevalentiecijfers-in-de-huisartsenpraktijk (2013).
  42. Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartspraktijk. Bussum: Uitgeverij Coutinho, 1998.
  43. Molla AM, Sarker SA, Hossain M, Molla A, Greenough WB, 3rd. Rice-powder electrolyte solution as oral-therapy in diarrhoea due to Vibrio cholerae and Escherichia coli. Lancet 1982;1:1317–9.
  44. Brown KH, Gastañaduy AS, Saavedra JM, Lembcke J, Rivas D, Robertson AD, et al. Effect of continued oral feeding on clinical and nutritional outcomes of acute diarrhea in children. J Pediatr 1988;112:191–200.
  45. Brown KH, Peerson JM, Fontaine O. Use of nonhuman milks in the dietary management of young children with acute diarrhea: a meta-analysis of clinical trials. Pediatrics 1994;93:17–27.
  46. Guandalini S, Dincer AP. Nutritional management in diarrhoeal disease. Baillieres Clin Gastroenterol 1998;12:697–717.
  47. Sullivan PB. Nutritional management of acute diarrhea. Nutrition 1998;14:758–62.
  48. Rees L, Brook CG. Gradual reintroduction of full-strength milk after acute gastroenteritis in children. Lancet 1979;1:770–1.
  49. Dugdale A, Lovell S, Gibbs V, Ball D. Refeeding after acute gastroenteritis: a controlled study. Arch Dis Child 1982;57:76–8.
  50. Isolauri E, Vesikari T, Saha P, Viander M. Milk versus no milk in rapid refeeding after acute gastroenteritis. J Pediatr Gastroenterol Nutr 1986;5:254–61.
  51. Gottlieb T, Heather CS. Diarrhoea in adults (acute). BMJ Clin Evid 2011;2011.
  52. Li ST, Grossman DC, Cummings P. Loperamide therapy for acute diarrhea in children: systematic review and meta-analysis. PLoS Med 2007;4:e98.
  53. Fletcher P, Steffen R, DuPont H. Nutzen/risiko-abwägung bei der aufhebung der verschreibungspflicht von Loperamid. Arzneimittelforschung 1995;45:608–13.
  54. Dudink J, Mearin LM, Sukhai RN. Ileus na gebruik van loperamide bij een kind met acute diarree. Ned Tijdschr Geneesk 2003;147:670–2.
  55. Taminiau JA, Van Caillie-Bertrand M, Douwes AC, Felius A, Schulpen TW. De behandeling van acute gastro-enteritits bij kinderen. Ned Tijdschr Geneesk 1989;133:964–7.
  56. BCFI. Adsorbentia en adstringentia. 2014.
  57. Collinson S, Deans A, Padua-Zamora A, Gregorio GV, Li C, Dans LF, et al. Probiotics for treating acute infectious diarrhoea. Cochrane Database Syst Rev 2020;12:CD003048.
  58. Mourey F, Sureja V, Kheni D, Shah P, Parikh D, Upadhyay U, et al. A multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled trial of saccharomyces boulardii in infants and children with acute diarrhea. Pediatr Infect Dis J 2020;39:e347–e51.
  59. Ghosh A, Sundaram B, Bhattacharya P, Mohanty N, Dheivamani N, Mane S, et al. Effect of saccharomyces boulardii CNCM-I 3799 and bacillus subtilis CU-1 on acute watery diarrhea: a randomized double-blind placebo-controlled study in Indian children. Pediatr Gastroenterol Hepatol Nutr 2021;24:423–31.
  60. Chen K, Jin S, Ma Y, Cai L, Xu P, Nie Y, et al. Adjudicative efficacy of Bifidobacterium animalis subsp. lactis BLa80 in treating acute diarrhea in children: a randomized, double-blinded, placebo-controlled study. Eur J Clin Nutr 2024a;78:501–8.
  61. Chen K, Zeng K, Jin S, Ma Y, Cai L, Xu P, et al. Lacticaseibacillus rhamnosus LRa05 in the treatment of acute diarrhea in children: a randomized controlled trial. Front Nutr 2024b;11:1479186.
  62. Majeed M, Nagabhushanam K, Arumugam S, Chadalavada N, Seepana J, Annamalai T, et al. Probiotic Weizmannia coagulans MTCC 5856 as adjunct therapy in children's acute diarrhea-a randomized, double-blind, placebo-controlled study. Front Pediatr 2024;11:1338126.
  63. Avery ME, Snyder JD. Oral therapy for acute diarrhea. The underused simple solution. N Engl J Med 1990;323:891–4.
  64. King CK, Glass R, Bresee JS, Duggan C. Managing acute gastroenteritis among children: oral rehydration, maintenance, and nutritional therapy. MMWR Recomm Rep 2003;52:1–16.
  65. Urbain D, Belaiche J, De Vos M, Fiasse R, Hiele M, Huijghebaert S, et al. Treatment of acute diarrhoea: update of guidelines based on a critical interuniversity assessment of medications and current practices. Acta Gastroenterol Belg 2003;66:218–26.
  66. Sentongo TA. The use of oral rehydration solutions in children and adults. Curr Gastroenterol Rep 2004;6:307–13.
  67. Hahn S, Kim Y, Garner P. Reduced osmolarity oral rehydration solution for treating dehydration due to diarrhoea in children: systematic review. Bmj 2001;323:81–5.
  68. Fontaine O, editor Actualités sur les solutions de sels de réhydratation par voie orale dans le traitement des diarrhées de l'enfant 2003.
  69. Fontaine O, Gore SM, Pierce NF. Rice-based oral rehydration solution for treating diarrhoea. Cochrane Database Syst Rev 2000:CD001264.
  70. Fonseca BK, Holdgate A, Craig JC. Enteral vs intravenous rehydration therapy for children with gastroenteritis: a meta-analysis of randomized controlled trials. Arch Pediatr Adolesc Med 2004;158:483–90.
  71. Bellemare S, Hartling L, Wiebe N, Russell K, Craig WR, McConnell D, et al. Oral rehydration versus intravenous therapy for treating dehydration due to gastroenteritis in children: a meta-analysis of randomised controlled trials. BMC Med 2004;2:11.
  72. De Bruyn G. Diarrhoea in adults (acute). Clinical evidence (2006):[1031–48 pp.].
  73. Freedman SB, Willan AR, Boutis K, Schuh S. Effect of Dilute Apple Juice and Preferred Fluids vs Electrolyte Maintenance Solution on Treatment Failure Among Children With Mild Gastroenteritis: A Randomized Clinical Trial. JAMA. 2016 May 10;315(18):1966-74. doi: 10.1001/jama.2016.5352. PMID: 27131100.
  74. Fugetto F, Filice E, Biagi C, Pierantoni L, Gori D, Lanari M. Single-dose of ondansetron for vomiting in children and adolescents with acute gastroenteritis-an updated systematic review and meta-analysis. Eur J Pediatr 2020;179:1007–16.
  75. Niño-Serna LF, Acosta-Reyes J, Veroniki AA, Florez ID. Antiemetics in children with acute gastroenteritis: a meta-analysis. Pediatrics 2020;145.
  76. Qazi K, BinSalleeh HM, Shah UH, AlGhamedi N, Tamim H, Mubasher M, et al. Effectiveness of granisetron in controlling pediatric gastroenteritis-related vomiting after discharge from the ED. Am J Emerg Med 2014;32:1046–50.
  77. Bonvanie IJ, Weghorst AA, Holtman GA, Russchen HA, Fickweiler F, Verkade HJ, et al. Oral ondansetron for paediatric gastroenteritis in primary care: a randomised controlled trial. Br J Gen Pract 2021;71:e728–e35.
  78. Ramsook C, Sahagun-Carreon I, Kozinetz CA, Moro-Sutherland D. A randomized clinical trial comparing oral ondansetron with placebo in children with vomiting from acute gastroenteritis. Ann Emerg Med 2002;39:397–403.
  79. Yilmaz HL, Yildizdas RD, Sertdemir Y. Clinical trial: oral ondansetron for reducing vomiting secondary to acute gastroenteritis in children--a double-blind randomized study. Aliment Pharmacol Ther 2010;31:82–91.
  80. NICE. Management of vomiting in children and young people with gastroenteritis: ondansetron. 2014.
  81. Trivedi S, Schiltz B, Kanipakam R, Bos JM, Ackerman MJ, Ouellette Y. Effect of ondansetron on QT interval in patients cared for in the PICU. Pediatr Crit Care Med 2016;17:e317–23.
  82. Moermond CTA, Montforts MHMM, Roex EWM, Venhuis B, .J. Medicijnresten en waterkwaliteit: een update. RIVM, 12-10-2020; 2020.
  83. Furyk JS, Meek RA, Egerton-Warburton D. Drugs for the treatment of nausea and vomiting in adults in the emergency department setting. Cochrane Database Syst Rev 2015;2015:CD010106.
  84. Silverman RA, House SL, Meltzer AC, Hahn B, Lovato LM, Avarello J, et al. Bimodal release ondansetron for acute gastroenteritis among adolescents and adults: a randomized clinical trial. JAMA Netw Open 2019;2:e1914988.